Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

WILLEM VAN ORANJE, DE GRONDLEGGER VAN DE NEDERLANDSE STAAT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

WILLEM VAN ORANJE, DE GRONDLEGGER VAN DE NEDERLANDSE STAAT

29 minuten leestijd

door B. Stolk

Het is dit jaar 400 jaar geleden dat Willem van Oranje op initiatief van koning Philips II door de lafhartige sluipmoordenaar Balthasar Gerards werd vermoord.

Oranje was in de hand des Heeren een instrument om ons volk te leiden in de worsteling tegen de tirannie van Spanje. Zijn inzet en zijn inspirerend optreden zijn van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van de gebeurtenissen, die geleid hebben tot de vestiging van een vrije Nederlandse staat. Onze natie is zonder Oranje niet denkbaar; daarom is het een goede zaak dit jaar aandacht te besteden aan zijn persoon en werk.

Het is dan echter wel van het grootste belang vanuit welke optiek dit gebeurt. Het is niet moeilijk om door het verschaffen van een eenzijdige voorstelling van zaken, door het verzwijgen van bepaalde ontwikkelingen die van essentieel belang zijn voor een verantwoorde beeldvorming, een vertekening of zelfs vervalsing van de geschiedenis te geven.

Stuitende televisie-uitzending

Op stuitende wijze heeft dit plaatsgevonden door de Avro-televisie, die een film over het leven en werk van Willem van Oranje uitgezonden heeft.

In een tiental afleveringen heeft men breed uitgemeten over de losbandige levenswijze van Willem van Oranje aan het hof van Brussel. Televisieminnend Nederland kon zich vergapen aan prikkelende naaktscènes, aan de vertoning van drinkgelagen en braspartijen. De pornografische film betekent een ontmythologisering van de man die voor ons volk alles heeft opgeofferd wat hij bezat, zelfs zijn leven. Hij heeft de strijd tegen zijn vorst Philips II aangebonden, niet voor eigen eer en grootheid. In één van zijn brieven van 1569 schreef hij: „Ik strijd en lijd om de ere Gods te bevorderen en de vrijheid van het vaderland na te jagen". Het is waar dat Willem in zijn jonge jaren een losbandig en verkwistend leven geleid heeft. Wij behoeven deze jeugdzonden van Oranje niet te verzwijgen ofte verdoezelen. Wij moeten dan echter ook melding maken van het feit dat hij tot inkeer gekomen is en radicaal met dit leven gebroken heeft. Des te groter zal de bewondering en liefde zijn voor de man die, terwille van het volk der Nederlanden, van al zijn rijkdom afstand gedaan heeft en gekozen heeft voor een leven vol zorgen en gevaren, dat uitgelopen is op een tragische dood.

Het televisiedrama dat de Avro ons volk heeft voorgeschoteld was schokkend om haar perversiteit en eenzijdigheid. De naam Willem van Oranje roept bij velen van ons volk gelukkig een ander beeld voor de geest: dat van de , , Vader des Vaderlands", die een bron van inspiratie mag zijn voor degenen die thans de verantwoordelijkheid dragen voor de politiek van ons land. Dit beeld willen we trachten gestalte te geven door de geschiedenis te laten spreken.

Politieke en godsdienstige problemen

De Nederlandse staat is voortgekomen uit de opstand tegen de koning van Spanje. De oorzaak van deze opstand ligt in problemen die voornamelijk van staatkundige en godsdienstige aard waren. De staatkundige problemen waren de oudste en zijn als volgt te verklaren.

De Nederlanden bestonden uit een 17-taI gewesten, die door de voorouders van Phihps II verworven waren, deels door erfenis, deels door huwelijk, koop of oorlog. Het laatste gewest dat Karel V aan zijn gezag had onderworpen was Gelre in 1543. Elk van deze provincies had zijn eigen bestuursorganen, zijn eigen rechten en gewoonten en daar men in het algemeen zeer aan deze tradities gehecht was, hadden meerdere gewesten uitdrukkelijk bedongen dat deze rechten zouden worden gehandhaafd. Karel V en Philips 11 wilden de gev/esten echter zoveel mogelijk ondergeschikt maken aan een centraal bewind te Brussel, zodat de 17 gewesten als één land geregeerd konden worden. De Vlamingen, de Henegouwers, de Hollanders, de Friezen enz. voelden daar weinig voor. Wilde men zijn zaken bij de centrale regering bepleiten, dan moest men een verre en kostbare reis naar Brussel ondernemen. Bovendien trof men daar ambtenaren aan die uit de aard der zaak dikwijls onvoldoende op de hoogte waren van de plaatselijke verhoudingen.

Daarnaast probeerden Karel V en Philips II hun macht in de gewesten uit te breiden. Daarom wilden zij op alle sleutelposities, zoals die van baljuw, schout, burgemeester enz. zoveel mogelijk mensen benoemen die hun inzichten deelden, hun belangen verdedigden en hun wil uitvoerden. PhiHps 11 benoemde zelfs Spanjaarden op hoge posten, wat kwaad bloed zette bij de Luxemburgers, de Groningers, de Geldersen etc. Zij gaven er de voorkeur aan bestuurd te worden door mensen die uit hun eigen gewest voortkwamen en de verhoudingen kenden. Dit streven van de vorst naar centraüsatie en machtsuitbreiding en het streven van de landsdelen naar grotere zelfstandigheid riep spanningen op.

