Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Federalisme: wat stelt het voor?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Federalisme: wat stelt het voor?

23 minuten leestijd

door drs. Joh. Weggeman

AIO Bestuurskunde Erasmus Universiteit Rotterdam

Bezien binnen de Nederlandse context stond een federalist in 1798 wezenlijk iets anders voor dan een federalist anno 1998. De federalist van 1798 wenste het behoud van de soevereine provincies en geen ineensmelting tot een nationale staatseenheid, terwijl de federalist van 1998 staat voor een sterkere integratie van de natie in een grotere Europese (en soms zelfs mondiale) structuur. De federalist van twee eeuwen terug keerde zich dus tegen een integratie in een groter geheel, terwijl de federalist van nu een dergelijke integratie juist voorstaat. Dit is een van de dubbelzinnigheden die het begrip federalisme in zich heeft. Dat het federalisme met meerdere vaagheden is omgeven, wordt in dit artikel aan de orde gesteld.^

Conceptual stretching, dat wil zeggen het verminderen van de connotatieve precisie (intensie) van een begrip terwiUe van de denotatie (extensie) is in de vergelijkende politicologie de weg van de minste - weerstand om het concept in verschillende landen over de gehele wereld te kunnen toepassen." Het concept federalisme lijdt aan dit verschijnsel, niet alleen omdat het in verscheidene politieke contexten wordt gebruikt, maar eveneens omdat het concept een lange historie heeft, waarin de betekenis niet constant is gebleven."

Spraakverwarring

Landau" spreekt zelfs over een baby-Ionische spraakverwarring die rondom het concept federalisme geschapen is. Hij ziet daarvoor verschillende oorzaken. Allereerst wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen het concept en het fenomeen dat geconceptualiseerd wordt. Dit onderscheid is juist zo belangrijk omdat warmeer het fenomeen altijd in beweging is, het noodzakelijk is het concept constant te houden. Een tweede oorzaak voor verwarring is het veelvuldig gebruik van metaforen. Ten slotte moet bedacht worden dat de term federalisme ook een positieve bijklank heeft waardoor maar weinigen zul­ len willen toegeven dat het federalisme vergaan is. Om die uitspraak te vermi|den, worden nieuwe 'federalismen' uitgevonden - zoals gecentraliseerd, geïntegreerd, nationaal of coöperatief federalisme - en wordt gezegd dat slechts duaal federalisme dood is. Deze nieuwe termen blijven evenwel vaag, verwarrend en dubbelzinnig.''

Ook Duchacek' erkent dat er geen geaccepteerde theorie van het federalisme bestaat en dat er evenmin overeenstemming aanwezig is over wat federalisme precies is. Het concept zelf is onduidelijk en controversieel. De term wordt ook vaak toegepast in een niet-politieke of een niet-terntoriale context. Verder is niet duidelijk of het slechts een structuur is of ook een proces, of het een doel in zichzelf is, of het een type burgerlijke cultuur is, of een machtsverdeling, of een territoriale dimensie van echte democratie.^ De opvatting van Duchacek dat het concept federalisme meerdere dubbelzinnigheden in zich heeft, wordt eveneens gedeeld door de federalisme-kenner Daniel J. Elazar.^

Reformatie

De heersende opinie dat federalisme een moerassig terrein is, mag er niet van weerhouden om in het kort de ontwikkeling van het verschijnsel en van de theorie omtrent het fenomeen te verkennen. Het politieke systeem van het oude Israël is waarschijnlijk het eerste voorbeeld van een unie van constituerende eenheden die gebaseerd was op een gevoel van gemeenschappelijke nationaliteit en de Bi]bel was het eerste boek dat de problemen van een federale staat verwoordde. Daarin werd ook het federalisme in de breedste zin van het woord in de verbondsgedachten voor het eerst geformuleerd. Het kan derhalve niet veel verbazing wekken dat het concept federalisme juist door de federale theologen tijdens en kort na de reformatie nieuw leven werd ingeblazen.•*

Heinrich Bullinger. de opvolger van de reformator Zwingli en wel beschouwd als de grondlegger van de federale theologie, zag het politieke stelsel van Israël ten tijde van het Oude Testament als een normatief kader voor de christelijke staat. Daaruit is te verklaren dat het federalisme naast het theocratisch ideaal kwam te staan. Maar tegelijk hanteerde Bullinger de democratie als norm voor de staatsinrichting. Deze drie principes - federalisme, theocratie en democratie - zijn later terug te zien bij Althusius. Deze wordt gezien als degene, die de ontv/ikkeling en systematisering van de moderne politieke theorie van het federalisme op gang heeft gebracht."'

