Meditatie
Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. Hoséa 6:1-2
Deze woorden zijn genomen uit de profetie van Hoséa. Zijn naam betekent: ‘God geeft heil’. Hij was de zoon van Beéri en profeteerde van zevenhonderdzestig voor Christus tot zevenhonderdvijftien voor Christus onder het Tienstammenrijk, ook wel Efraïm genoemd. De koningen van Israël onder wie hij profeteerde, waren voornamelijk Jeróbeam II en zijn eigen naamgenoot Hoséa. Tijdgenoten van hem die ook voornamelijk onder het Tienstammenrijk profeteerden, waren de profeten Amos en Jona en onder het Tweestammenrijk Jesaja en Micha.
Wat was de inhoud van de profetie die Hoséa tot dat Tienstammenrijk heeft moeten profeteren? Hij heeft de Godsgerichten en oordelen over dat Tienstammenrijk moeten aankondigen. Want men diende de Baäl en men liep de kalverdienst na. Ook was het een tijd waarin de ontaarding van de priesters des Heeren in een ruime mate te vinden was. Maar Hoséa heeft niet alleen de oordelen en gerichten moeten aankondigen, hij heeft ook aan een diep schuldig en zondig volk mogen verkondigen de eenzijdige en soevereine liefde des Heeren tegenover een ontrouw en een afhoererend volk.
Hoséa heeft de volvoering van Gods oordelen meegemaakt, namelijk de val van Samaría, de hoofdstad van het Tienstammenrijk, en de wegvoering van het grootste deel van het Tienstammenrijk onder koning Hoséa naar Assyrië. Het volk had vertrouwd op het noorden, namelijk op de goede wil van Assyrië, en gesteund op het zuiden, namelijk op Egypte. Israël had door geschenken Assyrië van een vijand tot een vriend willen maken, maar de Heere had daarover laten verkondigen: Als Efraïm zijn krankheid zag en Juda zijn gezwel, zo toog Efraïm tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen (Hos. 5:13). En van Egypte had de Heere gezegd dat de koning van Egypte was als een rietstaf die de hand van het Tienstammenrijk zou doorboren. Israël had dus bondgenoten gezocht om de oordelen Gods over hun zonden af te wenden en op hen vertrouwd. Wij leven in een tijd waarin men ook bondgenoten zoekt. Waar zetten wij als land en volk ons vertrouwen op in de dagen waarin wij leven? Wat kan er een vertrouwen gesteld worden op een Europese Unie, en breidt u het zelf maar verder uit. En waar stellen wij allen van nature van Adamswege ons vertrouwen op? Als gevallen mens zoeken wij altijd maar weer vlees tot onze arm te stellen om het buiten en zonder God uit te houden en rust te vinden in alles buiten de enige en de waarachtige God.
Onder de dreigende oordelen had het volk geprobeerd om verzoening aan te brengen. Men had offeranden gebracht en gemeend door die offeranden de Heere tevreden te stellen, maar de Heere zegt in Hoséa 5 vers 6: Met hun schapen en met hun runderen zullen zij dan gaan om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken. Wat was de oorzaak? Het was niet alleen een tijd waarin men van de Heere afweek, maar ook een tijd waarin men het zocht in zijn eigenwillige godsdienst. Men wilde de Heere wel offers brengen, maar het hart van het volk van Israël werd in de dienst der offeranden niet gevonden. Zou het niet een oordeel in het oordeel zijn, ook in de dagen waarin wij leven, dat er wel een vormendienst is en dat er wel godsdienstigheid is en dat in overvloed, maar dat het hart erin gemist wordt? De Heere ziet het hart aan. O, dat we verwaardigd zouden mogen worden om in oprechtheid voor Hem in het stof te mogen bukken en buigen. Want alleen dat offer zal Hem welbehaaglijk zijn. De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten (Ps. 51:19). Hij zal hen niet verachten in dat enige, dat volkomen offerwerk van de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen, waarin de Heere nog met Adamskinderen gemeenschap kan oefenen.
