Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

‘Tussen beginsel en belang’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

‘Tussen beginsel en belang’

30 minuten leestijd

drs. J. Mulder

Dire van de Bressending

Op 12 november 1998 vond in Perscentrum 'Nieuwspoort' in Den Haag de presentatie plaats van de nota Tussen beginsel en belang. Normatieve gedachten over economie, markt en samenleving. De directeur van de Guido de Brèsstichting bood de nota aan mevrouw A.Jorritsma-LebbinJc, de minister van Economische Zaken, aan. Daarna reageerden achtereenvolgens de minister, de heren prof.dr. B.Goudzwaard en prof.dr.ir. G. van Dijk op de inhoud van de nota. De heren drs.J.J.Polder en drs.A.R de Jong, als leden van de werkgroep, die de nota voorbereidde gingen op de reacties in. Hieronder treft u de bijdragen aan.

I. De aanbieding van de nota

door drs. J. Muider

Alevrouw de tnimster, dames en heren,

"Er zijn mensen die houden van economie-van-het-genoeg; anderen krijgen van economie nooit genoeg. Dat gevoel bekruipt me wanneer ik kennis neem van de inhoud van de fundamentele studie Tussen beginsel en belang, waar beide typen mensen in terug te vinden zijn.

De samenstellers van deze studie die zich zo indringend met economie hebben beziggehouden, moeten van hun vak houden. Ze hebben zich onbevangen en tevens bescheiden met een aantal fundamentele vragen bezig wiUen houden. Tussen Beginsel en belang geeft treffend de spanning weer die ligt tussen principiële uitgangspunten en economische orde. In deze voor ons instituut alsook voor de partij fundamentele studie is geprobeerd een brug te slaan tussen principiële uitgangspunten en economische orde. Deze poging is mijns inziens geslaagd te noemen, in welke mate dat laat ik graag aan deskundigen over.

Het is zeker niet de bedoeling met deze publicatie het laatste woord gesproken te hebben. Daar zou ik de auteurs onrecht mee aan doen. Sterker: het voornemen is de discussie voort te zetten. Daar beginnen we reeds vandaag mee door enkele in­ houdelijke reacties te vragen. Het doet me veel genoegen u dadelijk een exemplaar van deze studie te mogen overhandigen. De inhoud is naar mijn opvatting te belangrijk om naast ons neer te leggen. De moderne economie en het marktdenken zijn niet waardenvrij, maar ondenen hun inspiratie aan het hberaal-humanistisch mens-en wereldbeeld. Door de absolutering van het economische komen belangrijke christelijke en maatschappelijke waarden onder druk te staan.

In deze studie wordt een model gepresenteerd voor een christelijke beoefening van de economie. Bijbelse en humanistische uitgangspunten worden systematisch in verband gebracht met de sleutelfactoren van de economie.

Aan de hand van dit denkraam wordt een visie op de economische orde uitgewerkt, waarin het evenwicht tussen Bijbelse, economische en maatschappelijke waarden tot gelding wordt gebracht.

Deze visie wordt vervolgens toegepast op een aantal actuele terreinen, waaronder globalisering, de EMU en het milieuvraagstuk. Daarnaast wordt ingegaan op de rol en de effecten van marktvi'erking m de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en het onderwijs.

Geconcludeerd wordt dat in deze sectoren op grond van normatieve Direaeur van de GuiQo des Bresstichlmg overwegingen slechts beperkt ruimte is voor de vi/erking van de markt.

Met deze studie heeft de Guido de Brèsstichting een gebruiksboek op het oog dat de overheid en de lezers uitnodigt om verder na te denken over de plaats van het economische en de rol van de markt op andere terreinen van de samenleving. Ook wordt een oproep gedaan om gestalte te geven aan een beoefening van de economie 'tussen beginsel en belang'.

Met genoegen bied ik nu deze publicatie aan en nodig ik u tevens hartelijk uit een aanzet voor verdere bezinning te geven, want mderdaad: economie: je kunt er geen genoeg van krijgen."

II. De bijdrage van de Ministervan Economische Zaleen

Ik vmd het een hele eer dat deze studie aan mij wordt aangeboden. Dat vind ik natuurlijk bij vrijwel ieder boek dat ik in ontvangst mag nemen, maar het geldt voor dit boek m het bijzonder. Ik zeg dat omdat ik vantevoren al de gelegenheid heb gekregen om het boek in te zien. En in de inleiding las ik iets heel interessants. Ik citeer:

'Vanuit een normatief chnstelijke benadering moet de triomftocht van liberale waaarden op zijn minst met een bepaalde achterdocht worden beschouwd'.

Dan is het toch op zijn minst opmerkelijk om het eerste exemplaar van dat boek aan te bieden aan een minister van liberale huize. Maar het is wel een bewijs dat de SGP de dialoog niet schuwt. En met die vi^ens tot dialoog bent u bij mij precies aan het goede adres.

Ik denk dat het een zeer gedegen

Studie is geworden. Een studie met een omvang die het Oude Testament benadert. Er zijn overigens meer parallellen. Net als het Oude Testament ontbreekt in dit boek een samenvatting. En net als het Oude Testament is er veel aandacht voor de 'aartsvaders'. Die aandacht loopt van de grondleggers van de klassieke economie - Adam Smith en Alfred Marshall - via Karl Marx tot de denkers over de moderne welvaartstheorie als John Ra wis.