Althusius is in zijn opvattingen niet alleen beïnvloed door de federale theologie, maar evenzeer door het functioneren van de verenigde Nederlandse provincies. Door zijn werk kwam hij met beide factoren in aanraking. Eerst als rector aan de hogeschool van Herbom - die gesticht was door Johan van Nassau, een broer van Willem van Oranje - dat een centrum werd voor federale theorie en theologie. Vervolgens als syndicator (hoogste ambtenaar) van de stad Embden, die nauwe banden

onderhield met de Nederlanden." Niet Bodin'-, maar Althusius is de eigenlijke vader van het modeme federalisme, omdat hij - anders als Bodin, Pufendorf en Hugo de Groot - federale arrangementen niet als een aspect van internationaal recht, maar als gerelateerd aan het probleem van nationale eenheid zag.'' Dat wil niet zeggen dat Althusius geen oog voor de mogelijkheid van federatieve banden met andere mogendheden. Voor deze banden schijnt hij de term confederatie te reserveren. Overigens maant hij ook tot voorzichtigheid in het aangaan van zulke confederale betrekkingen."

Wanneer het bij Althusius gaat om federahsme, wordt daarmee voornamelijk op de federale structuren binnen de staat gedoeld. De federale visie op de staatsorgamsatie van Althusius komt m het kort daarop neer dat hij op alle niveaus - te beginnen bij het huwelijk - unies, samengesteld uit de eenheden van het voorgaande lagere niveau, ziet. Eenmaal aan de top van de staatsorganisatie aangekomen, zijn er geen individuele personen, families, gilden of enige andere van zulke lagere gemeenschappen lid van de staat, maar alleen de provincies en de vrije steden. Dit AJthusiaanse concept staat in scherp contrast met het Amerikaanse. In het Amerikaanse federalisme-concept is de federale unie samengesteld uit zowel individuele personen als staten. In dit laatste concept behoort de burger tot twee duidelijk onderscheiden gemeenschappen, die beide voorzien zijn van een eigen regering. De deelstaten spelen hier in de opbouw van de overkoepelende overheid een aparte rol. De deelstaten scheppen een nieuwe gemeenschap van de burgers van alle deelstaten. Deze nieuwe gemeenschap is dus niet slechts - zoals in het Althusiaanse concept - een samenstelling van staten zoals in een verbond.''

Verhouding eenheid-delen

Overigens zijn er binnen het Amerikaanse federalisme-concept ook weer verschillende interpretaties te ontdekken. Zo zag bijvoorbeeld Calhoun, die een grotere vrijheid voor de zuidelijke staten voorstond, de soevereiniteit liggen bij de bevolking van de deelstaten. De federatie van Calhoun ligt heel dicht bij een confederaal stelsel. Daartegenover staat de opvatting van De Tocqueville en Webster, die duidelijk verder van de confederatie af staat. Deze laatsten stelden dat de nationale regering wordt gekozen door het gezamenlijke Amerikaanse volk als éénheid, terwijl Calhoun de nationale regering meer opvatte als een systeem van deelstaatregeringen.'"

Het AJthusiaanse federalismeconcept kent duidelijke meerdere niveaus in de federale opbouw van de staat. Bij het Amerikaanse concept concentreert de discussie zich daarentegen op twee niveaus en wel het federale en het deelstaatsniveau. De onenigheid over de vraag om hoeveel lagen het in het federalisme eigenlijk gaat, is terug te vinden in de meer recente literatuur. Zo ziet AhrkF minstens twee patronen van gemeenschappen in een federatie en meent Ostrom'° dat er geen enkele reden is om het aantal lagen in een federatie te beperken tot twee. Toch is dit iets dat vaak gebeurt bij de definiëring van federalisme. Watts noemt bijvoorbeeld als één van de kenmerken van een federatie dat er twee overheidsniveaus zijn, die directe banden hebben met hun bevolking.'^