Daar kwam bij dat Karel V en Philips II door de prijsstijgingen die de gehele zestiende eeuw aanhielden en door de vele oorlogen o.a. met Frankrijk, dringend geld nodig hadden. Hun slechte financiële toestand zou hersteld kunnen worden, wanneer de Staten hoge beden zouden toestaan. Veel liever zouden zij echter een nieuw, modern belastingstelsel invoeren dat voor al de Nederlanden zou gelden en met één slag een eind zou maken aan hun financiële zorgen. Voorstellen hiertoe leden echter schipbreuk en de regering was gedwongen op de oude wijze met de afzonderlijke gewesten te onderhandelen, om zo geld in de vorm van beden los te krijgen. Met name Philips II schuwde deze bedelaarsrol; bovendien leidde ze niet tot het gewenste resultaat. Elk gewest meende dat het, vergeleken met de andere, te zwaar belast werd; alle gewesten tesamen voelden weinig voor de Franse oorlogen, waar hun vorst, grotendeels om niet-Nederlandse belangen, in verwikkeld was. De beide vorsten wilden dus op meerdere punten een vernieuwing, een modernisering doorvoeren, terwijl de Staten van de afzonderlijke gewesten zich beriepen op de oude gewoonten, soms zelfs op geschreven privileges. Karel V had op de weg naar modernisering van het bestuur enige vorderingen gemaakt, maar de weerstanden bleven krachtig, temeer omdat zijn zoon Philips II zich veel meer Spanjaard voelde dan Nederlander.

Niet minder belangrijk waren de spanningen, die werden opgeroepen door de invloed van de leer der Reformatie onder ons volk. Het zaad van Gods Woord werd in ons land rijk gezegend; velen werden gewonnen voor de „nieuwe leer", wat voor hen een breuk betekende met de Kerk van Rome. Philips II was fanatiek rooms en een krachtig voorstander van de Contra-Reformatie. Alle niet-roomsen beschouwde hij als zijn vijanden die hij te vuur en te zwaard vervolgde. Dit bracht hem zowel in strijd met de Calvinisten als met de Humanisten; laatstgenoemden ijverden in de geest van de invloedrijke Erasmus voor verdraagzaamheid en vrijheid van geweten.

Afstamming en jeugd van Oranje

Het is in dit tijdsgewricht dat Willem van Oranje optreedt en in een later stadium de spil vormt in de politieke ontwikkeling. Hij stamde uit het doorluchtig huis van Nassau, dat in 1403 een vertakking had gekregen in de Nederlanden door het huwelijk van Engelbrecht I van Nassau met Johanna van Polanen, erfdochter van Breda en vele andere heerlijkheden.

De Nassau's behoorden sindsdien tot de voornaamste raadslieden van de hertogen van Bourgondié. Engelbrecht II van Nassau richtte in Brussel het weelderige Hof van Nassau in. Zijn neef en opvolger Hendrik van Nassau huwde met Claudia van Chalons, erfdochter van het

prinsdom Oranje. Hun enige zoon, René van Chalons, prins van Oranje, sneuvelde in 1544 op 26-jarige leeftijd in de strijd tegen Frankrijk. Met zijn dood stierf de Brabantse tak van het Huis van Nassau uit. De erfenis van Oranje-Nassau ging toen over op de oudste zoon van de Duitse tak, op Willem, de zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg.

Daar zij luthers waren, stelde Karel V als voorwaarde dat de 11-jarige prins Willem verder aan het hof te Brussel in de rooms-katholieke leer werd opgevoed. Door zijn innemende manieren en schitterende talenten was hij al spoedig de gunsteling van Karel V en de landvoogdes Maria van Hongarije. De omgang met de 16 jaar oudere Granvelle verrijkte zijn kennis en ontwikkeling. In korte tijd verwierf hij diverse belangrijke functies: in 1555 werd hij kapitein-generaal van een grensleger, lid van de Raad van State en kreeg hij de hoge onderscheiding van ridder van de Orde van het Gulden Vlies. Vier jaar later werd hij stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht.

Nadat Willem in 1551 in het huwelijk getreden was met Anna van Buren, de enige dochter van één der vermaardste krijgsoversten van Karel V, voerde hij aan het Hof van Nassau te Breda een waarlijk vorstelijke hofhouding. Het hof was zeer luxueus ingericht, men baadde er in weelde en genoot er van overdadige festijnen. Willem heeft er als één der rijkste edellieden van zijn tijd het leven geleid van zijn stand: vorstelijk, verkwistend, zonder veel levensernst. In naam was hij rooms-katholiek, in werkelijkheid liet de godsdienst hem vrij onverschillig. Naar het scheen was het zaad van de opvoeding uit Gods Woord, dat in het bijzonder door zijn moeder zo rijkelijk in het hart van Willem was gestrooid, geheel verstikt door de zorgvuldigheden van de wereld en de verleiding van de rijkdom.

