Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Belasten naar draagkracht of keuzes beboeten?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Belasten naar draagkracht of keuzes beboeten?

11 minuten leestijd

Groot was de verbazing toen de SGP Tweede Kamerfractie de regering opriep een leefvormneutraal belastingstelsel te ontwikkelen. De SGP en leefvormneutraal belasten? Inderdaad! En eigenlijk is er niets nieuws onder de zon, behalve het naampje. Waar het de SGP in het pleidooi voor een leefvormneutraler belastingstelsel om gaat, is samen te vatten met twee kernbegrippen: rechtvaardigheid en keuzevrijheid. En op beide punten gaat het op dit moment mis.

Wie denkt dat Nederland nog een belasting naar draagkracht kent, komt bij een iets preciezere blik al snel bedrogen uit. Zoals uit Tabel 1 op pagina 62 blijkt, kan de netto belastingdruk tussen en binnen de verschillende leefvormen enorm verschillen, zéker als daarbij ook het effect van enkele toeslagen wordt betrokken. Is het nog belasten naar draagkracht als een alleenstaande of een eenverdiener met een bruto inkomen van € 40.000 zo’n € 12.000 euro belasting moet betalen, terwijl een huishouden met twee verdieners met kinderen slechts € 5500 belasting betaalt (54 procent minder)? Het verschil in effectieve belastingdruk loopt zelfs nog verder op als gebruik gemaakt wordt van de kinderopvang of als ook andere (fiscale) instrumenten worden meegenomen, zoals de hypotheekrenteaftrek en de huurtoeslag.
Tabel 1 toont wat de SGP betreft aan dat de effecten van de Wet Inkomstenbelasting 2001 als een tombola zijn geworden, waarbij het maatschappelijk niet meer uit te leggen valt waarom wie welk fiscaal voordeel krijgt.
Waar wordt de ongelijke behandeling door veroorzaakt? Wat is de ratio erachter? En, wat moet er veranderen?

Het draagkrachtbegrip
Tot de jaren ’80 van de vorige eeuw kende Nederland een belastingheffing op het niveau van een huishouden. Sindsdien is het Nederlandse belastingstelsel steeds verder geïndividualiseerd. Dat houdt in dat mensen in de inkomstenbelasting individueel belasting betalen over het inkomen wat zij persoonlijk verdienen. Met het samenlevingsverband waarin zij leven, wordt bij een individuele benadering geen rekening gehouden.
In de discussie over de vraag of bij de inkomstenbelasting het individuele of het huishoudinkomen als uitgangspunt genomen moet worden, is een recent verschenen promotieonderzoek van dr. mr. N.C.G. Gubbels1 interessant. Op basis van een literatuuronderzoek en een representatieve enquête onder partners komt zij tot de conclusie dat partners in (een ruime) meerderheid gezamenlijk over het inkomen beschikken, dit gezamenlijk consumeren en dat het voor mensen in een samenlevingsverband niet uitmaakt of zij zelf meer gaan verdienen of hun partner.
Deze bevindingen sluiten goed aan bij de stelling van prof. dr. L.G.M. Stevens dat in een solidaire gemeenschap geen individuele inkomensbeleving past, tenzij ook binnen het gezin het solidariteitsprincipe zou verdwijnen2. Daarmee valt de basis weg achter de redenering om te kiezen voor een individuele behandeling van partners in een samenlevingsverband.