Volgens de omschrijving van Riker is het federalisme een politieke organisatie waarin twee overheidsniveaus hetzelfde land en volk regeren en waarbij elk van de twee niveaus op tenminste één gebied autonoom kan optreden en waarbij ook enige garantie van deze autonomie van beide overheidsniveaus bestaat.-" Ostrom heeft tegen deze definitie van Riker niet alleen bezwaar vanwege de beperking tot twee niveaus, maar ook vanwege de zwakte. Riker toetst namelijk slechts aan de constitutie of een staat federaal is. Een dictatuur met een federale constitutie kan zo ook een federatie zijn. Temeer daar Elazar^' constateert dat federale systemen - wellicht meer dan andere systemen - historisch gekenmerkt worden door grote inteme verschillen tussen theorie en praktijk. Ook wil Ostrom als kwalitatief kenmerk van een federatie de voorwaarde van democratische controle van de verschillende niveaus toevoegen. Anders is zijns inziens federalisme niet te onderscheiden van feodalisme. De mate van democratische controle kan zijns inziens gemeten worden aan de hand van indicatoren als de effectieve macht van met-publieke personen om personen voor publieke ambten te verkiezen; het imtiatiefrecht; referenda en de mogelijkheid om de ambtsbekleders door middel van bestuursrechtelijke sancties aan te grijpen."

De twee items - het legalisme en de mogelijkheid van ondemocratische federaties - die Ostrom in zijn repliek op Riker aanroert en bekritiseert, zijn ook bij andere auteurs op het gebied van federalisme aan te treffen. Om met het laatste te beginnen, Duchacek^" beschouwt democratie en federalisme als tweelingen. Wel in die zm overigens dat een democratie kan bloeien zonder federalisme, maar dat een federatie in de betekenis van echte territoriale zelfregulering niet kan bestaan zonder democratie. Een federatie veronderstelt democratisch pluralisme op centraal niveau alsook in de federale componenten. Daarentegen is een confederatie zonder democratisch pluralisme voorstelbaar en komt in de praktijk ook voor. Duchacek ziet - in tegenstelling tot Kincaid and Elazar^"* - een confederatie als kwahtatief verschillend van de federale genus. In een confederatie is er geen emotionele of institutionele verbintenis om een supranationale gemeenschap te vormen en behouden de samenstellende eenheden hun onafhankelijkheid. Zij gaan slechts samenwerking aan met het doel enige specifieke taken gezamenlijk uit te voeren.

„Het f'olitieke systeem van het oude Israël is waarschijnlijk het eerste voorbeeld van een federatie en de Bijbel vcas het eerste boek dat de problemen van een federale staat vervaoordde".

Legalistische en sociologische benadering

De kritiek van Ostrom op de legalistische benadering van federalisme

wordt breed gedragen. De legalistische aanpak van federalisme is in de jaren vijftig van deze eeuw onder invloed van het behaviouralisme meer naar de achtergrond gedrongen en vervangen door een sociologisch perspectief en een procesmatige mterpretatie." Belangrijk auteur binnen de legalistische benadering was Wheare, die federalisme zag als het bestaan van één onafhankelijke autoriteit over het gehele gebied met betrekking tot enige zaken en van onafhankelijke regionale autoriteiten voor andere zaken, "each set of authorities being co-ordinate with and not subordinate to the others within its own prescribed sphere".'"

„Federalisme wordt niet alleen geschapen door instituties en regels. Een 'federale geest' is noodzakelijk".

Livingston wordt vaak aangehaald als één van de eersten die afstand nam van de legalistische federalismebenadenng. Evenals Ostrom - en tegenover Wheare en Riker - stelt hij dat de constitutie een slechte gids is om te ontdekken of een samenleving federaal is. Het patroon van de verschillen in de maatschappij moet onderzocht worden om de federale kwaliteiten van een samenleving te achterhalen. Er bestaat een te grote neiging om te zeggen dat een federale constitutie een aantal kenmerken moet bevatten. Constituties, die enige van deze kenmerken missen, zouden dan niet federaal zijn. Een dergelijke set van criteria negeert het fundamentele feit dat instituties niet dezelfde zaken zijn in verschillende sociale en culturele contexten.*'

Mede naar aanleiding van de benadering van Livingston is later ook voorgesteld om een onderscheid aan te brengen tussen de begrippen federatie en federalisme. Expliciet werden de begrippen eerst in de jaren tachtig van elkaar losgemaakt door Preston King. Federalisme is dan een variant of een aantal varianten van politieke filosofie of ideologie, terwijl federatie een type politieke institutie is.^' Burgess ziet federalisme als de aanbeveling en (soms) actieve bevordering van steun voor een federatie.-'' In die opvatting kan er wel federalisme zijn zonder federatie, maar niet vice versa. Later nog heeft Watts voorgesteld drie termen te gebruiken: federalisme als normatief begrip, federale politieke systemen als genus van politieke structuren die gezamenlijke regulering en zelfregulering combineren en federatie als één van de species hiervan.^"