De Heere zou vanwege de zonden van Israël en Juda met Zijn oordelen komen. De Heere zegt: …Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en het huis van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn (Hos. 5:14). En daarna, als de wegvoering in ballingschap een feit zou zijn, zal Ik, zo zegt de Heere, heengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken (Hos. 5:15). ‘Totdat’ is een woordje van grote waarde en van een allesbeslissende betekenis, persoonlijk, kerkelijk, maatschappelijk, maar ook ziende op Gods oordelen en gerichten wereldwijd. Totdat zij zichzelven schuldig kennen, daar wacht het op in uw en in mijn leven. Welk een wonder is het, wanneer de Heere in het uur van Zijn welbehagen door wederbarende genade een mens zich doet schuldig kennen tegenover Zijn vlekkeloze Majesteit. Wanneer Hij hem de spiegel van Gods Wet voor ogen stelt, wanneer Hij een mens met schuld in zijn leven komt te zegenen, zoals wijlen ds. Joh. van der Poel dat wel uitdrukte. We kunnen de schuld wel buiten ons zoeken, wereldwijd, in ’s landsvergaderingen, bij onze buurman, maar dan zoeken we het te ver weg. In ons hart ligt de schuld. Wanneer dan een mens - door Gods Geest gewerkt, want het is geen werk van een mens, maar van God - oprecht schuldenaar mag worden voor God, dan wordt schuld werkelijk schuld. Dan is het niet meer een bespreken of beredeneren van de schuld, maar dan wordt de schuld beleefd, ingeleefd. Dan wordt de schuld betreurd, beweend en ook overgenomen. Dan komt er een aanvaarden van de straf en een billijken van God in Zijn heilig recht. Maar dan zal zo’n mens ook die schuldvergevende genade bij God vandaan in zijn leven leren kennen.
Zich schuldig kennen, dat is niet eenmaal in ons leven nodig, maar telkens, daar wij dagelijks onze schuld met schuld vermeerderen. Het is telkens nodig om bij vernieuwing weer in de schuld gebracht en geplaatst te worden. Maar hoedanig is nu mijn leven en hoedanig is nu uw leven? De Heere geve dat we daarmee in het verborgen zouden komen. De Heere geve dat het voor het eerst of bij vernieuwing waarheid in ons hart mocht worden, wat we van Hoséa hebben aangehaald: Totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken. Zij die door God in de schuld worden gezet, gaan Gods aangezicht zoeken. Zij krijgen door wederbarende genade een betrekking op de onbekende God en worden dan uitgedreven om Zijn aangezicht te zoeken, al gevoelen zij dat zij voor Zijn aangezicht, voor de glans van Zijn volmaakte deugden, voor Zijn heiligheid, majesteit en rechtvaardigheid, in het geheel niet kunnen bestaan. Toch trekt een door schuld verslagen mens op God aan: als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken (Hos. 5:15b).
Welnu, tot zo’n schuldig volk komen de woorden van onze tekst: Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden (Hos. 6:1).
‘Komt’ is een woordje van aansporing en opwekking. Komt, zegt Hoséa, vertrouw niet meer op het noorden, steun niet meer op het zuiden, maar laat ons wederkeren tot den HEERE. Die naam HEERE met allemaal hoofdletters had voor Israël zulk een grote betekenis. Had Hij Zich in het leven van Israël niet geopenbaard als de IK ZAL ZIJN DIE IK ZIJN ZAL, als de getrouwe Verbondsgod? Met het volk van Israël was Hij in een uitwendige verbondsbetrekking getreden en onder hen had Hij er ook in wie Hij inwendig - door het inwendige werk van de Heilige Geest - het verbond der genade had opgericht. Het volk van Israël had echter de HEERE, Die in alles getrouw was, de rug toegekeerd. Zij hadden Hem verlaten. Daarom roept Hoséa hen toe: Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE. En vervolgens voegt Hoséa hieraan toe: want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. Het land was als verscheurd, als vernield en verbroken vanwege de oordelen des Heeren. Verscheuren is het werk van een leeuw. Daarin zien we dat de toorn van de HEERE over Zijn volk Israël vreselijk is geweest. Zij hadden zich losgescheurd van Hem en alle roepstemmen om weder te keren in de wind geslagen. Daarom was het geheel rechtvaardig dat Hij Zijn oordelen en straffen over hen had laten komen, dat Hij het land verscheurd, verwoest en geslagen had. Met als doel: opdat men zou wederkeren tot Hem!
