De Erfenis En Opdracht Van Het Reveil
(Lezing, gehouden op de conferentie van de ”Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge” op zaterdag 19 maart 1994 in de Marcuskerk te Utrecht.)
Wanneer we over het Réveil spreken, dan denken we onmiddellijk aan namen als G. Groen van Prinsterer, I. da Costa, H. F. Kohlbrugge, J. H. Gunning. En er zijn veel meer namen te noemen van personen die met zojuist genoemden hebben gestreden voor Kerk en Staat.
Zorg voor de Kerk
Zorg voor de Kerk, vanwege het geestelijk verval in de Nederlandse Hervormde Kerk, kenmerkte het Réveil. Nu, in onze huidige nijpende kerkelijke situatie; nu, zo vlak na het verschijnen van het Hervormd Pleidooi, willen we aan dit aspect van het Réveil alle aandacht geven. De mensen van het Réveil hebben het geestelijk verval in de Nederlandse Hervormde Kerk doorleefd. Zij hebben daaraan geleden, zij hebben voor die Kerk gebeden, zij hebben uitgezien naar Kerkherstel.
In het Réveil werd het christelijk geloof weer in zijn kracht als levend geloof openbaar. De Waarheid in de Here Jezus Christus, de Zoon van God, werd opnieuw ontdekt als Zijn persoonlijke, heiligende tegenwoordigheid.
Bij de officiële vertegenwoordigers van de Kerk, in bestuurlijke en onderwijsgevende organen, was het anders. Zo werd de Belijdenis als slechts een letter uit vervlogen tijden beschouwd. Een Belijdenis die nieuw moest worden verstaan, aangepast aan het menselijk licht, aan de verstandelijke vermogens van de mens. De mens met zijn inzichten gold als laatste beoordelingsinstantie. Bij Belijdenis moeten we denken aan de belijdenis van de grondwaarheden van het Christendom, de belijdenis van de Drieëenheid, van de eeuwige Godheid van Christus, van de verzoening met God door het geloof in Hem, de Gekruisigde en Opgestane Heer, van de goddelijkheid van de Heilige Schrift. De nadruk werd in de spraakmakende regionen van de Kerk gelegd op de liefde, maar dan de liefde die de mens moest scheppen. Niet de liefde tot God, maar tot de naaste kreeg de boventoon. Daarmee werd het gebinte van de Kerk ondermijnd. Kohlbrugge, Gunning en Da Costa zullen zich hebben kunnen vinden in een uitspraak van Groen van Prinsterer, die als een diagnose van de algemeen heersende geest van die tijd kan dienen. Een geest die ook de Nederlandse Hervormde Kerk niet voorbijgegaan was.
Groen van Prinsterer over de geest van de tijd
In zijn geschrift Grondwetherziening en eensgezindheid zien we Groen in discussie met de geest van de tijd. " 'Die liefde heeft is Christen'. O ja, mits men de Christelijke liefde versta, die onafscheidelijk is van het Christelijk geloof. Men wijst op den Apostel der liefde. 'Die liefheeft is uit God geboren'. Voorzeker; maar Johannes schrijft ook: 'een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren'. De Apostel der liefde is de Apostel van het geloof. Men wijst op den Zaligmaker. 'Hieraan zullen zij allen bekennen dat gij Mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkaar'. Maar de Heer zegt ook: 'dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem dien Hij gezonden heeft' en 'zonder Mij kunt gij niets doen'. Uit de Schrift, zoo men met enkele aanhalingen tevreden is, is elk gevoelen bewijsbaar. Doch wanneer men Gods Woord in de zamenhang leest en overweegt, zal de ongeloovige zelf moeten erkennen dat in den geest van Bijbel en Evangelie, geen scheiding tusschen geloofswaarheid, geloofsleven en geloofsvruchten kan worden gemaakt; dat alles neerkomt op liefde en geloof; geloof en liefde; liefde uit een ongeveinsd geloof". Vervolgens schrijft Groen dat het spreken over de liefde ijdel is, wanneer men vergeet dat aan het voorschrift: "heb uw naaste lief als uzelf", een ander voorschrift voorafgaat, "gij zult den Heere, uw God, liefhebben boven alles". Het spreken over de liefde is ijdel, wanneer men niet weet "dat wij den Heere liefhebben, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad; en de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest die ons is gegeven, en dat de liefde Gods hierin jegens ons is geopenbaard dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem"'). Met deze woorden sprak Groen vanuit het eigen, geestelijke karakter van de Nederlandse Hervormde Kerk. Als kind van het Réveil was dit voor hem opengegaan.