"De SGP loof^t met het uitbrengen van deze studie voorop> en mag daar best trots op> zijn."

Uit de studie komt ook een belangstelling voor de wereld buiten de economie aan de orde. Zo komen mensen als Multatuli aan bod. Een niet te vergeten de fransman Michel Albert - die enkele jaren geleden het boek 'Capitalisme contre capitalisme' schreef. Professor Goudzwaard, die na mij zal spreken, heeft regelmatig over economie en normen geschreven. Dus dat hij vaak in de studie wordt aangehaald, hoeft geen verwondering te wekken. Maar het studiecentrum van de SGP, de GuidodeBrèsstichting, staat ook open voor ideeën van andere partijen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat Jos de Beus - naast hoogleraar ook schrijver van het voorlaatste verkiezingsprogramma van de PvdA - wordt aangehaald. Wat mij natuurlijk nog meer aanspreekt, is het feit dat het derde hoofdstuk begint met een verwijzing naar een column van een mede-liberaal. Frits Bolkestein. Maar veel belangrijker is natuurlijk dat de studie een duidelijk beeld geeft van het gedachtegoed van de SGP. In de christelijke benadering van de economie staat het begrip rentmeester centraal. Daaruit vloeien tal van consequenties voort, op vele gebieden: het milieu, de arbeidsmarkt, het onderwijs, de intemationale samenwerking, de rolverdeling tussen mannen en vrouwen, enzovoorts.

Ik denk dat het belangrijkste verschil tussen mijn opvattingen en de studiezit in de visie op de rol van de economie. In mijn visie is de economie vooral een instrument. Economie is - om de titel de nieuwe Bijbelvertaling te gebruiken - niets meer en niets minder dan 'Werk in uitvoering'. De economische orde is een instrument dat kan zorgen voor een efficiënte productie van welvaart en werkgelegenheid. En de economische wetenschap is een hulpmiddel om processen te verklaren. In deze meer 'positivistische' visie zijn de economie en de economische wetenschap op zichzelf neutraal.

Dat wil overigens niet zeggen dat je geen normn en waarden zou kunnen hebben. En het laat ook onverlet dat je als overheid best kunt ingrijpen om uitkomsten van economische processen te corrigeren. Kijk bijvoorbeeld naar het actieve overheidsbeleid om duurzame energie te stimuleren. Of naar onze inspanningen om de combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken.

De invalshoek in deze studie is duidelijk net een slagje anders. Het streven is de economische orde 'normatief'te benaderen. De titel van de studie 'Tussen beginsel en belang. Normatieve gedachten over economie, markt en samenleving' laat dat al zien. U ziet de economie als een middel om bijbelse normen en waarden te verwezenlijken.

Opmerkelijk is echter dat ondanks deze andere invalshoek de uitkomsten op sommige punten duidelijk overeenkomen met de visie van mijn partij. Zo staat er in het hoofdstuk over de arbeidsmarkt en sociale zekerheid bijvoorbeeld dat 'de overheid wel goed in de gaten met houden dat zij geen arbeid gaat bekostigen die evengoed door de markt bekostigd zou kunnen worden' omdat dit het risico in zich bergt van verdringing van regulier werk. Met deze opmerkingen ben ik het geheel eens.

Het belang van deze studie is dat de SGP vanuit haar beginselen een totaalvisie op de economische orde heeft gepresenteerd. Dat is niet alleen interessant voor de SGP zelf, maar ook voor andere deelnemers aan het politieke proces hier in Den Haag. De SGP loopt met het uitbrengen van deze studie voorop en mag daar best trots op zijn. Ik zou het toejuichen als ook andere partijen op een dergelijke manier hun gedachtegoed op papier zouden zetten.

'Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onderde zoni' vraagt Prediker. Over het antwoord op die vraag breken al vele generaties filosofen en theologen zich het hoofd. Heeft de SGP met deze studie het antwoord gevondeni Dat is aan de lezer te beoordeling. Maar een stukje van het antwoord lijkt me wel in deze studie aanwezig.

III. De bijdrage van prof.dr. B. Goudzwaard

1. Ik vind Tussen beginsel en belang een belangrijk document. Systematische bezinning over wat het reformatorisch belijden ten aanzien van economie en economische politiek te zeggen heeft, is op zich al zeldzaam, en dus welkom bij alle wehnenende christenen die vi^illen doordenken over de tijd en samenleving van nu. Maar daarnaast is de economie van nu, en daarmee de maatschappij als geheel, in een situatie beland waarin ze die boodschap wel eens hard nodig zouden kunnen hebben. Reden voor deze uitspraak: de diepe invloed van de vooruitgangsidee van de Verlichting op de opbouw van de modeme samenleving en economie. Gebaseerd op men-selijke autonomie in het kader van een overwegend mechanisch wereldbeeld (het geloof dat marktmechanisme en het democratisch mechanisme ons gezamelijk naar een betere en meer welvarende toekomst zullen leiden, ook wanneer de mens zelf zich door weinig meer laat leiden dan zijn pure eigenbelang). Onze samenleving van nu is in tal van problemen verstrikt geraakt die van paradoxale aard zijn - zoals die van toenemende armoede juist in rijke samenlevingen, de afnemende beheersing van het milieu en de milieukwaliteit bij toenemende kennis, toenemende tijdsdruk bij meer vnje tijd, en de erosie van de zorg bij groeiende welvaart-en dat zou wel eens juist aan de basis kunnen liggen: want de wereld blijkt steeds meer kanten te hebben dan in zulke machanische en dynamische denkschema's past.

