Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bijbelse Vluchtelingenpolitiek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bijbelse Vluchtelingenpolitiek

31 minuten leestijd

De titel geeft duidelijk aan waar we het over willen hebben: over Bijbelse vluchtelingenpolitiek. 1 Dus niet over de Europese of de Nederlandse vluchtelingenpolitiek. Ook niet over de bestaande wetgeving op dit punt noch over de bestaande praktijk, maar specifiek alleen over de Bijbelse visie hoe we met vluchtelingen hebben om te gaan.

Dit is een bewuste afbakening, waar een principiële beslissing achter zit. Namelijk deze dat we in het leven coram Deo (voor Gods aangezicht) niet in de eerste plaats moeten uitgaan van de bestaande theorie en praktijk - dat zou pragmatisme zijn -, maar van de Bijbelse beginselen of principes. En vandaaruit de wetgeving in ons land moeten inrichten en moeten handelen in de praktijk. In de Reformatie is ons weer geleerd: sola Scripura (alleen de Schrift). Dat betekent dat de Schrift de enige norm en het enige richtsnoer dient te zijn voor ons handelen.

Verder wil ik voor de duidelijkheid vooraf nog deze opmerking maken: ik ben geen politicus, al heeft de politiek wel mijn interesse, omdat het ons uiteindelijk allen aangaat en raakt. Het is de taak van politici om zich sterk te maken voor de Bijbelse uitgangspunten en om die te verankeren in wetgeving en overheidsbeleid.

Als het gaat over een Bijbelse vluchtelingenpolitiek wil ik drie dingen doen, te weten:

1. De officiële visie van de SGP op vluchtelingen in korte lijnen weergeven;

2. De Bijbelse visie op vluchtelingen weergeven;

3. Een aanbeveling geven tot een Bijbels-theocratische aanscherping van de SGP-visie.

1. De officiële SGP-visie op vluchtelingen

De officiële visie van de SGP op vluchtelingen is in de eerste plaats terug te vinden in het Beginselprogramma van de SGP. Maar daarnaast ook in de Toelichting daarop en in het meest recente Verkiezingsprogramma 2017-2021 van de SGP, getiteld: Stem voor het leven.

In het SGP-Beginselprogramma

Artikel 30 van het Beginselprogramma gaat over vluchtelingenpolitiek. In de laatste versie - die op 26 februari 2000 vastgesteld is door de Algemene Vergadering van de SGP en ondertekend door de toenmalige voorzitter ds. D.J. Budding en secretaris A. de Boer - luidt dit artikel als volgt:

Overeenkomstig de Bijbelse eis behoort de overheid allereerst een plaats te bieden aan hen die om hun Christelijk geloof vervolgd worden en vanwege lijfsbehoud hun land van herkomst moesten verlaten.

Op grond van de traditie van ons land dient de overheid een ruimhartig beleid te voeren ten aanzien van werkelijke noodgevallen.

In alle andere gevallen moet de overheid, gelet op de beperkingen van een klein en dichtbevolkt land, een terughoudend toelatingsbeleid voeren.

Dat Christenvluchtelingen voorkeur verdienen, lijkt me voluit Bijbels gerechtvaardigd. Wij behoren goed te doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs (Gal. 6:10). Dat we echter op grond van de traditie van ons land een ruimhartig beleid voeren ten aanzien van noodgevallen, lijkt me in die zin verkeerd gesteld dat we in de eerste plaats op grond van de Bijbel een ruimhartig beleid moeten voeren ten aanzien van noodgevallen.

In de Toelichting op artikel 30

De SGP heeft een Toelichting op het Program van Beginselen laten verschijnen. 2 Als toelichting op artikel 30 wordt in de druk van 2003 onder meer dit gezegd:

In de Bijbel wordt ook over ’vreemdelingen’ gesproken. Binnen de grenzen van het land kwamen ook vreemdelingen voor, zowel individuele personen als groepen. Daarin zijn drie soorten ’vreemdelingen’ te onderscheiden.

a. Er waren vreemdelingen die door het land trokken. Handelaren en reizigers bijvoorbeeld. Ze golden als echte vreemdelingen en hadden geen speciale rechten. Zij werden tijdelijk gedoogd.

b. Er waren ook vreemdelingen die voor een lange(re) tijd in Israël verbleven. Ze waren in meerdere of mindere mate zelfstandig, werden gedoogd en ook door voorschriften beschermd. Duidelijk wordt voorgeschreven dat ze niet slechter mochten worden behandeld dan het volk van Israël in Egypte behandeld wilde worden. Dienaangaande golden voor hen speciale wetten, maar ze hadden niet alle rechten van de Israëlieten.

c. Dan waren er vreemdelingen in Israël die de status van ’bijwoner’ hadden. Ze waren minder zelfstandig dan de onder ’b’ genoemde groep. Tot deze groep behoorden vaak personeelsleden. De kans dat ze weer weg zouden gaan, was gering. Het streven was deze groep in de samenleving en in de godsdienst van Israël te integreren.

