Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924)

18 minuten leestijd

SERIE

Dr. G. Puchinger,

Oud-directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden)

Het is mij onmogelijk om, wanneer ik iets op mijn hart heb, dit onder allerlei lieftalligheden te verbergen. Maar ik ben bereid te erkennen, dat ik ongelijk heb, zoo dit mij getoond wordt.

Lohman aan prof. dr. f.H. Gunning,

16 januari 1884.

Natuurlijk bedoelt alle organisatie, ook de onze, de meerderheid te verkrijgen of te versterken. Op den voorgrond sta evenwel, dat het doordringen der goede beginselen van meer beteekenis is dan tijdelijke machtsverovering.

Lohman aan C.E.van Koetsveld,

27 december 1908.

Lohman steekt in onze parlementaire geschiedenis hoog uit boven veel kreupelhout dat hij overal, zowel binnen als buiten zijn partij ontmoette. Niet dat er in zijn dagen geen andere politieke grootheden waren als dr.A. Kuyper, H.J.A.M.Schaepman, W.H. de Beaufort en N.G. Pierson, maar wat hij met die groten gemeen had was, dat hij een geheel unieke figuur was, die zich een eigen weg naar de politiek gebaand had. Als kundig jurist - zowel in praktisch als wetenschappelijk opzicht - was zijn drijfveer een diep religieuze overtuiging, die hij nooit verzweeg, terwijl hij tevens begreep dat men het in de politiek door onderling overleg moest eens worden over de te nemen maatregelen.

In één van zijn laatste verkiezingsredevoeringen op 18 juni 1918, in zijn oude kiesdistrict Goes, sprak hij over het begin van zijn politieke loopbaan: "Mijn komst in de politiek is toevallig geweest; ik heb de politiek allerminst gezocht, maar ben er in gekomen ondanks mij zelf, toen ik bij het uitbreken van den schoolstrijd, dien plaatselijk aanbond in 's-Hertogenbosch, waar ik destijds een rechterlijke functie had. Ik had mij op den schoolstrijd maar weinig geprepareerd, ook al een gevolg van mijn drukke bezigheden voor het rechtscollege, waartoe ik behoorde, maar in nadere aanraking met Groen van Prinsterer, die mij op zijn beurt weer met dr. Kuyper in aanraking bracht, had dit tot gevolg, dat ik, toen Kuyper ziek werd, een jaar lang De Stondaarrf-leiding voor hem waarnam."

Wat Lohman hier aan zijn kiezers meedeelde, wordt volkomen bevestigd voor wie de archieven uit de jonge jaren van Lohman bestudeert.

Levensloop

Lohman, die op 29 mei 1837 te Groningen geboren was, studeerde sinds 1855 rechten aan de Groningse universiteit, onder andere bij prof. mr. B.J. Gratama, die een geestverwant van Groen van Prinsterer was. Na in 1861 te zijn afgestudeerd, werd hij in 1862 rechter te Appingedam en huwde op 27 maart 1863 met Johanna Catharina Ermerins (1839-1906), over wie hij, na haar dood, op 2 februari 1907 aan C.E.van Koetsveld zou schrijven: "Mijn vrouw is voor mij in den letterlijken zin geweest mijne wederhelft, en indien mij lof en dank toekomt, dan komt minstens de helft daarvan toe aan eene Vrouw, zonder wie ik niet in staat ware geweest mijne krachten te wijden aan de ons allen dierbare zaak."

In 1866 werd Lohman benoemd als rechter te 's-Hertogenbosch, in 1872 tot raadsheer van het Gerechtshof aldaar, welke functie hij tot 1884 zou bekleden.

Nadat de oudere Groen van Prinsterer in 1872 met de jonge Lohman in contact was gekomen, begreep Groen - zelf als jurist, classicus en historicus een veelzijdig geleerde - met welk begaafd talent hij van doen had, en dat in een tijd dat de politiek bij academici niet hoog stond aangeschreven. Vandaar dat hij Lohman op 19 november 1873 schreef: "Allezins waar is het dat, te midden van het oppervlakkig en dikwerf onzinnig en desniettemin verderfelijk gekraai der gewone dagbladschrijvers, een man, laat mij dit mogen zeggen, als gij tot meespreken verpligt is. Gij gevoelt nu wat mij in 1831 tot het schrijven van de Nederlandsche Gedachten aandreef. Uwe langdurige aarzeling begrijp ik; maar, me dunkt, het is tijd die te overwinnen."

