Bekijk het origineel

De Nieuw-Guineakwestie en de SGP

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Nieuw-Guineakwestie en de SGP

25 minuten leestijd

E. Bosma Student internationale betrekkingen aan de RU Groningen en stagiair op de Guido de Bres-Stichting

Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1949 was de koloniale periode in de Nederlandse geschiedenis nog niet ten einde. Na 1949 restten er nog steeds enkele overzeese gebiedsdelen. Eén van deze overzeese rijksdelen was Nieuw-Guinea. Na een periode van oplopende spanningen tussen Nederland en Indonesië werd Nieuw-Guinea aan Indonesië overgedragen. De onderhandelingen over Nieuw-Guinea sleepten zich lange tijd voort. Vlak voor het einde van de Nieuw-Guinea kwestie in 1962, tijdens de onderhandelingsronden te Middleburg, stonden Den Haag en Jakarta lijnrecht tegenover elkaar. Zozeer zelfs dat een oorlog tussen beide landen dreigde.^

Toch eindigde de Nieuw-Guinea kwestie niet met een militair conflict, maar met een vreedzame overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië. De onderhandelingen in de laatste fase, tijdens de zogenaamde ronden van Middleburg, werden namens Nederland vooral gevoerd door diplomaat J.H. van Roijen. Hoewel het van Roijen al lang duidelijk was dat Nederland Nieuw-Guinea zou moeten opgeven, duurde het enige tijd voordat de politici in Den Haag tot hetzelfde inzicht kwamen. Met name minister Luns van Buitenlandse Zaken kon zich moeilijk neerleggen bij het feit dat Nederland zou terugvallen in de internationale statensamenleving tot 'de rang van Denemarken'. Ook de SGP was fel gekant tegen het afstaan van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië. De SGP stemde dan ook tegen het overeengekomen akkoord met Indonesië inzake Nederlands Nieuw-Guinea. Mijn vraag is in hoeverre deze keuze getuigt van politiek inzicht en realiteitszin.

In dit artikel wil ik u eerst een schets geven van de Nieuw-Guinea kwestie, om vervolgens het toenmalige SGP-standpunt met betrekking tot deze zaak te be-

lichten. Daarna hoop ik ik de hierboven gestelde vraag te kunnen beantwoorden. Zowel het nog steeds niet verwerkte Nederlandse dekolonisatietrauma^ als de huidige precaire situatie op Irian, maken dat dit onderwerp na 38 jaar nog niet aan actualiteit heeft ingeboet.

‘De SGP was fel gekant tegen het afstaan van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië.’

1. Ontstaansgeschiedenis van het conflict

Het is moeilijk een begin van de problematiek rond Nieuw-Guinea vast te stellen. Veelal wordt als begin van de Nieuw-Guinea kwestie het einde van de Japanse bezetting van Nieuw-Guinea genomen.^ De bezetting van Nederlands Oost-Indië door de Japanse troepen resulteerde in een sterker wordend Indonesisch nationalisme met als gevolg de proclamatie van een onafhankelijke Republiek Indonesië op 17 augustus 1945."* Nieuw-Guinea was echter al langere tijd vrij van Japanse bezetting en kende daardoor een totaal andere ontwikkeling dan de rest van Nederlands Indië. Al in 1944 waren de Japanners van het eiland verdreven en kende het eiland een soort van koloniaal zelfbestuur.

Deze tijdspanne wordt aangeduid als de periode Van Eechoud. In de periode Van Eechoud werd als het ware de kiem gelegd voor het latere conflict tussen de Republiek Indonesië en het Koninkrijk der Nederlanden.^ Van Eechoud, de bijzonder gevolmachtigde gezaghebber namens de Nederlandse regering in bal­ lingschap, voerde namelijk een beleid van een aparte eigen ontwikkeling van het land en het volk van Nieuw-Guinea. Bovendien stond Van Eechoud een speciale staatkundige status van Nieuw-Guinea voor. Deze opstelling van Van Eechoud was mogelijk daar de problemen in de rest van de Indonesische archipel alle aandacht van de regering in ballingschap opeiste. In de periode Van Eechoud werd de basis gelegd voor het later veel gebruikte concept van zelfbeschikkingsrecht.'' Bovendien was Nieuw-Guinea al voor de oorlog gebruikt als gebied dat door de Indo-europeanen mocht worden gekoloniseerd. Nederland werd als te overbevolkt beschouwd om de Indo-europese bevolkingsgroep te herbergen. Dit beleid van migratie van Indo-europeanen naar Nieuw-Guinea, om het land te ontwikkelen, zorgde voor een nog grotere vasthoudendheid van de Nederlandse regering inzake de soevereiniteit over Nieuw-Guinea.³

‘De Nederlandse regering wilde de status van koloniale grootmach niet geheel opgeven.’