Een heteronome reformatorische maatschappijvisie is dus niet alleen van belang voor christenen. Het Hjkt

ook een uitweg uit hedendaagse maatschappelijke noden te bieden.

2. De opstellers van het rapport zijn al snel op het probleem gestoten dat degenen die niet in autonome, maar in normatief-christelijke zin over economie denken en spreken, dat met eenstemmig doen. Er worden verschillende accenten gelegd: op zorg, op doelmatigheid, op respect, enz. Ik denk dat de auteurs van het rapport een uitstekende keus hebben gedaan in een doorwrocht rapport toen zij besloten de bijbelse norm van 'Oikonomia' als uitgangspunt te nemen, maar dit vervolgens te verbijzonderen naar een aantal kemnoties, al naar gelang je met drijfveren van afstemming of coördinatie tussen hun handelingen of met de effectiviteit in het economisch leven. Zorgvuldig gaan ze na. wat voor elk van die deelterremen en een Bijbels-normatief inzicht zou kunnen impliceren, en contrasteren dat met de geldende humanistische inzichten. Voor de uitwerking daarvan heb ik veel waardering. Prachtig is bijvoorbeeld het accent op rentmeesterschap in de contrast met absolutische eigendomsopvattingen. Wel heb ik ook enkele critisch-opbouwende kanttekeningen.

a) Er is voor wat menselijke drijfveren betreft inderdaad een groot verschil tussen het streven naar eigenbelang en het liefhebben van God en de naaste. Maar de kracht van die constatering neemt nog toe wanneer die conclusie als het ware economisch wordt toegespitst en omlijnd. Dan komen voor de economie ondermeer de drijfveren van materieel gewin en meer economische macht te staan tegenover die van het zorgend onderhouden en economisch vruchtbaar maken van de aarde. De analyse had hier wat scherper mogen zijn. Een gebrek aan voorzorg voor mens en natuur, dieren inbegrepen, acht ik bijvoorbeeld zelf symptomatisch voor een sterk seculariserende samenleving, waarin geboden van buiten niets uithalen en waarin men liever zijn autonome gang gaat en vrijwel alles verwacht van op eigen prestaties stoelende geldelijke na-zorg. Het humanistisch tunneeldenken en tunnel-handelen geeft dan meer de toon aan dan het voorafgaand luisteren naar de wil van een ander.

b) Bij het deelterrein van de coördinatie heb ik eerlijk gezegd de inbreng van Calvijn wat gemist. In zijn brieven en geschnften v/ijst hij er keer op keer op, dat de eis van het grote liefdegebod ook voor het markthandelen geldt en daar primair tot uitdrukking komt m het principe van de billijkheid: wat gij wilt, dat de anderen u economisch doet, doet gij hem evenzo. Dat inzicht is met name van belang in de hedendaagse neo-klassieke terminologie - en het rapport is daar helaas niet geheel vrij van gebleven - de markt voor alles als een min of meer opzichzelfstaand mechanisme wordt gezien. Maar voor Calvijn is het primair een sociale institutie, waarin mensen met hun diverse belangen elkaar coram Deo ontmoeten, om de vruchten van het werk uit te wisselen. Het is zo gezegd een institutie zoals het met alle aspecten van een werkelijkheid, waarvan het mechanisme er maar één is. (De markt heeft wel een eigen mechanische dynamiek, maar mag daarom nog niet in denken en handelen tot een autonoom mechanisme wordt gereduceerd). In het markthandelen mag van iedere deelnemer bijvoorbeeld worden gevergd het belang van de ander in acht te nemen als eis van billijkheid (iets wat maar maar even op blz. 39 uit het rapport wordt genoemd). Actueel gemaakt in het werk van Amartya Sen, die de causaliteitsvraag in de economie heeft verruimd van de wat-vraag naar de wie-vraag: wie, •welke factoren veroorzaken hongersnood en armoede, en in hoeverre zijn die problemen aan die veroorzakers toe te rekenenr Een ananlysevorm die natuurlijk van enorm belang is voor een rechtvaardig overheidsbeleid. Dat is nu veel te veel op symptoombestrijding gericht, en veel te weinig op het terechtwijzen en corrigeren van de economische boosdoeners.

c) Een laatste opmerking geldt de norm van effectiviteit en efficiency in de economie. Deze •wordt in de studie terecht in verband gebracht met de eis van een simulante realisa­ tie van normen, zoals prof.T.P. van der Kooy dat vroeger placht aan te duiden. Hier had ik graag gezien, dat van meet af aan was duidelijk gemaakt dat het zogenaamd waardenvrije economische denken van meet af aan de vraag naar de doelmatigheid of efficiency beperkt tot die naar het juiste gebruik van de middelen, en dus stelselmatig de vraag achterwege laat of ook behoeften ook niet economische onverantwoord kunnen zijn. Wensen wij bijvoorbeeld aan comsumptie-goederen méér, dan de aarde in feite economisch kan verdragen of opbrengend De economische behoeftenkritiek zou mijns inziens de studie njker hebben gemaakt; er had bijvoorbeeld een scherper opstelling ten aanzien van hedendaagse reclame-actviteiten uit kunnen voortkomen.