Ook wij allen persoonlijk hebben ons in Adam van de levende God losgescheurd en leven van nature buiten en zonder God. Zijn uw ogen door wederbarende genade daarvoor al opengegaan? Spreek toch niet aanstonds over grote zaken, maar onderzoek uzelf toch eens of u die God in uw leven hebt leren kennen in Zijn rechtvaardige oordelen over de zonden? Of u Hem hebt leren kennen Die als een leeuw komt te verscheuren? Want Hij verscheurt het slot des harten in het uur van Gods welbehagen door wederbarende genade. Hoe gaat nu zulk een over de wereld? Met een verscheurd hart. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade (Joël 2:13). Zijn er nog onder onze lezers die zulk een verscheurd hart hebben vanwege hun zonden en schuld? Die innerlijk verwond over de wereld gaan? Die uitroepen: ‘Mijn zonden, mijn zonden, ik kan voor God niet bestaan’? Maar weet u wat Hoséa nu tot dezulken die dat in waarheid in hun leven leren uitroepen, zeggen mag? Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen. De Heere zal dezulken wier hart Hij in zaligmakende zin gescheurd heeft, geenszins laten omkomen.
Maar waar hebben dezulken nu de genezing gezocht voor hun ziel? Ze hebben genezing gezocht bij Assyrië en bij Egypte. Wanneer schuld tot schuld en zonde tot zonde wordt, dan gaat men genezing zoeken in de werkheiligheid van zijn bestaan, maar dat is een genezing zoeken buiten God en buiten het werk van de Middelaar om. Wat heeft die bloedvloeiende vrouw twaalf jaar genezing gezocht buiten die geheel enige Geneesmeester om. Van haar lezen wij: Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren en raakte Zijn kleed aan (Mark. 5:27). Ze zal waarschijnlijk wel meer van Jezus gehoord hebben tijdens Zijn omwandeling op aarde. Maar: Deze van Jezus horende, dat betekent dat ze er een oor voor gekregen heeft in zaligmakende zin. Hij zal ons genezen. Wie wil Hij nu genezen? Hij wil schuldigen, gebrokenen, genezen, zoals er staat in Psalm 147 vers 2 berijmd:
Hij heelt gebrokenen van harte,
En Hij verbindt z’ in hunne smarte,
Die, in hun zonden en ellenden,
Tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. Geslagen met Zijn oordelen, geslagen met Zijn straffen om ons aan onze afkeringen te ontdekken. Geslagen ook in zaligmakende zin om een ziel aan zijn dodelijke kwaal te ontdekken. Als de Heere in het uur van de wedergeboorte zonde tot zonde doet worden, dan zal die ziel trachten om naar Gods Wet te gaan leven en naar Gods wil te gaan vragen. Dan is het: ‘Heere, heb geduld en ik zal U alles betalen.’ Maar door een voortgaande ontdekkende genade zal hij juist meer en meer die dodelijke kwaal in zijn hart in gaan leven. Die dodelijke kwaal zal meer en meer opengelegd worden. Zijn gerechtigheden worden een wegwerpelijk kleed. Hij houdt niets over dan zonde en schuld. Maar wat een eeuwig wonder voor zulk een schuldig volk in zichzelf, voor hen die zich de eeuwige dood waardig gemaakt hebben, voor wie het eeuwig rechtvaardig zou zijn als de Heere zou doortrekken in Zijn oordelen en in Zijn gerichten, dat Hij nu die geheel enige Geneesmeester is. Hij Die Zichzelf zo diep heeft willen vernederen dat Hij een Dienstknecht heeft willen worden en voor Zijn volk heeft willen lijden en sterven, Hij zal hen genezen. Op Hem is de breuk van Zijn volk gekomen. Het zwaard van de wrekende gerechtigheid Gods is tegen de Man Die Gods Metgezel is, uitgegaan. Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden (Zach. 13:7). Ook de apostel Petrus getuigt: Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij de zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt (1 Petr. 2:24).
Wat is het toch noodzakelijk dat het oog voor Hem ontsloten mag worden! Dat de weg der zaligheid in Hem mag worden aangewezen; dat de zaligheid in Hem te vinden is. Maar ook om die Persoon des Middelaars Zelf te leren kennen. Hij Die als dat ware Tarwegraan verbrijzeld is geworden, Die Zichzelf volkomen heeft opgeofferd voor Zijn volk. Van Hem lezen we: Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht (Jes. 53:3). En: het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes. 53:10). O geliefden, als er toch deze Jezus niet was, als er toch deze Zaligmaker niet was, dan was het een verloren zaak. In dat enige Offerlam ligt alles voor een schuldig volk. Ziet hoe Hij geslagen is: De versmaadheid heeft Mijn hart gebroken en Ik ben zeer zwak; en Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden (Ps. 69:21). Hij is gescheurd, opdat Hij een gescheurde ziel genezen zal. Hij is geslagen, opdat Hij een verwonde ziel zou verbinden. Hij moest getuigen: Al Mijn beenderen zou Ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op Mij (Ps. 22:18). De Herder is geslagen geworden, opdat Zijn verstrooide schapen weer bijeengebracht zouden worden.