Door de penibele omstandigheden gedwongen besloot de Nederlandse regering in 1946 in overleg te treden met de leiders van de Repubüek. Het resultaat was het akkoord van Linggadjati. Dit akkoord voorzag in een de facto erkenning van de Republiek, welke omgedoopt zou worden tot de Verenigde Staten van Indonesië, onder de paraplu van een Nederlands-Indonesische Unie. Belangrijkste uitzondering was Nieuw-Guinea. Het akkoord van Linggadjati hield voor Nieuw-Guinea een aparte status ten opzichte van het Koninkrijk in. Vanaf het akkoord van Linggadjati zou Nieuw-Guinea prominent op de politieke en diplomatieke agenda van zowel Nederland als Indonesië prijken.^ Ook in 1949 bleef de uitzonderingspositie van Nieuw-Guinea bestaan. De Nederlandse regering bleef vasthouden aan Nieuw-Guinea bij de onafhankelijkheid van Indonesië. De reden van de Nederlandse regering om Nieuw-Guinea als kolonie in de Oost te behouden was in eerste instantie bedoeld om het besluit tot soevereiniteitsoverdracht door de Tweede Kamer aangenomen te krijgen.^ Later werden zowel economische als politieke redenen aangevoerd om het behoud van Nieuw-Guinea te verdedigen. Zo zou Nieuw-Guinea nog verder ontwikkeld moeten worden onder leiding van Nederland voordat Nieuw-Guinea op eigen benen zou kunnen staan. Volgens velen zou er bij deze halsstarrige houding van Nederland inzake het behoud van Nieuw-Guinea sprake zijn van een verborgen agenda. Het behoud van Nieuw-Guinea zou vooral uit overwegingen van prestige van belang geweest zijn. De Nederlandse regering wilde de status van koloniale grootmacht niet geheel opgeven.'" De Indonesiërs waren daarentegen van mening dat Nieuw-Guinea een onlosmakelijk deel uitmaakt van Indonesië. Al in 1950 overlegde de Nederlandse regering met Indonesië tijdens een zogenaamde Ronde Tafel Gonferentie over de status van Nieuw-Guinea. De Indonesiërs stelden voor dat Nederland de vrije hand zou krijgen om Nieuw-Guinea te ontwikkelen,

maar dan wel onder Indonesische soevereiniteit. De Nederlandse regering ging met dit compromis echter niet akkoord. "Zo veranderde het 'geschil', zoals het bij de Ronde Tafel Conferentie was geformuleerd, in een potentieel conflict. Dat gebeurde in een tijdsgewricht van grote internationale spanningen, gewoonlijk aangeduid als de koude oorlog." " Niet alleen de blokvorming tussen Oost en West was een complicerende factor in de Nieuw-Guinea kwestie, ook het opheffen van de federatieve staatsstructuur van de Verenigde Staten van Indonesië vertroebelde de besprekingen tussen Nederland en Indonesië."'^ Al in 1950 werd de eenheidsstaat Refuhlik Indonesia uitgeroepen, dit in flagrante tegenstelling tot hetgeen bepaald in het Unie-verdrag tussen Nederland en Indonesië. Bovendien verslechterde de verhoudingen tussen Nederland en Indonesië doordat het Indonesische leger een opstand op de Molukken hardhandig neersloeg." Tijdens de Haagse Nieuw-Guinea Conferentie hield Indonesië vast aan de soevereinteitsoverdracht van Nieuw-Guinea. Wel was Jakarta, bij monde van de diplomaat Mohamad Roem, bereid in ruil voor de overdracht enkele vergaande concessies aan Nederland toe te staan. Deze concessies, de zogenaamde van Roijen-Roem-verklaring, zijn vooral in het licht van wat Nederland uiteindelijk in 1962 wist te behalen vergaand te noemen.14