Hiermee is echter niet alles gezegd. Er wordt van de vreemdeling in de Bijbel ook wat gevraagd. In grote lijnen kan men stellen dat in Israël het vreemde - in de betekenis van de vreemde gewoonten en godsdienst - resoluut werd veroordeeld, terwijl de vreemde ’als mens’ diende te worden opgenomen en beschermd. Want het volk van Israël mocht naar Goddelijk bevel niet verdrukken zoals het zelf in Egypte was verdrukt.

Evenwel geeft de Bijbel duidelijk aan dat ook de vreemdeling zich moest onderwerpen aan Gods instellingen en voorschriften. Hij moet zich gedragen overeenkomstig Gods wet. Het vierde gebod, het sabbatsgebod noemt de ’vreemdeling’ nadrukkelijk. Ook zij mogen geen werk doen op de door God geheiligde dag. Vreemde slaven moeten zich laten besnijden en mogen dan aan het Pascha deelnemen (Ex. 12:44, vgl. Gen. 17:12). Zo zijn er meer wetten te noemen waarmee zij te maken hebben.

Volgens artikel 30 moet de overheid “een ruimhartig beleid voeren ten aanzien van werkelijke noodgevallen”. “De overheid moet er alles aan gelegen zijn”, zo lezen we in de Toelichting, “ook hier recht te doen, overeenkomstig de Bijbelse eis en de nationale traditie”. En even verder: “Ten opzichte van hen die om het geloof vervolgd worden dan wel aantoonbaar gevaar lopen voor hun leven, past een royale houding.” Een ruimhartig beleid inzake werkelijke noodgevallen is inderdaad Bijbels.

Een belangrijke opmerking in de Toelichting is ook deze: “Van de vreemdelingen mag worden verwacht dat ze zich voegen naar de Nederlandse rechtsorde.” Vreemdelingen moeten zich zeker daarnaar voegen. Alleen valt me wel op dat de SGP in 2003 hier geen vragen stelt bij de Nederlandse rechtsorde. Er zijn namelijk wel degelijk vragen te stellen bij de Nederlandse wetgeving. Deze is deels in strijd met Gods Wet. Vreemdelingen moeten zich op die punten echter naar Gods Wet voegen, niet naar de Nederlandse wet. Wanneer het niet om Christenvluchtelingen gaat en niet om noodgevallen, dan past “een terughoudend toelatingsbeleid”, zo zegt artikel 30. Die lijn wordt ook in de Toelichting verdedigd:

De komst van vreemdelingen of vluchtelingen moet niet worden geïdealiseerd. Er komen niet alleen mensen om levensbeschouwelijke redenen naar ons land, of mensen die vanwege hun geloof worden vervolgd of onderdrukt. Ook om materiële redenen komen mensen naar ons land om zich er te vestigen. In dit opzicht past zonder meer een restrictief beleid. In de eerste plaats is Nederland een klein en dichtbevolkt land. Ten aanzien van economische migranten dienen duidelijke regels te worden gehanteerd. Dat is naar beide zijden verhelderend. Toelating tot ons land kan alleen wanneer dit duidelijk in het belang van onze samenleving is. Er dient bij de economische migrant een duidelijke aanvaarding en bereidheid tot assimilatie aanwezig te zijn.”