Overeenstemming van Kohlbrugge, Gunning en Da Costa met Groen
Het bovenstaande is ook de kern van de prediking van Kohlbrugge in Elberfeld geweest. Hoe heeft Kohlbrugge geleden aan de Kerk die hem het lidmaatschap willekeurig belette! Juist de Kerk die hij liefhad. Binnen die Kerk werd hij vanwege zijn belijden, vanwege zijn kerkelijk besef, niet toegelaten. Zijn prediking in Elberfeld is altijd kerkelijk gebleven. Zo is later in de Nederlandse Hervormde Kerk de preekstoel voor hem opengesteld. Kohlbrugge heeft er vele malen, al stond hij in Elberfeld, het Woord Gods verkondigd, o.a. in Vianen, Utrecht, Delft, Amsterdam, Dordrecht, Den Haag^). De persoon van Kohlbrugge behoort bij de Nederlandse Hervormde Kerk. Kohlbrugge herkende de Hervormde Kerk in haar ware gedaante. Zo was hij een van haar beste kinderen, al werd hij door die Kerk eerst niet aanvaard.
En wist Gunning in Den Haag de kern van het geloof der Kerk niet in al zijn rijkdom voor het leven uit te stallen? Mevrouw Bosboom-Toussaint schreef over zijn prediking aan Potgieter: "Ik wenschte dat gij hem eens kondet hooren. Gij zoudt dan van dezen althans niet zeggen, dat hij preekte wat hij zelf niet geloofde. Ik geloof, daarom spreek ik! - Dit voelt men uit alles wat hij zegt. En de macht van deze prediking is wonderlijk groot".-')
En ook Da Costa onderschreef deze door Groen onder woorden gebrachte waarheid van het Evangelie. Toen in 1857 de Leidse theologische faculteit zijn geloofsovertuiging als kerkelijk verouderd, zonder steun in de tijd en als onhoudbaar brandmerkte, schreef hij: "Begraaf ons niet, voordat wij werkelijk gestorven zijn; beschik over onze erfenis niet, voordat wij inderdaad niet meer zijn! Zoo lang wij er zijn, zoo lang vertegenwoordigen wij (zoo gering in getal of beteekenis gij ons achten moogt) de belijdenis van het christelijk geloof van AL de Hervormde kerken"."*)
Verschil tussen Groen enerzijds en Da Costa en Gunning anderzijds
Maar het is Groen van Prinsterer geweest, bij wie het inzicht doorbrak dat het geestelijk verval binnen de Nederlandse Hervormde Kerk het feitelijke einde van deze historische Kerk van Nederland inluidde. Hier komen we op een verschil tussen Groen en Da Costa, en Groen en Gunning.
Voor de bestaande Hervormde Kerk had Da Costa minder oog dan Groen. Het leek erop alsof Da Costa deze Kerk reeds had prijsgegeven. Da Costa was met zijn gedachten al bij een nieuwe Kerk voor de toekomst^) en binnen de Hervormde Kerk was zijn werk voornamelijk op de individu gericht. Reeds hierom was Groen milder in zijn benadering van de Kerk dan Da Costa. (Al wordt het vaak anders gesuggereerd. Dan wordt de juridische Groen tegenover de medische Da Costa gezet.^) Dit is misleidend. Vv'anneer we beseffen dat Groen veel meer oog voor de Kerk had dan Da Costa, ligt een genuanceerder beoordeling voor de hand. Groen bleek veel meer binnen de Kerk te waarderen. Hij zag meer lichtpunten dan Da Costa in de Kerk.) Voor Groen was de Nederlandse Hervormde Kerk niet verloren. Da Costa's visie op de Kerk kenmerkte een radicaliteit die Groen vreemd was. Groen was in zijn spreken over de Hervormde Kerk veel medischer dan Da Costa.