De eerste jaren na de Haagse Nieuw-Guinea Conferentie bleef het betrekkelijk rustig rond Nieuw-Guinea. De Nederlandse regering koos voor de zogenaamde ijskastformule. Wel werd in 1952, onder druk van de KVP, het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea bevolking van Nieuw-Guinea tot officieel regeringsbeleid gemaakt.'^ Juist dit zelfbeschikkingsrecht zou later in de onderhandelingen een grote rol gaan spelen. Het beleid van de regering in Den Haag was vooral gericht op behoud van invloed in de Oost. Dit beleid werd door Joseph Luns, de minister van Buitenlandse Zaken, met hand en tand verdedigd. Om de Nederlandse invloed te behouden steunde Luns vooral op de Nederlandse bondgenoten Australië, met indirect daaraan gekoppeld Groot Brittannië en de Verenigde Staten. Een tweede reden tot het vasthouden aan Nieuw-Guinea werd later relevant en bestond uit de internationale politieke situatie. In het kader van de 'containment policy' poogden de Westerse landen het communisme wereldwijd in te dammen. Eén van de gebieden van aanhoudende zorg was Zuidoost-Azië, waar China en de Sovjetunie hun invloedssfeer probeerden uit te breiden. Ook Indonesië vertoonde communistische tendensen. Om te voorkomen dat vrijwel geheel Zuidoost-Azië in de greep van het communisme zou geraken, was het behoud van Nieuw-Guinea van groot internationaal belang geworden.'^ De verhoudingen kwamen steeds meer op scherp te staan toen Indonesië zich in toenemende mate ging opwerpen als de leider van de groep van ongebonden landen. Met name na de conferentie in Bandung in 1955 probeerde Indonesië de Nederlandse aanspraken op Nieuw-Guinea te ondermijnen door de steun van de ongebonden landen aan te wenden om de Nieuw-Guinea kwestie binnen de Verenigde Naties aanhangig te maken.17

Naarmate het de Indonesiërs duidelijker werd dat de Nederlandse regering niet bereid zou zijn Nieuw-Guinea af te staan, werd de opstelling van Jakarta grimmiger. Jakarta gebruikte steeds andere middelen, variërend van bilaterale gesprekken tot openlijke militaire dreiging en VN-resoluties. Jakarta ging zelfs over tot naasting van Nederlands bezit, het uitwijzen van Nederlandse onderdanen en het verbreken van de diplomatieke banden met Nederland in I960."* Minister Luns stuurde doelbewust af op een confrontatie met Jakarta. Dit beleid van confrontatie had al geresulteerd in de opzegging van de Unie met Nederland in 1956 door Indonesië. Na de ontbinding van de Unie werd in 1957 door de Indonesische overheid een 'Nieuw-Guinea campagne' opgestart waarbij tal van Nederlandse ondernemingen door het Indonesische leger werden bezet. Later zou de Indonesische over-

held deze Nederlandse ondernemingen naasten. De vasthoudende opstelling van de Nederlandse regering kostte het Nederlandse bedrijfsleven een geschat vermogen van 4 a 5 miljard Gulden." De pressie van Jakarta op Den Haag ressorteerde voor Jakarta niet het gewenste effect. Sterker nog de Nederlandse regering werd steeds minder bereid het gesprek met Jakarta over Nieuw-Guinea voort te zetten.

De laatste handreiking van Nederlandse zijde was het plan-Luns. In 1961 lanceerde minister Luns in de Algemene Vergadering van de VN een plan om de Nieuw-Guinea kwestie op te lossen. Luns stelde internationalisering van bestuur voor in ruil voor zelfbeschikking voor de Papoea's.^" Het plan-Luns werd echter niet aangenomen en stierf dientengevolge een zachte dood. Soekarno werd steeds ongeduldiger en begon de druk op Nederland te vergroten met militaire acties. De dreiging van een grootschalig militair conflict deed de Amerikanen op hun beurt besluiten zich er mee te gaan bemoeien. "In februari 1962 volgde een algehele [Indonesische] mobilisatie: de militaire campagne ging van start. Voor de VS was hiermee de maat vol. De in januari 1961 geïnaugureerde president J.F. Kennedy beschouwde het Nieuw-Guinea-conflict als een brandhaard in de Koude Oorlog van in wezen onbelangrijke aard, maar met groot potentieel gevaar voor de toch al explosieve situatie in Zuidoost-Azië."^' De Amerikanen boden hun goede diensten aan als derde neutrale partij bij eventuele onderhandelingen.^^ Dit aanbod zou resulteren in de onderhandelingen te Middleburg.

2. De oplossing van het conflict

De aanhoudende Indonesische militaire dreiging forceerde de onderderhandelingsronde van Middleburg. De Verenigde Staten en de de Verenigde Naties drongen zowel aan Indonesische als aan Nederlandse zijde aan op een vreedzame oplossing van de Nieuw-Guinea kwestie. De Amerikaanse regering schoof Elsworth Bunker naar voren als neutrale derde partij bij eventuele onderhandelingen. Deze onderhandelingen zouden onder auspiciën staan van U Thant, de waarnemend Secretaris Generaal van de VN.^^ De Amerikaanse regering zorgde voor de facilitering, door het landhuis 'Huntlands' bij Middleburg in Virginia voor de besprekingen ter beschikking te stellen.24

