Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. P. Zandt in Debat Over de Overheidstaak in de Raad van Delft -2-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. P. Zandt in Debat Over de Overheidstaak in de Raad van Delft -2-

32 minuten leestijd

Op 21 december 1938 heeft ds. P. Zandt als raadslid in de gemeenteraad van Delft een uitvoerige rede gehouden over de taak van de overheid in Bijbels licht. Van deze rede is destijds een verslag afgedrukt in De Banier van 20 januari 1939. 1 Omdat vrijwel niemand deze rede nog kent en de inhoud daarvan ook voor deze tijd nog van wezenlijk belang is, willen we in dit artikel daaraan aandacht schenken.

In het vorige artikel, afgedrukt in het februarinummer van dit jaar 2 , hebben we uiteengezet wat de aanleiding was tot het houden van deze rede. Het Delftsch Studenten Corps had een lustrum georganiseerd. Deze feestweek, die naar schatting zo’n 63.000 bezoekers had getrokken, omvatte onder meer een aanstootgevend lustrumspel, gebaseerd op de oude poppenkastvoorstelling Jan Klaassen en Katrijn, een groot op zondag gehouden concours hippique, een reeks aan volksfeesten en ook kermisachtige vermakelijkheden die om twaalf uur (zomertijd) ‘s zondagsavonds waren begonnen. De Delftse AR-burgemeester G. van Baren had voor deze activiteiten gemeenteterreinen beschikbaar gesteld en toestemming gegeven. Tijdens de gemeenteraadsvergadering van 20 juli 1938 trok ds. Zandt hiertegen scherp van leer. De burgemeester had geen gemeenteterrein beschikbaar mogen stellen voor een krenkend en met de Heilige Schrift strijdig lustrumspel noch voor vermakelijkheden die (deels) op zondag gehouden werden. Hiertoe was hij volgens ds. Zandt ook niet verplicht. Tijdens de discussie die hierover ontstond, wierp op een gegeven moment de burgemeester ds. Zandt voor de voeten dat deze van de overheid verlangde dat de overheid alles behoorde te verbieden wat met de Heilige Schrift in strijd is. De overheid zou zich dan macht toe-eigenen op geestelijk terrein, wat volgens de burgemeester gevaarlijk en niet juist was. Hij toonde zich als antirevolutionair een beslist voorstander van de zogenaamde geestelijke vrijheid. Ds. Zandt daarentegen veroordeelde die publieke godsdienstvrijheid voor alle richtingen en nam het op voor het onverkorte artikel 36 NGB, daar hij de overheid gebonden achtte aan Gods Woord en wet. De burgemeester daagde ds. Zandt uit om bij de behandeling van de gemeentebegroting hierover met hem te debatteren. Ds. Zandt verklaarde zich daartoe bereid. Volgens de burgemeester was dit dan wel de eerste keer dat hij zich hiertoe bereid verklaarde. Hij verweet ds. Zandt dat hij de staatkundig gereformeerde beginselen in de raad nog nooit breedvoerig uiteengezet had, maar altijd slechts met enkele korte opmerkingen zich ervan afgemaakt had. Dit werd door ds. Zandt weersproken. De verslagen van de gemeenteraadsvergaderingen zijn getuigen dat ds. Zandt de beginselen wel degelijk uitgedragen heeft in de raad van Delft en dat het verwijt van de burgemeester dus onterecht was.

Rede

Op 21 december 1938 was het dan zover. Ds. Zandt sprak tijdens de algemene beschouwingen over de gemeentebegroting van 1939 een rede uit waarin hij uitvoerig op een vijftal geschilpunten tussen de SGP en de ARP inging. De belangrijkste aspecten uit deze rede hebben we hieronder weergegeven en daarbij ds. Zandt zoveel mogelijk zelf aan het woord gelaten.

Geestelijke vrijheid

Als eerste verschilpunt stelde ds. Zandt de zogenaamde geestelijke vrijheid aan de orde. Het kenmerkende van deze visie is dat ook iedere van de waarheid afwijkende levensbeschouwing of godsdienstige richting haar denkbeelden in het openbaar mag belijden en verspreiden. Deze visie werd door de antirevolutionairen met beslistheid verdedigd en men gaf er hoog vanop. Tijdens het op 20 juli 1938 gehouden debat had burgemeester Van Baren richting ds. Zandt zelfs gezegd dat de antirevolutionairen “onder alle omstandigheden, onder welke overheid dan ook, gevochten” hadden “voor de geestelijke vrijheid”. In reactie daarop zei ds. Zandt nu:

“Ik wil de voorzitter vragen in welke geloofsbelijdenis van de oude Christelijke kerk die geestelijke vrijheid geleerd is? Welke uitspraak van enig concilie of synode van die kerk kan hij bijbrengen dat de geestelijke vrijheid daarin gehuldigd is? Ik zal aan de eerste vraag een tweede toevoegen: in welke geloofsbelijdenis van de Hervorming is de geestelijke vrijheid als een Christelijk leerstuk beleden? Ik kan die gestelde vragen gemakkelijk direct beantwoorden. De voorzitter zal er geen enkele kunnen aanvoeren, daar het antirevolutionaire gevoelen noch door enige geloofsbelijdenis noch door enige synode van de oude Christelijke kerk of die van de Reformatie ooit aanvaard is. Maar wel het tegendeel geschied is, namelijk dat deze de geestelijke vrijheid nadrukkelijk veroordeeld hebben. Met de historie van de kerken als getuige stel ik alzo vast dat die geestelijke vrijheid van de antirevolutionairen in wezen onchristelijk is.

