Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Staat de vrijheid van onderwijs onder druk?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Staat de vrijheid van onderwijs onder druk?

14 minuten leestijd

De vrijheid van onderwijs staat volgens sommigen onder druk. Hoe reëel is de angst dat artikel 23 van onze Grondwet sneuvelt? Wat voor redenen worden hier voor gegeven? En vooral, wat zijn de opties voor ouders die hun kinderen naar een bijzondere school willen blijven sturen indien deze niet langer gefinancierd wordt?

‘Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven.’ Het tweede lid van artikel 23 uit de Nederlandse Grondwet vormt misschien wel het vaakst geciteerde artikel op opiniepagina’s van dagbladen. De bij wet gegarandeerde vrijheid van onderwijs was honderd jaar geleden niet eens het voornaamste struikelblok. Dat betreft lid 7. ‘Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd.’ De pacificatie van 1917 ging dus in de eerste plaats over geld, de vrijheid om een eigen richting te kiezen in het onderwijs bestaat als sinds 1848. Na een felle schoolstrijd kwamen de heren politici tot een politieke uitruil waarbij de recente activiteiten van Mark Rutte en Diederik Samsom verbleken. De bijzondere scholen, veelal gesticht door protestantse en rooms-katholieke groeperingen ontvingen financiële gelijkstelling ten opzichte van het openbaar onderwijs en de socialisten kregen het algemeen kiesrecht.


Een bijzondere school mag het onderwijs naar eigen inzicht inrichten. Overigens is dit wel aan wettelijk vastgelegde eisen van deugdelijkheid gebonden.


STICHTING, RICHTING EN INRICHTING

Vanaf het allereerste begin valt de vrijheid van onderwijs uiteen in drie delen: vrijheid van stichting, richting en inrichting. De vrijheid van richting vormt het basisrecht en deze geldt enkel voor bijzondere scholen. Het gaat hier om zo’n 70% van alle basis- en middelbare scholen. Deze scholen hebben de vrijheid om in hun onderwijs een eigen religieuze of levensbeschouwelijke visie op mens en maatschappij tot uitdrukking te brengen. Ze zijn daarom ook vrij in het kiezen van docenten en leermiddelen die deze visie tot uitdrukking kunnen brengen. Een bijzondere school mag van ouders vragen de grondslag te onderschrijven. De vrijheid van stichting vloeit logisch voort uit de vrijheid van richting: het betreft het recht om een bijzondere school te stichten. De vrijheid van inrichting is de volgende stap. Een bijzondere school mag het onderwijs naar eigen inzicht inrichten. Overigens is dit wel aan wettelijk vastgelegde eisen van deugdelijkheid gebonden, de wetgever bepaalt dus de reikwijdte van de vrijheid van onderwijs en ziet toe op de naleving van de gestelde norm. De vrijheid van onderwijs gaat nadrukkelijk over de vrijheid om onderwijs te geven. Dit omdat de wetgever er vanuit gaat dat ouders voldoende keuzemogelijkheden hebben. Dat de juiste school er voor elke ouder tussenzit, garandeert artikel 23 niet. Enkel het bestaan van openbaar onderwijs wordt gegarandeerd, ten einde ouders in de gelegenheid te stellen de leerplicht van het kind te vervullen.

Van tijd tot tijd gaan er stemmen op om de onderwijsvrijheid verregaand te moderniseren dan wel af te schaffen. Zo besloot het congres van GroenLinks bij de vaststelling van het verkiezingsprogramma in december 2016 om te pleiten voor de afschaffing van de financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. De redenen hiervoor zijn vaak tweeledig van aard. Religieus onderwijs (zoals het bijzonder onderwijs ten onrechte wordt gedefinieerd door tegenstanders) zou ‘niet meer van deze tijd’ zijn en het bijzonder onderwijs zou segregatie in de hand werken. Vaak worden deze bezwaren in één adem genoemd, zoals onderwijssocioloog Hans de Vries dat onlangs deed in Trouw (30 december 2016). Hij schrijft dat het huidige onderwijssysteem bijdraagt aan de scheiding van groepen op basis van geloof. Dit zou leiden tot een gebrekkige sociaal-maatschappelijk integratie van bepaalde groepen in de samenleving. Hij pleit daarom voor algemeen openbaar onderwijs, waarin ieder dezelfde normen en waarden meekrijgt. Rutger Groot Wassink, fractievoorzitter van GroenLinks in de Amsterdamse gemeenteraad is dat met hem eens. ‘Ik ben voorstander van een scherpere scheiding tussen van kerk en staat. Ik ben voor een overheid die zich niet bemoeit met religie’, zei hij in een interview met het Reformatorisch Dagblad (17 mei 2017). Religieus geïnspireerd onderwijs is volgens hem in sommige gevallen verantwoordelijk voor indoctrinatie van kinderen. De overheid dient dat volgens hem niet te financieren. Net als De Vries spreekt hij zich uit voor algemeen openbaar onderwijs voor iedereen.

