Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zorgen over drang tot centralistisch Europa

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zorgen over drang tot centralistisch Europa

23 minuten leestijd

door drs. K. van der Zwaag

redacteur kerkeli|k leven bij het Reformatorisch Dagblad

Er zal voor Europese samenwerking binnen de SGP, GPV en RPF meer belangstelling komen. De invloed die de Europese besluitvorming op het dagelijks leven heeft wordt, hoe men hier ook over denkt steeds meer merkbaar. Men kan er zich niet aan onttrekken.

Dat zegt ir. L. van der Waal, die vorige maand afscheid nam van het Europarlement. Hij heeft echter wel zorgen over het 'Europa'. Het Verdrag van Amsterdam borduurt volgens nog voort op het oude gedachtengoed van een centraal bestuurd federaal Europa. In de toekomst is daarom een discussie onvermijdelijk over de vraag of Europa in hoge mate centraal bestuurd zal worden of meer een samenwerkingsverband van zelfstandig blijvende naties zal zijn.

Wie ziet door de bomen nog het bosi Van der Waal doet eerst uit te doeken wat er nu precies aan de hand is met het toekomstig 'Europa' en het proces van samenwerking en integratie. Wie de ontwikkelingen van vandaag wil kennen, moet ook van het verleden op de hoogte zijn. „De Europese Unie zoals wij die heden ten dage kennen is in verschillende fasen totstandgekomen. Startsein voor het Europese integratieproces vormde de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) door België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg en Nederland in 1951. Hiermee werden de kolen-en staalindustrieën (de basisindustrieën voor oorlogvoering) van de deelnemende landen onder een gezamenlijke Hoge Autoriteit geplaatst. Aan deze Hoge Autoriteit droegen de lidstaten een deel van hun soevereiniteit over We spreken in zo'n geval over een 'supranationaal bestuur'.

Dat Europese supranationale bestuur heeft zich sinds 1951 over steeds meer terreinen uitgebreid. In 1957 besloten de zes oprichters van de EGKS de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) op te richten. De economische samenwerking werd uitgebreid en besloten werd voor alle produkten een gemeenschappelijke markt te creëren. De onderlinge handel werd gestimuleerd door het grensverkeer te versoepelen. Met de Europese Akte van 1986, een eerste wijziging van het EEG-verdrag, werd dit doel omgezet in het streven naar een interne markt, waarin de binnengrenzen volledig zouden zijn afgeschaft. 'Europa 1992' werd de leus waarmee de voltooiing van de interne markt per 1 januari 1993 moest worden afgerond".

Verdrag van Maastricht

Het Verdrag van Maastricht (1992) was een verdere wijziging van het oorspronkelijke verdrag en betekende een nieuwe stap in het Europese integratieproces. De Europese Gemeenschap werd gevormd op basis van drie pijlers en kreeg als nieuwe naam Europese Unie. Het supranationale karakter op het gebied van de inteme markt (de eerste pijler) werd versterkt. Bovendien werd besloten tot de oprichting van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Een tijdpad werd uitgestippeld voor de invoering van de gemeenschappelijke munt en de oprichting van een centrale Europese bank, die moet gaan toezien op de financiële markt zonder binnengrenzen.

Naast deze centrale pijler van de Europese Gemeenschap werd in twee andere pijlers de samenwerking op het gebied van het buitenlands-en veiligheidsbeleid (tweede pijler) en de samenwerking op het gebied van asiel-en immigratiebeleid, drugs-en fraudebestrijding, straf-en burgerlijke zaken en douane-aangelegenheden (derde pijler) ondergebracht. De samenwerking binnen deze twee pijlers is niet supranationaal maar van intergouvernementele aard. Dat wil zeggen dat - welis-waar nauw wordt samengewerkt, maar dat de lidstaten hun zeggenschap behouden.