En dit komt nog te meer uit, wanneer men bedenkt, wie zijn zij die de geestelijke vrijheid, evenals de huidige antirevolutionairen nu, eertijds zo vurig hebben voorgestaan en gepropageerd. Het waren de vrijdenkers en de libertijnen. De bij ons gereformeerde volk zo geliefde ds. À Brakel heeft dit reeds vastgesteld. En niemand zal dit met goede gronden kunnen tegenspreken, daar het een historisch vaststaand feit is. Gelijk het evenzeer historisch vaststaat dat het de Franse Revolutie is die dat gevoelen in de praktijk verwerkelijkt heeft. Hierbij stel ik dan als een onweersprekelijk feit vast dat de antirevolutionairen met hun beginsel van de geestelijke vrijheid de Christelijke kerk en die der Reformatie zijn afgevallen en de vrijgeesten, libertijnen en de Franse Revolutie zijn toegevallen en dat zij, hoewel zij zich antirevolutionair noemen, op dit punt in grond en wezen revolutionair zijn.

Schoon dit feitelijk geen nader bewijs behoeft, wil ik ten overvloede nog eens wijzen op de praktijk die onder de eerste Christenheid heeft gegolden. Ik beroep mij daartoe op de wetten die de eerste Christenkeizer Constantijn de Grote heeft ingesteld. Hoe heeft heel de Christenheid hem niet met eenparige mond geprezen over het feit dat hij door menigvuldige wetten en ordinantiën een iegelijk verboden heeft de afgoden te offeren, de waarzeggers te ondervragen, enig beeld op te richten en in het verborgene enige offerande te doen. Heel de Christelijke praktijk loopt vierkant in tegen het antirevolutionaire gevoelen en biedt ons daarvan de scherpste veroordeling die zich maar denken laat.”

De antirevolutionaire geestelijke vrijheid was dus volgens ds. Zandt geheel in strijd met de Heilige Schrift en de daarop gegronde belijdenisgeschriften van de Reformatie, wezenlijk revolutionair en zij werd door de wetten van de eerste Christelijke keizer veroordeeld. Deze geestelijke vrijheid wordt in onze tijd buiten de SGP door alle Nederlandse partijen (in theorie) verdedigd en uitgedragen. Ook door de CU. Volmondig zelfs! Het is alleen al daarom onbegrijpelijk en onverantwoord dat bij de laatste Europese verkiezingen nog zoveel SGP’ers hun stem op de gecombineerde CU/SGP-lijst hebben uitgebracht. Het verloochenen van het alleenrecht van de Heere is immers geen bijzaak of middelmatige zaak!

Onuitvoerbaar

Vaak wordt in een discussie over de Bijbelse taak van de overheid gezegd dat handhaving van het onverkorte artikel 36 NGB in de praktijk onuitvoerbaar zou zijn. Ds. Zandt voerde echter tegen burgemeester Van Baren aan dat niet handhaving van het onverkorte artikel 36, maar dat handhaving van een volledige geestelijke vrijheid in de praktijk onuitvoerbaar is en zelfs ook door de antirevolutionairen niet consequent gehandhaafd werd. Hij zei:

“Mr. Th. Heemskerk [ARP] heeft in navolging van dr. A. Kuyper onder meer de stelling verdedigd dat deïsten, pantheïsten en atheïsten niet alleen het recht toegekend moet worden om hun beginsels te belijden, maar ook vrijelijk te verbreiden. En wat ziet men nu? Dit dat met behulp van antirevolutionairen wetten worden ingevoerd om aan extremistische stromingen de vrije uitingen te beletten. Wanneer nu, gelijk de antirevolutionairen beweren, de geestelijke vrijheid zulk een hoog en heilig goed is dat daaraan niet getornd mag worden, dan behoren zij ook aan eenieder die vrijheid te laten om zijn beginsel ongehinderd uit te dragen. Maar dit doen zij niet, kunnen zij ook niet doen, omdat er zich in het huidige leven stromingen openbaren die nu alreeds aantonen dat het beginsel van de geestelijke vrijheid in de praktijk onhoudbaar is. Telkens weer zien wij met medewerking van de antirevolutionairen wetten tot stand komen die vierkant indruisen tegen hun beginsel van geestelijke vrijheid. Het beginsel wordt dan aan de kapstok gehangen of als hinderlijke ballast over boord geworpen.”

Volledige geestelijke vrijheid in de openbare ruimte bestaat niet. Er is alleen vrijheid, als er grenzen zijn. Zo blijft de vrijheid om te reizen over de openbare weg in stand, zolang men zich aan de verkeersregels houdt. Worden die grenzen niet in acht genomen, dan ontstaan er ongelukken en gaat die vrijheid teniet. Dit geldt ook ten aanzien van de zo hoog geroemde geestelijke vrijheid. Daarom is zelfs in ons land, ondanks de vergaande secularisatie, de ruimte om denkbeelden en geloofsopvattingen in het openbaar te verbreiden, te belijden en in praktijk te brengen nog niet geheel onbegrensd. Zo is recent de pedofielenvereniging Martijn door de rechter ontbonden (18 april 2014), omdat de activiteiten van deze vereniging in strijd zijn met de openbare orde. Overigens worden er ook door de seculieren tal van regels voor de openbare ruimte gesteld en/of opgedrongen, bijvoorbeeld als het gaat over zaken als emancipatie en homoseksualiteit. Ook dat zijn begrenzingen, al zijn het vaak verkeerde eisen. Kortom, een volledige ‘geestelijke vrijheid’ is echt een utopie, is onuitvoerbaar, zoals ds. Zandt terecht zei.