Daar komt bij dat de overheid nogal selectief winkelt in de keuze voor het ene of het andere draagkrachtbegrip. Niet alleen worden gemaakte keuzes van de wetgever binnen de inkomstenbelasting inconsistent uitgewerkt, ook in relatie met andere wet- en regelgeving valt geen consistente lijn te ontdekken. Zo wordt bijvoorbeeld in Box 3 (inkomsten uit sparen en beleggen) uitgegaan van het draagkrachtbegrip op het niveau van een huishouden, terwijl in Box 1 (inkomsten uit arbeid) het individuele draagkrachtbegrip gehanteerd wordt. In het civiele recht bepaalt het Burgerlijk Wetboek bij de wederzijdse onderhoudsplichten dat een huwelijksgemeenschap in beginsel alle baten en lasten der echtgenoten omvat (art. 1:94) met aansprakelijkheid voor het geheel der schulden voor ieder der echtgenoten na huwelijksontbinding (art. 1:102). Ook bij de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen, waarin de huurtoeslag, de zorgtoeslag en de kinderopvangtoeslag geregeld zijn, wordt gekeken naar de draagkracht van een huishouden. En om nog een laatste voorbeeld te geven: de regering is van plan in de bijstand niet alleen het inkomen van beide partners mee nemen bij het berekenen van een uitkering, maar ook het inkomen van andere inwonende leden. Een groot deel van de ongelijkheid zou opgeheven kunnen worden als het draagkrachtbegrip in de inkomstenbelasting op consistente wijze aansluit bij deze regelgeving.

Naast het hanteren van verschillende draagkrachtbegrippen, worden de verschillen in belastingdruk vergroot door diverse heffingskortingen, die in mindering worden gebracht op de betalen belasting. In de tabel is te zien dat tweeverdieners van meer dan het dubbele aantal heffingskortingen gebruik kunnen maken dan alleenstaanden of eenverdieners.
Door het tijdens de vorige kabinetsperiode genomen besluit om de overdraagbare algemene heffingskorting in vijftien jaar af te bouwen, wordt het verschil in belastingdruk tussen een- en tweeverdieners de komende jaren helaas nog groter.

Effectiviteit fiscale instrumenten
De inzet van heffingskortingen wordt vaak verdedigd met het argument dat de fiscale prikkels nodig zijn om de arbeidsparticipatie te bevorderen. De SGP is daar niet van overtuigd. Sterker: nog los van de meer de principiële vraag of de overheid de keuzevrijheid van mensen met fiscale prikkels moet willen beperken, zijn er overtuigende wetenschappelijke bewijzen dat de fiscale prikkels het gedrag van mensen slechts beperkt beïnvloeden.
In de eerste plaats zijn fiscale prikkels natuurlijk alleen maar effectief op het moment dat mensen weten welke fiscale stimulansen er zijn en wanneer en hoe ze daarvan gebruik kunnen maken. Uit tal van onderzoeken komt echter naar voren dat het overgrote deel van de Nederlandse beroepsbevolking helemaal niet weet hoeveel zij netto onder de streep overhouden op het moment dat ze meer of minder bruto inkomen verwerven.
Ook weten zij niet welke fiscale prikkels er zijn om hen te stimuleren (meer) te gaan werken. Daarmee zorgen de instrumenten die beogen de arbeidsparticipatie te bevorderen bij deze grote groep mensen niet voor gedragsverandering en is het weggegooid geld.
In de tweede plaats is het maar zeer de vraag of mensen die wél kennis en inzicht hebben in de fiscale prikkels, gemotiveerd worden tot een hogere arbeidsparticipatie. In de tabel wordt inzichtelijk dat het erg aantrekkelijk is voor twee fiscale partners om een gelijk deel van het bruto inkomen te verwerven. Iedere afwijking van de 50/50-verhouding wordt immers fiscaal afgestraft?
Een derde argument tegen de instrumentalisering van de inkomstenbelasting, ligt in het feit dat mensen zich vaak niet door fiscale prikkels willen of kunnen laten sturen. Anno 2011 is het dominante huishoudtype een anderhalfverdienerssituatie. Stimulerende maatregelen gaan daardoor voor een steeds groter deel naar degenen die toch al werken.
Zij zijn niet van plan daarmee te stoppen, maar laten zich ook niet sturen tot een hogere participatie. Zij kiezen bewust voor een balans tussen arbeid en zorg. Aan de andere kant zullen mensen die wel kunnen, maar niet willen werken nog forsere prikkels nodig hebben om hun gedrag te veranderen3. De huidige financiële prikkels die al gegeven worden (die nu al duizenden euro’s per jaar bedragen!), zijn immers kennelijk niet groot genoeg om deze groep mensen te bewegen tot (meer) arbeidsparticipatie. Tenslotte is er volgens prof. dr. L. Borghans ook een groep mensen die wel zouden willen werken, maar die dat niet kunnen. Denk bijvoorbeeld aan chronisch zieken en (arbeids)gehandicapten.
Al zouden zij dat willen, dan nog kunnen zij geen gebruik maken van de fiscale prikkels.
Het laatste argument tegen het inzetten van allerlei heffingskortingen om de arbeidsparticipatie te stimuleren, is dat de groep die het hardst gestimuleerd zou moeten worden - mensen met een laag inkomen en een laag opleidingsniveau - daarmee niet bereikt wordt. Doordat ongeveer 780.000 mensen de stapeling van heffingskortingen niet meer kunnen verzilveren4, zijn allerlei nieuwe inkomensondersteunende toeslagen nodig. Die zijn vaak moeilijker te richten op de doelgroep en brengen grote administratieve lasten met zich mee voor burger en overheid.