Het bestuur van de Europese Unie wordt gevormd door een aantal instellingen. Een belangrijk orgaan is de Raad van Ministers. Dat is de enige Europese instelling waarin de lidstaten rechtstreeks zijn vertegenwoordigd. De Raad is het orgaan van de Unie dat uiteindelijk de beslissingen neemt. Op het terrein van de eerste pijler worden besluiten meestal met meerderheid van stemmen genomen. In dat geval kunnen lidstaten die bezwaren hebben dus worden overstemd. In enkele gevallen is unanimiteit vereist (bijv. belastingen). Ook op het terrein van de tweede en derde pijler wordt met unanimiteit van stemmen besloten. Alle lidstaten moeten het dan met elkaar eens zijn om een besluit te kunnen nemen.

De besluiten van de Raad worden op basis van de Verdragen voorbereid door een ander belangrijk orgaan van de EU: de Europese Commissie. De Commissie neemt het initiatief voor Europese wetgeving en voert de door de Raad genomen besluiten uit. De Europese Commissie bestaat uit 20 commissarissen, die in overleg met de regering van de lidstaten worden benoemd voor 5 jaar. De

grote landen leveren elk twee commissarissen, de kleine landen leveren één commissaris.

Europees parlement

Het Europees Parlement (EP) is de instelling die de activiteiten van de Raad en de Commissie controleert. Voorts dient het Europees Parlement zich over alle voorstellen van de Commissie uit te spreken alvorens de Raad daarover een beslissing mag nemen. Op een aantal terreinen is het Parlement adviserend maar op andere zoals de interne markt, vervoer en handel, is het EP zelfs medewetgevend. Het EP wordt sinds 1979 rechtstreeks gekozen via algemene verkiezingen en telt sinds 1995 626 leden. De Europese afgevaardigden vormen internationale politiek fracties. De plenaire zittingen worden maandelijks gedurende één week in Straatsburg gehouden. Daarnaast vinden m Brussel zogenaamde 'minizittingen' plaats. De twintig parlementaire commissies, die de besluiten van de plenaire vergadering voorbereiden en de politieke fracties vergaderen meestal in Brussel.

Door het Hof van Justitie wordt beslist als twijfel bestaat of genomen maatregelen wel met de Europese verdragen in overeenstemming zijn. Het Hof telt 15 rechters. Elke lidstaat en een ieder die direct betrokken is bij gemeenschapregels (personen, ondernemingen, de Commissie, lidstaten enz.) kunnen zich tot het Hof wenden. Het Hof oordeelt bij meerderheid van stemmen.

Daarnaast komen tvi^eemaal per jaar de regeringsleiders van de lidstaten en het Franse en Finse staatshoofd bijeen onder de naam 'Europese Raad', dikwijls 'Europese Top'genoemd. Zo'n Europese Top vond onlangs in Amsterdam plaats ter afsluiting van het Nederlandse voorzitterschap. Het bijzondere van deze top was dat deze tevens de afsluiting vormde van de zogenaamde intergouvemementele conferentie die een nieuwe wijziging van de verdragen had voorbereid. Binnen de Europese Raad worden in het algemeen belangrijke richtinggevende Europese politieke vraagstukken besproken.

Sinds de oprichting van de EGKS in 1951 is de EU uitgegroeid tot een sa­ menwerkingsverband van 15 lidstaten. Deze 15 lidstaten sloten zoals opgemerkt onlangs op de Eurotop in Amsterdam het Verdrag van Amsterdam. Hoewel dit Verdrag minder ver gaat dan het Verdrag van Maastricht werden de taken en bevoegdheden van het Europese bestuur opnieuw uitgebreid. Op terreinen als de werkgelegenheidspolitiek, sociaal beleid en het asiel-, visum-en immigratiebeleid krijgt Europa meer te zeggen. Daarnaast heeft het EP meer wetgevende bevoegdheden gekregen.