Velen zullen dus nog wel beseffen dat een volledige geestelijke vrijheid - dus zonder grenzen - tot brokken leidt, maar men beseft over het algemeen niet (meer) dat er ten diepste alleen sprake kan zijn van een ware en onschadelijke vrijheid als de geestelijke vrijheid begrensd is door de kaders van Gods Woord en wet. Dat wil zeggen, als het alleenrecht van de Heere, als het onverkorte artikel 36 NGB in de publieke ruimte gehandhaafd wordt, als ten aanzien van alle terreinen van het leven - ook ten aanzien van het staatkundige terrein - Gods Woord en wet tot richtsnoer en censor verheven worden. Juist dit is een staatkundig gereformeerd kernbeginsel!

Een helder geluid

Helaas raakt binnen de SGP dit staatkundig gereformeerd kernbeginsel steeds meer op de achtergrond. Door een deel SGP’ers wordt het zelfs (in de praktijk) tegensproken. Een ander deel is er vaag over; draait om de hete brij heen, zoals onlangs een buitenstander als dr. A.A. Kluveld constateerde. Zij had namelijk de huidige partijleider van de SGP in het openbaar horen zeggen: “Godsdienstvrijheid is een groot goed.” En toen men vervolgens daarop doorvroeg, antwoordde hij: “Tja, dit is een ingewikkelde kwestie, het is een spanningsveld”, of: “Dit is een individuele afweging”. 4 Op deze wijze wordt dit kernbeginsel alles behalve overtuigend uitgedragen. Ds. Zandt deed dat anders. Hij liet de burgemeester en de gemeenteraad van Delft op dit punt niet in het ongewisse. We laten hem opnieuw aan het woord:

“Ik wil thans nog kortelings aantonen dat de geestelijke vrijheid in de Heilige Schrift veroordeeld is. Ik heb daartoe slechts te wijzen op hoe God de richters en koningen bevolen heeft de afgoderij uit te roeien en hoe de Heere die koningen bijzonderlijk geprezen heeft die zulks gedaan hebben en aan alle vorsten en overheden als een voorbeeld ter navolging heeft voorgehouden. Ik wijs er hierbij ook tevens op dat Gods Geest door de apostel Paulus in het Nieuwe Testament ons leert dat de overheid Gods dienaresse het volk ten goede is. Hetgeen in 1 Timótheüs 2 nader bevestigd wordt, waar ons duidelijk verklaard wordt dat het eerste doelwit van haar ambt is: opdat haar onderdanen ‘een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid’. Ik kan ter staving van mijn bewering tal van andere teksten aanhalen, gelijk onze oude gereformeerde theologen nog tal van andere uitspraken uit Gods Woord hebben bijeengebracht als zij de leer van de oude kerk verdedigden, die ons in artikel 36 leert: ‘En hun ambt [namelijk dat van de overheden] is, niet alleen acht te nemen en te waken over de politie [staatsbestuur], maar ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt’.”

Ds. Zandt kwam er dus volmondig en eerlijk voor uit dat de heden ten dage in Nederland in de openbare ruimte toegestane godsdienstvrijheid voor alle levensbeschouwelijke en godsdienstige richtingen in strijd is met Gods Woord en wet. Die helderheid is thans niet minder gewenst en noodzakelijk. Gelukkig onderscheidt het SGP-beginselprogram zich op dit punt nog wel van alle andere partijen. Als de SGP dit loslaat, dan heeft de partij geen bestaansrecht meer. Maar niet alleen op papier, ook in de praktijk dient aan dit beginsel handen en voeten gegeven te worden. Alle SGP-vertegenwoordigers en zeker ook prominenten binnen de partij dienen het oude Bijbelse geluid op dit punt helder te blijven vertolken. SGP-kandidaten die dit beginsel niet onderschrijven, behoren dan ook van de kandidatenlijsten geweerd te worden. Dit helder vertolken klemt temeer daar de CU/SGP-eurofractie sinds enige tijd zonder voorbehoud participeert in de Europese werkgroep ‘Godsdienstvrijheid’, die geen onderscheid maakt tussen gewetensvrijheid (die aan eenieder behoort verleend te worden) en de hedendaagse publieke godsdienstvrijheid (die Bijbels te veroordelen is). 5 Ook daarin gaat de CU/SGP-eurof ractie scheef!

De dag des Heeren

Naar het oordeel van ds. Zandt balanceerden de antirevolutionairen gedurig “tussen de Franse Revolutie en het Woord Gods, tussen de verlangens van de mens en de wet Gods”. Anders gezegd: zij vroegen niet wat is volgens de Schrift eis van beginsel, maar zij lieten hun standpunt afhangen van wat haalbaar was, van het meest gunstigste waarvoor in ’s lands vergaderzalen of onder de bevolking naar hun inschatting nog een meerderheid te verkrijgen was. Zo was hun opstelling ook ten aanzien van de eisen van het vierde gebod: de publieke zondagsrust en zondagsheiliging op de dag des Heeren. Ds. Zandt voerde dat als tweede verschilpunt aan tussen ARP en SGP. Hij zei:

“Het gebod dat God ons dienaangaande geeft, is absoluut. Het vordert zelfs dat de vreemdeling die in de poort is, de dag des Heeren zal eerbiedigen. Meet daar nu eens naar af het antirevolutionair beginsel en de praktijk van de antirevolutionairen in dezen. In het Voorlopig Verslag (…) werd dit jaar aangedrongen dat de bestaande Zondagswet door de regering gehandhaafd zou worden. Het antwoord dat dr. Colijn daarop (…) gaf, is wel zeer typerend voor het antirevolutionaire standpunt. Hij antwoordde namelijk dat de regering dat zou doen in geval uit een bepaalde streek of stad of dorp haar klachten over niet handhaving van de wet ter ore zouden komen. Dr. Colijn erkende dat de vigerende Zondagswet bij lange na niet door de regering gehandhaafd werd, maar stelde het al of niet doen naleven van die wet van de klachten van mensen afhankelijk. Wat houdt dit antwoord van dr. Colijn goed en wel beschouwd anders in dan dat met de verlangens van de mens meer gerekend wordt dan met Gods wet. Het toont nog eens temeer aan dat in het antirevolutionaire stelsel meermalen de wet Gods terzijde geschoven wordt voor de inzichten en verlangens van de mens.