Meteen al in de eerste ronde, die slechts drie dagen duurde; van 20 tot en met 22 maart, bleken er verschillen van inzicht te bestaan over het doel van het geheime vooroverleg. De Indonesiërs meenden dat aan hun preconditie was voldaan, namelijk dat de besprekingen, zoals Soekarno had geëist, alleen zouden gaan over de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië. De Nederlandse regering en de Amerikaan Bunker waren echter van mening dat deze onderhandelingsronde een onvoorwaardelijk karakter had. De foutieve inschatting aan Indonesische zijde had voor het overleg grote gevolgen. De Indonesische delegatie had een veel te krappe instructie om zinnig mee te kunnen doen aan de besprekingen. De Indonesische onderhandelaar Adam Malik besloot, Soekarno's halstarrigheid kennende, om naar Jakarta te reizen ten einde persoonlijk Soekarno te overtuigen van de noodzakelijkheid van een ruimere instructie.25

Ook De Nederlandse instructie verdiende een behoorlijke aanpassing omdat de instructie nadrukkelijk verbood een agendapunt betreffende de overdracht van Nieuw-Guinea te aanvaarden. Van Roijen was inmiddels tot het inzicht gekomen dat zulk een opstelling, gezien de militaire dreiging, niet realistisch was.26

De gebeurtenissen van de 22ste maart zouden de loop van de onderhandelingen blijvend beïnvloeden. Op die dag toonde Bunker enkele nog niet uitgewerkte voorstellen aan van Roijen. Dit plan zou op de 2de april aan beide partijen worden voorgesteld als onderwerp van de onderhandelingen. Het Bunker-plan behelsde de volgende hoofdpunten: in de eerste plaats de verplichting tot een akkoord te komen. In de tweede plaats de overdracht van Nieuw-Gumea aan Indonesië met een VN-interimbestuur en een waarborg voor eerbiediging van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's. In de derde plaats geleidelijke afbouw van Nederlands bestuur en invoering van Indonesisch bestuur onder het VN-interimbestuur. In de vierde plaats een vaste termijn, vanaf de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië, waarbinnen een plebisciet onder de bevolking van Nieuw-Guinea gehouden moet worden. In de vijfde plaats dat de kosten van de overdracht door Nederland en Indonesië worden gedeeld. In de zesde en laatste plaats de bepaling dat na deze overeenkomst Nederland en Indonesië normale diplomatieke banden aan zullen knopen.27

Hoewel de inhoud van het Bunker-plan door de Nederlandse regering werd gezien als onaanvaardbaar^°, werd het Bunker-

plan na enkele aanpassingen en enkele garanties van Amerikaanse zijde aanvaard als 'working paper' voor de rest van de onderhandelingen.^' Deze aanvaarding van het Bunker-plan was noodzakelijk omdat dit nog de enige optie voor overleg met Indonesië bleek te zijn. De houding van Jakarta werd steeds dreigender en het Indonesische leger en de Indonesische marine voerden tal van infiltraties uit op het grondgebied van Nederlands Nieuw-Guinea. Pas nadat van Roijen de onontkoombaarheid van de aanvaarding van het Bunker-plan had aangetoond, verliet Luns, overigens ook onder zware internationale en met name Amerikaanse druk, zijn confrontatiebeleid. Het vv^as nu ook zaak om de onderhandelingen weer zo snel mogelijk vlot te trekken, voordat de Nederlandse onderhandelingspositie te zeer verzwakt zou zijn door de militaire acties van Indonesië.^" Na maanden van intensief overleg tussen de Amerikanen en de Nederlanders en tussen de Amerikanen en de Indonesiërs werden de onderhandelingen in Middleburg weer hervat.

‘De twee grootste struikelblokken tijdens de onderhandelingen waren de termijn en de wijze van overdracht en het zelfbeschikkingsrecht voor de Papoea's.’

Tijdens deze tweede ronde van het geheime vooroverleg, die op 13 juli werd aangevangen, trad na enkele dagen namens Indonesië minister Soebandrio van Buitenlandse Zaken op als hoofdon­ derhandelaar. Malik was namelijk vanuit Jakarta gekomen met een nog steeds te krappe instructie, " zodat Soebandrio al snel moest overkomen om de besprekingen vlot te trekken. Er was door de Indonesische delegatie gekozen voor onderhandelingen op het hoogste niveau om te voorkomen dat de instructies wederom te krap zouden blijken. Minister Soebandrio kreeg namelijk rechtsreeks van Soekarno zijn instructies.''^ In deze tweede ronde bleken vooral de Indonesiërs een weinig constructieve bijdrage te leveren aan de onderhandelingen, hetgeen de Nederlandse onderhandelingspositie enigszins verbeterde. Voor de hervatting van de besprekingen werd vooral Nederland en met name minister Luns een weinig coöperatieve houding verweten.''' De Nederlandse regering had immers het Bunker-plan in eerste instantie categorisch verworpen. Pas na vele aanpassingen werd het Bunker-plan slechts als 'working paper' en niet ais eventueel akkoord voor de onderhandelingen aangenomen. Bovendien was het vertragingsbeleid van Luns vooral de Amerikanen een doom in het oog.^'' Na herhaalde smeekbeden van ambassadeur van Roijen en opgevoerde druk op Luns, veranderde Luns van koers. De onderhandelingen konden worden hervat.