Het overzicht is inmiddels behoorlijk ingewikkeld. Wat is wel en niet bedreigende Hoe ziet de toekomst van Europa er volgens u uit, ook gelet op de wensen van de lidstaten en de ontwikkelingen na 'Maastricht' en na 'Amsterdam'^

"Kenmerkend voor het Europese integratieproces is het 'sneeu'wbaleffect'. De samenwerking op het ene terrein leidde tot samenwerking op andere terreinen. In feite heeft de economische samenwerking een aanzuigende werking naar andere beleidsterreinen wat ertoe leidde dat ook op terreinen als buitenlands en binnenlands beleid steeds meer bevoegdheden aan Europa werden afgestaan. Een goed voorbeeld vormt de EMU. Als vanzelfsprekend wordt aangenomen dat de economische samenwerking in Europa ook moet lei­ den tot één munt en één monetair beleid. Sluipenderwijs zijn op deze manier de bevoegdheden van de lidstaten uitgehold.

Het is zonder meer positief dat door de samenwerking tussen de Europese landen in de afgelopen vijftig jaar de vrede is bewaard en de welvaart is bevorderd. Op een groot aantal terreinen moet ook worden samengewerkt omdat problemen grensoverschrijdend zijn en door de landen afzonderlijk niet kunnen worden opgelost. Te denken is aan het milieu en de landbouwpolitiek. De geschiedenis van het Europese integratieproces laat echter zien dat het niet bij samenwerking op een aantal economische kerngebieden blijft, maar dat centrale bevoegdheden van de lidstaten ook op terreinen buiten de economie geheel of gedeeltelijk onder de bevoegdheid van Brussel gaan vallen. Zo worden in het Verdrag van Maastricht ook onderwijs, cultuur en volksgezondheid genoemd.

Gezien het moeizame karakter van de onderhandelingen op de laatst gehouden Eurotop in Amsterdam en kritische geluiden van delen van de bevolking in de lidstaten begint het integratieproces zijn grenzen te bereiken. Samenwerking op economisch gebied is geen probleem, maar het integratieproces heeft met het

Verdrag van Maastricht en Amsterdam beleidsterreinen bereikt die raken aan de kern van de soevereiniteit van de lidstaten. Te denken valt aan het buitenlands-en veiligheidsbeleid, binnenlandse veiligheid (asielbeleid) en andere beleidsterreinen. Op die terreinen zullen vooral de grote lidstaten niet snel hun macht uit handen geven.

Na 'Amsterdam' komt de uitbreiding van de Europese Unie aan de orde. Sinds de val van de Berlijnse muur en de val van het communisme vi/illen de meeste landen uit Oost-Europa ook graag lid worden van de EU. Deze landen zullen zelf een hervormingsproces moeten uitvoeren. Maar ook de Europese Unie zal zich moeten aanpassen. Om met 25 of wellicht nog meer lidstaten te kunnen blijven functioneren dient in de gedachtengang van de opstellers van het Verdrag van Amsterdam een verdere centralisatie van bevoegdheden plaats te vinden. Dit terwijl het met het oog op de uitbreiding naar Oost-Europa naar onze mening juist nodig was om decentralisatie na te streven en het aantal taken en bevoegdheden van Europa terug te brengen. Het is immers moeilijk voorstelbaar hoe een in Brussel gezeteld centraal Europees bestuur 25 lidstaten, met uiteenlopende politieke culturen, economieën en rechtsstelsels, nog adequaat en legitiem kan besturen als men aan de huidige verregaande centralisatie vasthoudt.

Het streven van de Oost-Europese landen naar aansluiting bij de EU mag in ieder geval niet onbeantwoord blijven. Nu de kunstmatige scheiding die Oost en West in Europa jarenlang verdeeld hield is opgeheven, hebben de West-Europese landen de morele plicht om de Europese samenwerkingsorganisaties open te stellen. Dat is ook nodig ter bevordering van de veiligheid en stabiliteit op het Europese continent".