"Prachtig is bijvoorbeeld het accent op> rentmeesterschap! in de contrast me absolutische eigendomsofvattingen."

3. Na het leggen van de normatiefeconomische grondslag, waarvoor ik als geheel duidelijke waardering heb, gaat de studie over op een analyse van de Nederlandse economie. En ze laat die analyse uidopen op deelbeschouwmgen over internationale samenwerking, milieu, arbeid en sociale zekerheid, en de gezondheidszorg. Ook hier treft mij de zorgvuldigheid in de afweging. En het verwondert na de gegeven analyse niet, dat bijvoorbeeld de hedendaagse globalisering van de wereldeconomie met gemengde gevoelens wordt bezien, onder meer vanvi'ege de uitsluiting van de allerarmste landen van het benodigde kapitaal. En dat ook de Europese Monetaire Unie als een risicovolle keus wordt aangeduid: streeft men niet te zeer naar welvaart en macht alleen, en worden de lidstaten daardoor niet te sterk aan banden gelegdi

Ook het hedendaagse milieubeleid wordt in algemene zin wordt als te zwak beoordeeld. Het rapport spreekt zich expliciet uit voor een meer sobere levensstijl en voor het

hanteren van de norm van een zogenaamd strikte duurzaamheid (van een strikte partij als de SGP zou iets anders me ook tegengevallen zijn). Ten aanzien van de arbeidsmarkt wordt veel waarde gehecht aan de onderlinge coördinatie tussen werkgevers en werknemers, terwijl tripartite beheersconstructies, waarin de overheid rechtstreeks participeert, zoals de PBO, als een riskante vermerung van verantwoordelijkheidssferen wordt aangeduid.

Ook treft mij, dat in de beschouwing over de toekomst van de zogsector er uitdrukkelijk tegen wordt ge'waarschuwd dat artsen en ziekenhuizen door de zgn. verbeterde marktwerking worden genoopt met elkaar een voortdurende concurrentieslag aan te gaan; de wereld van het belang mag het volgens de opstellers terecht met winnen van dat van het beginsel van de goede curatieve zorg.

4. Al met al ben ik gelukkig met dit rapport, en kan het met de hoofdlijnen ervan en de zorgvuldige nuancering in veel opzichten instemmen. Ook in onze tijd moet een zekere keus worden gedaan tussen God en Mammon, en het rapport verhult de ernst van die keuze niet.

Wel vind ik jammer, dat ten aanzien van één beleidsonderdeel het rapport mijns inziens wat oppervlakkig aan doet: het is de beoordeling van de eventuele toekomstige verhandelbaarheid van emissierechten op het vlak van het milieu, waardoor rijke landen rechten tot milieu-verontreiniging in armere landen kunnen opkopen. Ik vraag mij af of deze coördinatiewijze wel overeenkomstig de in dit rapport zelf neergelegde principes te verdedigen valt. Rijke landen kunnen immers gemakkelijk aan het geld komen, en de bodem van andere landen en andere, vaak heel arme en zwakkwe mensen te gaan verontreirungen. Dat lijkt niet billijk. Maar eerlijk gezegd is dit de enige echte oppervlakkigheid die ik in het rapport heb ontmoet.

IV. De bijdrage van prof.dr.ir. G. van Dijk

1. De Guido de Brèsstichting legt eer in met deze publicatie. Ik noem enkele opvallende sterke punten van dit document. In de eerste plaats gaat men terug naar de bronnen en wordt er fundamentele benadering gekozen. Men vermijdt nagenoeg geheel de zgn. 'shibboleths' en de opgelegdheden van het citeren van partijgoeroes die men in dergelijke geschriften zo vaak terugkomt. In de tweede plaats wordt een rationele betoogtrant gevolgd zonder zweverigheid of vromigheid. In de derde plaats wordt, met name bij de cases, in het derde deel de praktijk in heldere termen voor het voetlicht gebracht.

2. Deze studie gaat over christehjke economische politiek en christelijk economisch gedrag. In de bundel opstellen 'Economische orde en economische politiek' heeft dr J. Zijlstra als leidraad van christelijke economische politiek gehanteerd: 'christelijke economische politiek is het geven van een zodanig vorm aan de maatschappij orde, dat ruimte geschapen wordt en ruimte behouden blijft voor het christelijke leven, dat is het vervullen van Gods wet (in alle gebrekkigheid overigens) uit dankbaarheid.' En daaronder hoort uiteraard weer het economisch gedrag.

3. Naast het politiek bedrijven, wetenschap beoefenen, ondernemerschap ten toon spreiden is het voornaamste element van economie bepalend gedrag het zelfstandig kiezen door consumenten uit het gegeven assortiment produkten en diensten. Maar dat is wel wat magertjes. Want wie bepaalt de samenstelling van dat assortiment^ Wanneer wij ook aan de consument de waardigheid van het rentmeesterschap willen toekennen dan dient hij ook in de gelegenheid te zijn om de samenstelling van het pakket goederen en diensten beslissend te beïnvloeden (zie Zijlstra). Daaraan ontbreekt het te veel in onze economische orde. Dat kan niet worden opgelost via het coördinatie-mechanisme en ook niet via de overheid of politiek. Hier zijn nu juist de coöperatieve ondernemeningsvormen zo veelbelovend - nu en in de toekomst.