ONDERWIJS IS NOOIT NEUTRAAL

Wim Kuiper, voorzitter van Verus, reageert op Groot Wassink door te stellen dat geen enkele vorm van onderwijs volledig neutraal is. ‘Als het openbaar onderwijs zegt dat er geen gezamenlijk gedeelde levensovertuiging is, dan versluiert dat een beetje dat die levensovertuiging er wel is.’ Verder is hij het niet met de GroenLinks-politicus eens dat het bijzonder onderwijs de segregatie in de hand werkt. ‘Het grote voordeel van de overheidsbekostiging van het bijzonder onderwijs is dat je geen elitescholen krijgt, zoals in bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland het geval is. Dan wordt de segregatie groter. Dat moet iemand van GroenLinks aanspreken.’ Gijsbert van de Beek, rector van het Altena College in Sleeuwijk, verwerpt in Trouw (9 januari 2017) het verwijt van onderwijssocioloog Hans de Vries dat het bijzonder onderwijs door het toelatingsbeleid discrimineert en dus segregerend werkt. ‘Op bijzondere scholen zitten procentueel net zo veel allochtone leerlingen als op openbare scholen en de sociale samenstelling van de schoolbevolking verschilt niet.’

De bezwaren tegen de onderwijsvrijheid zoals geformuleerd door Groot Wassink en De Vries vinden in de Nederlandse politiek geen brede weerklank. Dat bleek eens te meer tijdens de ‘Nationale bijeenkomst onderwijspacificatie 1917-2017’, waarbij minister Jet Bussemaker (OCW) aangaf dat ze het bijzonder onderwijs meer was gaan waarderen. Dit omdat ze hierin een unieke combinatie van hoge kwaliteit en sterke verantwoordelijkheid van ouders en besturen voor de school ontwaart. Richard Toes, bestuursvoorzitter van het Wartburg College, verwacht dan ook niet dat een snelle afschaffing van de huidige onderwijsvrijheid op de loer ligt. Adri Verweij, directeur-bestuurder van de Educatis, is dat met Toes eens. ‘Afschaffing zou erg veel scholen treffen. Omdat ons onderwijsstelsel is gebaseerd op financiële gelijkstelling.’ Het gevaar komt volgens Toes uit een andere hoek: de acceptatieplicht van leerlingen die de grondslag niet onderschrijven. Deze is bedreigend voor de vrijheid van richting. ‘Toch maak ik me daar niet al te veel zorgen over. Ooit wilde dominee Kersten al dat het christelijk onderwijs gericht moet zijn aan alle kinderen van ons volk. Het gaat er dus om of we voldoende toegeruste docenten hebben.’ Verweij maakt zich wel zorgen over de uitholling van de onderwijsvrijheid door verregaande regulering van de overheid middels kerndoelen en uitgebreide examenreglementen. H.M. Helmers concludeerde in haar proefschrift over beleidsvorming in het Nederlands onderwijs tussen 1990 en 2010 dat de overheidsverantwoordelijkheid voor kwaliteit en de vrijheid van inrichting in deze periode regelmatig op gespannen voet stonden met elkaar. ‘Het begrip deugdelijkheid werd geleidelijk aan overvleugeld door het begrip kwaliteit’, luidt haar oordeel. Ze wordt in deze conclusie gesteund door de commissie-Dijsselbloem, die in 2008 constateerde dat de overheid zich te veel bezighoudt met het ‘hoe’ van het onderwijs (de inrichting en de pedagogisch-didactische aanpak). Dit moet middels het principe van vrijheid van inrichting worden overgelaten aan de scholen zelf. De onderwijsinspectie moet zich beperken tot het ‘wat’ (de inhoud van het onderwijs).


Het grote voordeel van de overheidsbekostiging van het bijzonder onderwijs is dat je geen elitescholen krijgt, zoals in bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland het geval is. Dan wordt de segregatie groter.

Volgens de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kostte een schoolgaand kind op de basisschool de overheid in 2015 gemiddeld 6500 euro. In het voortgezet onderwijs ging dit om 7863 euro per leerling.


Overigens valt op het ‘wat’ ook wel het één en ander aan te merken. Zo pleitte de commissie voor een landelijke canon van de natuurwetenschappen, zoals er ook een historische canon bestaat. Helmers vindt dat strijdig met de vrijheid van richting, omdat het hier al snel om ‘waardegebonden inhouden’ gaat.

WAT ALS DE FINANCIËLE GELIJKSTELLING SNEUVELT?