Financiering sociale voorzieningen
Naast de vraag over de wenselijkheid om mensen via de inkomstenbelasting te sturen tot allerlei gedrag, moeten we het belangrijkste doel van het heffen van belastingen niet uit het oog verliezen. Dat is natuurlijk nog steeds het verwerven van inkomsten voor de staatskas om daarmee publieke voorzieningen te realiseren en sociale voorzieningen betaalbaar te houden. In dat licht zijn de bijgevoegde grafieken (1 t/m 4) van prof. dr. L. Borghans (2009) interessant3. De SGP sluit zich aan bij de conclusie van Borghans: als meer werken per saldo betekent dat er nauwelijks tot geen extra belastinggeld bij de overheid binnenkomt, is het beleid zijn doel voorbijgeschoten.

Externe kosten
In het verlengde van de discussie over de budgettaire functie van belastingen, vindt de SGP dat bij beleidsafwegingen rond het stimuleren van arbeidsparticipatie alle welvaartseffecten afgewogen zouden moeten worden.
Niet alleen betaalde arbeid zou moeten meetellen, maar ook onbetaalde arbeid, zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg en vrijwilligerswerk. Het is toch niet rechtvaardig dat mensen die veel informele zorg leveren en er daarom voor kiezen minder te participeren op de arbeidsmarkt, elk jaar geconfronteerd worden met een hogere belastingaanslag?
Daarom heeft de SGP in diverse debatten voor deze mensen een lans gebroken.
Bovendien zet de SGP in op bewustwording dat mantelzorgers en vrijwilligers ook zorgen voor grote maatschappelijke besparingen. Zij verminderen of vertragen de substitutie van informele zorg naar een formele en duurdere zorgvraag.
Zonder mantelzorgers en vrijwilligers, die samen ongeveer 80% van de zorg aan mensen thuis verzorgen, zou Nederland krakend en piepend tot stilstand zou komen.

Conclusies en aanbevelingen
In dit artikel is aangetoond dat er op dit moment grote verschillen in belastingdruk zijn tussen en binnen de verschillende leefvormen. Dat roept de fundamentele vraag op of we op de juiste weg zitten met ons belastingstelsel. De SGP meent van niet en kiest daarom bewust voor een betere balans tussen draagkracht en instrumentalisme. Zeker nu blijkt dat de instrumentele inzet van alle heffingskortingen en toeslagen het systeem zo ingewikkeld heeft gemaakt dat weinigen nog doorzien wat de consequenties van hun handelen zijn, zou de wetgever veel terughoudender moeten zijn met het inzetten van allerlei instrumenten om de arbeidsparticipatie te stimuleren.