4. Over coördinatie wordt gezegd dat er niet zoveel Bijbelse gegevens beschikbaar zijn en dat dit ook niet zo verwonderlijk is. In de verwijzingen mis ik evenwel Jeremia. Bij de grondaankoop van Jeremia wordt verwezen naar kadastrale registratie. Waarmee ik wil aangeven dat markten ook toen al waren ingekaderd door institutionele bepalingen van overheden. Wat bepalend is voor markten, middenveld en overheid is het heersend disciplinenngsmechanisme. Disciplineringsmechamsmen zijn:

- de wet

- (markt) concurrentie

- (in geld uitgedrukte) beurswaarde

- coöperatieve (gekwalifceerd democratische; ) medezeggenschap. Het zal niet verwonderen dat iemand die de leeropdracht coöperatie theorie heeft het laatste disciplineringsmechanisme wel bijzonder moeten missen in dit boek.

5. Ik zou toch al gekozen hebben voor 'disciplineringsmechamme' als een van de Bijbelse kemnoties. Economisch beleid en economische wetenschapsbeoefemng zijn gericht op beteugeling en disciplinering. En dat is nodig. Geld is een van onze afgoden, het kan goddelijke macht over ons krijgen (zie J.H. Bavinck). De waarde van je persoon kan er door worden verhoogd en het geeft de mogelijkheid tot ontplooiing, tot verfijning en ontwikkeling. Daardoor ontstaat steeds weer de gedachte:

Het kan me met schelen hoe ik het verdiend heb, als ik het maar heb'. Voor velen is het geld eenvoudigweg de enige troost m een onbevredigend leven. Dit doet allerlei idealen van mensen afbuigen naar een verkeerde kant; korte termijn winst, nutteloze produkten maken-waar \wel een markt voor is, natuurvemietiging enz.. Aan de andere kant: zouden mensen niet in zo grote getale zo sterk 'voor geld gaan' dan was er met veel economische politiek te bedrijven. Economie is een wetenschap omdat er in dat 'naar het verkeerde afbuigen' patronen, regelmatigheden zijn te ontdekken en er disciplineringsmechanismen zijn te ontwikkelen waardoor er toch v/aarde kan worden ontwikkeld al zijn de drijfveren niet in de gemeenschap gericht.

6. In de perpectief zijn er nieuwe ontwikkelingen die waard zijn ge-

memoreerd te worden. Daartoe reken ik het begrip 'maatschappelijk verantwoord ondernemen'. Daar m zit vervat de gedachte dat ondernemingen bestaan om de v/aarde te creëren. In geen geval mag waarde worden vernietigd, waaronder milieu, sociale leefkwaliteit, e.a.. Dit besef begint sterker te worden. Maatschappelijk verantwoord ondernemen komt voort uit de grote concerns als bij ondernemers die een eigendomsrelatie hebben met hun bedrijf. Ik vind dat m dat verband het voorbeeld van de kolchoze t.o.v. het agrarisch gezinsbedrijf te suggestief. In de collectieve landbouw die we m Oost-Europa hebben gezien speelden naast eigendoms ook andere factoren een rol.

7. Dit neemt met weg dat ik de eigendomsnotie in relatie tot de rentmeesterschapsgedachte een hele belangrijke vind. Eigendom in een scheppingsorde die in staat stelt ook verliezen te lijden zonder daar weer meteen grote stelsels voor te bouwen die vervolgens de indruk v/ekken dat de samenleving maakbaar is en dat alle risico's kunnen worden ontgaan. Eigendom is ook een belangrijke factor bij het accepteren van ondememersrisico en financiering daarvan. Winst is in christelijke perspectief een stimulans die de zinvolheid van goed werk laat zien. (Goede werken is iets anders).

8. Met in achtneming van disciplinering onderschrijf ik de centrale betekenis van het marktmechanisme. Naast liefde en vriendschap is de marktrelatie in het economisch leven de second best. Ik zou dan ook wel wat verder willen gaan dan dit boek als het gaat om marktwerking cq. concurrentie-principes in de gezondsheidszorg. Uiteraard ook weer in institutionele inkadering. Hetzelfde geldt voor verhandelbare emissierechten; het is altijd een middel dat beperkt blijft om van de duurzaamheids-weg geraakte organisaties weer op die weg te krijgen en om dat herstelproces te versnellen past men zware middelen toe. In de economie moet men nu eenmaal hetzelfde bestrijden. Complexiteit wordt met meer complexiteit bestreden. De fundamenteel andere weg tot vernieuwing in dit verband stoelt op inspiratie door het Evangelie dat de individuele persoonlijkheid als aangrijpingspunt heeft.