Nadat Lohman in de herfst van 1874 zijn zeer gedegen studie Gezag en Vrijheid gepubliceerd had, schreef Groen hem op 15 november 1874: "Uw werk, bedrieg ik mij niet, is een evenement."

Door Groen overgehaald om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer voor het district Arnhem, werd hij - in zekere mate tot zijn tevredenheid - niet verkozen, al verzekerde hij op 22 juni 1875 dat dit niet betekende dat hij zich zou terugtrekken uit de geestelijke strijd: "De liberalen zijn mij kwijt in de kamer, niet daarbuiten. Want, al kan ik misschien zelf niet veel produceeren, dan zal ik toch anderen aanzetten met alle kracht."

Voor zich persoonlijk was Lohman verheugd buiten de politiek te zijn gebleven, zoals hij op 4 november 1875 aan Groen openhartig schreef: "Door mijn betrekking en al mijn persoonlijke omstandigheden ben ik verhinderd om mij aan de politiek te wijden. Deze vordert den Geheelen mensch. Gesteld nu al, dat ik de gaven bezat om een staatsman, in echten zin, te zijn (wat ik in Nederland misschien zou mogen onderstellen gedachtig aan den "eenoog" in het land der blinden!), ik moet jurist blijven en deze roeping eischt eigenlijk ook al mijn tijd. Daarom vind ik het onaangenaam op den voorgrond te treden en zoo de schoolquaestie was opgelost, zou ik verder zwijgen." Groen was er wat door teleurgesteld, en schreef hem de volgende dag terug: " 'Ik moet jurist blijven', schrijft ge. De noodzakelijkheid hiervan zou ik betreurenswaardig achten." Maar Lohman schreef hem, na ontvangst van deze brief nog diezelfde dag terug: "Ik blijf jurist; ik blijf in elk geval ook Christen en als zoodanig kan ik wellicht meer goed doen, dan buitenaf vermoed wordt. Ik zeg dit niet uit zelfverheffing; want wat ik hier doen kan en naar vermogen doe, is uiterst eenvoudig; ieder Christen kan datzelfde doen. Maar dat werk, hoe eenvoudig, is hier, om het gering aantal medestrijders, van bijzondere waarde."

Op 24 maart 1876, enkele maanden vóór Groens dood, schreef Lohman (nog steeds geen Kamerlid) hem nog eens over hetzelfde onderwerp: "Ik ben geen politiek man; wel een ijveraar voor gelijk recht van allen, vooral op schoolgebied. Gesteld, dat ik voor dat onderdeel bruikbaar ben, is dat voldoende om zich met algemeene politiek in te laten? Daartoe is ruime blik noodig, en om dien te krijgen, uitgebreide studie en praktische ervaring. Ik houd niet van eigenlijke politiek (tenzij ik er mij geheel aan wijden kon), zoodat, ware de school- quaestie van de baan, ik niets meer begeeren zou dan te blijven wat ik ben: raadsheer en huisvader."

Lohman-Kuyper

Inmiddels kwam Lohman via Groen in aanraking met dr. Kuyper, over wie hij op 21 juni 1875 heel voorzichtig en typerend aan Groen schreef: "Hij weet hoe groot vertrouwen ik in hem stel, voornamelijk omdat hij toeschijnt uw voetstappen te drukken." Maar dat ook nadere kennismaking met Kuyper niet tegenviel, bewijst wat Lohman over hem op 31 december 1875 aan Groen toevertrouwde: "Veel heb ik van dr. Kuyper geleerd, zooals gewoonlijk. Maar vooral apprecieer ik ook de welwillendheid waarmee hij de uiterst vrijmoedige opmerkingen pleegt aan te horen van iemand, dien hij wel weet ver beneden hem in talenten te staan. Gaarne neem ik, waar het pas geeft, de verdediging van dr. Kuyper op mij; maar binnenskamers is het voor hem - en daarom ook voor ons - wenschelijk, dat hij de dikwijls niet ongegronde grieven verneme, die ook geestverwanten tegen hem aanvoeren. Het komt mij voor, dat de houding, die hij bij het vernemen daarvan aanneemt, zeer sterk afsteekt bij hetgeen zijn bedillers veelal omtrent zijn ijdelheid en hoogmoed uitstrooien."