Datzelfde antirevolutionaire gevoelen komt ook klaar uit in die verklaring van dr. Colijn waar hij betoogde dat wanneer zich op zondag publiek bij de spoorwegen voor vervoer aanmeldt, de spoorwegen zorg hebben te dragen dat het vervoerd wordt. Ook daar weer de behoeften en verlangens van het publiek gesteld boven Gods wet. Die behoeften van het publiek spelen daarbij zulk een overheersende rol dat onder dit ministerie, evenals onder de vorige coalitieregeringen, extra goedkope treinen naar allerlei tentoonstellingen, voetbalwedstrijden en soortgelijke gelegenheden op de zondag rijden. Dit heeft ten gevolge dat de regering zelf met haar reclamebiljetten propaganda voor zondagsontheiliging maakt. Zij doet toch niet minder dan met haar reclamebiljetten van de Staatsspoorwegen het volk aan te sporen om toch vooral de goedkope reisgelegenheden te benutten en helpt alzo Gods dag te ontheiligen en de eerbied voor Gods wet bij het volk omlaag te halen. Maar in weerwil van dit alles dient vooral in de dagen der verkiezing de Antirevolutionaire Partij zich bij het volk aan als een rechte handhaafster van Gods wet ter zake van Zijn dag, terwijl toch keer op keer de praktijk leert dat die wet aan de inzichten en verlangens van de mensen door de antirevolutionairen geredelijk ten offer gebracht wordt.”

Als het gaat over het aantal koopzondagen zullen alle SGP-raadsleden in de diverse gemeenteraden voor de nuloptie pleiten, althans dat nemen we wel aan. Maar als voorstellen in behandeling komen die het mogelijk maken of regelen dat een op zondag geopend recreatiepark, sportpark of zwembad wordt aangelegd, een op zondag geopend dorpshuis, conferentieoord of muziekcentrum wordt opgericht of dat een Chinees restaurant, kiosk of cafetaria die op zondag geopend is, zich vestigt, wordt dan ook consequent tegengestemd? Het vierde gebod is “absoluut”, zei ds. Zandt. We mogen dus de eis van het vierde gebod niet verlagen tot een eis waarover we naar eigen inzicht en goeddunken mogen onderhandelen. Laten we daarom alle voorstellen waarmee de zondagsrust en zondagsheiliging gemoeid is, toch consequent blijven afstemmen!

Onderwijs

Het derde verschilpunt dat ds. Zandt ter sprake bracht, betrof het onderwijs. Het SGP-standpunt was dat al het onderwijs aan de norm van Gods Woord dient te voldoen en dat het mede de taak van de overheid is om daarvoor zorg te dragen. Uit al het onderwijs dient geweerd te worden wat de eer des Heeren aanrandt. De antirevolutionairen dachten daar geheel anders over. Zij achtten het stelstel van geestelijke vrijheid mede op het onderwijs van toepassing. “Ook ten aanzien” van de school “zal blijken”, aldus ds. Zandt,

“hoe zeer de antirevolutionairen de door de vaderen beleden beginselen verloochend hebben en hoe zij de revolutionaire beginselen tot de hare gemaakt hebben. Het huidige systeem waarop de onderwijswetgeving rust, draagt wel overduidelijk een revolutionair karakter. Het huldigt het systeem van ‘elk wat wils’. Verlangen de ouders een confessionele school, de wet staat het toe, mits er een voldoende aantal kinderen is. Begeren atheïsten een school, de wet keurt het eveneens goed, mits slechts aan zekere wettelijke bepalingen evenals in het eerste geval voldaan is. Van dit systeem betonen de antirevolutionairen zich rechte bewonderaars en voorstanders. Zij verwerpen krachtens hun beginsel nadrukkelijk de school van onze vaderen. Zij hebben herhaaldelijk afgekeurd dat onze vaderen ten gevolge van overheids- en kerkelijke bepalingen vaststelden dat de jeugd in de vreze des Heeren diende opgevoed te worden en dat deze daartoe in de Heilige Schrift en de Heidelbergse Catechismus moest onderwezen worden. Zij geven aan het huidige systeem verre de voorkeur, daarmee het bewijs leverende hoe zeer hun beginselen door die van de Franse Revolutie doordrenkt zijn. Dat stelsel van ‘elk wat wils’, dat ten gevolge heeft dat een zeer groot deel van ons volk zonder enig onderwijs in Gods Woord opgroeit, heeft in geen geringe mate medegewerkt aan de ontkerstening van ons volk.”