In het tweede vers van ons teksthoofdstuk lezen we: Hij zal ons na twee dagen levend maken. Wat wordt daarmee bedoeld? We hebben gezien dat het Tienstammenrijk door de Assyriërs zou worden weggevoerd. Zo’n 150 jaar later zou het Tweestammenrijk volgen. Niet naar Assyrië, maar naar Babel. Na lange tijd in ballingschap te hebben geleefd, zou de Heere het zo besturen dat het Joodse volk onder Kores de Perziaan toch weer de vrijheid zou krijgen om naar het Joodse land terug te keren. Een gedeelte van het volk is later onder Gods voorzienig bestel ook daadwerkelijk terug mogen keren. Welnu, door die twee dagen wordt de lange tijd van ballingschap voorgesteld, terwijl de terugkeer van het volk onder Gods voorzienig bestel voorgesteld wordt als een levendmaking door de Heere. Hadden de vijanden de uitroeiing van het Joodse volk op het oog (denkt u maar aan Haman), de Heere zou hen niet om laten komen, maar op Zijn tijd weer uit hun gevangenis verlossen. Ze zouden als uit de dood weer levend worden.
In geestelijke zin ziet dit ook op de verlossing in Christus. Die verlossing is geen mensenwerk, maar een Goddelijk werk. Die verlossing vloeit voort vanuit Gods eeuwig welbehagen, want er komt in het werk der zaligheid geen nagelschrapsel van een mens bij. Daar staat niet: Wij zullen ons na twee dagen levend maken, maar Hij, de Heere, zal ons na twee dagen levend maken. Wij allen liggen van Adamswege in het graf der zonde verklaard, wij zijn aan het oordeel van een drievoudige dood onderworpen. Zo heeft de Heere de mens niet geschapen. Nee, de Heere schiep de mens in de staat der rechtheid goed en oprecht, om eeuwig voor Hem te leven, om Hem te loven en te prijzen, om Hem in dat drievoudige ambt van profeet, priester en koning te verheerlijken. Maar in de diepte van onze val zijn we de tijdelijke dood onderworpen geworden, liggen we in de geestelijke dood en wacht ons de eeuwige dood, tenzij genade tussenbeide komt. De Heere nu verlost Zijn kinderen uit die vreselijke doodstaat. Hij maakt hen levend. Hij zal ons na twee dagen levend maken, zegt onze tekst. Dat heeft betrekking op dat geestelijke Israël. Dat heeft betrekking op het volk van Zijn eeuwige keus, waar Hij in Zichzelf bewogen zijnde, een Kerk tot de zaligheid heeft uitverkoren. Die Kerk is in Christus uitverkoren. Want ook van dat geestelijk Israël is er niemand van nature die naar God zijn Schepper vraagt en naar God zoekt. O, was de Heere krachtens die Goddelijke verkiezing, krachtens die soevereiniteit des Heeren, niet de Eerste geweest, dan zou er niemand tot de zaligheid hebben kunnen komen en gekomen zijn.