Ik merk op dat assimilatie hier niet nader verklaard wordt. Dat is echter wel van belang. Het gaat er immers in de eerste plaats en voornamelijk om dat er bij de migranten een duidelijke aanvaarding en bereidheid tot assimilatie aan de Wet en de Getuigenis van God dient te zijn. Iets hiervan komt wel naar voren - maar onvoldoende - in het volgende citaat uit de Toelichting:

Een complicerende factor is dat krachtens de gereformeerde politieke overtuiging die de SGP voorstaat, de overheid niet neutraal mag zijn ten opzichte van godsdienstige en zedelijke vragen. Nederland heeft de naam een gastvrij land te zijn, maar gastvrijheid mag niet betekenen dat door vreemde invloeden het protestantse karakter van de staat en/ of het rechtssysteem worden aangetast. Het door de SGP voorgestane uitgangspunt - Nederland een protestants-Christelijke natie in gereformeerde zin - ontmoet veel onbegrip maar is waard blijvend verdedigd te worden. Waar ruimte wordt gelaten voor het bewaren van de eigen culturele identiteit mag dit niet ten koste gaan van het door de historie gestempelde karakter van de Nederlandse natie.

Nimmer mag de overheid financieel of anderszins bijdragen aan de verbreiding van antichristelijke opvattingen. Maar vreemdelingenhaat en racisme zijn lijnrecht in strijd met de Bijbel en worden derhalve zonder meer afgewezen.

Er wordt hier gesproken over “een complicerende factor”. Merken we hier al enige moeite bij de SGP in 2003 om de theocratie uit te dragen? Waarom hier de eis dat men zich dient te houden aan de Tien Geboden, niet helder genoemd? Terecht wordt opgemerkt dat gastvrijheid niet mag betekenen dat door vreemde invloeden het protestantse karakter van de staat en/of het rechtssysteem worden aangetast.

SGP-Verkiezingsprogramma 2017-2021

In het recente SGP-Verkiezingsprogramma 2017-2021 wordt in hoofdstuk 9 (p. 41-44) onder de titel Immigratie en integratie op het vluchtelingenbeleid ingegaan. Ik citeer weer enkele gedeelten:

Nederland is door de eeuwen heen een toevluchtsoord geweest voor mensen die in hun eigen land niet veilig waren en vervolgd werden. Dat moet zo blijven. Het herbergen van mensen in levensgevaar is voluit Bijbels.

Nederland is echter klein, en dichtbevolkt. Er zijn dus grenzen aan de mogelijkheden om hier migranten op te vangen. (…) Daar komt bij dat nieuwkomers die zich nú melden, vaak afkomstig zijn uit islamitische landen en culturen die niet zelden haaks, soms zelfs vijandig staan tegenover onze (Christelijke) waarden en levensstijl. Om te voorkomen dat de instroom van asielzoekers in Europa toeneemt, moet urgentie gegeven worden aan een internationale aanpak van vluchtelingenstromen. Selectie en opvang gebeuren dan in de regio. Er is veel voor te zeggen om daarbij bijzondere aandacht te geven aan vervolgde Christenen. Omdat zij in de eigen regio grote risico’s lopen, moet Nederland zich extra inspannen om deze Christenen hier veilig onderdak te bieden.

Asielzoekers die primair om economische redenen naar Nederland komen, moeten zo snel mogelijk terug. Ook voor kansarme migranten geldt dat zij niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Migranten die naar Nederland willen komen om andere reden dan asiel, moeten aan kunnen tonen dat zij in ons land op eigen benen kunnen staan. Kansloze (gezins)migratie moet voorkomen worden.

In de EU kunnen migranten vrij van het ene land naar het andere reizen. Gedegen controle van de buitengrens en een zorgvuldige registratie van vreemdelingen zijn dan ook cruciaal. Tegelijk is nodig dat het asielbeleid van de verschillende landen op elkaar wordt afgestemd. Echter, zonder dat de soevereiniteit van de lidstaten nog verder wordt uitgehold.

In een subparagraaf wordt vrij uitvoerig ingegaan op de ‘integratie en inburgering’ van de migranten in de Nederlandse samenleving. Ik laat die paragraaf in z’n geheel hier volgen:

Van nieuwkomers mag verwacht worden dat ze zich zoveel mogelijk inspannen om een steentje bij te dragen aan onze samenleving. Daar hoort bijvoorbeeld bij dat ze financieel zoveel mogelijk op eigen benen staan. Vereiste is ook dat vreemdelingen Nederlands kunnen spreken. Bij integratie hoort verder dat de nieuwe inwoners zich verdiepen in de Nederlandse geschiedenis, cultuur en gewoonten. Wie dat weigert, hoeft niet te rekenen op een voortgezet verblijf.