Het wezenlijke van de Hervormde Kerk
Het bestaande lichaam van de Hervormde Kerk was voor Groen zeer waardevol. Groen besefte dat het gewone kerkvolk nog altijd zijn geloofsvoedsel aan het lichaam van de Hervormde Kerk te danken had. De Hervormde Kerk was krachtens haar historie Kerk. Een wonder van God. Van de Kerk kon gezegd worden: 'er is geschied'. De Kerk was als organisatie gebouwd op de geloofskracht van haar ontstaanstijd. 108
Daarvan getuigden haar belijdenisgeschriften. Van deze geloofskracht spraken de muren en de torenspitsen en de klokken van al de Hervormde Gemeenten, die te zamen tot het lichaam van de Nederlandse Hervormde Kerk behoorden. Da Costa zag niet dat ondanks het verval binnen die Kerk, ondanks de aan haar geloof vreemde stemmen, die Kerk nog altijd Kerk was. Krachtens haar historie, haar belijdenisgeschriften en haar naam droeg zij het getuigenis van de dingen die volkomen zekerheid hebben, van het geloof der eeuwen. Het was nodig dat zij weer opnieuw, tegen de aanvallen van het ongeloof, als Kerk leerde te spreken. Dat was hetgeen Groen inzag. Hij probeerde Da Costa hiervan te overtuigen en later ook Gunning.
Een nieuw belijden
Allen waren ervan overtuigd, dat de tijd om nieuw belijden vroeg. Het meerdere inzicht van Groen was, dat nieuw belijden een hernieuwd spreken van de Kerk als Kerk betekende. De aanval van de tijd was erop gericht om het spreken van de Kerk als Kerk te voorkomen. Daarmee was het bestaan van de Nederlandse Hervormde Kerk als volkskerk, in haar geestelijke grootheid, bedreigd. De Kerk in haar spreken als Kerk trachtte men aan banden te leggen. En zou het einde hiervan niet zijn de opheffing van deze Kerk als Kerk? Groen bemerkte dat zijn vrienden niet doorhadden dat nieuw belijden kerkelijk belijden moest zijn, kerkelijk spreken. Een spreken waarin de kerkelijke lijn werd voortgezet en niet afgebroken. In Het regt der Hervormde Gezindheid, speciaal voor
In Het regt der Hervormde Gezindheid, speciaal voor de christelijke vrienden geschreven (als vrucht van zijn gesprekken met Da Costa), brengt Groen zijn gedachten over het voortzetten van de kerkelijke lijn onder woorden.
"De Formulieren zijn een reeks van gedenkteekenen der strijdende Kerk; onwraakbare getuigen van het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is; schakels van dezelfde keten; mijlpalen van één weg, waardoor het afgelegde deel aangeduid wordt; niet om te blijven staan, maar om voort te gaan in de richting, waarin de Gemeente, overeenkomstig de beloften van haar Goddelijken Voorganger, met onbedriegelijke strekking geleid wordt".^)
Het spreken van de Kerk als Kerk Groen verlangde dat de Kerk weer als Kerk zou spre
Groen verlangde dat de Kerk weer als Kerk zou spreken. De Kerk moest de Naam van de Here Jezus Christus weer belijden, nu als afweer van de omkering van het geloof die binnen de Hervormde Kerk plaats vond. Kerkelijk spreken betekende voor Groen dat de Kerk haar geloof in de Zoon van God opnieuw bevestigde tegenover de specifieke aanval van de tijd. Zo had de Kerk ook in het verleden haar stem doen horen, daar waren haar Formulieren getuige van. Nieuw belijden hield voor Groen in: spreken in hetzelfde geloof dat de Kerk in het verleden betoond had, alleen naar veranderde omstandigheden. Geen herhaling van de letter van de Formulieren, maar voortgang in de geloofskracht van de Formulieren. Kortom de belijdenis van de Naam van de Here Jezus Christus, de Zoon van God, naar de aanval van de tijd. Tegenover de Groninger Richting had Groen op een
Tegenover de Groninger Richting had Groen op een dergelijk belijdend spreken van de Kerk aangedrongen. Dit was de opzet geweest van het Adres van de Zeven Haagsche Heeren in 1842 en van het Adres aan de Hervormde Gemeente in IS^'jMen zou de Kerk weer als Kerk herkennen. Kon vanuit dit spreken van de Kerk als Kerk de Gemeente niet opnieuw in het geloof opgevoed worden? Op het spreken van de Kerk als afweer van de dwaling lag bij Groen de nadruk. Dan kon er weer een doeltreffend pastoraat beoefend worden.