De opvatting van Livingston, dat federaties geen functies zijn van constituties maar van samenlevingen, heeft Tarlton aanleiding gegeven onderscheid te maken tussen symmetrische en asymmetrische federaties." Deze begrippen hebben betrekking op de mate waarin deelstaten de algemene eigenschappen van het federale systeem als geheel weerspiegelen. Deze relatie is volgens Tarlton van wezenlijk belang voor de relaties met de andere deelstaten en met het centraal ruveau. In het geval van Tarlton is de relatie tussen samenleving en federatie concreet gemaakt, maar in het algemeen geldt dat de federale cultuur een vage factor is. Deze kan er oorzaak van zijn dat ook een unitaire staat zich gedraagt alsof het een federale staat was.'^ Federalisme is dan niet slechts een statische verdeling van de macht tussen overheidsniveaus, maar vooral het proces waarbij afzonderlijke politieke gemeenschappen tezamen komen om oplossingen uit te werken, gezamenlijk beleid te maken, besluiten te nemen over gezamenlijke problemen en eveneens het proces waarbij een unitaire politieke gemeenschap gedifferentieerd wordt.'"

Federalisme wordt dus niet alleen geschapen door instituties en regels, maar hangt ook af van de houdingen ten opzichte van het regeringsproces.''' In de opvatting van Friedrich kan er in een federatie geen soeverein bestaan die het 'laatste woord' heeft, maar in een succesvolle federatie ontwikkelt zich in de loop van de tijd een 'federale geest', die uitmondt in een geest van accommodatie en compromisvorming. Zonder deze geest - die zowel de eenheid als de verscheidenheid door middel van een voortdurend proces van wederzijdse aanpassing wil handhaven - is het een federatie niet mogelijk voort te bestaan.'-'

De onderlinge verschillen in de federatie mogen echter niet te klein en niet te groot zijn.* Een federale constitutie moet, volgens Duchacek"", het bestaan van conflicterende belangen onder de samenstellende eenheden ook expliciet erkennen en alle eenheden ertoe verbinden om accommodatie te zoeken zonder de minderheid weg te stemmen. Federalisme is wat dat betreft een onbeëindigde bezigheid omdat vele zaken bij de geboorte van een federatie niet kunnen worden voorzien of onmiddellijk kunnen worden opgelost. Daarbij kan evenwel niet zo ver gegaan worden om de goedkeuring van alle deelstaten te vereisen omdat anders de federatie verlamd wordt en wordt veranderd in een confederatie.'"

Politieke partijen

Een belangrijk element dat van invloed is op de werking van federaties, naast de constitutie, de federale cultuur en het federale proces, is de organisatie van de politieke partijen. Met name Riker heeft deze relatie benadrukt. Fiij stelt dat de decentralisatie'" van de partijen voorkomt dat de nationale leiders hun partijen controleren door organisatorische of ideologische middelen. Als zodanig zijn de niet gecentraliseerde partijen in de Verenigde Staten de grootste beschermers van de integriteit van de deelstaten binnen de federatie.* Er is volgens Riker'" een uiterst sterke correlatie - minstens tussen de twee extreme categorieën - tussen federalisme en partijstructuur. Federalisme kan gemeten worden door partijstructuren te meten. Riker heeft verschillende pogingen ondernomen om federalisme te meten. Eén daarvan is een classificatie van partijcentralisatie aan de hand van t\A^ee standaarden: (a) of een regeringspartij op nationaal niveau al dan niet regeringspartij is op deelstaatsniveau en (b) of er met betrekking tot legislatieve en executieve aangelegenheden al dan geen partijdiscipline bestaat.

Ook anderen hebben in politieke partijen belangrijke oorzaak van centralisme in federaties gezien."^ Zo is er in Europa een verschil in werking van de federaties tussen enerzijds

Zwitserland waar de partijen verticaal gedifferentieerd zijn en Oostenri|k en Duitsland anderzijds waar de partijen verticaal geïntegreerd zijn.'" De Duitse federatie wordt door Von Beyme ook wel als een Paneienbundesstaat getypeerd. Een niet-gecentraliseerd partijstelsel is wellicht het belangrijkste zelfstandige element voor de handhaving van federale non-centralisatie, dat een belangrijk element is van federale systemen. Daarbij zijn twee varianten denkbaar."^ Allereerst een minimale partijbinding (non-centrale partijen), zoals in de Verenigde Staten en ten tweede een fragmentatie van de partijen langs regionale lijnen (geregionaliseerd partijstelsel) zoals de laatste decennia in