Voorstanders van het stelstel van ‘elk wat wils’ - dat overigens bij consequente doorvoering naar het oordeel van ds. Zandt alleen al vanwege de hoge kosten onuitvoerbaar zal blijken te zijn - geven feitelijk “aan de inzichten en verlangens van de mensen de voorkeur (…) boven Gods wet en ordinanties”. Het valt te vrezen dat nogal wat SGP’ers dit niet meer onderschrijven of inzien. De term ‘vrijheid van onderwijs’ valt wel regelmatig in SGP-redes, maar dat al het onderwijs naar de norm van Gods Woord dient te zijn, wordt van SGP-zijde in raden, Staten en Kamers zelden nog voor het voetlicht gehaald, terwijl dit aspect toch de kern van het staatkundig gereformeerd onderwijsbeginsel uitmaakt. Het is zeer te wensen dat hierin - bovenal vanwege de ere Gods! - verandering wordt gebracht, opdat jong en oud in SGP-kring niet gaat of blijft denken dat ‘vrijheid van onderwijs’ in de huidige betekenis Bijbels is.

Volkenbond

De opstelling ten opzichte van de Volkenbond voerde ds. Zandt als vierde verschilpunt aan tussen ARP en SGP. Hij wees erop dat dr. Colijn in 1922 een verklaring had afgelegd waarin hij “niets meer of minder beweerd” had “dat wij ter verdediging van onze grenzen geen leger op de vroegere oude voet meer nodig zouden hebben, maar in de toekomst zouden kunnen volstaan met een apparaat voldoende om onze verplichtingen ten aanzien van de volkerengemeenschap, dat is de Volkenbond, na te komen.” Uit die verklaring bleek volgens ds. Zandt “welk een grote betekenis hij aan de Volkenbond toekende, ja er - praktisch beschouwd - zelfs groter vertrouwen in stelde dan in de besliste uitspraken van Christus, die zo stellig en zeker aankondigen: Gij zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen.” Dr. Colijn vertolkte hier tevens het standpunt van de ARP. “In het antirevolutionaire kamp heeft men zich voor die Bond geweldig beijverd en er zelfs bidstonden voor gehouden.” De opstelling van de SGP ten aanzien van de Volkenbond was echter een geheel andere. Ds. Zandt:

“Onder hoon en bespotting, zelfs onder de opmerking dat wij staatkundig-gereformeerden maar een ziekelijk soort Christenen zijn, hebben wij van de aanvang af als onze op Gods Woord gegronde overtuiging uitgesproken dat het met die bond op een volkomen bankroet uit zou lopen. Dit proces moest zich noodwendig alzo voltrekken, omdat de bond, waarin Gods Woord als grondslag contrabande was, onder de auspiciën van de Vrijmetselarij opgericht, de leringen van de Franse Revolutie tot zijn leidend beginsel had. Het failliet van de Volkenbond heeft zich nu wel volkomen voltrokken. Als een tweede toren van Babel is hij ineengestort, niets dan een ellendige verwoesting en verwarring onder de volken achterlatende. Ik breng dit in het midden, niet zo zeer om op de voorgrond te brengen, welk een kolossale misslag dr. Colijn met zijn verklaring van 1922 heeft begaan, als veel meer om aan te tonen in welke humanistische, ja, zelfs revolutionaire wateren de antirevolutionairen zijn afgedreven, wanneer zij zulke hoog gekoesterde verwachtingen van en zulk een sterke voorliefde voor de Volkenbond aan de dag leggen, zodat de vraag rijst en ook zeer gewettigd is, hoe toch iemand die bij de eenvoudigheid van Gods Woord wil leven, met hen gemeenschap of zelfs iets te doen wil hebben.”

De Volkenbond hield geen rekening met God en Zijn geboden en was geheel op volkssoevereiniteit gegrond. De menselijke rede was het leidend beginsel van deze bond, op grond waarvan men een wereld van vrede dacht te kunnen realiseren. Vanwege deze onbijbelse, God miskennende grondslag betoogden de eerste SGP-voormannen, ds. G.H. Kersten en ds. P. Zandt, dat er voor een Christenstaatsman in deze bond geen plaats was - een Christen hoorde daar niet! -, en pleitten zij er openlijk voor dat Nederland deze bond zou verlaten. Mede omdat de grondslag van de EU inhoudelijk niet anders noch beter is dan die van de Volkenbond heeft de Landelijke Stichting bij de laatstgehouden en voorgaande Europese verkiezingen er evenzo voor gepleit dat Nederland de EU verlaat. Maar jammer genoeg kiest telkens een meerderheid van de SGP-achterban voor de antirevolutionaire lijn van ‘meedoen’. Hiervan geldt dat dit een Bijbels onrealistische koers is. Immers, wie op de mens vertrouwt en vlees tot zijn arm stelt, kan niet anders dan daarmee bedrogen uitkomen (Jer. 17:5).

Niet op de grondslag van Gods Woord

Tijdens het op 20 juli 1938 in de raad van Delft gehouden debat over de feestweek en het lustrumspel van de Delftse studentenvereniging had de burgemeester - naar aanleiding van de door ds. Zandt geuite forse kritiek op zijn vergunningenbeleid en zijn beleid inzake de zondag - schamper opgemerkt: “Regeren is voor de heer Zandt gemakkelijk: hij spreekt zijn betoog uit, steekt zijn sigaar aan en gaat naar huis.” Tegen deze scheve en denigrerende voorstelling van zaken kwam ds. Zandt nu op:

“Ik ontken allerminst dat de tijden zwaar en moeilijk zijn om te regeren. Het is geenszins zoals de voorzitter het heeft believen voor te stellen in het bewuste debat van juli jl., waar hij gezegd heeft: ‘Regeren is voor de heer Zandt gemakkelijk: hij spreekt zijn betoog uit, steekt zijn sigaar aan en gaat naar huis’. Afgezien van het moedwillig bespottelijk maken van de verantwoordelijkheid van het lidmaatschap van de raad, afgezien van het persoonlijk krenkende dat er onbetwistbaar in die woorden van de voorzitter is gelegen (…), kom ik uit oorzaak van de waarheid tegen diens schampere woorden op. Het regeren is volgens de opvatting van de staatkundig-gereformeerden geen lichte, gemakkelijke zaak, is dit nooit en stellig niet in deze drukkende tijd. Nochtans mag dat ons niet beletten onze principiële bezwaren tegen het regeringsbeleid te uiten. En dan laten deze zich in hoofdzaak samenvatten in dit grote bezwaar dat de huidige regering niet op de grondslag van Gods Woord gebaseerd is. Dat is per slot van rekening de bron van alle ellende. ‘Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’. Het Woord des Heeren zal immer bewaarheid worden, namelijk dit woord: ‘Die Mij eren zal Ik eren’.”

Iedere volksvertegenwoordiger in raden, Staten en Kamers zal zich in de eerste plaats moeten afvragen: is het vigerende regeerbeleid gebaseerd op Gods Woord of niet? Als dat niet het geval is, dan zal al wat ondernomen wordt, uiteindelijk geen dageraad hebben. En als het beleid niet is naar het Woord, dan zal daarvoor met een goed geweten vanzelf ook geen regeringsverantwoordelijkheid gedragen kunnen worden. Van groot belang is dat een en ander in ’s lands vergaderzalen helder en bewogen kenbaar gemaakt wordt en op wederkeer aangedrongen wordt: O land, land, land hoor des HEEREN Woord! (Jer. 22:29). In het Europees Parlement blijkt dit door CU en SGP zelden of nooit te gebeuren, wat een extra reden vormt om bij de vijfjaarlijkse Europese verkiezingen niet te gaan stemmen.

In de aanloop naar de laatstgehouden Europese verkiezingen beweerde echter de een na de ander dat er toch zo getuigd werd in het Europees Parlement door CU en SGP. Sommigen waren dan ook verontwaardigd dat de Landelijke Stichting in haar advertentie ‘Stemmen of thuisblijven?’ schreef dat er van het terugroepen tot de Wet en tot de Getuigenis zo bitter weinig terechtkwam. Nu de verkiezingsrook inmiddels opgetrokken is, willen we eenieder die twijfelt aan de bewering van de Landelijke Stichting uitnodigen om alle redes die door de CU en de SGP in de afgelopen vijf jaar in het Europees Parlement gehouden zijn, eens na te lopen en er die redes uit te selecteren waarin concreet ervoor gepleit wordt dat Gods Woord en wet hét richtsnoer en dé censor behoren te zijn van het - op alle terreinen - te voeren beleid. Graag zouden wij die redes dan ontvangen. Helaas is het realistisch om te verwachten dat onze brieven- of e-mailbus (nagenoeg) leeg zal blijven!

Het SGP-beginsel

Als vijfde en laatste verschilpunt besprak ds. Zandt het beginsel van de SGP zoals dat verwoord is in het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. We laten ds. Zandt opnieuw zelf hierover aan het woord:

“Mijnheer de Voorzitter! Ik ga thans tot een nadere bespreking van het staatkundig gereformeerd beginsel over. Ik doe dit met alle vrijmoedigheid, omdat het een op en top Christelijk stelsel is. De voorzitter heeft wel niet zonder zekere hoon gezegd dat ik het staatkundig beginsel niet uiteen zou kunnen zetten of ik zou in de tweede zin al met mijzelf in tegenspraak komen en, zoals hij zei, deerlijk in de knoop geraken. Deze opmerking geeft er helaas maar al te zeer blijk van dat de voorzitter met de geschriften van onze gereformeerde voorvaderen waarin het staatkundig gereformeerd beginsel ontwikkeld is, niet al te best op de hoogte is, want anders zou hij deze opmerking zeker nooit gemaakt hebben. Ik heb voor mij liggen een werk van de bekende voorvechter van de Reformatie, Jean Taffin, onder meer handelend over de plichten van de overheid, waarin het huidige staatkundig gereformeerd beginsel, hetgeen dat der Reformatie is, wordt uiteengezet. Nu is dat werk wel bestreden, maar nooit is ervan gezegd dat het met zichzelf in tegenspraak is. Integendeel, al de bestrijders hebben erkend dat het een sluitend stelsel is waarin al de onderdelen logisch uit de ene grondgedachte volgen, die het geheel beheerst, namelijk uit deze dat Gods Woord en wet door overheid en onderdaan op alle terrein des levens dienen geëerbiedigd te worden.

Het staatkundig gereformeerde stelsel lijdt niet, zoals het antirevolutionaire, aan innerlijke tegenspraak. Het probeert niet, zoals het antirevolutionaire program, vuur en water tezamen te brengen en tot een te versmelten. Het heeft niet in zich, zoals het antirevolutionaire program, het door de oude Christenheid en de Reformatie bestreden gevoelen van de geestelijke vrijheid, zoals ter kwader uur door dr. Kuyper dat element in het antirevolutionaire program gebracht is. Dr. Kuyper heeft zich wel trachten te dekken met de bewering dat onze vaderen op het stuk van hun opvatting aangaande de overheid van de roomse zuurdesem niet vrij waren, maar wat behelst die bewering anders dan een pertinente onwaarheid, waar toch onze vaderen het pausdom als het rijk van de antichrist bestreden hebben? Hoe bij uitstek geschikt was zulk een bewering om handig en listig de waar die uit de winkel van de Franse Revolutie afkomstig is, onopgemerkt op het gereformeerde erf binnen te smokkelen.