9. De auteurs hebben niet alteveel vertrouwen in internationale organen en kaders. Dit deel acht ik het minst onderbouwd. Het is begrijpelijk vanuit nationaal besef en historische gegevenheid. Het is niet duidelijk waarom iets wat in ons land en in andere landen goed functioneert niet ook zou werken in de internationale contekst. Over de internationale contekst gesproken moet worden gezegd dat er nog veel buitenlandse bronnen over ditzelfde onderwerp liggen te - wachten. Hoewel dit boek uiteraard betrekking heeft op de Nederlandse situatie is er t.a.v. de fundamentele noties veel wijsheid buiten ons taalgebied te vinden. Tevens zijn er diverse voorbeelden van economische stelsels in de geschiedenis te vinden die ons kunnen inspireren. Daaronder zijn tal van christengemeenschappen die zich op Handelingen 2 baserend nadere grenzen aan eigendom in acht nemen.

10. In het licht van deze studie vind ik de meest recente ontwikkelingen in de economische theorie relevant. Meer en meer is de ruimte gemaakt voor gedragsaspecten zoals opportunisme in de transactie-kosten theorie. Het gaat dan ook niet aan om de economische orde te beoordelen vanuit veronderstelde geldzucht zoals de homo economicus uit op dit terrein al te simpele theorieën suggereerde.

11. Ik zou de Guido de Brèsstichting willen aanmoedigen om op dit grondleggende werk door te gaan. Zij mogen zich voorhouden dat zij 'De Vaderen' voor de volgende generatie zijn-in elk geval als het gaat om de formulering van normatieve gedachten over economie, markt en samenleving.

Inderdaad, ik meen te kunnen waarnemen dat de aankomende generatie weer oprechte belangstelling krijgt voor de bronnen van het christelijk denken, handelen en politiek ordenen. Zij kunnen wellicht opnieuw ervaren dat het zich niet schamen voor het Evangelie vele nieuvi^e vi'egen opent tot nieuwe oplossingen van de wereld economische problematiek inspiratie geeft.

V. De bijdrage van drs.A.P. de Jong

Door alle sprekers is gewezen op het gedegen karakter van de nota 'Tussen beginsel en belang'. Deze waardering geeft ons uiteraard voldoening. De publikatie vormt dan ook de neerslag van jarenlange studie: de werkgroep is op 13 juni 1994 gestart en is bijna vier jaar met deze materie bezig geweest. Toch hebben wij geenzins de pretentie dat het onderwerp hiermee af is. Veel meer zien wij deze publikatie als een werkboek, waarbij kntiek en aanvullingen, zowel van buitenaf als vanuit de SGP-gelederen welkom zijn en waarin zeker nog een aantal zaken verdere doordenking vereisen.

Minister Jorritsma

Door het vertrek van mevrouw de minister, kan ik helaas met met haar in discussie gaan. Haar visie op de instrumentele rol van de economie illustreerde treffend het liberale gedachtegoed, evenals de idee van de neutraliteit van de economische wetenschap. In deze nota is juist geprobeerd aan te tonen dat altijd sprake is van achterliggende waarden en menselijke keuzes, en dat daarom een normatieve benadering van de economie noodzakelijk en gerechtvaardigd is. In de discussie kwam de vraag naar voren of de bijdrage van de mimster ons teleurstelde. ]a en nee. Ja. in zoverre dat de minister onverwijld vasthield aan de neutraliteitsgedachte, als zou de economische wetenschap slechts een technisch hulpmiddel zijn voor de verklaring van verschijnselen. Nee, in die zin dat deze reaktie wel te verwachten was. Hoewel een dergelijke bijeenkomst vriendelijk is qua toonzetting en zich niet leent voor een confrontatie, gaat hierachter een grote tegenstelling schuil.

Prof. dr. B. Goudzwaard

Het geeft ons een zekere voldoening om u\v waardering te vernemen. Als eerstejaars economiestudent heb ik mij reeds verdiept in uw boek "Kapitalisme en Vooruitgang". Hoev/el deze stof - zeker toen nog-nogal hooggegrepen - was, heeft het mij in

elk geval in staat gesteld om uw terminologie van humanistisch tunneldenken en tunnel-handelen te kunnen plaatsen. Tegen de achtergrond van wat ik zojuist noemde het 'werkboek-karakter' van deze nota, heb ik uw (milde) kritiek als positief en opbouwend ervaren. Enkele zaken wil ik er daarbij uitlichten.

Ons oogmerk met deze nota is geweest om niet te volstaan met bezinning en analyse, hetgeen altijd een gevaar is bi) een dergelijke studie. Maar het is onze bedoeling geweest om op basis van de vier kernnoties - drijfveren, eigendom, coördinatie en effectiviteit - te komen tot een verdere uitwerking op een aantal terreinen. Deze werkwijze vereiste keuzes om te voorkomen dat de nota met zou uitdijen tot een al te lijvig boekwerk.

Dit verklaart de relatief bescheiden aandacht voor Calvijn. Overigens heeft bestudering van Calvijn binnen de werkgroep wel tot een publikatie geleid naast deze nota, getuige een drietal artikelen over het rente-verbod in Zicht'.

Uw opmerking ten aanzien van een scherpere opstelling het reclamebeleid, heeft zeker de aandacht binnen de SGP. Hieraan is een apart commentaar^ gewijd en is intensief gedebatteerd met de minister.