Nieuw belijden vanuit de geloofskracht der Kerk
Nieuw belijden moest naar Groens overtuiging aansluiten op de geloofskracht die het gebinte van de Nederlandse Hervormde Kerk uitmaakte. Nieuw belijden kon niet anders dan uit de Kerk voortkomen. Deze Kerk was een historische geestelijke grootheid door God aan Nederland gegeven. Daar kon men niet aan voorbijgaan. Groen heeft over dit onderwerp met zijn vrienden geworsteld, eerst met Da Costa en later met Gunning.
In 1860 schrijft Groen: "De samenwerking van geloovigen van verschillende gezindheden mag nooit leiden tot bevordering van individualisme en subjectivisme, tot ontbinding van de Kerk, tot haar oplossing in de wereld; door lederen kerkdijken band te verwaarloozen, door lederen kerkdijken grondslag en iedere bepaalde betrekking tot de Kerk, als steunpunt voor haar activiteit te verzaken, door zich zoo toe te leggen op een separatistisch streven, miskent zij de Kerk van Christus, die door de Heere in de Nederlanden is geplant; door een Christendom buiten de Kerk in de hand te werken, bevordert zij de versterving der bestaande kerken".^) (Zag Groen niet een steeds verder gaande afname van kerkelijk besef in het verschiet? Wat waren de gevolgen? Het individualisme zou zich steeds meer laten gelden. Het individualisme dat geen rekening hield met de Kerk en met de kerkelijke orde en regel. Binnen de Kerk konden groepen groeien, die een christendom naar eigen menselijke maat en snit wensten en zich om de Kerk niet bekommerden.) Groen heeft een erfenis nagelaten: zijn belijdenis van
Groen heeft een erfenis nagelaten: zijn belijdenis van de Kerk. Hij heeft dit zaad gezaaid. En heeft het niet zijn verborgen werking gedaan in de tijd? Is niet dit kerkbesef de kracht geweest, waardoor de Doleantie in 1886 weerstaan kon worden? Was het niet het ontbreken van dit kerkbesef dat Abraham Kuyper en de zijnen op de weg van de radicaliteit, van de breuk met de Nederlandse Hervormde Kerk voerde? Het was nodig dat deze Kerk weer als Kerk in overeenstemming met haar historie tot spreken kwam. Zulk spreken kan niet tot stand komen door een breuk. Immers, dan is er geen Kerk meer! De uiterlijke muren van deze Kerk rusten op een geestelijk fundament. Zo was de overtuiging van Groen. Zo was de overtuiging van dr. G. J. Vos (1836-1912) uit Amsterdam^), die Abraham Kuyper weerstond. Dr. Vos zag dat als Kuyper en de zijnen niet gestuit werden, dit het einde van de Nederlandse Hervormde Kerk als Kerk betekende.
Kerkbesef bij erfgenamen van Kuyper en in de Hervormde Kerk
Nu wil ik een uitstap maken naar de huidige situatie. Is het euvel bij veel erfgenamen van Abraham Kuyper niet dat zij het besef van wat Kerk is, zijn kwijtgeraakt? In de Doleantie werd afscheid genomen van de historische Hervormde Kerk. Dit had consequenties voor het kerkbesef. Hoe kon dit bewaard blijven? Bestaat op dit punt bij veel Gereformeerden niet een leemte? Heeft daarom in de Gereformeerde Kerken de secularisatie zo door kunnen dringen, omdat het besef van wat de Kerk is gemist werd? Waren velen niet overgeleverd aan de slagregens van de secularisatie omdat men de bescherming van de Kerk niet kende, omdat gemeenten en individuen op zichzelf aangewezen waren?