De twee grootste struikelblokken tijdens de onderhandelingen waren de termijn en de wijze van overdracht en het zelfbeschikkingsrecht voor de Papoea's. De Indonesische delegatie was alleen geïnteresseerd in het vraagstuk van de overdracht, terwijl het speerpunt van de Nederlandse delegatie het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's was.^' Door de aanhoudende militaire druk was de Nederlandse regering min of meer in een dwangpositie geraakt, waardoor de noodzakelijke concessies logischer wijs van Nederlandse zijde moesten komen. Luns was er echter niet de man naar om zich bij deze stand van zaken neer te leggen, hetgeen de Nederlandse delegatie in Middleburg meermalen in grote problemen bracht. Ten lange leste bleef er voor van Roijen weinig anders over dan concessies aan de Indonesiërs te doen. Het was van Roijen duidelijk geworden dat als de Indonesiërs hun gelijk niet zouden krijgen aan de onderhandelingstafel, zij hun gelijk zouden halen op het slagvelddoor Nieuw-Guinea met militair geweld in te nemen. Soekarno had immers in 1961 bij de Indische inname van de Portugese kolonie Goa gezien dat dit ongestrafd kon gebeuren.'** Van Roijen was de mening toegedaan dat aan de twee speerpunten van het Nederlandse beleid: een vredige beëindiging van de Nieuw-Guinea kwestie en zelfbeschikking voor de Papoea's, alleen op zeer korte termijn invulling gegeven zou kunnen worden. Soekarno had immers beloofd dat de Indonesische tweekleur nog voor 1 januari 1963 op Nieuw-Guinea zou wapperen.'' Welnu, er restte nog slechts een half jaar.

De termijn van overdracht was voor de Indonesische delegatie ononderhandelbaar. Zoveel was reeds duidelijk geworden; de overdracht diende nog binnen het jaar te geschieden. Van Roijen kwam tot de conclusie dat een VN-tussenbestuur van zeer korte aard zou zijn en dat de enige winst die Nederland nog zou kunnen behalen lag op het terrein van de zelfbeschikking voor de Papoea's. Hij wenste in het akkoord een regeling voor

een plebisciet op Nieuw-Guinea. De Indonesische delegatie wilde dit plebisciet zo lang mogelijk uitstellen, in ieder geval tot na de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië.'*^ Deze optie was voor de waarborging van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's uiterst onzeker. De Indonesische regering zou na de overdracht het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's waarschijnlijk als een interne aangelegenheid zien, waarin het geen buitenlandse inmenging zou dulden. Een plebisciet voor de overdracht was echter niet meer uitvoerbaar. Pas na garanties van de VN en de Verenigde Staten over de waarborging van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's accepteerde de Nederlandse regering het voorlopig akkoord van 30 juli 1962.

Na de aanvaarding van het voorlopig akkoord, werden de onderhandelingen in Middleburg en New York voortgezet. Deze onderhandelingen gingen over allerlei detailzaken en de praktische invulling van het overeengekomene.''" Toch leverde de onderhandelingen nog een bijna-crisissituatie op. Vlak voor de afronding van de onderhandelingen kwam Soekarno met een laatste eis. Soekarno verlangde dat de Nederlandse vlag nog voor middernacht 1 januari 1963 gestreken zou worden om plaats te maken voor de Indonesische vlag. Hoewel het wellicht een mineur detail van de onderhandelingen was, werd deze eis, na alles wat Soekarno al had afgedwongen van Nederland, door de Nederlandse delegatie zo onredelijk geacht dat er gedreigd werd met volledige terugtrekking uit de onderhandelingen. Van Roijen stapte uit de hoofdonderhandelingen, maar in de onderra­ den gingen de onderhandelingen gewoon door. Hoewel deze stap niet was overlegd met Den Haag, stemde Luns volledig in met dit besluit van van Roijen. De kans op een militaire confrontatie was nu groter dan ooit. Soekarno was pas na een forse reprimande van president Kennedy bereid een compromis te sluiten over de vlaggenkwestie.41

Uiteindelijk kon op 15 augustus het akkoord in New York ondertekend worden door beide delegaties. Het resultaat voor de Nederlandse delegatie was miniem. Op vrijwel alle punten had Nederland grote concessies moeten doen. De twee punten van de door Den Haag afgegeven instructie waren niet volledig bereikt. Het conflict was op een vreedzame manier beëindigd, maar van een effectieve waarborging van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's was nauwelijks sprake. Luns typeerde deze waarborging zelfs als 'een farce'.""^ Hetgeen het later ook zou blijken te zijn. Het is echter de vraag of een ander onderhandelingsresultaat mogelijk was geweest, gezien de dwangpositie waarin Nederland zich tijdens de onderhandelingen bevond.