Hoewel er dus wel wat bedenkingen zijn tegen de onderwijsvrijheid, lijkt het niet voor de hand te liggen dat ouders die hun kind bewust naar een bijzondere school sturen zich zorgen moeten maken dat dit in de toekomst niet meer kan. Toch is het niet geheel uit te sluiten dat er op enige moment een politieke meerderheid besluit de onderwijsvrijheid om zeep te helpen, omdat de geuite bezwaren weliswaar niet zozeer op brede politieke steun kunnen rekenen maar wel weerklank vinden in het maatschappelijk debat. Wat zijn de mogelijkheden voor christelijke ouders die hun kinderen dan niet meer naar de school van hun wensen kunnen sturen?1

a. Naar de openbare school

Als eerste zouden ouders kunnen berusten in de situatie en hun kinderen naar de dan ontstane openbare school sturen. Dat lijkt zeker voor de voorstanders van het bijzonder onderwijs ondenkbaar, maar Richard Toes signaleerde onlangs in De Hervormde Vrouw dat christelijke ouders vaker kiezen voor een school die haar levensbeschouwing niet met de ouders deelt. Ze komen tot deze keuze na een afweging waarin afstand, kwaliteit en kosten een belangrijke rol spelen. Toes betreurt deze ontwikkeling. Wellicht gaat dit over reformatorische ouders die niet kiezen voor een dito school, maar de keuze maken voor een protestants-christelijke school. De afstand tussen een reformatorische en protestants-christelijke school is kleiner dan die tussen een reformatorische en seculiere, openbare school.

b. Privé-scholen stichten

Een andere mogelijkheid vormt het stichten van privéscholen. Deze scholen worden dan niet door de overheid gefinancierd. In de meeste Europese landen is er geen financiering voor christelijke scholen. In de Verenigde Staten en Canada moeten christelijke ouders alles zelf bekostigen. Dat gebeurt echter zeer regelmatig. Wellicht heeft dit alles met het eigene van de Amerikaanse situatie te maken, waarin de overheid in alle gevallen niet zo scheutig is met subsidies. Historicus James Kennedy, afkomstig uit de VS, somde enkele jaren geleden in Trouw (12 augustus 2012) de voordelen van een Amerikaanse privéschool op. De ouderbetrokkenheid is bijzonder hoog, omdat de keuze voor een privéschool een zeer bewuste is die per kind 8000 dollar vraagt. Zijns inziens is het niet mogelijk ‘om een robuuste religieuze identiteit overeind te houden als een school met louter publieke middelen gefinancierd wordt.’ De Amerikaanse situatie stimuleert wat hem betreft veel meer het eigen initiatief en laat meer ruimte aan bur-gers het onderwijs naar eigen believen in te delen. Daarnaast is de administratieve regeldruk veel lager, omdat scholen niet elk wissewasje moeten verantwoorden bij de overheid. Over de nadelen spreekt hij niet, maar het is zijdeling al aan de orde gekomen: de kosten. Het zal voor Jan Modaal niet meevallen per kind jaarlijks 8000 dollar op te hoesten.

Hoe zit dat in Nederland? Volgens de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen kostte een schoolgaand kind op de basisschool de overheid in 2015 gemiddeld 6500 euro. In het voortgezet onderwijs ging dit om 7863 euro per leerling. Bovenop dit bedrag komt nog een ouderbijdrage, die al snel 500 euro per jaar behelst. Scholen stichten die geen enkele financiële tegemoetkoming ontvangen van de overheid zal dus behoorlijke offers kosten.

c. Thuisonderwijs

Er is nog een andere optie. Deze vraagt niet zozeer meer geld, maar wel veel meer inspanning van de ouders. Thuisonderwijs. Als dat nog mogelijk is in deze hypothetische situatie, want de Rotterdamse wethouder Hugo de Jonge lijkt het maatschappelijk tij aan zijn zijde te hebben in zijn hetze tegen het thuisonderwijs in de havenstad. Hij vindt het onwenselijk dat kinderen niet participeren in een schoolgemeenschap en vreest dat ze zo geïsoleerd opgroeien. Het is lastig om aan te geven hoeveel kinderen thuison-derwijs ontvangen. Schattingen lopen uiteen van tweehonderd tot tweeduizend. In Nederland vormt het echt een uitzondering, in de Verenigde Staten krijgt bijvoorbeeld vijf procent van de kinderen thuisonderwijs. Officieel valt thuison-derwijs buiten de Nederlandse wet, een vrijstelling voor inschrijving van het kind op een reguliere school is vereist. De overheid draagt dan niet langer verantwoordelijkheid voor het onderwijzen van het kind. Vrijstelling kan worden verleend als blijkt dat het kind niet geschikt is voor schoolonderwijs, er overwegende bedenkingen zijn tegen de richting van de scholen die op redelijke afstand liggen en wanneer het kind een school in het buitenland bezoekt (wat natuurlijk niet onder thuisonderwijs valt). Thuison-derwijs is dus een mogelijkheid, maar gezien de houding van de Nederlandse overheid jegens thuisonderwijs is het zeer bedenkelijk dat de staat deze optie zal stimuleren wanneer de financiële gelijkstelling wordt afgeschaft. Temeer omdat de voorstanders hiervan vrijwel altijd het argument gebruiken dat bijzonder onderwijs de integratie belemmert en dus alle kinderen hetzelfde soort onderwijs zouden moeten krijgen.