En toch is de jarenlange samenwerking tussen Lohman en Kuyper stuk gelopen. Kort na Groens dood, toen Kuyper wegens ernstige overspanning lange tijd buitenslands vertoefde, nam Lohman een jaar lang de politieke hoofdredactie van het dagblad De Standaard waar, en op 17 april 1877 zou een dankbare Kuyper aan Lohman verzekeren: "In het land teruggekeerd, is het mij een eerste behoefte des harten U nogmaals mijn hartelijken dank te bieden, voor de beschamende wijs, waarop Gij mij de genezing uit een kruipende ziekte mogelijk hebt gemaakt. Reken levenslang op mijn trouw en erkentelijkheid."

Maar wat men op persoonlijk gebied elkaar toezegt, valt politiek en confessioneel niet altijd waar te maken.

Nadat Kuyper in 1877 zijn ontslag als lid van de Tweede Kamer had genomen, was Lohman (voor het district Goes gekozen) op 16 september 1879 tot dit college toegelaten, en was al spoedig de politieke leider geworden van de Anti-revolutionaire Fractie.

Maar nu brak er een jaren lang durende strijd los over de politieke leiding: Lohman moest met zijn anti-revolutionaire medeleden de praktische koers in de Kamer uitzetten; maar Kuyper achtte het zijn taak in De Standaard de Kamerfractie aan te vuren, om deze de weg te wijzen. Maar het kwam er op neer dat Kuyper als redacteur de anti-revolutionaire Kamerleden niet enkel aanvuurde, maar ze in feite onder vuur nam. Hetzelfde deed Kuyper met het eerste Goalitie-kabinet-Mackay, dat op 21 april 1888 was opgetreden, en waarvan Lohman, na het aftreden van mr. L.W.C. Keuchenius als minister van koloniën, van 24 februari 1890 tot 21 augustus 1891 minister van binnenlandse zaken was.

Deze tweeërlei leiding (èn vanuit De Standaard èn vanuit de Kamer] kwam in 1894 tot een dramatische explosie bij de kieswet-Tak, waarover Lohman in zijn reeds door mij geciteerde rede te Goes van 18 juni 1918 opmerkte: "Kuyper heeft niet met ons geconsulteerd, maar raadpleegde Tak van Poortvliet, die een vriend van hem was, maar in de politiek onze tegenstander. Samen kwamen zij overeen, dat tak van poortvliet zou voorstellen datgene wat hij later ook voorgesteld heeft, en als de Kamer dat niet aannam, zou zij worden ontbonden. Zonder dat wij hiervan iets wisten, werd door Tak van Poortvliet bedoeld ontwerp ingediend, dat het kiesrecht wilde geven aan ieder die lezen en schrijven kon. Van al die onderhandelingen tussen Kuyper en Tak van Poortvliet wisten wij niets. Dr. Kuyper heeft nooit erkend, dat hij een verkeerd standpunt ingenomen had."

Confessie-wetenschap

Hierbij voegde zich, ik wil niet zeggen een confessioneel verschil tussen Lohman en Kuyper, maar wel een verschil van inzicht over de toepassing van de confessie in de wetenschap, dat tot een ernstig conflict leidde in 1895, een conflict dat men van beide kanten had kunnen voorzien, hoopte te voorkomen, maar leidde tot een volstrekt uiteengaan der wegen van beide staatslieden.

Reeds vóór de oprichting van de Vrije Universiteit, in 1879, toen er sprake van was dat Lohman benoemd zou worden tot Curator, schreef Lohman aan de directeuren van de in oprichting zijnde Universiteit: "Ik mag niet verzwijgen dat ik zelf zeer veel te danken heb aan de geschriften van Dr. Chanpetie de la S. evenals aan die van Vinet en dat ik prof. Gratama nooit anders heb leeren kennen dan als een gereformeerd man, die geheel op den bodem staat waarop onze voorouders in den strijd tegen Rome stonden, al is het dat hij, in dezen tijd, ter verdediging van het Evangelie een andere dan de toen bruikbare methode noodig keurt."