Wat bewoog u om in 1984 zitting te nemen in het Europees Parlementl Kunt u iets zeggen over het functioneren van dit orgaan en dat vergelijken met nul Is de mogelijkheid om een eigen f^rindpiële bijdrage te leveren moeilijker of gemakkelijker gewordend

"In 1984 besloten de drie protestantse partijen SGP, GPV en RPF met een gemeenschappelijke lijst aan de Europese verkiezingen deel te nemen. In 1979, het jaar van de eerste rechtstreekse verkiezingen van het Europees Parlement, hadden SGP en GPV nog met een afzonderlijke lijst meegedaan. Uiteraard zonder resultaat. Het Europees Parlement telde toen nog 25 leden. Voor één zetel was dus vier procent van de stemmen vereist en dat percentage •was alleen haalbaar met een gemeenschappelijke lijst. Omdat de SGP in 1984 de grootste was van de drie kleine christelijke partijen, mocht deze de eerste kandidaat op deze lijst leveren. Ik was toen al meer dan 25 jaar werkzaam bij Esso Nederland en wilde - toen mij de mogelijkheid werd geboden-me graag kandidaat stellen voor de christelijke politiek in Europees verband. Het leven is meer dan alleen techniek.

Het Europees Parlement heeft er door de verdragswijzigingen in de afgelopen jaren steeds meer bevoegdheden bijgekregen. Aanvankelijk had het alleen adviserende bevoegdheden. In de loop van de tijd zijn deze op meerdere terreinen uitgegroeid tot medewetgevende. Naar onze overtuiging is dit proces veel te ver gegaan. Hoewel het EP op een aantal terreinen een nuttige controlerende functie vervult, mag niet vergeten worden dat het hart van de parlementaire democratie nog altijd in de lidstaten zelf klopt. De burgers voelen zich nog altijd het meest verbonden met hun nationale parlementen. Daarom is het van groot belang om terughoudend te zijn bij het overdragen van bevoegdheden aan de Unie. Het Europees Parlement heeft steeds weer de neiging een te grote broek aan te trekken en allerlei taken en bevoegdheden naar zich toe te trekken alsof de Europese Unie een nieuwe natie in wording is. Niet uit het oog mag worden verloren dat het Europees Parlement de burgers in de lidstaten moeilijk aanspreekt. Het functioneert op afstand in Brussel en Straatsburg. Er zijn 15 nationaliteiten en 11 officiële talen. De parlementariërs zijn moeilijk herkenbaar omdat ze in bovennationale fracties zijn georganiseerd. En de nationaal-politieke pluriformiteit dringt er moeilijk in door. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de opkomst bij de Europese verkiezingen in de afgelopen jaren steeds meer is teruggelopen.

De Eurofractie SGP/GPV/RPF vormtmet twee zetels een kleine minderheid in een Parlement met momenteel 626 leden uit 15 lidstaten. Toch heb ik in de afgelopen jaren steeds gelegenheid gekregen om ons standpunt uit te dragen. Bij ethische onderwerpen, zoals het gezinsbeleid, de levensbescherming, de biotechnologie, de zondagswetgeving en dergelijke. Maar ook heb ik gelegenheid

gehad om aandacht te vragen voor de positie van verdrukte christenen in islamitische landen en christelijke minderheden in de landen van Oost-Europa. Voorts voor de belangen van ontwikkelingslanden en de bescherming van het leefmilieu. Mijn ervaring is dat je herkend wordt en erkenning krijgt zeker ook door christenen uit andere lidstaten. Vanzelfsprekend heb je slechts een beperkte invloed".

Hoe functioneert bij u artikel 19 van het beginselprogram van de SGPi Het streven naar Europese eenwording wordt hierin afgewezen, maar samenwerking op verschillende niveaus met andere landen niet uitgesloten. Wat is uw standpunt ten aanzien van het federalisme en intergouvernementele samenwerking^ "Terecht wijst de SGP, evenals de RPF en het GPV, het streven naar Europese eenwording af. Wij weten ons verbonden met de geschiedenis van Nederland. Ons land is ontstaan in de worsteling om geestelijke vrijheid. De doorwerking van de Reformatie, het huis van Oranje en de wordingsgeschiedenis van ons land zijn ten nauwste met elkaar verbonden. We hechten aan bepaalde historische kenmerken van de Nederlandse samenleving waarin de invloed van het gereformeerd protestantisme nog altijd herkenbaar is. Te denken valt aan ons staatkundige bestel dat gestoeld is op respect voor minderheden en een sterk decentrale inslag heeft, ons onderwijsbestel, het belang van christelijke organisaties en partijvorming. Deze kunnen in een één-geworden Europa gemakkelijk verloren gaan.