Beslissende wending

In 1558 stierf Anna van Buren; het jaar 1559 is, naar het getuigenis van Oranje zelf, beslissend geweest voor zijn hele leven. In dat jaar vertoefde hij als gijzelaar tijdens de vredesonderhandelingen in Frankrijk.

Tijdens een jachtpartij in het bos van Vincennes vernam hij van de Franse koning dat Philips II en Alva plannen hadden gesmeed om de ketterij in de Nederlanden met alle gewelddadige middelen uit te roeien. „Ik beken", zo schrijft Oranje later, , , dat ik bij het zien van deze dingen van toen af aan welberaden op mij heb genomen dat Spaanse gespuis te helpen verjagen". Deze woorden geven het verzet van Oranje weer tegen de gewetensdwang, alsmede tegen de absolutistische regeringsvorm, die Philips II zonodig met behulp van zijn Spaanse troepen op wilde leggen. Oranje wilde een nationale regering onder leiding van de Nederlandse adel en met medewerking van de Staten-Generaal, onder oppergezag van de koning. Deze zou echter rekening moeten houden met de rechten en vrijheden van het volk. De koning heeft toen reeds begrepen dat Oranje de ziel van het verzet was. Bij zijn vertrek naar Spanje in hetzelfde jaar 1559 zou hij hem de woorden hebben toegevoegd, die historisch misschien niet juist zijn maar die de situatie toch goed weergeven: „Niet de Staten, maar gij, gij, gij!"

Oranje contra Granvelle

Voor zijn vertrek droeg Philips II het bestuur van de Nederlanden op aan zijn halfzuster Margaretha van Parma. Ze werd officieel terzijde gestaan door de Raad van State. Hierin had de hoge adel zitting, van wie de prins van Oranje en de graaf van Egmond de voornaamsten waren. Margaretha had echter van de koning de opdracht gekregen om over alle belangrijke zaken overleg te plegen met Philips' vertrouweling, kardinaal Granvelle. Dit moest tot spanningen leiden met de hoge adel. Niet alleen was Granvelle een vreemdeling van Bourgondische afkomst; daarnaast wilde hij echter zoveel mogelijk de belangen van de koning behartigen door een krachtig modern bestuur met een goed georganiseerd ambtelijk apparaat door te voeren. De hoge adel daarentegen had vanouds een groot aandeel in het bestuur, waarbij ze naast hun eigen standsbelangen de belangen en wensen van de Nederlanden voorstonden. Daar kwam bovendien nog bij dat Granvelle zich geheel kon vinden in de harde lijn van Philips II tegenover de ketters, terwijl de hoge adel, hoewel ze zich bereid verklaarde het rooms-katholieke geloof te verdedigen, een veel gematigder standpunt innam.

De toch al moeilijke verhouding spitste zich nog verder toe toen Philips II in 1559 de kerkelijke indehng van de Nederlanden reorganiseerde. Tot nu toe behoorden deze gewesten tot de aartsbisdommen Keulen, Reims en Trier. Bij de nieuwe kerkelijke indeling kwamen er 3 Nederlandse aartsbisdommen - Mechelen, Kamerijk en Utrecht - verdeeld in 18 bisdom-

men. In alle lagen van de bevolking verwekte de reorganisatie van de bisdommen verzet. In het algemeen vreesde men een strenger toezicht van de hogere geestelijkheid en een krachtiger bestrijding van de ketterij. Het onbehagen ontlaadde zich op het hoofd van Granvelle, die aartsbisschop van Mechelen was geworden, terwijl hij bovendien door de paus tot kardinaal was benoemd.

In 1561 wisten de Staten-Generaal, gesteund door de hoge adel, te bereiken dat Philips II de in ons land achtergebleven Spaanse troepen terugriep. In 1563 schreven Oranje, Egmond en Hoorne aan de koning dat zij niet langer zitting wensten te hebben in de Raad van State zolang Granvelle de leiding van de regering had. Tenslotte liet de koning, op advies van Margaretha, Granvelle vallen. Onder een voorwendsel verliet deze in maart 1564 het land, waarop de edelen terugkeerden in de Raad.

Confrontatie tussen Oranje en Philips II

Het vertrek van Granvelle betekende geen einde van de kettervervolging, waardoor de spanningen eer toe-dan afnamen. Daarom besloten de hoge edelen in de Raad van State eind 1564 Egmond naar Spanje te zenden om nogmaals een poging te doen de koning tot andere gedachten te brengen.

Op oudejaarsavond 1564 was de Raad van State onder voorzitterschap van de landvoogdes bijeen om de door Vighus opgestelde instructie te bespreken volgens welke Egmond handelen moest. Als reactie op de zijns inziens te matte instructie hield de prins van Oranje een lange redevoering, die culmineerde in de beroemd geworden woorden: , , De koning dwaalt als hij meent, dat Nederland, temidden van landen waar godsdienstvrijheid bestaat, voortdurend de bloedige plakkaten verdragen kan. Hoezeer ik aan het katholieke geloof gehecht ben, ik kan niet goedkeuren, dat vorsten over het geweten hunner onderdanen willen heersen en hun de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen".