De leer der Reformatie inzake de roeping van de overheid, waarbij zich de staatkundig-gereformeerden aansluiten, laat zich door het Schriftuurlijke beginsel leiden dat dit de eerste en de voornaamste plicht van de overheid is om ‘de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt.’ Uit deze grondgedachte, waarbij onze gereformeerde vaderen Gods Woord als de allesbeheersende wet voor overheid en onderdaan voorop gesteld hebben, is heel hun stelsel als een schoon geordend geheel opgebouwd. Mr. Th. Heemskerk [ARP], die ons ook wel in de Kamer bestreden heeft, heeft nimmer beweerd dat er in ons beginsel enige tegenspraak verscholen lag en ook niet gezegd, zoals dat een geliefd stokpaardje van de voorzitter is, dat het nooit uiteen is gezet. Mr. Heemskerk wist wel beter en kende de opvatting van de Reformatie op het stuk van de overheid. (…)

Ik erken dat onze regering onder moeilijke omstandigheden het bewind voert, maar tienmaal zo moeilijk waren nog de omstandigheden waaronder het de gereformeerde vaderen gelukt is om tegen twee overmachtige vijanden, met name de inquisitie van rome en de geweldige macht van Spanje, hun beginsel te doen zegevieren en het gereformeerde beginsel in toepassing te brengen. En toen dat beginsel in de praktijk zijn levensvatbaarheid moest bewijzen, is dat niet op een mislukking uitgelopen. Nee, het is juist het gereformeerde beginsel van de vaderen geweest dat onze republiek tot een ongemeen hoge bloei heeft gebracht. En juist toen naar dat beginsel door de overheid werd geregeerd, heeft Nederland zijn Gouden Eeuw beleefd. En al naar mate dat beginsel in kracht afnam, zonk ook Nederland steeds dieper en dieper van de hoogte af waarop het eenmaal had gestaan. Voor dat beginsel, dat heus wel bekend is en dat in tegenstelling met het antirevolutionaire beginsel uitvoerbaar is, wensen wij de strijd te voeren. Het beginsel is het ten volle waard. Het is ons volk tot ongemene zegen geweest en het kan dit ook in onze tijd nog zijn, hoe zeer het ook door velen tegengestaan en veracht moge worden. Dit beginsel, hetwelk ik thans in hoofdtrekken uiteengezet heb, is het waard dat het voorgestaan wordt, dat er offers voor gebracht worden en dat er smaad en hoon, laster en verdachtmaking om geleden worden. (…)

Ten slotte nog een korte opmerking aangaande het verwijt dat er nog geen afzonderlijke nadere uiteenzetting van het staatkundig gereformeerde beginsel is verschenen. Gelet op de eminente voorlichting die onze vaderen op dit gebied hebben gegeven, gezien het vele dat dienaangaande in allerlei drukwerk en ook in ‘De Banier’ is geschreven, aanmerkende de vele redevoeringen in de Tweede Kamer en in andere colleges welke ter uiteenzetting van het beginsel zijn gehouden, hetwelk alles tezamen genomen reeds ettelijke boeken zou vullen, is het niet moeilijk zulk een uiteenzetting te geven. Maar de tijd ontbreekt daartoe. Men is vaak bij dag en nacht bezet met allerlei werkzaamheden van nog dringender aard. Zowel ds. Kersten als ik werken meermalen tot midden in de nacht, zelfs tot in de morgen. Het was vanmorgen zes uur voor ik naar bed ging. Daarom is dit verwijt ook onbillijk en ongegrond. Ik heb naar de mate van de kracht die God mij heeft gegeven, mijn beginsel telkens voorgedragen en uiteengezet en hoewel ik mijzelf geen brevet wens uit te reiken, gevoel ik mij in mijn geweten op dit punt vrij.”

In zijn reactie op dit betoog van ds. Zandt zei burgemeester Van Baren onder andere dat “dit is de hoofdzaak welke de heer Zandt en hem verdeeld houdt, namelijk de vrijheid van godsdienstige belijdenis, welke wordt erkend door de antirevolutionairen en door bijna het gehele Nederlandse volk, maar wordt bestreden door de heer Zandt.” Dit was juist opgemerkt. Maar niet juist was dat de burgemeester uit het feit dat ds. Zandt gezegd had dat hij de “geestelijke vrijheid” veroordeelde, de conclusie trok dat ds. Zandt “geestelijke dwang” voorstond. Daarbij merkte de burgemeester tevens op dat de ervaring had geleerd “dat het altijd slecht afloopt als de overheid ingrijpt in geestelijke dingen.” 7 Op deze kritiek reageerde ds. Zandt in zijn nog diezelfde avond uitgesproken repliekrede.

Naar aanleiding van de opmerking van de burgemeester “dat de overheid, als zij het voor de kerk opneemt, altijd verkeerd doet”, stelde ds. Zandt:

“In de aloude belijdenis wordt daarover in juist tegenovergestelde zin gesproken. Daarin worden de vorsten die het voor Gods kerk opnamen, geprezen. Maar hier ontwaart men bij de voorzitter weer het neogereformeerde standpunt, het neerhalen van de opvattingen van de vaderen, die precies het tegenovergestelde hebben geleerd, namelijk dat de overheid geroepen is de hand te houden aan de heilige kerkendienst. Dat is een enorm verschil in opvatting tussen de gereformeerde vaderen en de antirevolutionairen.”