Voorts zijn we er beducht voor onze soevereiniteit weg te geven aan grote bestuurlijke concentraties die sterk beheerst worden door het streven naar macht en welvaart. De Bijbel leert ons dat we gezien de macht van de zonde geen hoge verwachtingen moeten hebben van het menselijk streven een betere wereld te kunnen bouwen. Tenslotte verzetten we ons tegen een centraal bestuurd Europa omdat door de besluitvorming op grote afstand, die daarvan een gevolg is de burgers steeds meer vervreemd raken van het overheidsbestuur.

Dat betekent niet dat daarom iedere vorm van Europese samenwerking moet worden afgewezen. Integendeel, op een aantal terreinen waarin de belangen van de lidstaten verstrengeld zijn, is samenwerking noodzakelijk. Uitgangspunt dient echter altijd de zelfstandigheid van de lidstaten te blijven. Er dient dan ook zoveel mogelijk intergouvernementeel te worden samengewerkt. De Europese Unie kan zoals gezegd ten aanzien van een aantal centrale taken een nuttige functie vervullen, maar op die beleidsterreinen die raken aan de identiteit en het eigen karakter van de landen, dient de soevereiniteit gehandhaafd te blijven. Van grote betekenis is dat hoewel de lidstaten soms ook tegengestelde belangen hebben, deze binnen de Unie aan de onderhandelingstafel beslecht worden. Dat heeft bijgedragen tot de ruim 50 jaar vrede in Europa.

Het federalisme als ideaal wordt steeds meer een achterhaald streven. Het is opmerkelijk dat na de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht de kritische stemmen over het Europese integratieproces luider zijn gaan klinken. De hoogtijdagen van het federalisme zijn voorbij. In Denemarken werd het Verdrag van Maastricht indertijd in een referendum aanvankelijk afgewezen. In Frankrijk vi/erd het met een nipte meerderheid geratificeerd. De Noren zeiden 'nee' tegen het lidmaatschap van de EU. En ook in eigen land zijn de geluiden kritischer geworden. SGP, GPV en RPF staan niet langer alleen in de kritiek op 'Europa', maar hebben gezelschap van de WD en de SP gekregen, zij het deels vanuit andere motieven".

V zegt dat het Verdrag van Amsterdam nog steeds voortbouwt op de oude gedachte van een verenigd Europa. Het vormt een nieuwe stap naar verdere centralisatie. Betekent dit dat het idee van van 'Europa' steeds gevoeliger zal liggen in SGP-kring^

"Binnen de SGP is, net als binnen de RPF en het GPV, denk ik iedereen het erover eens dat het streven naar een verenigd Europa moet worden afgewezen. Dat verzet zal alleen maar sterker worden naarmate de taken en bevoegdheden van het Europese bestuur zuUen toenemen. Er bestaan binnen de partijen wel verschillen in waardering als het gaat om de vraag in hoeverre SGP, GPV en RPF ook in het Europees Parlement vertegenwoordigd dienen te zijn. Ik heb mijzelf altijd op het standpunt gesteld dat je je als partij niet moet onttrekken aan de verantwoordelijkheden die de Europese politiek met zich meebrengt. Van de mogelijkheid die je krijgt om ook op Europees niveau vanuit Gods Woord politiek te bedrijven, moet je gebruik maken.

„Het streven van de Oost-Europ> ese landen naar aansluiting bij de EU mag in ieder geval niet onbeantwoord blijven".