Zulke merkwaardige woorden waren nog nooit in de Raad van State gehoord. Zij openden een nieuw tijdvak in de geschiedenis van het voorspel tot de oorlog. De woorden, door Oranje in deze gedenkwaardige vergadering gesproken, waren een oorlogsverklaring aan de koning. Willem van Oranje kwam hier principieel tegenover zijn vorst te staan.

Het antwoord van de koning op het verzoek van de hoge adel was teleurstellend: de kettervervolging moest onvoorwaardelijk volgens de plakkaten worden voortgezet.

Na deze scherpe confrontatie tussen Philips II en Oranje ontwikkelden de gebeurtenissen zich in een stroomversnelling, die de hoge adel niet meer in de hand kon houden.

In 1566 brak de beeldenstorm los, die ingrijpende gevolgen had. De landvoogdes eiste een nieuwe eed van trouw van de gehele adel. Velen van hen, die de schijn wilden vermijden met de beeldenstormers te heulen, sloten zich weer bij de koning aan. Oranje weigerde echter de gevraagde eed af te leggen. Wel keerde hij zich fel tegen de beeldenstormers: in Antwerpen heeft hij enkele raddraaiers laten ophangen.

Tot nu toe had Oranje een voorzichtige, aarzelende houding aangenomen; hij trachtte langs wettige of althans diplomatieke weg iets voor zijn volk te bereiken. Hierdoor bracht hij

zichzelf in een moeilijk parket, daar hij het vertrouwen verloor van zowel Philips II als van de protestanten.

Tijd van beproeving en loutering

Deze houding veranderde in 1567, toen de hertog van Alva met zijn keurcorps Brussel binnenrukte, om de Nederlandse problemen met harde hand tot een oplossing te brengen. Oranje zag zich nu genoodzaakt ons land te verlaten; hij begaf zich naar de Dillenburg. Deze tweede levensperiode, die hij op het voorvaderlijk slot heeft doorgebracht, zijn jaren geweest van diepe beproevingen en tegenslagen. Militaire ondernemingen om zijn door Alva vertrapte en vernederde volk te bevrijden, leden in 1568 schipbreuk en ruïneerden hem financieel, temeer daar Alva al zijn goederen in de Nederlanden in beslag had genomen. Daarbij ging hij gebukt onder huiselijk leed. In 1567 werd zijn oudste zoon PhiUps Willem, die op de hogeschool in Leuven studeerde, door Alva opgehcht en naar Spanje gezonden. Daar werd hij in de roomse leer opgevoed en groeide hij op als een Spanjaard. Prins Willem heeft deze zoon nooit meer teruggezien.

Nog erger was het, dat het in 1561 gesloten huwelijk met Anna van Saksen geheel stuk gelopen was. Anna was geestesziek. Buien van luidruchtige vrolijkheid wisselden af met tijden van diepe neerslachtigheid. Ze sloot zich soms dagen op en raakte tenslotte verslaafd aan de drank. In 1568 verliet ze de Dillenburg en vertrok naar Keulen, waar ze in overspel leefde met de Antwerpse schepen Jan Rubens, vader van de bekende schilder Rubens. Vanaf het ogenblik dat de echtbreuk bewezen was, heeft de prins zich nooit meer met haar ingelaten. Ze werd in 1575 naar Dresden vervoerd, waar ze in 1577 volslagen krankzinnig overleed.

De moeder en broers van Willem zijn hem op de Dillenburg in deze moeilijke omstandigheden tot grote steun geweest. Zij hebben hem ertoe gebracht Gods Woord te gaan lezen.

De wegen van druk en smart hebben door de werking van Gods Geest die innerlijke loutering en godsdienstige verdieping gebracht, dat er een geestelijke verandering in het leven van prins Willem heeft plaatsgegrepen. Daar op het vaderlijk slot, waar zoveel goede herinneringen uit zijn jeugd weer wakker werden, is het geloof in het hart van Willem doorgebroken. Het is in deze tijd dat hij overging tot de leer waarin hij gedoopt en opgevoed was, tot de Lutherse godsdienst.

De aanvang van de strijd

In 1568 stelde de prins pogingen in het werk om Alva met zijn troepen uit ons land te verdrijven. Zijn broer Lodewijk werd, na een aanvankelijke overwinning bij Heiligerlee, bij Jemmingen geheel verslagen. De prins zelf ondernam een vergeefse tocht over de Maas. Alva was heer en meester en trachtte ons volk met ijzeren vuist zijn wil op te leggen.

De verrassende wending vond plaats op 1 april 1572, toen de Watergeuzen zich als bij toeval meester maakten van Den Briel. Deze gebeurtenis kan met recht de dageraad der vrijheid

worden genoemd, daar tal van steden hierop de Spaanse bezetting verdreven en de zijde van de prins icozen. Veel ballingen kwamen nu uit het buitenland terug. Deze Calvinisten kregen weldra de leiding in het bestuur van verscheidene steden. Zij zijn het geweest, die met kracht de opstand hebben voortgezet. Om deze te organiseren, spoorde Oranje aan tot het samenroepen van een Statenvergadering, een zaak die in wezen tot de bevoegdheid van de landvoogd behoorde. Dordrecht, de oudste stad van Holland, riep haar bijeen.