3. Het SGP-beleid met betrekking tot de Nieuw-Guineakwestie

De SGP steunde vooral in het begin van de onderhandelingsronden te Middleburg het regeringsbeleid, zoals vertegenwoordigd door minister Luns. Van Dis, die namens de SGP het woord voerde tijdens de Kamerdebatten over de Nieuw-Guinea kwestie, liet er geen onduidelijkheid over bestaan dat voor de SGP niet het behoud van Nederlands Nieuw-Guinea op zichzelf het doel was, maar dat gestreefd moest worden naar een effectieve waarbor­ ging van het zelfbeschikkingsrecht voor de Papoea's. Van Dis ging zelfs zo ver te stellen dat dit zelfbeschikkingsrecht ook impliceerde dat de Papoea's een vrije keuze moesten krijgen, ook als deze keuze tegen Nederland en voor Indonesië zou uitvallen.''^ Het argument om tot op het laatst vast te houden aan een effectieve waarborging van het zelfbeschikkingsrecht voor de Papoea's was het voorkomen van woordbreuk. "Wij hebben met dit standpunt [effectieve waarborging van zelfbeschikkingsrecht als voorwaarde tot onderhandelingen] der Regering meermalen onze instemming betuigd, van oordeel als wij zijn, dat de aan de bevolking van Nederlands Nieuw-Guinea gegeven belofte van het zelfbeschikkingsrecht niet mag worden gebroken. Dit wel te doen zou niet anders dan woordbreuk zijn en getuigen van trouweloosheid , ja, wat nog meer zegt; het zou zijn een verzaken van Gods Woord.”44

Naarmate de onderhandelingen vorderden werden de Nederlandse onderhandelaars en de Nederlandse regering steeds meer in een dwangpositie gemanoeuvreerd. Om een openlijke militaire confrontatie met Indonesië te vermijden werden er concessies gedaan met betrekking tot de effectieve waarborging van het zelfbeschikkingsrecht. Van Dis had dit reeds voorzien en daartegen geageerd. Al op 4 mei, ruim voor het voorlopige akkoord van 30 juli, had Van Dis in een Kamerdebat gewaarschuv/d tegen zulk een gang van zaken. Hij hield daar de regering en de Kamer het volgende voor: "Wij bepleiten dan ook ten sterkste bij de Regering, dat zij haar standpunt te dezen [waarborging zelfbeschikkingsrecht]

niet zal prijsgeven, noch onder invloed van de dreigende en ophitsende redevoeringen van Soekarno, noch onder invloed van daden, waarvan er in de brief van de Minister enkele vermeld worden en waarvan er nog wel meer zullen volgen, noch ook vanwege een eventuele druk van Amerika in die richting. Het is zeer wel mogelijk, dat Amerika te dezer zake geheel verkeerd wordt beoordeeld, mijnheer de Voorzitter, maar het is een niet te loochenen feit, dat bij velen van ons volk de vrees bestaat, dat de Verenigde Staten de Nieuw-Guinea kwestie zo spoedig mogelijk uit de wereld willen helpen, ook al moet dit gaan ten koste van het zelfbeschikkingsrecht der Papoea's."''-'' De door Van Dis uitgesproken vrees, dat de Nederlandse regering onder zware Indonesische militaire dreiging en onder Amerikaanse politieke druk zou toegeven aan de Indonesische eisen, werd bewaarheid. Een oorlog werd voorkomen door het akkoord met Indonesië, maar de prijs van de vrede - was een minimale waarborging van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's. Van Dis voorspelde, toen het voorlopige akkoord door de Kamer werd aangenomen, dat het overeengekomene door Soekarno met voeten getreden zou gaan worden en dat de Papoea's nooit gebruik zouden kunnen maken van hun zelfbeschikkingsrecht. Ook hierin kreeg van Dis gelijk. Nooit hebben de Papoea's gebruik kunnen maken van het hun toegezegde zelfbeschikkingsrecht. Voorts wees Van Dis de Kamer op de grote onbetrouwbaarheid van Soekarno, die hij eerder gekwalificeerd had als een persoon 'die garanties geeft waarin men niet het allerminste vertrouwen moet hebben'.'"' In zijn rede voor de Kamer sprak Van Dis over een 'smadelijke overeenkomst' waarover hij zijn 'diepe verontwaardiging' moest uitspreken.47

‘De door Van Dis uitgesproken vrees, dat de Nederlandse regering onder zware Indonesische militaire dreiging en onder Amerikaanse politieke druk zou toegeven aan de Indonesische eisen, werd bewaarheid.’