Lohman werd desondanks Curator van de Vrije Universiteit! Maar uit dit aangehaald brieffragment blijkt reeds dat Lohman (die Kuyper volgde in de Doleantie, en levenslang lid van de Gereformeerde Kerken is gebleven!) mild stond jegens de Ethische Theologie van zijn dagen, terwijl Kuyper zich juist steeds meer van Gunning verwijderde.

Voor de uitbouw van de juridische faculteit van de Vrije Universiteit (waar D.P.D. Fabius alle vakken doceerde) benoemde men in 1884 Lohman, om onder meer onderwijs te geven in het staatsrecht en de staatsleer, waartoe Lohman ontslag moest nemen als lid van het Gerechtshof te Den Bosch, door Schaepman in zijn felicitatiebrief van 29 december 1883 aan Lohman genoemd: "Zulk een daad, die een opoffering is en een waagstuk, is voor een beginsel als dat der Vrije Universiteit meer waard als een gift van tonnen gouds." Hij voegde er aan toe: "De wijzen zullen het hoofd schudden, maar: leve onze dwaasheid!"

Gunning heeft op zijn manier Lohman in een uitvoerige briefwisseling ernstig gewaarschuwd voor komende conflicten op confessioneel gebied, maar bij zijn komst aan de Vrije Universiteit scheen alles nog zonneschijn. Kuyper schreef op 12 januari 1884 aan Lohman: "Voor mij meer nog dan voor andere collega's is Uw overkomst heerlijk. Doe mij veel van U genieten, veel van U leeren. Draag in me en vergeef, wat U soms stoot of zeer doet."

In 1895 was de hoop echter vervlogen op goede samenwerking. Men vond dat Ix)hman zich te weinig in de wetenschap gebonden achtte aan de drie formulieren, en verzocht hem heen te gaan, wat hij deed, al zou hij zelf de gehele affaire nooit anders zien dan zoals hij op 24 juli 1895 in een schrijven aan CE. van Koetsveld formuleerde: "De droevige vertooning op Seinpost, de sinds maanden voorbereide aanvallen op mijn persoon." Daartegenover moet opgemerkt worden dat voorzitter van de Commissie die het veroordelend rapport over Lohman opstelde prof. dr. H. Bavinck was, en secretaris mr. Th. Heemskerk, twee figuren die in hun gereformeerdheid niet bekrompen waren! Later zou Heemskerk Lohman, gedurende de kabinetsformatie van 1907/8, excuses aanbieden voor wat hij hem in deze functie had aangedaan. Prof.drJ. Hoedemaker, die vanwege de Doleantie reeds in 1887 de Vrije Universiteit verlaten had, schreef op 16 oktober 1895 aan Lohman: "Dit is geen oplossing. Het is het doorhakken van de knoop!"

Inmiddels heeft Lohman de hoofdzaken van zijn staatsrecht-onderwijs in 1901 samengevat in zijn standaardwerk Onze Constihitie, dat in verscheidene drukken uitkwam, en waarvan de eerste zin van het Voorwoord luidde: "Als hoogleeraar ben ik een onnatuurlijke dood gestorven."

Scheiding

De scheiding der wegen tussen Lohman en Kuyper was daarmee volkomen geworden. Niet kerkelijk, maar vooral in de politiek. Lohman vond dat Kuyper met zijn persoon en overtuiging een te grote invloed uitoefende op de Vrije Universiteit en vooral op de Anti-revolutionaire Partij, waarbij deze zijns inziens de gereformeerde confessie misbruikte, zoals hij op 28 april 1897 aan C.E.van Koetsveld schreef: "Door het op den voorgrond stellen van het Calvinisme, dat voor verreweg de meesten alleen een kerkelijke beteekenis heeft, heeft hij feitelijk zijne partij tot eene kerkelijke gemaakt; vooral na de doleantie had hij dit moeten vermijden."