Daarnaast is het van belang dat ook in het EP gewezen wordt op de negatieve kanten van het Europese integratieproces. Van groot gewicht voor de verdere ontwikkeling van de Europese Unie zal de invoering van de euro zijn. Als die er komt betekent dat een ingrijpende stap naar verdere eenwording. Maar ook de uitbreiding zal de structuur van de Unie sterk veranderen. Op de dan ontstane situatie zullen de drie partijen zich zeker nader bezinnen.

De opkomst voor de Europese verkiezingen is zeer gering. Nederland had in 1994 de twijfelachtige eer slechts een opkomst van S5.è procent te hebben. Is dat niet ontmoedigend voor u^

"De lage opkomst bij de Europese verkiezingen is betreurenswaardig als het gaat om de betrokkenheid van de burgers bij de publieke zaak. Burgers hebben ook een verantwoordelijkheid als het gaat om het internationale bestuur. Ook de betrokkenheid van de SGP, GPV en RPF-achterban is daarbij van groot belang. Mogelijkheden om het christelijke politieke geluid te laten doorklinken mogen we niet ongebruikt laten liggen.

Tegelijkertijd zijn de lage opkomstcijfers wel begrijpelijk. Ik heb ze altijd als een signaal aan het Europese bestuur en de regeringen van de lidstaten gezien dat de gedachte aan een Europese eenwording zoals die

wordt nagestreefd bij de burgers niet leeft. Duidelijk is dat het feit dat de taken en bevoegdheden van Europa in de afgelopen jaren steeds weer zijn uitgebreid niet onverdeeld positief wordt ontvangen. Integendeel, wij zijn er van overtuigd dat alleen een Europese Unie die zich toelegt op een beperkt aantal taken, die een herkenbare meerwaarde hebben ten opzichte van nationaal beleid de burger zullen aanspreken".

Wat is de inbreng van de. Groef: ' van Onafhankelijken voor een Eurofa van Nationale Staten (O-ENS-groep) geweeste Gaat de eenwording toch door ondanks de kritische stem van ENS om waarde te blijven hechten aan de nationale tradities^

"Binnen de O-ENS-groep wordt sinds de afgelopen Europese verkiezingen (1994) door ons samenge'werkt. Juist omdat binnen het EP in bovennationale groepen moet •worden samengewerkt IS het niet eenvoudig om geschikte samenwerkingspartners te vinden. Sluit je je niet aan bij zo'n bovennationale groep dan kom je automatisch bij de 'niet-ingeschrevenen' terecht. Tot die onafhankelijke groep heb ik tot de verkiezingen van 1994 behoord. Dat was stellig een werkbare situatie. De verkiezingsuitslag in dat jaar leidde echter tot een overheersende positie van extreem-rechtse partijen binnen de groep 'niet-ingeschrevenen' (Vlaams Blok, Front National van Le Pen, de partij van Haider en de Italiaanse Alleanza Nationale). Dit werd dus een erg onaantrekkelijk gezelschap.

Met een aantal Fransen, Denen en later ook een Brit, is toen de O-ENSgroep gevormd, waarin iedere subgroep zijn zelfstandigheid behoudt. De Eurofractie SGP/GPV/RPF kan dan ook volledig vanuit de eigen grondslag en identiteit opereren. Op administratief terrein wordt samengewerkt, maar verder kan iedere subgroep zijn eigen bijdragen houden en op eigen wijze aan stemmingen deelnemen. Op fractievergaderingen wordt dan ook slechts beperkt inhoudelijk gedebatteerd. Spreektijd verdelen en procedurele afspraken maken nemen de belangrijkste plaats in.

De subgroepen hebben soms sterk uiteenlopende opvattingen, maar vinden elkaar als het gaat om het verzet tegen het streven naar een verenigd Europa, tiet behoud van de nationale zelfstandigheid staat daarin centraal. Op dit punt zijn er gezamenlijke acties: amendementen, resoluties. Doordat er een gezamenlijke groep is gevormd zijn er meer mogelijkheden om aan het parlementaire werk deel te nemen, dan als niet-ingeschrevene. Vooral daarin ligt de waarde van de samenwerking binnen de O-ENS-groep. Als het gaat om het verzet tegen het Europese integratieproces krijgt de O-ENS-groep weinig steun van de andere groepen in het EP. Op deelterreinen zoals landbouw, milieu of economie ligt dat anders.