Door deze daad verzekerden de Staten zich van een aandeel in de regering. Op de Statenvergadering, waar de prins vertegenwoordigd was door zijn secretaris Marnix van St. Aldegonde, werd Oranje erkend als stadhouder van Philips II; tevens werden maatregelen genomen om gelden in te zamelen om de oorlog te kunnen voeren. Wat de godsdienst betreft werd besloten dat de Rooms-Katholieken en de Calvinisten gelijke rechten zouden hebben, totdat de Staten-Generaal dit punt nader zouden hebben geregeld. Dit is een dode letter gebleven; in 1573 werd in Holland de roomse godsdienst verboden. Vanaf die tijd treedt het politieke element in de strijd op de achtergrond en komt het godsdienstige meer naar voren.

De prins wordt Calvinist

Aan het eind van de zestiger jaren heeft de prins geruime tijd in Frankrijk vertoefd. Hij is daar in onmiddellijk contact gekomen met vooraanstaande hugenoten als De Coligny en Du Plessis Mornay. De historicus P.J. Blok schrijft hierover: „Hij zag een gans leger vóór de strijd op de knieën bidden om de zege, ernstig en gelovig zich verenigend in het gebed tot de Heere, die zij als hun God, hun bijzondere beschermer, loofden met de vrome psalmen van Marot". Dit alles moet grote indruk op de prins hebben gemaakt. Vooral ook door de invloed van Marnix van St. Aldegonde, die in 1570 als particulier secretaris in zijn dienst trad, heeft Oranje steeds meer de zijde van het Calvinisme gekozen. Zeker zullen ook politieke motieven bij deze keuze een rol hebben gespeeld. Van de Lutheranen viel voor de bevrijding der Nederlanden immers niets te verwachten, daar zij gewapend verzet uit den boze achtten. Maar met de verstandelijk-politieke overwegingen van de prins ging meer en meer een innerlijke gemoeds-en geloofsovertuiging gepaard. Deze ontwikkeling is in zijn correspondentie te volgen; vooral zijn brieven uit de latere jaren vertolken een diep en innig geloof.

De prins is in 1573 openlijk tot het Calvinisme overgegaan. In een brief van 23 oktober 1573 aan de Hollandse gemeente te Londen schrijft ds. Wilhelmi van Dordrecht, dat Oranje deelgenomen heeft aan het Heilig Avondmaal, , , hetwelcke niet klein te achten en is".

Naarmate de prins zich met vaster overtuiging met het Calvinisme verbonden gevoelde, is hij ook steeds meer tot het inzicht gekomen dat niet in de eerste plaats de vrijheid, maar de religie het grondbeginsel en de bezielende kracht van de opstand tegen Spanje was.

De prins en de Calvinisten

De onderlinge verhouding tussen Rooms-Katholieken en Calvinisten is voor Oranje één van

zijn zwaarste staatkundige problemen geweest; ze heeft er tenslotte toe geleid dat de Nederlanden uiteengevallen zijn in een protestants en rooms-katholiek deel.

De prins heeft altijd het beginsel van tolerante gezindheid jegens andersdenkenden gekoesterd. Ook hier kunnen we de vraag stellen of zijn tolerantie voortkwam uit innerlijke overtuiging dan wel uit pohtieke overwegingen. Immers, in de eensgezindheid der Nederlanden zag hij het machtigste wapen in de strijd tegen de tirannie.

Velen van de Calvinisten in Holland en Zeeland hadden weinig problemen met de vrijheid van conscientie voor de rooms-katholieken. De vrijheid om de eredienst in het openbaar uit te oefenen achtten meerderen echter te ver gaan. Daar kwam bij dat de roomsgezinden, vaak terecht, verdacht waren vanwege hun sympathieën voor Spanje. Met het oog daarop kon de prins dan ook het besluit van de Staten van 1573, waarbij de roomse eredienst in Holland en Zeeland verboden werd, billijken. Overigens is het zeker dat dit argument van verraad vaak als voorwendsel werd gebruikt, wanneer men zich van de roomse eredienst wenste te ontdoen. Voor zijn streven naar onderlinge verdraagzaamheid vond de prins in het algemeen meer begrip bij de magistraten dan bij de kerkelijke leiders en het eenvoudige volk. De leden van de aanzienlijke volksklassen hadden vaak meer de invloed ondergaan van Erasmus dan van Calvijn; ook uit commerciële motieven wilden zij de godsdienstige tegenstellingen niet op de spits drijven. De strenge Calvinisten zagen in de mildheid van de magistraten ernstige gevaren voor geloof en Kerk.