Wat Kuyper betreft en zijn bezwaren tegen diens leiderschap, had hij zich jegens Van Koetsveld reeds op 30 oktober 1895 overduidelijk uitgesproken: "Wat nu Dr. K. aangaat, het is steeds mijn grief, dat hij, hoewel zeggende democraat te zijn, toch eigenlijk bang is voor de vrije ontwikkeling van het volk. Van daar dat hij zeer afkeurt dat iets uitgaat van het volk zelf, en dus ook de lijsten weigerde. Zijn stelsel is, dat de leider moet voelen welken kant het uitwil; dan spreekt hij; en regelt hij; en dat heet dan de vrije uitspraak van het volk. Ik daarentegen meen, dat het volk juist in kleine kringen zich mag en moet uitspreken, maar men ook tegenwerpingen en tegenspraak moet leeren verdragen. Alleen zóó ontwikkelt men een volk, en kan men ook in goede zin leider zijn, al wordt men soms niet gevolgd." Op 27 december 1908 vatte Lohman zijn bezwaren jegens Kuyper nog eens samen jegens zijn correspondent: Het Kuyper-stelsel leidt teveel tot het ontwikkelen van macht, op het verkrijgen van groot getal aanhangers wordt meer gelet dan op het ontwikkelen van beginselen."

Betekenis

De grootheid van Lohman is geweest dat hij, ondanks al wat hem in de kring van Kuyper is overkomen en ondanks al zijn bezwaren tegen Kuyper als partijleider, hem met raad en daad heeft gesteund toen Kuyper van 1 augustus 1901 tot 16 augustus 1905 optrad als minister-president.

Naar Lohmans overtuiging moest ieder kabinet (christelijk of niet-christelijk) èn loyaal gesteund èn kritisch begeleid worden. Want wat was voor hem de Staat! Ook hierover schreef hij aan zijn medewerker C.E.van Koetsveld openhartig: "Staat valt samen met het begrip van dwang. De Staat, of liever de overheid, treedt op juist als men het niet eens is, en toch eenheid noodig is. Hij treedt dan op óf direct óf indirect. Maar "indirect" is ook dwang, omdat de overheid van haar positie gebruik maakt hetzij om de ambtenaren voor zeker doel te bezigen, hetzij door de ingezetenen te dwingen bij te dragen tot eenig doel. Was aller wil op dat doel gericht, dan kon "de Staat" zich terugtrekken." (8 november 1898)

Maar daarom ook moest in de Volksvertegenwoordiging bij het bespreken van het beleid van ieder kabinet, zo welwillend mogelijk met ieder kabinet gesproken worden, juist omdat de inzet van dit gesprek kritisch diende te zijn. Vandaar dat Lohman - hoewel ook hij het politieke gebeuren via zijn redacteurschap in zijn dagblad De Nederlander reeds kritisch volgdetoch in de eerste plaats Kamerlid was, en hij door persoonlijk contact en Kamerredevoeringen ieder lobinet naar vermogen steunde, voor zover het kabinetsbeleid dit mogelijk maakte. Zodoende is hij een bekwame steun geweest voor vrijwel alle minister-presidenten, maar een grote schrik voor onbekwame ministers. Met name heeft hij de anti-revolutionaire premier mr.Th. Heemskerk en de rooms-katholieke premier Ruijs de Beerenbrouck gesteund, die beiden tegen de wil van Kuyper optraden.

Koningin Wilhelmina, die in feite hetzelfde wenste te bevorderen als Lohman - een christelijk Nederland, maar niét onder leiding van Kuyper - heeft hem herhaaldelijk geraadpleegd over het landsbeleid; ook in zijn hoge ouderdom, bij de kabinetsformaties van 1918 en 1922 alsmede gedurende de Vlootwetcrisis in 1923.

De betekenis van de Savornin Lohman als christen-staatsman ligt hierin, dat hij vóór alles de doorwerking van de christelijke beginselen wilde bevorderen, óók bij niet-christenen, zoals hij op 27 juni 1899 aan C.E.van Koetsveld schreef: "Niet bestrijding van anderen is noodig, maar verspreiding van juiste beginselen."