De SGP verwierp als enige Tweedekamerfractie de Overeenkomst inzake westelijk Nieuw-Guinea. In zijn stemverklaring gaf Van Dis verantwoording af van deze keuze. "Ook wij achten een gewapend conflict in zijn volle omvang een zeer ernstige zaak. Het handhaven van het recht is dit echter niet minder. De overheid is als dienaresse Gods verplicht het recht te handhaven, ook tegenover agressie."''^ Bovendien \verd, volgens Van Dis, de positie van de zending in de Overeenkomst niet voldoende gewaarborgd. Hij stelde dan ook: "De Regering heeft hiermede, naar te vrezen is, een zeer belangrijk onderdeel van haar ambt als overheid nl. het doen prediken van het Woord des Evangelies onder de nog niet gekerstende Papoea's, prijs gegeven, hetgeen allerminst in het belang en in het welzijn van de volkeren van westelijk Nieuw-Guinea is.""^' Van Dis was van mening dat er nog een alternatief bestond. Hij stelde: "De regering houdt ons voor, dat verwerping van dit akkoord op een totale oorlog zou uitlopen. Wij zien echter niet in, dat er geen andere weg is dan aanvaarding van het akkoord. Het komt ons namelijk veel verkieslijker voor, dat wij ons zo spoedig mogelijk geheel uit Nieuw-Guinea terugtrekken, alle Nederlanders en Nederlandervrienden laten evacueren uit Nieuw-Guinea, zonder met Indonesië een overeenkomst te sluiten, welke ten aanzien van het zelfbeschikkingsrecht totaal ondeugdelijke garanties biedt en waarbij i miljoen mensen onder de heerschappij van Indonesië worden gebracht zonder eerst van het beloofde zelfbeschikkingsrecht gebruik te hebben kunnen maken.50

4. Conclusie

De optie die Van Dis voorstond getuigt, mijns inziens, van een misplaatst legalisme. In juridische zin had Van Dis gelijk toen hij stelde dat Nederland zijn belofte van zelfbeschikking zou nakomen als Nieuw-Guinea onafhankelijk verklaard zou worden. Dan hadden de Papoea's inderdaad hun recht op zelfbeschikking kunnen uitoefenen. De vraag is alleen voor hoe lang ze dat recht zouden hebben kunnen uitoefenen zonder adequate militaire verdediging, zonder effectieve overheid en zonder economische middelen. Zodra Nederland Nieuw-Guinea verlaten zou hebben, zou een Indonesische annexatie gevolgd zijn. Deze optie zou voor de Papoea's nog veel ramzaliger geweest zijn dan de gesloten Overeenkomst. Het akkoord gaf Nederland in ieder geval nog de gelegenheid om enkele concessies en beloften van Indonesië af te dwingen. Hoewel vele van die beloften later niet werden nagekomen, heeft de zending nu nog altijd profijt van deze Overeenkomst. Van Dis wenstte wellicht te veel met be-

trekking tot de zending. Indonesië verplichtte zich ondanks alles toch tot het toelaten van zendelingen en missionarissen. Bij een geweldadige annexatie van het pas onafhankelijk Nieuw-Guinea was deze afspraak waarschijnlijk nooit gemaakt.

‘Deze uiterste consequentie van het woord houden, zowel in effectieve als juridische zin, wilde ook de SGP niet nemen.’

Zoals zo vaak in de politiek moest er gekozen worden uit twee kwaden. De keuze was eigenlijk bijzonder dichotoom. Óf omwille van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea's een oorlog ontketenen met Indonesië óf een vreedzame oplossing van het conflict zoeken zonder effectieve garanties voor het zelfbeschikkingsrecht. De derde optie, die van Van Dis aandroeg, bestond juridisch gezien wel, maar politiek gezien niet. Het kiezen voor deze derde weg had immers onherroepelijk én tot oorlog geleid, namelijk tussen Indonesië en het onafhankelijke Nieuw-Guinea, én tot een totale onthouding van het zelfbeschikkingsrecht aan de bevolking van Nieuw-Guinea. In het kort gezegd kwam de hele afweging neer op de vraag of Nederland bereid was te vechten voor de rechten van de Papoea-bevolking van Nieuw-Guinea. Uiteindelijk was een openlijk militair conflict met Indonesië de enige optie om woordbreuk te voorkomen. Deze uiterste consequentie van het woord houden, zowel in effectieve als juridische zin, wilde ook de SGP niet nemen.