Eind vorig jaar kwam het ledenaantal van de O-ENS-groep onder het aantal dat vereist is voor de oprichting van een groep in het EP doordat een lid van de Franse subgroep naar een andere politieke groep overging. Door het toetreden van een Britse europarlementariër kon de groep weer worden opgericht. Doordat de groep nu gevormd wordt door vier nationaliteiten in plaats van drie zijn volgens de interne regels van het EP ook minder leden nodig om een groep te vormen. Het gevaar dat de groep opnieuw uiteenvalt is dus voorlopig geweken".

Klopt het dat bij eenwording van Europ de invloed van rooms-katholicisme en humanisme toeneemt^ Zijn de Europese staten buiten Nederland minder geseculariseerd dan ons land^ Of is Nederland juist een voorbeeld in de kwade zin(-Ho denkt u over de uitbreiding van de EUl "Het is niet eenvoudig om na te gaan wat de invloed van respectievelijk de rooms-katholieke en de protestantse tradities op de vormgeving van de Europese Unie is. Door maatschappelijke processen als secularisatie en ontkerkelijking is de betekenis van religie voor de politiek in het algemeen sterk verminderd. In plaats daarvan voeren liberalisme en materialisme in Europa op dit moment ideologisch gezien de boventoon. Materiële welvaart en machtsdenken zijn dan ook de belangrijkste motieven achter het streven naar Europese integratie. We horen van tijd tot tijd wel over 'het ideaal achter Europa' of over een 'waardegemeenschap'. maar van een oriëntatie op de vele eeuwen christelijke geschiedenis, laat staan de vruchten van de reformatie is daarbij geen sprake. De mens maakt zelf uit wat goed of kwaad is.

De invloed van de rooms-katholieke sociale leer is tot de jaren '50 in sommige landen van Europa in het algemeen erg groot geweest. Op de christen-democratie in Europa heeft deze leer ook een belangrijk stempel gezet. Het streven naar een Verenigd Europa past ook in de rooms-katholieke gedachtengoed met een eenheidsvisie op Europa en een centraal bestuur. De 'founding fathers' van Europa waren dan ook overwegend rooms-katholiek. Toch kun je moeilijk spreken van een directe invloed van de Rooms-Katholieke Kerk. Het is eerder zo dat sprake is van een indirecte werking via rooms-katholieke politici, die in Europa een sterke voortrekkersrol hebben gespeeld.

Er wordt weleens op gewezen dat er van de Europese Unie een remmende invloed op Nederland zou kunnen uitgaan. Gewezen wordt op het liberale Nederlandse beleid inzake drugs, de gelijkstelling van verschillende samenlevingsvormen en euthanasie. Binnen de EU stuit dit beleid op verzet. Het valt niet te ontkennen dat het verlies van christelijke normen en waarden op diverse terreinen in Nederland verder is a voortgeschreden dan in diverse andere landen. Daarin ligt echter geen reden om Europa daarom meer invloed toe te kermen. Men kan niet willekeurig in het ene geval als dit e beter uit komt voor Europees beleid kiezen, bijv. drugs, en dit in het andere geval, bijv. christelijk en reformatorisch onderwijs, afwijzen. Het gaat uiteindelijk om de vraag voor welk Europa men kiest. Een centraal bestuurde eenheid met een omvattend Europees cultuurbeleid of een samenwerkingsverband van zelfstandige lidstaten".