Machtsdeling versus vervlechting

Intussen blijft enigszins onduidelijk wat een federatie is. Hierboven is gesteld dat het ook onmogelijk is om dat glashelder te maken door het bestaan van verschillende modellen. Het Amerikaanse model (in de zin van De Tocqueville) wordt veelal gezien als het klassieke model. Een belangrijk basisprincipe daarvan is dat twee regeringsniveaus onafhankelijk moeten zijn. Dat betekent ook dat ieder van de beide overheidsniveaus alle of geen macht hebben in een bepaalde overheidssfeer en dat er geen machtsdeling {power sharing) is tussen de nationale en de subnationale overheden. Daarnaast kent dit model geen functionele taakverdeling en moeten de administratieve bureaus van de twee niveaus geheel gescheiden zijn."-' Kortom, het essentiële kenmerk van het klassieke model is independence en niet interdependence Tegenwoordig wordt dat verschil ook wel aangegeven door de termen duaal respectievelijk coöperatief federalisme."

Kincaid stelt dat de kern van de federale instellingen ligt in de opbouw van power-sharing relaties tussen zelfregulerende jurisdicties die zekere waarden pogen te accommoderen of te maximaliseren."' Ook Elazar ziet de deling van publieke verantwoordelijkheden als een centraal kenmerk van federalisme, die veelal tot uiting komt in de uitgebreide intergouvernementele samenwerking.™ Hij definieert federalisme daarom op de meest eenvoudig mogelijke wijze als self-rule plus shared rule."^ Volgens Blondel is de praktijk in alle federaties weinig verschillend van de Duitse constitutie en de praktijk in de gedecentraliseerde eenheidsstaten, namelijk die van een partnerschap tussen de regeringen.^" Ook Schultze constateert een tendens van het klassieke model af.-'' Deelstaten worden steeds meer kostganger van de centrale regering, terwijl het executieve federalisme - dat wil zeggen de deelstaten als uitvoerders van het nationaal overheidsbeleid - uitbreidt. Daarnaast neemt ook de samenwer­ . king tussen en de vervlechting van de regeringsniveaus toe door onder meer conferenties van ministers en bureaucraten van de verschillende regeringen.

Abromeit zondert de Verenigde Staten en Zwitserland van de bovengenoemde trend uit.-'^ Zij hebben de trend in de richting van Politikverflechtung ten minste partieel weerstaan. Deze twee federaties zijn min of meer duale systemen. Abromeit

„Het belang van federale structuren stijgt gezien het toenemend aantal staten dat ermee te maken heeft".

gaat zelfs zover de Duitse federatie een verkapte eenheidsstaat te noemen, dat een consequentie is van het in de constitutie vastgelegde coöperatieve federalisme en van de gebrekkige financiële autonomie van de deelstaten. Ook de centralisatiegraad van de relevante politieke acteurs ziet hij als een oorzaak. Met name als het gaat om de dominantie van de nationale partijen wordt Rikers these hier ondersteund.""^

De theorie van de Poliükverflechlung in federaties is in de jaren zeventig ontwikkeld op basis van de Duitse federatie. Het betekent een (begrensde) sturing van het besluitvormingsgedrag van decentrale besluitvormers in het belang van het omvattender collectief. Daarbij kan onderscheiden worden tussen horizontale en verticale vervlechting en verbondssystemen. Bij horizontale vervlechting wordt het beleidsprogramma uitsluitend door decentrale eenheden, maar wel in onderlinge samenwerking vastgesteld. Verticale vervlechting houdt in dat het beleidsprogramma uitsluitend door een centrale instantie wordt vastgesteld, waarbij de decentrale eenheden als uitvoerders optreden. Bij verbondssystemen werken de decentrale eenheden en de centrale instantie gemeenschappelijk aan de formulering van het beleidsprogramma.^"