Is de huidige constellatie de beste? Ik ben geneigd ja te zeggen, al moet er ook oog zijn voor de zwaktes hiervan. Die zijn helder geformuleerd door onderwijsjurist Paul Zoontjes. Hij ziet vier aandachtspunten. Allereerst gaat dit over het begrip richting. Niet elke (religieuze) stroming is nu verankerd in de wet als mogelijke richting, wat ervoor zorgt dat er maar een beperkt aantal godsdiensten en levensbeschouwing als geldige richting gezien worden. Het erkennen van een levensbeschouwing of godsdienst als richting heeft aardig wat voeten in de aarde. Dat is lastig voor mensen die het ini- tiatief willen nemen voor een school die is gebaseerd op een nieuwe richting. Volgens hem geldt hetzelfde voor mensen die een school willen stichten op basis van een pedagogisch-di-dactische visie. Dat mag nu niet. Overigens kan hier wel tegen ingebracht worden dat het mogelijk is om op basis van de vrijheid van inrichting een pedagogisch-didactische visie ten uitvoer te brengen in een openbare school of een school van één van de toegestane richtingen. Zijn derde bezwaar sluit hier op aan: volgens Zoontjes zit het bestaande scholenaanbod ‘op slot’, omdat het erg lastig is een nieuwe richting te laten erkennen. Tenslotte noemt hij de toegenomen regelgeving, die de vrijheid van inrichting danig kan belemmeren, iets wat al eerder aan de orde is geweest bij de bespreking van de kritiek van Helmers op de huidige constellatie.


Thuisonderwijs is dus een mogelijkheid, maar gezien de houding van de Nederlandse overheid jegens thuisonderwijs is het zeer bedenkelijk dat de staat deze optie zal stimuleren wanneer de financiële gelijkstelling wordt afgeschaft.


Het voert te ver om deze bezwaren punt voor punt te bespreken en te wegen, duidelijk is in ieder geval wel dat de onderwijsvrijheid nooit ‘af’ is, zoals de pacificatie van 1917 dat ook niet was. Het vormde in feite een open einde, een compromis. Christelijke voorstanders van de vrijheid van onderwijs vergeten dat wel eens, betoogde historicus George Harinck onlangs in het Nederlands Dagblad (27 januari 2017). Het ideaal is volgens hem bijzonder onderwijs voor iedereen. Nu is dat wellicht een utopie, duidelijk zijn wat mij betreft wel de idealen van de vrijheid van onderwijs. De vrijheid voor scholen en ouders om te kiezen en zelf initiatief te nemen. Wanneer zowel de financiële gelijkstelling als de onderwijsvrijheid zouden worden afgeschaft, is staatsonderwijs de enige optie. Het zou SGP-politici sieren, zoals ze dat nu ook vaak al doen, om de onderwijsvrijheid op een offensieve manier te verdedigen. En ja, daar hoort dan ook islamitisch onderwijs bij. Niet omdat je moslims geen recht moet onthouden waar christenen zelf gebruik van maken, maar omdat je pal zou moeten staan voor een stelsel waarin verschillen worden erkend.

GEBRUIKTE LITERATUUR:

Helmers, H.M., Overheid en onderwijsbestel: beleidsvorming rond het Nederlands onderwijsstelsel 1990-2010,

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (2011).

Zoontjes, P. , ‘Nieuwe kijk op de wortels van ons bestel’, Schoolbestuur 30.5 (2010).


1 Ik beperk me in deze hypothetische situatie gemakshalve tot de christelijke scholen. Natuurlijk is het bijzonder onderwijs veel breder, met verschillende religieuze en levensbeschouwelijke visies. Deze beperking maakt de uitwerking van het voorbeeld echter leesbaarder en geeft me beter de gelegenheid de dan ontstane situatie in Nederland te vergelijken met de oplossingen die christenen in het buitenland aandragen.


Rick Moeliker, commissie onderwijs SGP-jongeren

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

Zicht | 120 Pagina's

Staat de vrijheid van onderwijs onder druk?

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017

Zicht | 120 Pagina's

PDF Bekijken