Hoe denkt u over de samenwerking met RPE/GPVi-Moet de samenwerking op het spel gezet worden vanwege de 'vrouwenkwestie'^

"Op grond van de goede ervaringen die ik met de samenwerking heb, hoop ik zeer dat de gecombineerde lijst van de drie partijen bij de vol-

gende verkiezingen in stand blijft. Maar over kandidatenlijsten wordt door partijbesturen beslist, niet door vertrekkende parlementariërs. Het is natuurlijk de vraag of RPF en GPV evenveel betekenis zullen hechten aan een vrouw op de Eurolijst als op lijsten voor de gemeenteraden of de Tweede Kamer. Mocht dit onverhoopt toch het geval zijn, dan zou dit naar mijn mening voor de SGP geen breekpunt moeten zijn. Ik zeg hiermee wat ik in het verleden ook al eens publiekelijk heb verklaard. Intussen zijn de gevoeligheden aan beide zijden bekend. Een grote mate van wederzijds begrip is daarom vereist om hier zonder brokken uit te komen".

Hoe ervaart u uw vertrek uit het Europees Parlement persoonlijk!-En hoe beoordeelt u de toekomst van Europa vanuit de Schrift!

"De beëindiging van mijn lidmaatschap van het Europees Parlement na 13 jaar is natuurlijk een hele verandering in mijn leven. Er valt een groot gat in je agenda. Vanzelfsprekend zoek je dat zinvol op te vullen. Ik hoop op vervoersgebied actief te blijven en ook voor kerk en maatschappij nog nuttig te kurmen zijn. Tegelijkertijd is het ook een oefening in onthechting. Ons leven is eindig en dat betekent dat dingen losgelaten moeten worden.

Vaak wordt mij ook de vraag gesteld wat ik heb kunnen bereiken. Wat waren de positieve, wat de negatieve ervaringen. Welnu, zowel naar de ene als naar de andere kant is er niet zozeer van grote uitschieters te spreken. Op diverse beleidsterreinen heb ik actief en substantieel kunnen participeren. Je invloed in principiële zaken is echter gering, al waren er wel eens 'succesjes'. Maar het gaat uiteindelijk niet om wat wij op ons resultatenlijstje kunnen zetten, maar of het werk gezegend wordt en het ondanks alle menselijke onvolkomenheden in Gods gunst gedaan is. Dat geldt trouwens voor al ons werk, niet alleen in de politiek. Het gewicht van onze taak kan verschillen, maar overal geldt dat wij ons werk doen in verantwoordelijkheid tegenover God. Ons leven en werk zal eenmaal geoordeeld worden.

Bij de beoordelmg van het integratieproces dringt zich de vraag op of er aanleiding is de Europese eenwording met wantrouwen gade te slaan in het licht van de eindtijd. Die vraag is niet zomaar te beantwoorden. We weten de wereldgeschiedenis in Gods hand en wij zoeken de gebeur­ tenissen in de wereld te verstaan in het licht van de Schrift. Maar we moeten voorzichtig zijn met het duiden van de geschiedenis. In het verleden zijn internationale organisaties wel eens gezien als voorbodes van de komst van het rijk van de antichrist en bijbelse profetieën zijn wel eens rechtstreeks op kerkelijke en politieke situaties toegepast. Maar deze opvattingen zijn niet altijd houdbaar gebleken.

Vanuit de Schrift weten we dat aan het begin van de geschiedenis van de mens de zondeval als historisch feit heeft plaatsgevonden. Voorts openbaart de Bijbel ons dat God zijn heilsplan in Christus volvoert. De gang van de wereldgeschiedenis en de veelal chaotische werkelijkheid die wij om ons heen beleven is alleen hieruit te begrijpen. Deze dingen zijn bepalend voor alles wat zich voltrekt. Dat maakt ons niet weerloos of passief ten opzichte van de problemen in deze wereld, maar het weerhoudt ons ervan grote ideologische concepties voor een betere wereld na te jagen. Ons is geboden te letten op de tekenen der tijden, waakzaam te zijn en de geesten te beproeven. Want de Schrift plaatst de wereldgeschiedenis in het perspectief van de voleinding en het gericht".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1997

Zicht | 28 Pagina's

Zorgen over drang tot centralistisch Europa

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 augustus 1997

Zicht | 28 Pagina's

PDF Bekijken