Kenmerken en functies

Ondanks de verschillende modellen van federalisme die in theorie en praktijk bestaan, kunnen enkele gemeenschappelijke kenmerken genoemd worden."^ Ten eerste, verdeling van de macht op territoriale basis.^'' Ten tweede, vertegenwoordiging van de regionale belangen in de federale beleidsformulerende instanties.-^' Onderscheid kan worden gemaakt tussen twee typen federale Kamers: het senaatstype, waarbij de eenheden zijn vertegenwoordigd met een gelijk aantal voor elke eenheid, die direct of indirect verkozen worden en het raadstype waarbij de eenheden vertegenwoordigd worden door hun regeringen, veelal op gewogen basis.^** Als derde kenmerk van federaties kan een geschreven constitutie genoemd worderf' en als vierde kenmerk ten slotte conflictregulering bij onenigheid tussen de overheidsorganen door een onafhankeli|ke rechter.*"

Een federatie ; 5 niet alleen een bepaalde structuur, maar doet ook iets. Aan federalisme worden functies toegeschreven. Zo kan federalisme dienen tot bescherming van de individuele en lokale vrijheden alsook van de vrijheden van minderheden.'"' Vervolgens wordt federalisme ook gezien als middel voor de stabilisering van de democratie en tot instandhouding van en conflictregulering in multiculturele samenlevingen.'*" Het wordt verder beschouwd als uitbreiding van de participatie-en recrutermgsmogelijkheden van politieke elites."" Ten slotte wordt aan het federalisme wel een efficiency verhogende werking toegeschreven doordat onderlinge concurrentie tussen de deelstaten innovatie bevordert en doordat radicale politieke koersveranderingen gedempt worden."

Ontwikkelingen

In het midden van de jaren negentig zijn er zo'n zestien federaties in de wereld. Hoewel dit minder dan tien procent van het totaal aantal staten is, leeft meer dan een derde van de wereldbevolking in een federatie.''^ De westerse staten zijn oververtegenwoordigd onder de federaties. Zeven van de zestien federaties zijn westers, terwijl de westerse staten slechts 12, 5 procent van het totaal aantal staten uitmaken."'* Het belang van federale structuren in het algemeen stijgt, gezien het toenemend aantal staten op Europees en mondiaal niveau dat federale structuren kent of deel uitmaakt van internationale bindingen die onder deze structuren vallen."'

Bij de ontwikkeling van de staatsstructuur zijn grofweg twee richtingen mogelijk. In een eenvoudig schema zijn deze als volgt weer te geven;

volledig autonoom gescheiden staten duaal federalisme gecentraliseerde unitaire gemeenschap

Fig.: Constitutioneel hervormingsschema

Federale structuren worden gecreëerd door een toename van de bindingen tussen voorheen 'onafhankelijke' gebiedsdelen (Europese Unie) of door een afname van de bestaande eenheid binnen een bepaald gebiedsdeel (België). Paradoxaal doen deze ontwikkelingen van globalisering en lokalisering zich momenteel tegelijkertijd voor, wat wel wordt aangeduid als glokalisering. De schets zoals die hierboven gegeven is van het federalisme geeft aan dat hét federalisme niet bestaat, maar dat het een uitermate complex en vaag begrip is. Ook wat betreft de feitelijke typering van federaties is de eensgezindheid ver te zoeken. Zo is het frappant dat met betrekking tot de Bondsrepubliek Duitsland drie interpretaties gevonden kunnen worden. Daar Duitsland gewoonlijk wordt gecategoriseerd als een federatie, zijn er twee (tegengestelde) afwijkende meningen in de literatuur aan te treffen. Zo ziet Bakvis confederale tendenties in de politiek-bestuurlijke structuur van het land, terwijl bijvoorbeeld Abromeit over hetzelfde systeem juist spreekt van een verkapte eenheidsstaat. In dit licht is het niet te verwachten dat er in de toekomst overeenstemming zal bestaan of ontstaan over de typering van de feitelijke structuur van de Europese Unie.

Noten


1. Dit artikel is een licht bewerkte versie van paragraaf 2.2 van mijn doctoraalscriptie Consoaatie en Federatie. Ben Literatuurstudie naar hun Onderlinge Verhouding, Leiden, 1997. (bekroond met de Leidse vakgroepscriptieprijs politicologie 1997 en (ex aei^uo) met de Leidse facultaire scriptieprijs sociale wetenscliappen 1997).

2. Giovanni Sarton, 'Concept misformaüon in comparative politics', The American Political Science Review, dMA (1970), pp.l033- 1053, 1034-1035.

3. Daniel J, Elazar, Exploring Federalism, Tuscaloosa, 1987, p.l5.

4. Martin Landau, 'Federalism, redundancy and system reliability', in; Daniel J. Elazar (ed.). The Federal Polity, New Jersey, 1974, pp, 173-196, 173.