En met betrekking tot het verwijt “geestelijke dwang” te willen uitoefenen, zei ds. Zandt:

“De voorzitter heeft betoogd dat de staatkundiggereformeerden dan dwang zullen gaan uitoefenen. Ik ontken echter dat zij het roomse standpunt huldigen: ‘dwingt ze om in te gaan’. (…) De staatkundig-gereformeerden huldigen het standpunt dat de overheid geroepen is naar Gods Woord het volk te regeren en in die geest wetten te ontwerpen.

Daarbij heeft de praktijk geleerd dat de gereformeerden oudtijds de consciëntievrijheid altijd hebben geëerbiedigd. (…) De gereformeerde vaderen hebben zich afkerig getoond van ketterjacht en van inquisitiemaatregelen, huldigende de vrijheid van het geweten. (…) Zij hebben de inquisitie ten sterkste veroordeeld en, overeenkomstig artikel 36 van de aloude gereformeerde belijdenis levende, de rechten en vrijheden van de burgers gewaarborgd, al hebben zij het beginsel van de geestelijke vrijheid nadrukkelijk verworpen.” 8

Het verwijt dat de SGP met het handhaven van de zinsnede: ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen’, geloofsdwang en het doden van andersdenkenden zou voorstaan, is een oud verwijt, dat al vaak weerlegd is. Artikel 36 spreekt echter over zaken, niet over personen. Zo dient de overheid wel te verbieden dat ongeloofspropaganda, valse religie en antichristelijke ideologieën in het openbare leven tot uiting komen, maar zij behoort andersdenkenden enkel om hun geloof niet gevangen te zetten en hen zeker niet te doden, dan alleen bij hoge uitzondering als zij kerk en staat op gruwzame, hardnekkige wijze blijven verstoren. 9

Ten besluite

Steeds hamerde ds. Zandt erop dat Gods Woord en wet tot hét richtsnoer en dé censor verheven dienden te worden van het regeerbeleid. Dit dient niet minder hét uitgangspunt en hét criterium te blijven voor alle door SGP’ers bedreven politiek in raden, Staten en Kamers en niet wat haalbaar is. “Hier in de raad”, zei ds. Zandt in Delft, “wordt een compromispolitiek gevoerd, waarbij beurtelings de een of andere partij - die der roomsen het meest - welvaart. Tegen deze politiek kom ik nadrukkelijk op. Zij moet veroordeeld worden, omdat Gods Woord haar veroordeelt. Dat Woord behoorde tot grondslag te liggen voor het gemeentebestuur.” 10 Feitelijk keerde hij zich daarom tevens tegen collegevorming met niet- Christelijke partijen. 11 Hij wenste Gods geboden hoog te houden. Hij voelde goed aan dat over de eisen van Gods geboden niet onderhandeld kon noch mocht worden, dat ten aanzien van Gods geboden geen compromis met de tijdgeest gesloten mocht worden. Helaas denken veel SGP’ers daar tegenwoordig anders over. Ter waarschuwing daarom ten slotte nog een in dit verband veelzeggend citaat van ds. Zandt over de betekenis van de naam ‘staatkundig gereformeerd’:

“Met de naam ‘staatkundig gereformeerd’ toch wordt beleden dat een staatkundig-gereformeerde zich onvoorwaardelijk aan de eenmaal uitgesproken belijdenis van de Reformatie wenst te houden en deswege de soevereiniteit Gods op elk terrein van het leven zonder enig beding of voorwaarde geëerbiedigd wil hebben. Daarbij valt niet te marchanderen, te knoeien en te konkelen, geen koehandel te drijven.” 12


Noten:

1) ‘Belangrijke rede van ds. Zandt’, in: De Banier, 20 januari 1939, p. 3 en 4 (herspeld). Zie ook: Handelingen gemeenteraad Delft, 21 december 1938, p. 139-153

2) Zie: ‘Ds. P. Zandt in debat over de overheidstaak in de raad van Delft -1- ’, in: In het spoor, februarinummer 2014, p. 3-12

3) Foto P. Odijk, Archief Delft, collectie Beeld en Geluid, nr. 65443

4) ‘Dr. Kluveld: SGP onduidelijk over godsdienstvrijheid’, in: RD, 24 mei 2014. Recent heeft hij zich wel iets concreter hierover uitgelaten, maar het blijft nog steeds vaag wat hij precies bedoelt. Zie: ‘Wij zijn niet veranderd’, in: RD, 21 juni 2014

5) E. van Vlastuin, ‘EU moet controleren op godsdienstvrijheid’, in: RD, 18 december 2012. Zie ook: K. de Groot en E. van Vlastuin, ‘CU-SGP met geuzentitel in Europa’, in: RD, 21 mei 2014

6) Foto H. Behrens (Anefo), Nationaal Archief, CC-BY-SA, http://proxy.handle.net/10648/a9a93632-d0b4-102dbcf8-003048976d84

7) Handelingen gemeenteraad Delft, 21 december 1938, p. 149-151 (herspeld)

8) Handelingen gemeenteraad Delft, 21 december 1938, p. 152-153 (herspeld)

9) Toelichting op het Program van Beginselen van de Staatkundig Gereformeerde Partij, ’s-Gravenhage 2003, p. 27

10) Handelingen gemeenteraad Delft, 22 december 1937, p. 167 (herspeld)

11) Handelingen gemeenteraad Delft, 6 december 1939, p. 122

12) P. Zandt, Uiteenzetting van de artikelen van het Beginselprogram der Staatkundig Gereformeerde Partij, dl. 2, ’s-Gravenhage 1965, p. 8-9 (herspeld)

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 2014

In het spoor | 56 Pagina's

Ds. P. Zandt in Debat Over de Overheidstaak in de Raad van Delft -2-

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 2014

In het spoor | 56 Pagina's