Méér dan Kuyper deed Lohman zijn politieke tegenstanders recht, en trad hij met hen in gesprek, conform een stelling die Lohman op maandag 7 november 1904 voor de Algemeene Debating-Club van het Utrechtsch Studentencorps verdedigde: "Om te kunnen komen tot een zuivere waardeering van een toestand, is 't noodig zich zoo eerlijk mogelijk rekenschap te geven van de positie en de meening der Tegenpartij." Alleen zó toch was het, volgens zijn schrijven aan van Koetsveld d.d. 24 juli 1895, mogelijk de Staten-Generaal werkelijk goed te doen functioneren, "niet omdat de minderheden recht hebben; zij hebben dat evenmin als de meerderheid, maar omdat gemeenschappelijk overleg en beraad de meeste kans biedt dat het recht zegeviert."

Ook Lohman kende uiteraard zijn emoties, die soms in kamerzittingen tot uiting kwamen, als hij lucht gaf aan zijn verontwaardiging, maar als lid van de Gereformeerde Kerken had hij de grootheid jaren lang nauw samen te werken met hervormden als dr. J.Th.de Visser, mr.dr. J. Schokking, jhr.mr. D.J.de Geer en prof.dr. J.R. Slotemaker de Bruine. Jegens de hervormden handhaafde Lohman binnen de CHU het recht om kerkelijk-gereformeerd te zijn, zoals hij het het recht achtte van de hervormden hun kerk trouw te blijven. Aan Van Koetsveld schreef hij op 29 december 1896 over en misplaatst wantrouwen: "Uwe opvatting van mijne verhouding tot de Nederl. Herv. Kerk is volkomen juist. Hoe iemand iets anders uit mijn brief gelezen heeft vat ik niet. De Heeren kunnen maar niet begrijpen, dat men de vrijheid die men voor zichzelven vindiceert ook evenzeer aan anderen gunt. Van daar het wantrouwen." Daarbij sluit aan wat hij op 4 juni 1899 aan zijn vertrouwde medewerker van Koetsveld schreef: "Hoe zonderling, dat zoo vele predikanten altijd bang voor mij zijn om de Herv. Kerk. Al wilde ik die benadeelen, ik zou niet kunnen, maar ik wil het ook niet. Maar men kan in ons vrij land toch nooit goed de vrijheid die een ander neemt verdragen! Wat is het moeilijk goed Protestant te zijn." Wel schreef hij op 8 november 1897 aan zijn correspondent: "Ik vrees trouwens onder de de nieuwe constellatie de eenige Gereformeerde te zijn, en velen treden, dit weet ik, juist omdat ik er in ben niet toe! Maar wij moeten tegen den stroom op; want onze kerkelijke scheidingen verderven ons land. Vergeet ook niet dat vroeger de Hervomden even stelselmatig ook al wat Gereformeerd was hebben onderdrukt. Van daar zoo veel wantrouwen."

Daarnaast werkte hij vertrouwelijk samen met Idenbuig, Heemskerk en Colijn, die het met de oude Lohman vaak beter konden vinden dan met de oude Kuyper. Zij die de Verzamelde Opstellen van Lohman in vijf delen lezen, later aangevuld door twee delen Bijdragen tot de geschiedenis der Christelijk-Historische Unie, staan versteld over de kennis van Lohman op het gebied van de theologie, geschiedenis en economie, om van het staatsrecht maar te zwijgen! Voor een groot deel treedt hij daarin op als een zuiveraar van anderer meningen, uiteraard vooral inzake de altijd boeiende maar doorgaans snel neergeschreven artikelen van Kuyper. Lohmans geschriften getuigen van grote rijkdom en bieden veel inzicht.

In zijn Kamerredevoeringen, waarin hij niet enkel voor eigen maar voor ieders vrijheden gestreden heeft, en die nog nimmer systematisch zijn onderzocht, zijn schatten van staatsmanswijsheden te vinden, die met name in onze dagen van politieke verwarring onze geest kan verrijken, omdat daarin niet enkel een nijver politicus maar een wijs en gezaghebbend staatsman aan het woord is.

Zowel wanneer men met Lohman instemt als wanneer men met hem van mening verschilt, betreft het vraagstukken die Lohman bij het licht van de Bijbel heeft bestudeerd en overwogen. Wat dat betreft hebben wij het recht hem te rekenen tot de grote christelijke staatslieden van ons land, over wiens opkomst, kenmerken en betekenis voor de politiek ik slechts enkele facetten kon aanstippen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 1995

Zicht | 44 Pagina's

jhr. mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924)

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 1995

Zicht | 44 Pagina's

PDF Bekijken