Helaas moet ook binnen de Hervormde Kerk geconstateerd worden dat het kerkbesef bij velen diep is weggezakt en dat er slechts beleidsmatig over de Kerk wordt gedacht. Maar, tegelijkertijd kennen velen de liefde voor de Kerk. Nog altijd is daar tegen de vloed van de secularisatie de barrière van het kerkbesef. Het SoW-proces mag toch niet betekenen dat degenen die niet meer weten wat Kerk is over de Nederlandse Hervormde Kerk beslissen? Is het leren herkennen van de Nederlandse Hervormde Kerk als Kerk niet een voorwaarde voor een goed verloop van het SoW-proces? Het SoW-proces kan niet slagen buiten de erkenning van de Hervormde Kerk als Kerk om. Blijft die erkenning van de Kerk als Kerk achterwege, bij Hervormden en Gereformeerden, dan leidt het SoW-proces tot het einde van de Kerk in Nederland, zoals de Hervormde Kerk altijd Kerk is geweest. Kan het SoWproces niet tot een zegen worden, waar het besef van de Kerk weer ontwaakt? Op de noodzaak van dit herlevend besef van de Kerk wordt gewezen in het deze week uitgekomen Hervormd Pleidooil
De Kerk verstaan als Kerk
Leer de Kerk weer als Kerk te verstaan, dat is de erfenis en opdracht die het Réveil ons heeft nagelaten. Ook Gunning begint in zijn levensavond te spreken over de plicht van de Kerk als Kerk om de Naam des Heren te belijden. Gunning wilde verdraagzaamheid, maar dat kon niet betekenen dat de Kerk als Kerk zweeg."^) "Belijdt zij als Kerk den Naam des Heeren niet, zoo belijdt zij als Kerk noodzakelijk het individualisme, het subjectivisme van elke overtuiging, dus ... dat eenvoudig de numerieke meerderheid de macht voor recht doet gelden".") De Kerk beleed volgens Gunning niet de Christus, maar ieders subjectieve mening omtrent Christus en dit noemde Gunning in 1901 de zonde van de Kerk. Als Kerk moest zij Christus als de Zone Gods belijden, de objectieve en zekere, van God gegeven waarheid.'^) In 1899 schrijft hij de voorbijgegane eeuw overziende: "Ik heb destijds te veel nadruk gelegd op het individuele geloofsleven, en te weinig op de eere Gods, die allereerst eist, dat de Kerk als Kerk, als geheel, als lichaam, den Naam des Heeren Jezus bdijde. Dit laatste deed de heer Groen en ik had het mèt hem moeten doen"'^). Leer de Kerk weer als Kerk te verstaan. Dat was de in
Leer de Kerk weer als Kerk te verstaan. Dat was de inzet van de strijd voor Kerkherstd in de eerste helft van onze eeuw. Ze werd gevoerd door prominente figuren als prof. mr. P. Scholten en prof. dr. F. C. Gerretson. Zij zagen dat de Kerk weer als Kerk tot spreken moest komen, daarmee nieuw haar historische, haar geestelijke en haar volkskerkkarakter bevestigend. Vanuit 109 zulk spreken van de Kerk als Kerk kon het geestelijk verval binnen de Kerk eerst recht pastoraal en genezend aangepakt worden.
Naar de Kerkorde van 1951
Prof. mr. P. Scholten hield op de predikantenvergadering van 27 april 1938 te Utrecht een rede over de reorganisatie van de Kerk. Degenen die zich toen afvroegen of het ogenblik van een hervorming van de Kerkorde wel gekomen was, wees hij op de tekenen van de tijd. "Is er niet een al maar koortsachtiger voortgaan van den gang der wereldgebeurtenissen naar wat we niet anders dan als verderf kunnen zien, steeds verder om zich heengrijpende ontreddering der geesten? Daartegen doet natuurlijk een Kerkorde niets. Maar de eenige die er wel iets tegen kan doen, of liever - los van de vraag wat zij kan - daartegen moet staan in de vastheid van haar geloofsovertuiging, is de Kerk. Doch daarvoor moet de Kerk als Kerk kunnen spreken".'"*) Om de weg hiervoor vrij te maken was de hervorming van de Kerkorde noodzakelijk. Voor prof. mr. P. Scholten kan het spreken van de Kerk als Kerk nooit zijn "een compromis tusschen stroomingen in de Kerk, waarin zij den grootsten gemeenen deeler zouden zoeken van haar gezamenlijke overtuigingen".'^) Dan belijdt de Kerk de Here Jezus Christus niet als haar enige Hoofd. Dan wordt deze belijdenis als slechts een stroming beschouwd.