In één van uw lezingen' merkt u op, dat de door de neo-klassieke economische theorie geporteerde idee van een autonome economie steeds meer praktijk is geworden, doordat het geloof in de economische en technologische autonomie als het ware geïncarneerd is in onze samenleving. Mijns inziens gaat daarachter impliciet het humanistisch denken schuil, hetgeen in deze nota gepoogd is zo helder mogelijk aan te tonen.

Tenslotte wil ik uw opmerking inzake een zekere oppervlakkigheid ten aanzien van de verhandelbaarheid van emissierechten graag confronteren met de opmerking van prof. Van Dijk suggereert dat de SGP hierin nog wel wat verder had mogen gaan!

Prof.dr.ir. G. van Dijk

Ook uw bijdrage is waarderend van toon. Uw pleidooi voor het gebruik van de term coöperatieve medezeggenschap als een van de discipline­ ringsmechanismen, verbaasd ons niet, gezien uw achtergrond. Ik vraag mij echter af in hoeverre dit een additionele kemnotie is, danwei of deze niet reeds is ingebed in de geformuleerde vier kemnoties in de nota.

Wat betreft het voorbeeld van de kolchoze, brengt u wellicht terecht emge nuancering aan. Niettemin blijft staan dat er v/el degelijk verband bestaat tussen eigendom, drijfveren en coördinatie.

Uw opmerking ten aanzien van de verhandelbare emissie-rechten verdient het, zoals reeds is opgemerkt, om nader met prof. Goudzwaard bediscussieerd te worden.

Het zal de heer Polder ongetwijfel hebben aangesproken dat u hem als toekomstig partij-vader hebt gekenschetst, temeer omdat hij recent ook vader is geworden! Deze nota zal voor de 'kleine Folder' echter voorlopig nog wel wat al te zware kost zijn.

VI. De bijdrage van drs. J.J. Polder

Economie in uitvoering

Tussen beginsel en belang Wie vanuit een christelijk-normatief uitgangspunt iets over de economie wil zeggen, begeeft zich op een moeilijk terrein. De werkgroep economie van de Guido de Brèsstichting heeft dit terrein in navolging van TP. van der Kooy - die in de jaren vijftig als hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit was verbonden - omschreven als een terrein 'tussen beginsel en belang'.

Drie observaties illustreren de moeilijkheid van het onderwerp.

1. De Wageningse hoogleraar G. van Dijk heeft bij de presentatie van Tussen beginsel en belang op 12 november 1998 in Perscentrum Nieuwspoort gesproken over de macht van het geld als een afgod, als 'een enige troost in een verder voor een belangrijk deel onbevredigend leven'. Mammon laat christenen niet onberoerd.

2. Tijdens dezelfde gelegenheid heeft B. Goudzwaard - hoogleraar aan de Vrije Universiteit en pleitbezorger van de 'economie van het genoeg' - de vinger gelegd bij de diver­ siteit in de christelijke reacties op de economie. Ook voor economen van christelijken huize geldt het spreekwoord: 'Wie twee economen om advies vraagt, krijgt drie meningen'. Deze diversiteit vormt een belangrijke belemmering voor de ontwikkeling van een integrale (samenvattende) visie op de economie vanuit christelijke beginselen.

De bijdragen van beide hoogleraren kunt u elders in dit nummer van Zicht nalezen.

3. De derde observatie ontlenen wij aan pagina 24 van Tussen beginsel en belang, waar wordt geconstateerd dat 'de economische orde altijd op weg is naar het ideaal, maar dit nimmer zal bereiken omdat het ideaal zelf ook verandert.'

Uit deze observaties volgt dat het bij een normatief christelijke benadering van de economie om een voortdurende worsteling gaat. Dit geldt zowel de beoefening als de bestudering van de economie. Economie is 'werk in uitvoering'. De economie is nooit af zodat men nimmer raakt uitgekeken of uitgestudeerd. Drs J. Mulder, die als directeur van de Guido de Brèsstichting het eerste exemplaar van het nieuwe boek aan minister A. Jorritsma overhandigde, zei het bij die gelegenheid zo: 'Economie, je kunt er geen genoeg van krijgen.' En dat geldt ook voor de 'economie van het genoeg' en voor elke andere christelijke benadering van de economie. Wie denkt met een definitieve visie te komen wordt ingehaald door de hoge snelheidslijn van de 24-uurseconomie. Omdat de economie altijd onderweg is, zijn de ideale oplossingen en antwoorden van vroeger meestal niet toereikend voor actuele economische vraagstukken, terwijl de toekomst om weer andere oplossingen en antwoorden vraagt. Dit besef dwingt tot een ontvankelijke houding en tot de bereidheid om eigen standpunten te verwisselen voor betere. Wie zich op het terrein tussen beginsel en belang begeeft, dient leerjongen te zijn, en te blijven. Deze overwegingen heeft de werkgroep tot uitdrukking gebracht in de ondertitel van deze studie: Normatieve gedachten over economie, markt en samenleving.