Noten

1. M. van der Plas, Luns: 'Ik herinner mij.. ' Vrijmoedige herinneringen van Mr. J.A1.A.H. Luns zoals verteld aan Michel van der Plas (Leiden 1971) 109.

2. H.W. van den Doel en F.C. Emmer, 'De dekolonisatie van Nederland' Internationale S; »ecMtór54 (2000) 345-346.

3. John Jansen van Galen, Ons laatste oorlogje; Nieuw-Guinea. de f> ax neerlandica, de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoea-natie (Weesp 1991) 11-12.

4. Ibidem, 26.

5. De Geus, De Nieuw-Guinea kwestie; Aspecten van buitenlands beleid en militaire macht (Leiden 1984) 16-18.

6. Ibidem, 193-194.

7. Ibidem, 194.

8. Chris van Eseterik, Nederlands laatste bastion in de oost; Economie en politiek in de Nieuw-Guinea kwestie (Baam 1982) 29-31.

9. van den Doel en Emmer, 'De dekolonisatie van Nederiand' Intemationale Spectator 54 (2000)340.

10. Ibidem, 339.

11. De Geus, De Nieuw-Guinea kwestie, 196.

12. Ibidem, 64.

13. Ibidem.

14. De van Roijen-Roem-verklaring behelsde onder andere: economische en financiële preferentie voor Nederland, toelating van Nederlandse immigranten en ambtenaren, garanties voor missie en zending, volledige democratisering van West-lrian (Indonesische benaming voor Nieuw-Gumea), opneming van West-lrian in Indonesische transportsysteem met waarborg voor aan Nederland verleende concessies. Dit alles ter compensatie van een soevereinteitsoverdracht van Nieuw-Guinea medio 1951. De Geus, De Nieuw-Guinea kwestie, 65.

15. Van Esterik, Nederlands laatste bastion in de Oost, 62-63.

16. De Geus, De Nieuw-Guinea kwestie, 71.

17. Ibidem, 71-72.

18. Markin, "Dertig dagen tumult." Jaarboek Buitenlandse Zaken 1994, 12.

19. Van den Doel en Emmer, 'De dekolonisatie van Nederland', Intemationale Spectator 54 (2000) 340.

20 H. Meijer, Den Haag-Djakarta - De Nederlands-Indonesische betrekkingen 19^0-1961 (Utrecht 1994) 609.

21. Ibidem, 609-610.

22-J.L.R. Huydecoper van Nigtevecht, Nieuw-Guinea; het einde van een koloniaal beleid (Amsterdam 1993) 44-45.

23. De Geus, De Nieuw-Gumea kwestie, 154.

24-Huydecoper, Nieuw-Guinea, 74.

25. Codebericht 9069 van Roijen aan Luns, 6 juli 1962. Archief Buitenlandse Zaken (BZ), code 9, blok II (1955-1964), 912.13, doos 12.

26. Koster, Een verloren land, 94.

27. Huydecoper, Nieuw-Guinea, 92-93.

28. Codebericht 7380 Luns aan van Roijen, 27 aprü 1962. BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

29. Codebericht 8170 van Roijen aan Luns, 27 apni 1962. BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

30. Codebericht 8163 van Roijen aan Luns, 26 aprü 1962. BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

31 Huydecoper, Nieuw-Guinea, 130.

32. Ibidem, 141-144.

33. Markin, "Dertig dagen tumult" Jaarboek BZ 1994, 22.

34. Brief van Dean Rusk aan Luns, 27 april 1962. BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

35. de Geus, De Nieuw-Cuinea kwestie, 187-192.

36. Ibidem, 154.

37. Huydecoper, Nieuw-Guinea, 186.

38. Ibidem, 136.

39. Codebericht 8170 van Roijen aan Luns, 27 april 1962. BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

40. Zie voor praktische invulling van het voorlopig akkoord, militaire en financiële zaken en ontwikkelingssamenwerking: Huydecoper, Nieuw-Guinea, 167-181.

41. Huydecoper, Nieuw-Guinea, 182-187.

42. Codebericht 9113 Luns aan van Roijen, 11 ]uli 1962, BZ, code 9, blok II, 912.13, doos 12.

43. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz. 873 (5 april 1962).

44. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz. 853 (4 april 1962).

45. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band732, blz. 853(4 apnl 1962).

46. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz. 853 (4 aprü 1962).

47. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz, 1255 (6 september 1962)

48. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz. 1256 (6 september 1962).

49. Handelingen der Tweede Kamer, 1961-1962 Band 732, blz. 1259 (6 september 1962).

50. Ibidem.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Zicht | 40 Pagina's

De Nieuw-Guineakwestie en de SGP

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 2001

Zicht | 40 Pagina's

PDF Bekijken