Uiteindelijk is uit deze strijd voor Kerkherstel de Kerkorde van 1951 ontstaan. De Kerkorde was niet het einde van de worsteling om de Kerk weer als Kerk te leren kennen. De Kerkorde moest eerst mogelijk maken om te kunnen spreken over de Kerk als Kerk. Zij moest het eerst mogelijk maken om de verwaarloosde kerkelijke akker opnieuw te kunnen bewerken, zodat ze vrucht kon dragen. Dat zou een geduldig en langdurig werk zijn. Prof. dr. Th. L. Haitjema heeft hierop met nadruk gewezen. Nog in 1964. In 1964 schrijft hij: "Na de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 is onze kerk niet op eenmaal 'Christus belijdende volkskerk'. Zij moet het nog worden".'^) Hij zag dat de kerkelijke akker onbewerkt bleef. Andere aandachtspunten vierden steeds meer hoogtij en overwoekerden de akker. De toewending tot de wereld, de menselijke actie, de pragmatische instelling. En zo is het maar doorgegaan. Het eigene van de Kerk, haar geestelijk karakter werd miskend en verdrukt. Dit leidde tot het Getuigenis in 1971.
Het Getuigenis van 1971 als roep tot erkenning van wat de Kerk is
Naar aanleiding van het Getuigenis hield prof. dr. G. C. van Niftrik in de novembervergadering van 1971 voor de synode een toespraak. Het was een roep tot erkenning van wat de Kerk als Kerk nu werkelijk is. Het was een klacht over de miskenning van het geestelijk karakter van de Kerk. Ik haal daar de volgende woorden uit aan: "Er valt een zwijgen als het over de centrale hoofdpunten van de dogmatiek gaat. De vergeving van zonden, bekering en wedergeboorte, eeuwig leven - dat heeft men al zo lang gehoord, dat weet men nu wel, nü gaan wij tot de toepassing over. ... Ons Getuigenis roept ertoe op dit zwijgen te doorbre- 110ken. 'k Heb Jezus lief. Hij is mijn licht en kracht! Ons Getuigenis wil bewerken, zo het mogelijk is, dat men de liefde tot God en tot Christus in prediking en liturgie erkenne als van eigen rechte. Het gaat in de prediking om de verkondiging van de rijke liefde Gods, die mensen blij maakt en zelfs in verrukking kan brengen, zodat ze gaan zingen van Gods goedertierenheid, en daarvoor dan ook de tijd nemen. ... Zoals de liefde tot God de bron is van de naastenliefde, zo is de rechtvaardiging de bron van de heiliging. De ethiek is in de dogmatiek opgenomen. Maar deze uitspraken mag men niet omkeren. ... Éérst de liefde tot God. Dan de naastenliefde. Als het ene ontbreekt, deugt ook het andere niet."'^) Het Getuigenis heeft niet tot een verandering van beleid in de Kerk geleid.