5. idem, pp.175-179.

6. Ivo D. Duchacek, Conifarative Federalism: The Territorial Dimension of Politics, New York, 1970, p.l89.

7. Ivo D. Duchacek, 'Antagonistic cooperation: Territorial and etmc communities', Puhlius, 7/4 (1977), pp.3-29, 14.

8. Daniel J. Elazar, 'Federalism and consociational regimes', Puhlius, 15/2 (1985), pp, 17- 34, 20.

9. Daniel J. Elazar, 'Federalism', in; David L Sills (ed.), International Encyclopedia of the Social Sciences, vol. 5, 1968, pp.353-367, 353 en 361.

10. J. Wayne Baker, 'The convenantal basis for development of Swiss political federalism: 1291-1848', PMius, 23/2 (1983), pp.19-41; Daniel J, Elazar, t.a.p., 1968, pp.362-363; idem, 'Althusius' grand design for a federal commonwealth', in: Johannes Althusius, Politica, Indianapolis, 1614/1995, pp.xxxv-xlvi, Carl J. Friednch, Trends of Federalism in Theory and Practice, New York, 1968, p.13; Ernst Deuerlein, Föderalismus. Die Historischen und Phihsofhischen Grundlagen des Föderativen Konzepts, Bonn, 1972, pp.33-37.

ll.Baker, t.a.p., pp.33-34.

12 Zoals Jan J. Hattingh, Overheidsverhoudinge - 'n Inleiding, Pretoria, 1988, p.106 beweert.

13 Elazar, t.a.p., 1968, pp.362-363

14 Johannes Althusius, Politica, Indianapolis. 1614/1995, pp.89-90.

15. Fnedrich, a.w., pp.13 en 17.

16. Murray Forsyth, Unions of States. The Theor\' and Practice of Confederation. New York, 1981, pp.112-132.

17. Zie Duchacek, aw., 1970, p.l88.

18. Vincent Ostrom, 'Can federalism make a difference? ', in: Daniel J. Elazar (ed.). The Federal Polity, New Jersey, 1974, pp.197- 238, 204-205.

19. Ronald L. Watts, 'Contemporary views on federalism', in: Bertus Villiers (ed.). Evaluating Federal Systems, Dordrecht e.a., 1994, pp. 1-29, 8-9.

20. William H. Riker, Federalism. Origin, Op> eralion, Significance, Boston, 1964, p.11; idem, 'Federalism', in: Fred I. Greenstein and Nelson W. Folsby (eds.), Handbook of Political Science, vol.5, 1975, pp.93-172, 101.

21. Elazar, t.a.p., 1968, p.356.

22. Ostrom, t.a.p., 1974, pp.202-205.

23. Ivo D. Duchacek, t.a.p., 1977, 14; idem, 'Consociations of fatherlands: The revival of confederal principles and practices', Puhhus, niA (1982), pp.129-177, 146-148.

24. Daniel J. Elazar and John Kincaid, 'Introduction: 25th anniversary', Puhlius, 25/2 (1995), pp.l-4

25. Ramer-Olaf Schultze, 'Foderahsmus', in: Manfred G. Schmidt (Hrsg.), Die Westlichen Lander, 1992, pp.95-n0, 97.

26. K.C. Wheare, Federal Government, London, 1953, p.35.

27. William S. Livingston, 'A note on the nature of federalism', Political Science Quarterly, 67/1 (1952), pp.81-95.

28. Preston King, Federalism and Federation, London, 1982, p.75.

29 Michael Burgess, 'Federalism and federation: a reappraisal', in: Michael Burgess and Alain-G. Gagnon (eds.), Comparative Federalism and Federation, Hertfordshire, 1993, pp.3-14.

30. Watts, t.a.p., p.8.

31. Charles D. Tarlton, 'Symmetne and asymmetne as elements of federalism: A theoretical speculation'. Journal of Politics, 27/4 (1965), pp.861-874.

32. Duchacek, t.a.p., 1977, p.28.

33 Fnedrich, a.w., p.7.

34 Vergelijk Cheryl Saunders, 'Constitutional arrangements of federal systems', Puhlius, 25/2 (1995), pp.61-79, 62.

35. Friednch, a.w., pp.39 en 175.

36, Livingston, t.a.p., p.89; Tarlton, t.a.p., p.872.

37 Duchacek, a.w., 1970, pp.192-193.

38, Livingston, ta.p., p.83.