Nu is het beslist niet zo dat de prins in zijn godsdienstpoUtiek slechts steun vond bij de „poHtieken" of „libertijnen", terwijl de „kerkelijken" hem zonder meer tegenwerkten. Een groot aantal van 's prinsen directe medewerkers, zoals Mamix, Du Plessis Mornay, de VUliers en Jean Taffm, waren onverdachte Calvinisten. De synode van 1578, vergaderd te Dordrecht, diende twee verzoekschriften in bij aartshertog Matthias en de Raad van State, waarin niet

alleen voor de Calvinisten vrije uitoefening van religie verzocht werd, maar ook voor de Roomsen, en dat zelfs in Holland en Zeeland, waar sedert 1573 de roomse godsdienstoefening verboden was. Dit bewijst dat tot in de meest toonaangevende en leidende kringen van het Calvinisme begrip gevonden werd voor een verdraagzame godsdienstpolitiek.

Van pacificatie tot religievrede

Nadat de Watergeuzen in 1572 Den Briel veroverd hadden en de opstand in Dordrecht georganiseerd was, laaide de strijd van Holland en Zeeland tegen Alva op. We stippen de wraaktocht van Don Frederik en de belegeringen van Haarlem, Alkmaar en Leiden slechts aan. In 1576 stierf onverwachts de Spaanse landvoogd Requesens, waarna de Spaanse troepen, die geruime tijd geen soldij hadden ontvangen, in het rijke Zuiden aan het muiten sloegen. Dit veroorzaakte zo'n grote onrust in het land dat de Staten-Generaal werden bijeengeroepen om gezamenlijk te overleggen hoe men deze Spaanse furie zou kunnen bedwingen.

Holland en Zeeland, geleid door de prins, waren in deze statenvergadering niet vertegenwoordigd, daar zij in opstand waren. De Staten-Generaal knoopten aanstonds onderhandelingen aan met Oranje, die onmiddellijk troepen naar Gent zond. Enkele dagen later kwam het tot een vredesverdrag tussen de 17 gewesten: de Pacificatie van Gent. Er werd bepaald, dat men er gemeenschappelijk naar zou streven om de Spaanse soldaten uit het land te verdrijven. De godsdienstkwestie bleef onbeslist. Deze zou door een buitengewone vergadering van de Staten-Generaal worden geregeld. Alle plakkaten zouden zolang buiten werking worden gesteld. In Holland en Zeeland bleef de roomse godsdienst verboden, in de overige provincies mocht niets tegen deze godsdienst worden ondernomen.

Voor de prins is deze Pacificatie een hoogtepunt geweest in zijn politiek van nationale eenheid en religieuze verdraagzaamheid. Sinds 1572 had hij er immers naar gestreefd alle Nederlandse gewesten te verenigen in de strijd tegen de vreemde overheersing. In 1577 werd de vrede tussen de 17 gewesten bevestigd door een verbond, de eerste Unie van Brussel.

Inmiddels had Philips II een nieuwe landvoogd gezonden, zijn halfbroer Don Juan. Zijn onderhandelingen met de Staten-Generaal liepen hierop uit dat hij de Spaanse troepen verwijderde en het Eeuwig Edict tekende. Het onderscheid tussen Eeuwig Edict en Pacificatie is, dat in eerstgenoemde overeenkomst, in tegenstelling tot de Pacificatie werd bepaald, dat het Rooms-Katholicisme overal de heersende godsdienst zou zijn. Vandaar dat Holland, Zeeland en Oranje het Eeuwig Edict niet konden aanvaarden en Don Juan niet erkenden.

Daar de landvoogd een onbetrouwbaar man bleek, zochten de Staten-Generaal opnieuw toenadering tot de prins. Op aandrang van het volk werd hem verzocht naar Brussel te komen, waar hij als een vorst werd binnengehaald.

Zelfs wist Oranje de band tussen alle gewesten nog te versterken door de tweede Unie van Brussel, waarbij de Pacificatie bevestigd werd. Holland en Zeeland beloofden de anderen niet in de vrije uitoefening van de roomse religie te zullen hinderen.

Toch zou de kwestie van de godsdienst een splijtzwam vormen tussen Noord en Zuid. Van de

naleving van de Pacificatie is weinig terechtgekomen. Het ideaal van de prins, een nationaal verzet tegen Spanje waarbij Roomsen en Protestanten zouden samenwerken, moest mislukken. De Roomsen waren principieel tegen de vrijheid van godsdienst; zij waren slechts voor de overeenkomst gewonnen op grond van de gedachte dat het Katholicisme in de 15 gewesten buiten Holland en Zeeland als enig erkende godsdienst zou gelden. Vele Calvinisten wilden, als zij het heft in handen hadden, de openlijke uitoefening van de roomse godsdienst niet toelaten. Onder leiding van geslepen volksmenners als Hembyze en Rijhove ging men zich, in het bijzonder te Gent, te buiten aan het plunderen van kerken, kloosterroof, bespotting en mishandehng van geestelijken enz. Deze radicale groep ontving steun van een leger uit de Paltz, onder aanvoering van Johan Casimir, die o.a. zijn hofprediker Petrus Datheen en de diplomaat Petrus Beutterich had meegebracht. Vooral de laatste oefende funeste invloed uit. De prins schold hij uit voor een atheist, wat hem zwaar gegriefd heeft.