Maar legt er nu uw eigen hart eens naast. Zijn wij al van dood levend gemaakt? Heeft de Heere ons al vanuit die geestelijke staat van ballingschap teruggebracht? Is dat werk van wederbarende genade in ons leven al verheerlijkt waarvan in Ezechiël 16 vers 6 gesproken wordt? Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef. Met niets minder kunnen wij het in ons leven doen. We moeten levend gemaakt worden. We moeten wederom geboren worden. We leven in dagen waarin men hoort: ‘Een mens moet pleiten, een mens moet de belofte aannemen, die als sneeuwvlokken naar de aarde komen dwarrelen.’ Maar elke belofte heeft een adreskaartje. En dat pleiten, zo heeft ds. G.H. Kersten duidelijk verwoord, dat is een geloofswerk. Daar is geen mens die rechten heeft. Wat zou het een wonder zijn wanneer we in deze ogenblikken er eens achter zouden komen dat we geen rechten meer hebben, dat we rechteloos zijn en het in de beleving ook werden. We komen zoveel rechteloze mensen niet meer tegen, nee, wel rechthebbende en rechtbezittende mensen in zichzelf. Maar we moeten rechteloos gemaakt worden. En dan houdt de mens maar één recht in het leven over. Ja, wie het vat, die vatte het. Daar is een volk dat gaat inleven dat ze maar één recht overhouden, namelijk dat ze rechtvaardig eeuwig buiten God en zonder God moeten wegsterven in een stikdonkere nacht. Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, HEER’; Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten (Ps. 119:69 berijmd). Maar juist voor hen is er Eén gekomen. Die eeuwige Zoon van de Vader, Die dierbare Verbondsmiddelaar, Die met de Vader en met de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is, Die geen meerdere eer en geen meerdere heerlijkheid van node had, heeft Zichzelf gegeven. Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands (Ps. 40:8-9). Hij nam vlees en bloed aan. En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises (Filipp. 2:8). Hij heeft een eeuwige gerechtigheid aangebracht. Maar weet u wat Gods kind nodig krijgt? Niet alleen een aangebrachte gerechtigheid, maar Gods kind krijgt ook een toegepaste gerechtigheid in het leven nodig. En dat in een weg waarin de ongerechtigheid van zijn bestaan ten volle wordt opengelegd. Maar: Hij zal hen na twee dagen levend maken, zegt onze tekst. In Christus.
Christus is voor Zijn volk de dood ingegaan. Als die volmaakte Hogepriester heeft Hij Zijn eigen bloed gestort toen Hij tussen hemel en aarde hing. Die grote Hogepriester heeft met één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd zijn. Hij heeft Zijn ziel uitgestort in de dood. Hij is de dood ingegaan, op vrijdag begraven, op zaterdag in het graf, maar op de derde dag weer verrezen. Daar hebt u de zaak: Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen. Is Christus het graf ingegaan, ook Gods kind zal één plant met Hem worden om met Jezus te sterven, om met Hem begraven te worden, maar ook om met Hem opgewekt te worden tot een nieuw leven. Door Zijn opwekking kunnen geestelijk dode zondaren levend gemaakt worden. Op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen. Als de macht der hel dacht te triomferen en het graf verzegeld was, werd Hij op de derde dag door de Vader opgewekt uit de dood en stond Hij ook door Zijn eigen kracht op. Door Zijn opstanding heeft Hij de dood overwonnen om Zijn volk het leven te geven. Gods volk gaat een stervend leven leren kennen.
Gods volk wordt in de wedergeboorte in Adam afgesneden en in Christus ingelijfd. Maar heeft zo’n ziel daar weet van? Heeft zo’n ziel daar dan al kennis aan? Nee, zij staan er voor zichzelf toch o zo ver buiten. Ze worden zelfs afgesneden van hun werken, opdat hun het leven buiten de mens in Christus aangewezen zal worden. Ze worden in een nadere gang afgesneden van leven en werken. Ze kunnen weliswaar veel in een lijdende Middelaar gezien hebben, daar kan een gestorven Jezus mijn ziel onuitsprekelijk lief en dierbaar zijn geworden, maar Gods Kerk moet gaan sterven. Om nu als een des doods schuldige in die stonde van het gericht, waarin de ziel niet meer vecht, maar billijkt het zondeloon, toch de vrijspraak te mogen ontvangen. Ja, die tussentredende Verbondsmiddelaar, Die voor zo’n ziel tussentreedt bij de Vader, eist dan op grond van Zijn verdiensten de vrijspraak voor een uitgewerkte ziel die de eeuwige dood verdiend heeft. Dan mogen zij delen in het leven dat Hij heeft aangebracht. En hoe meer er in Hem ontsloten wordt als Die blank en rood is en de banier boven tienduizend draagt, hoe meer de Kerk gaat ervaren dat die kennis niet uit te spreken is, maar alleen te bewonderen. O, de Heere doe ons voor eigen hart en leven daarin delen om Zijns Naams wil.
Heeft dan, o HEER’, Uw gramschap nimmer end?
Zal z’ eind’lijk niet eens worden afgewend?
Of zal Uw toorn ook op ons nakroost woên?
Zult G’ uit den dood ons niet herleven doen,
Opdat Uw volk zich weer in U verblij’?
Dat toch, o HEER’, Uw goedheid ons bevrij’;
Geef ons Uw heil, en red door Uwe hand,
Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland.
(Ps. 85:2 berijmd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014
In het spoor | 76 Pagina's