Prof. dr. A.L. Bovenberg en prof. dr. L.G.M. Stevens constateren in hun position paper voor de studiecommissie Belastingstelsel dat een deugdelijk belastingstelsel rechtvaardig, effectief en eenvoudig behoort zijn. Binnen deze randvoorwaarden moet de budgettaire en instrumentele functie van de belastingheffing worden vormgegeven.5 De SGP zet zich er de komende jaren voor in dat binnen die randvoorwaarden een leefvormneutraler belastingstelsel gerealiseerd wordt. Dat kan bijvoorbeeld door het inrichten van een sociale vlaktaks. Dat betekent dat de huidige progressieve tarieven worden vervangen door één laag belastingtarief. Voor de hoge inkomens wordt een toptarief ingevoerd. In ruil voor het lage tarief kunnen diverse aftrekposten, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, worden geschrapt.
Om met name mensen met lagere inkomens te ontzien, kan een leefvormafhankelijke draagkrachtkorting ingevoerd worden, zodat kosten voor primair levensonderhoud niet worden belast. Wat is de kern? 1. Waarborgen dat over de noodzakelijke kosten geen belasting wordt geheven. 2. Zoveel mogelijk gelijke belastingheffing tussen en binnen leefvormen. 3. De effectiviteit ten aanzien van arbeidsparticipatie en economische groei komt uit zo laag mogelijke belastingtarieven, en niet uit allerlei ineffectief gebleken detailregelingen. Liberaler èn socialer kan haast niet…

Noten
1 Gubbels, N.C.G. (2011) Samenlevingsverbanden in de inkomstenbelasting en de schenk- en erfbelasting
2 Stevens, L.G.M. (2006), Fiscaal gezinsbeleid (afscheidscollege) Erasmus Universiteit, http://publishing. eur.nl/ir/repub/asset/8171/afscheidscollege1.pdf
3 Borghans, L. (2009), TPE, Grenzen aan fiscaal stimuleren van arbeidsparticipatie, http://www.tpedigitaal.nl/assets/static/9_-2-2009.pdf
4 Zie onder andere Caminada, C.L.J. (2007), Tijdschrift voor Openbare Financien, Inkomensbeleid, http://wimdreesstichting.nl/page/downloads/TvOF_2007_-_n1_-_art8.pdf en position paper bij rapport Studiecommissie Belastingstelsel, C.A. de Kam en C.L.J. Caminada: Belastingen als instrument voor inkomenspolitiek
5 Bovenberg, A.L., Stevens, L.G.M., Het fiscale stelsel van de toekomst: eenvoud, neutraliteit en draagkracht, In: Advies Studiecommissie Belastingstelsel

Tabel 1: vergelijking bruto loonmodel van eenverdieners, anderhalfverdieners en tweeverdieners (zie voor de tabel het originele pdf)

Grafiek 1: Bruto inkomen, netto inkomen en belasting voor een gezin gerelateerd aan de werktijd van de vrouw, waarbij de man een halve dag per week minder werkt voor iedere dag dat zijn vrouw werkt.

Grafiek 2: Bruto inkomen, netto inkomen en belasting voor een gezin gerelateerd aan de werktijd van de vrouw, waarbij de man een dag per week minder werkt voor iedere dag dat zijn vrouw werkt.

Grafiek 3: Bruto inkomen, netto inkomen en belasting, inclusief kinderopvangtoeslag voor een gezin gerelateerd aan de werktijd van de vrouw waarbij de man 40 uur per week werkt.

Grafiek 4: Bruto-inkomen, netto-inkomen en belasting, inclusief kinderopvangtoeslag, voor een gezin gerelateerd aan de werktijd van de vrouw waarbij de man een halve dag per week minder werkt voor iedere dag dat zijn vrouw werkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

Zicht | 84 Pagina's

Belasten naar draagkracht of keuzes beboeten?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2011

Zicht | 84 Pagina's

PDF Bekijken