„Had hij mij een dwaas genoemd of iets van dien aard", heeft Oranje in een gesprek met Johan Casimir eens heftig uitgeroepen, „ik zou niets hebben gezegd, maar mij met zulk een misdaad te belasteren, in de wens mij van U te scheiden, dat is volstrekt onredelijk!" Ook Petrus Datheen, die tot 1578 de politiek van de prins gesteund heeft, geraakte helaas onder invloed van deze extremisten en kwam daardoor in heftig conflict met de prins. Hij begreep niets van de verdraagzaamheid van de politicus Oranje; hij kon haar alleen verklaren uit godsdienstige onverschilligheid. Hij noemde hem een libertijn, die net zo gemakkelijk van godsdienst veranderde als een ander van zijn kleren. Deze heftige opstelUng van Datheen leidde tot een breuk met Oranje, die nooit meer geheeld is en hem eindelijk noodzaakte het land te verlaten.

Enige keren in 1578 en 1579 is Oranje, niet zonder persoonlijk levensgevaar, naar Gent getogen. Ook Du Plessis Mornay reisde als afgezant van de prins van stad tot stad in geheel Vlaanderen rond om de Calvinisten tot matiging te bewegen. In woord en geschrift toonde Mornay aan „dat de Gereformeerde godsdienst moest gepredikt worden en niet met geweld opgelegd, de beeldendienst bestreden met het Woord Gods en niet met de hamers van mensen".

De religievrede en de beide Unies

De prins heeft nog getracht de situatie te redden door te bewerken dat de Religievrede werd uitgevaardigd. Hierbij werd bepaald dat vrijheid van openbare godsdienstoefening zou worden toegestaan overal waar 100 gezinnen dit verlangden. De Religievrede heeft geen resultaat gehad en eer kwaad dan goed gedaan. Reeds de gewestelijke Staten konden er geen van alle mee instemmen. En voor de Calvinisten was hij in de meeste gevallen onaannemelijk, omdat zij op tal van plaatsen reeds een alleenheerschappij hadden veroverd en thans zouden moeten toestaan dat de afgeschafte roomse godsdienstoefening weer in ere hersteld zou worden. Datheen te Gent ging fel tegen Oranje te keer en riep uit dat hij „noyt in der schrift ofte kerckhistoriën gelesen hadde, dat enig christelijk potentaat die openbare uytgeroyde affgoderie oyt wederom opgericht hadde off dat tselve met goeder conscientie geschieden konde". Belangwekkend is, dat Beza het in dezen voor de prins heeft opgenomen. „Mij

dunkt", zo schrijft hij, , , Oranje weet zelf wel wat hij doet. En bovendien heeft hij vrome en geleerde mannen tot raadgevers. Is er trouwens ook geen onderscheid tussen een regeerder in vollen rechte en iemand, die zich aan zekere wetten en condities heeft te houden? " Dit oordeel toont begrip voor de uiterst precaire toestand, waarmee prins Willem rekening had te houden. Zijn godsdienstpohtiek sproot voort uit een sterk verantwoordelijkheidsgevoel voor de nationale eendracht in de strijd tegen de Spaanse tirannie.

Na de mislukking zowel van de Pacificatie als van de Religievrede kon de eenheid niet meer gered worden. Daar kwam bij dat de hoge adel in het Zuiden, geleid door de streng-Roomse en koningsgetrouwe Aerschot, met steeds meer jaloezie vervuld werd tegenover de , , ketter" Willem van Oranje. De opvolger van de in 1578 overleden landvoogd Don Juan, de buitengewoon energieke en bekwame hertog van Parma, maakte handig van de verdeeldheid in het Zuiden gebruik. Hij wist de Waalse gewesten naar zijn zijde over te halen. Zij verzoenden zich op 9 januari 1579 met de koning door de Unie van Atrecht te sluiten, waarin uitdrukkelijk bepaald werd dat elke andere dan de katholieke religie verboden was.

Op initiatief van Jan van Nassau, die in 1578 stadhouder van Gelderland geworden was. kwam 2 weken later, op 23 januari, de Unie van Utrecht tot stand. Hierbij sloten zich aan Holland, Zeeland en Utrecht, Friesland, de Ommelanden en Gelderland. De provinciën verbonden zich met elkaar tot verdrijving van de vijand alsof zij maar één provincie waren, met handhaving echter van elks bijzondere privilegiën. Het punt van de religie is in de praktijk een provinciale aangelegenheid geworden. De Unies betekenden een definitieve scheiding tussen Noord en Zuid.