Het geloof en de liefde leidraad van de gemeente
Tenslotte nog een enkele opmerking. Het verlies van het besef van het eigen karakter van de Kerk heeft tot gevolg een uitgehold begrip van wat de gemeente is. De gemeente wordt dan niet meer raar het geloof gekend. Ze wordt slechts naar haar activiteit beoordeeld en niet naar haar geestelijke nhoud. Het getal der stemmen, het aantal zielen, ongeacht de inhoud wordt normatief. De ambten gaan onn op in de gemeente, zij zijn niet meer dan functie • i de toevallige meerderheid. Er treedt een democr jcring op, die met de gelovige Gemeente niets m i te maken heeft. Het is vrucht van het geestelijk .erval binnen de Kerk. Maar de Nederlandse Hervormde Kerk die zoveel te verduren heeft gehad is er altijd nog. Als de Kerk weer als Kerk wordt verstaan, kan er dan ook niet het zuivere zicht op wat de gemeente is vallen? Waar niet de willekeurige democratische beslissing maatgevend is, maar het geloof en de liefde weer leidraad wordt. Aan dit geloof dat kerkelijk is, ontlenen de ambten, om met Gerretson te spreken, hun zedelijk gezag.'*)
Het pleidooi gevoerd voor de Kerk als Kerk
Voor het verstaan van de Kerk als Kerk wordt heden het pleidooi gevoerd. Het opnieuw leren verstaan van de Kerk als Kerk wordt onmogelijk gemaakt als de Nederlandse Hervormde Kerk wordt opgeheven. Weet u wat dit betekent als deze Kerk wordt opgeheven? Dan is er een breuk waarvan de gevolgen niet te overzien zijn. Als afscheid genomen wordt van de Nederlandse Hervormde Kerk, dan is dat niet slechts een administratieve handeling. Het geestelijke, historische karakter, het volkskerkkarakter van die Kerk is daarmee gemoeid. Is er als deze breuk ontstaat nog een Kerk voor land en volk, zoals de Nederlandse Hervormde Kerk dat is? Misschien zijn er wel allerlei losse gemeenten, maar een Kerk? Opdat deze breuk niet kome is het Hervormd Pleidooi verschenen. Onze bede is: "Here, bewaar Uw Kerk".
1. Cf. G. Groen van Prinsterer, Grondwelherziening en eensgezindheid, (Amsterdam, 1849), blz. 159v.
2. Cf. A. de Reuver, 'Bedelen bij de Bron', (Zoetermeer, 1992), blz. 702.
3. Gec. bij C. J. Toebes, Dominees-Drama, (Den Haag, 1983), blz. 141.
4. Cf. P. L. Schram, 'Da Costianen' in Kerk en Theologie, Jaargang 34, nummer 2, blz. 129.
5 et A Pierson Oudere Tijdgenoten (Derde Druk, Amsterdam 1922), blz 32
6 Over het juridische standpunt van Groen, cf dr W Balke, Wee/ hel Woord en heel de Kerk, schetsen uil de geschiedenis van de va derlandse kerk, (Kampen, 1992) blz 47
7 Cf G Groen van Prinsterer, Hel regt der Hervormde Gezind heid. (Amsterdam, 1848), blz 50v
8 Cf G Groen van Prinsterer Bijlage I860 Vervolg van De Ann Revolutionaire en confessionele partij, (vert A J Dam, Goes, 1954), blz 219
9 Cf Dr L G Zwanenburg, Gerril Jan Vos Az Hel recht van de Kerk, (Kampen, 1978) blz 137
10 Cf J H Gunmng, De belijdenis van den Naam des Heeren Je zus naar de H Schriften, de eerste en hoogste plicht der Kerk als Kerk (Nijmegen, 1895), blz 5v
11 Gec bij Prof dr Th L Hanjema, De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, Van Gereformeerde Kerkstaat tot Christus belijdende Volkskerk, (Kampien, 1964), blz 311
12 Cf J H Gunning Onze Zonde, Antwoord aan dr J Th de Visser, (Nijmegen 1901), blz 7v
13 Gec bij dr W Balke, Gunning en Hoedemakersamen op weg ('s Gravenhage, 1985), blz 40
14 Cf Prof mr Paul Scholten, 'Kerk', in Verzamelde Geschrif ten deel 11, (Zwolle, 1950), blz 287
15 Cf Prof mr PaM\S>c\\o\len, 'Het reorganisatie ontwerp verde digd in Verzamelde Geschriften, deel 11, (Zwolle, 1950), blz 261
16 Cf Prof dr Th L Haitjema De nieuwere geschiedenis van Neerlands Kerk der Hervorming, Van Gereformeerde Kerkstaat lot Christus belijdende Volkskerk, ( s Gravenhage, 1964), blz 321
17 Cf Toespraak van Prof dr G C van Niftrik, vergadering Ge nerale Synode 15 17 november 1971, blz 3v , blz 6
18 Cf C Gerretson, 'De Hervormde Kerk op den Tweesprong', in Verzamelde Werken lil, (Baarn, 1974) blz 329
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juli 1994
Ecclesia | 8 Pagina's