39, De term non-centralisatie is hier beter, omdat bij decentralisatie de aan het subnationale mveau toegekende bevoegdheden door een eenzijdige beshssing kunnen worden teruggeroepen (Elazar, t.a.p, , 1968. pp.357-360).

40, Riker.a.w.. 1964, p.l01.

41.Riker, t.a, p., 1975, p.l37.

42. Bijvoorbeeld Klaus von Beyme, Das Politische System der Bundesrepuhlik Deutschland nach der Vereinigung, 7.AufIage, Opladen, 1993, p.338.

43. Charles D. Hadley et al., 'Federalism and party interaction in West Germany, Switzerland, and Austna', Puhlius, 19/4 (1989), pp 81-97, 93-95.

44. Elazar, t.a.p., 1968, pp.357-360.

45. Jean Blondel, Comparative Government. An Introduction, 2nd edition, London, 1995, pp.234-236.

46. Landau, t.a.p, p. 174.

47. John Kincaid, 'Values and value tradeoffs in federalism', Puhlius, 25/2 (1995), pp.29- 44, 44.

48. Elazar, t.a.p., 1968, p.360.

49. Damel J. Elazar, Exploring Federalism, Tuscaloosa, 1987, p.l2.

50. Blondel, a.w., p.241.

51. Schultze, t.a.p., p.l06.

52. Heidrun Abromeit, Der Verkappte Einheitsstaat. Opladen, 1992, pp.19-26.

53. idem, pp.32-47,

54. Fritz W. Scharpf, 'Die Theorie der Politikverflechtung. Ein kurzgefa& ter Leidfaden', in: Joachim Jens (Firsg, ), Politikverflechtung im Foderativen Staat, Baden-Baden, 1978, pp, 21-31,

55. Zie ook Arend Lijphart, Democracies. Patterns of Majoritarian and Consensus Government in Twenty-One Countries, New Haven, 1984, pp, 169-186 en Manfred G. Schmidt, Demokratietheorien, Opladen, 1995, pp.239-251.

56. Elazar, t.a p., 1968, pp.357-360,

57. Watts, t.a.p, pp.8-9.

58. Fnedrich, a.w, , p.65.

59. Saunders, t.a.p, , pp, 63-66.

60. Schultze, t.a.p., p, 97,

61. Elazar, t.a.p, , 1968, 354; Schultze, t.a.p., 95

62. Cynthia H. Enloe, 'Intemal colonialism, federalism and altemative state development strategies', Puhlius, 7/4 (1977), pp, 145-160, 147; Wolfgang Rudzio, Das Politische Svstem der Bundesrepuhlik Deutschland, 3.Auflage, Opladen, 1991, p.331; Duchacek, a.w., 1970, pp.15-21.

63. Kincaid, tap., p.36.

64. Heidrun Abromeit und Felix W. Wurm, 'Der bundesdeutsche Föderalismus. Entwickelung und neue Herausforderungen', Politische Bildung, 29/3 (1996), pp.10-23, 10.

65. Damel J. Elazar, 'From statism to federalism: A paradigm shift', Puhlius, 25/2 (1995), pp.5-18, 15 telt in hetzelfde jaar 21 federaties met in totaal 40 procent van de wereldbevolking.

66. Blondel, a.w, , pp.237-239.

67. Elazar, t.a.p., 1995, pp.8-18.

68. James M. Buchanan, 'Federalism as an ideal political order and an objective for constitutional reform', Puhlius, 25/2 (1995), pp.19-27, 24; vergelijk ook Schultze, t.a.p., 96.

69. Zie bijvoorbeeld Watts, t.a.p., p.5.

70. Herman Bakvis, 'Structure and process in federal and consociarional arrangements', Puhlius, 15/2 (1985), pp. 57-69.

71. Abromeit, a.w., 1992.

72. Zie voor de EU en het federalisme onder meer: Dimitris N. Chryssochoou, 'Democracy and symbiosis in the European Union: Towards a confederal consociationi'. West European Politics, 17/4 (1994), pp.1-14; Puhlius: The Journal of Federalism, 26/4 (1996) (themanummer over federahsme en EU); Flora A.N.J. Goudappel, Powers and Control Mechanisms in European Federal Systems. A Comparative Approach to the Form of Government of the European Community. Rotterdam, 1997.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 February 1998

Zicht | 28 Pagina's

Federalisme: wat stelt het voor?

Bekijk de hele uitgave van Sunday 1 February 1998

Zicht | 28 Pagina's

PDF Bekijken