Ban en Apologie

In 1580 ging Philips 11, op aanraden van Granvelle, ertoe over Oranje in de ban te doen. Degene die Oranje zou doden, zou vergiffenis van zonden, verheffing in de adelstand en 25.000 gouden kronen als beloning ontvangen. De prins verdedigde zich op waardige wijze in zijn Apologie tegenover de aantijgingen die in de ban werden opgesomd, als zou hij een schelm, een verrader, ja de pest der christenheid zijn. Het slot van deze Apologie, die opgesteld is door 's prinsen hofprediker Pierre l'Oyseleur de Villiers, illustreert hoe de prins bereid geweest is alles op te offeren voor de zaak der vrijheid. Het laat ons ook zien dat de prins zich een dienaar wist der Staten. Er zijn weinig strijders voor de vrijheid van hun land in de wereldgeschiedenis bekend, die zozeer de volksvertegenwoordiging hebben geëerbiedigd. In dit slotstuk richt de prins zich als volgt tot de Staten:

„En nu mijne heeren, gij ziet, dat het dit hoofd is, dat ze zoeken; dat hebben zij met zulk een prijs, met zulk een grote som gelds ten dode bestemd en gewijd, omdat de oorlog niet eindigen zal, zoals ze zeggen, zolang ik bij U ben. God gave, dat mijn eeuwige verbanning of zelfs mijn dood U kon aanbrengen de ware bevrijding van zoveel kwaad en onheil, als de Spanjaarden, die ik zo dikwijls heb zien beraadslagen en die ik van buiten en van binnen ken, U berokkenen! Wat zou die verbanning mij lief, die dood mij aangenaam zijn! Want waarom heb ik al mijn goederen in de waagschaal gesteld? Was het om mij te verrijken? Waarom heb ik mijn eigen broeders verloren, die ik meer dan mijn leven liefhad? Was het, om andere te

vinden? Waarom heb ik mijn zoon zolang gevangen gelaten, mijn zoon, die ik zozeer moet terugwensen als vader? Kunt gij hem mij teruggegeven? Waarom heb ik mijn leven zo dikwijls aan gevaren blootgesteld? Welke prijs kan ik anders voor langdurige arbeid verwachten, zo het niet is, voor U, zelfs ten koste van mijn bloed, de vrijheid te verkrijgen? Indien gij oordeelt, mijne heeren, dat óf mijn afwezigheid öf zelfs mijn dood U kan dienen, ik ben bereid te gehoorzamen; beveel, zend mij naar de einden der aarde; ik zal Uw bevel opvolgen. Ziedaar mijn hoofd. Geen vorst noch koning heeft er macht over, alleen gij beschikt erover ten uwen beste. Doch indien gij oordeelt, dat mijn kleine ervaring en ijver, dat de rest van mijn goederen en van mijn leven U nog kunnen dienen, beslist dan over alle punten, die ik U voorstel. En indien gij meent, dat ik enige liefde tot het vaderland bezit, dat ik enige bekwaamheid heb, om U te raden, geloof dan ook, dat het het enige middel is, om U te bevrijden. Laat ons samen één van hart en wil voortgaan; omhelzen wij samen de verdediging van dit goede volk, dat niet anders vraagt, dan goede raad en niet anders wenst, dan die te volgen. En indien gij, dit doende, voortgaat mij de gunst te vertonen, die gij mij van lange her hebt bewezen, dan hoop ik met uw hulp en de genade van God, die ik zo vaak ondervonden heb in radeloze ogenblikken, dat ik, wat door U is besloten, zal kunnen handhaven voor het welzijn en het behoud van Uzelf, van uw vrouwen en kinderen en van alle heilige zaken. Je maintiendrai".

De laatste levensjaren van Oranje

In 1581 gingen de Staten bij de „acte van verlatinge" over tot de afzwering van Philips II, omdat „een vorst, die in stede van zijne onderdanen te beschermen, dezelve zocht te verdrukken, 't overlasten, heur oude vrijheid te benemen en hun te gebieden en gebruiken als slaven, moet gehouden worden niet als prins, maar als een tyran".

De vraag was aan wie thans de soevereiniteit moest worden opgedragen. Men heeft getracht met Frans van Anjou, de broer van de Franse koning, tot een zekere vorm van samenwerking te komen. Toen hij echter, niet tevreden met de macht die de Staten hem verleenden, met geweld probeerde hier zijn heerschappij te vestigen, moest hij de Nederlanden verlaten. Thans besloot men de Prins de grafelijke waardiglieid te verlenen en hem daarmee souverein te maken. Twee dagen voor zijn inhuldiging werd hij echter op 10 juli 1584 vermoord. Is het levenswerk van Oranje geslaagd?

Niet in de zin dat hij bereikt heeft wat liij wenste. Zijn ideaal, de bevrijding en vereniging van de 17 Nederlandse gewesten, is niet in vervulling gegaan. Wel mogen wij hem met recht noemen de grondlegger van de Staat der Nederlanden, waarvan bij zijn dood de contouren al voor een deel zichtbaar waren.

De Republiek, die uit de strijd is voortgekomen, mocht staan in het teken van de vrijheid, waarin elk kon leven, denken en spreken als vrij man, een vluchthaven voor verstotelingen van elders, een land waar het openbare leven werd doortrokken door de Calvinistische beginselen.

Deze nalatenschap heeft Willem van Oranje aan zijn volk geschonken; daarvoor heeft hij al zijn goed, zijn arbeid, zijn geestkracht en tenslotte zijn leven gegeven.

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1984

Zicht | 40 Pagina's

WILLEM VAN ORANJE, DE GRONDLEGGER VAN DE NEDERLANDSE STAAT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1984

Zicht | 40 Pagina's

PDF Bekijken