Noten

Wat er in staat

Toen minister Jorritsma over de economie sprak als een instrument, als 'werk in uitvoering', wilde zi| daarmee aangeven dat in haar visie de economie en de markt ethisch neutraal zijn, zodat men deze als machines kan inzetten ter bevordering van welvaart en doelmatigheid. Deze instrumentele visie op de economie heeft veel aanhangers. Kennelijk is het liberaal-humanistische denken zo verweven in de moderne cultuur, dat de levensbeschouwelijke achtergrond van het moderne economische denken niet meer als levensbeschouwing wordt herkend. Tegenover deze instrumentele benadering van de economie wordt in Tussen beginsel en belang een normatieve benadering gepresenteerd. De levensbeschouwelijke wortels van de moderne economie worden blootgelegd en in confrontatie gebracht met bijbels normatieve uitgangspunten. Met inachtneming van de dynamiek van de economie en de consequenties daarvan voor het denken over de economie, hebben wij geprobeerd een zo tijdloos mogelijk verhaal te schrijven. Een verhaal dat handvaten biedt voor een nadere bezinning en een nieuwe uitwerking wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Deze tijdloosheid hebben wij ingebracht door als denkraam vier kemnoties te kiezen die enerzijds de sleutelfactoren of draaipunten van het economisch proces weergeven en anderzijds normatief geladen zijn. Deze benadering maakt het mogelijk om concrete economische situaties en problemen vanuit een normatief gezichtspunt te bespreken zonder dat daarbij de economische samenhang verloren gaat. De vier kernnoties zijn: drijfveren, eigendom, coördinatie en effectiviteit. Dit denkmodel wordt in Tussen beginsel en belang toegepast op de economische orde, op globalisering en de Europese Monetaire Unie, op het milieuvraagstuk en op de introductie van marktwerking in de sociale zekerheid, de gezondheidszorg en het onderwijs.

Wat er niet in staat

De keuze voor een systematische analyse tot in de diepte van de grondslagen van de economie sluit een brede bespreking van allerlei on­ derwerpen uit. Er zijn dus veel zaken die niet in het boek staan. De hoogleraren Goudzwaard en Van Dijk hebben de vinger gelegd bij enkele leemtes in het verhaal. Goudzwaard vond Calvijn onderbelicht en verder had hij graag wat meer aandacht gezien voor zorg in de zin van voorzorg en nazorg. Van Dijk was graag Jeremia tegengekomen en voerde daarnaast een pleidooi voor het 'coöperatieve disciplineringsmechanisme'. Voor een deel gaat het hier om aanvullingen, voor een ander deel om verschillen in benoeming van uiteindelijk dezelfde zaken. Wat Van Dijk bijvoorbeeld coöperatieve mechanisme noemt, wordt in Tussen beginsel en belang voorgesteld als de coördinatiemethode van overleg (p. 44), een kernnotie die later in het verhaal onder meer wordt uitgewerkt in de richting van coöperaties (p. 132).

De werkgroep heeft be^wust gekozen voor een systematische en een grondige bestudering van een aantal onderwerpen ook al ging dit ten koste van andere onderwerpen zoals marktwerking in het openbaar vervoer, de energievoorziening en de landbouw, en de rol van het geldstelsel in de internationale monetaire economie.

Graag nodigt de werkgroep de lezers uit om zelf met het boek aan de slag te gaan en deze en andere onderwerpen uit te vvferken.

Een werkboek

Met het normatieve denkraam, de vier kemnoties en de zekere tijdloosheid die hier uit volgt, beoogt Tussen beginsel en belang namelijk een werkboek te zijn. Een boek dat inspirerend werkt, mensen aan het denken zet en aanleiding geeft nadere detaillering en tot nieuwe beschouwingen over nieuwe vraagstukken. De reacties Goudzwaard en Van Dijk geven de Vv^erkgroep goede moed dat het boek in deze opzet is geslaagd. Het geeft aanleiding tot aanscherping en nuancering en het blijkt dat de visies en verhalen van beide hoogleraren geïnterpreteerd en uitgewerkt kunnen worden binnen het denkmodel van de vier kemnoties. Van Dijk spreekt in dit verband zelfs over de 'vaderen voor de volgende generatie'. Een vergelijking met mevrouw Jorritsma's typering van Adam Smith en Jeremy Bentham als 'aartsvaders van de economie' dringt zich op, maar moet tegelijk met andere aanduidingen als 'vaders en oudvaders' terzijde worden geschoven. Niet dat Smith met evenveel recht 'de oude Adam' kan worden genoemd, evenmin omdat wij de betekenis van ons boekje onderschatten of omdat wij nog jong zijn, maar omdat de beoefening en de bestudering van een economie tussen beginsel en belang steeds opnieuw leerjongens nodig heeft. Met die intentie en in afhankelijkheid van de Heere God aan wie W\\ als rentmeester verantwoording schuldig zijn, willen de leden van de werkgroep, individueel en in coöperatie, zich ook in de toekomst op dit terrein begeven. Economie in uitvoering: je kunt er geen genoeg van krijgen.

Noten


1 Zie het SGP-blad Zicht, de nummers 1996- 4, 1996-6 en 1997-6, 'De betekenis van het htjhels renteverbod', drs J. van Leerdam e.a.

2 Commentaar "Krenkende reclame", Guido de Brèsstichting, 1997.

3. Goudzwaard, B, "Christianitv and Economics - lecture for the Conference "Shading the christian mind", Australia 1996.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 1998

Zicht | 34 Pagina's

‘Tussen beginsel en belang’

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 1998

Zicht | 34 Pagina's

PDF Bekijken