Voor integratie is het cruciaal dat het ontvangende land helder is over wat er wel en wat er niet kan, te beginnen in de asielopvang. Regels moeten helder worden uitgelegd en consequent worden toegepast. Het minste wat mag worden verwacht, is dat men zich houdt aan de wetten van ons land.

Het valt mij op dat ook in deze laatste zin zonder enige kanttekening of voorbehoud wordt gesproken over het aanpassen aan de wetten en manieren van ons land, terwijl veel van die wetten de toets van Gods Woord geenszins kunnen doorstaan. Maar afgezien daarvan is het natuurlijk wel juist dat men zich dient te houden aan de wetten van ons land.

Vervolgens worden in deze subparagraaf zes aandachtspunten of maatregelen genoemd. We willen die even langslopen. Gesteld wordt dat in inburgeringscursussen “naast de Nederlandse taal basale kennis van de Nederlandse samenleving centraal” moet staan. Gedacht wordt “aan het Wilhelmus en de vlag, onze feestdagen en de nationale dodenherdenking”. Wie geen inburgeringscursus wil volgen, krijgt geen uitkering”. Helaas wordt daarbij niets gezegd over de inhoud van deze inburgeringscursussen, over hoe deze er volgens de SGP uit zouden moeten zien. Het mag in elk geval niet betekenen dat de goddeloze moraal van Nederland tot norm verheven wordt. Ik denk hier aan de zonde van homoseksualiteit inclusief het huwen van mensen van gelijk geslacht dat hier sinds 2001 als normaal wordt verdedigd en geaccepteerd.

“De mogelijkheid van een dubbele nationaliteit” wil de SGP beperken “tot gevallen waarin het opgeven van de herkomstnationaliteit onmogelijk is”. En om “de leefbaarheid van wijken te vergroten krijgen gemeenten bij sociale huurwoningen ook de bevoegdheid om niet-Westerse allochtonen te spreiden”. Terecht wordt ook gesteld dat “de verblijfsvergunning vervalt als tijdens de eerste jaren van het verblijf een ernstig strafbaar feit wordt gepleegd” of als er “meerdere keren sprake is van kleine delicten”. Ten slotte wordt nog aandacht gevraagd voor het punt dat de overheid alleen ruimte mag bieden “voor erkenning van de Christelijke en nationaal erkende feestdagen”. Daar zijn we het geheel mee eens. Maar hier dienen de lijnen wel doorgetrokken te worden: de overheid dient evenzo alleen ruimte te bieden aan de publieke uitoefening van de gereformeerde godsdienst en niet aan die van andere godsdiensten. Anders meten we met twee maten.

2. De Bijbelse visie op vluchtelingen

In de Bijbel staan zoals u weet, verscheidene soorten wetten. Voor ons onderwerp zijn met name de morele wetten van belang alsmede die burgerlijke wetten, inzettingen en rechten die op morele wetten gegrond zijn en als zodanig een voor alle tijden geldende morele strekking hebben. Dat zijn zogezegd de kaders of principes van waaruit we Christelijke of gereformeerde politiek hebben te bedrijven.

Als we in een concordantie zoeken op het woord ‘vreemdeling’, krijgen we de meeste treffers in de eerste vijf boeken van Mozes. Dus de wet van Mozes laat zich hierover breed uit en daarom alleen al zouden we ons in dit onderwerp moeten verdiepen. Relatief veel Schriftplaatsen gaan over de verhouding tot de vreemdeling. Kennelijk acht God het van belang dat we er telkens bij bepaald worden hoe Hij wil dat we met deze mensen zullen omgaan.

Uit de Bijbelse gegevens komen ten aanzien van vluchtelingen en vreemdelingen twee kernwoorden naar voren: naastenliefde (2.1) en aanpassen (2.2). Daarop willen we eerst ingaan, om daarna de volgende twee vragen te kunnen beantwoorden: wat moeten we volgens de Bijbel aan vreemdelingen of vluchtelingen bieden (2.3)? En wat moeten we van hen verlangen als zij kortere of langere tijd in ons land verblijven (2.4)?

2.1. Naastenliefde

Bijbels gezien is het in zijn algemeenheid duidelijk dat er een plicht bestaat tot naastenliefde en herbergzaamheid. Verscheidene keren in het Oude en Nieuwe Testament wordt daarop een appel gedaan. Van daaruit kunnen we besluiten om vluchtelingen op te vangen en ook hulp en zorg te bieden.

Als het over een oproep tot naastenliefde gaat, dan denken we in de eerste plaats aan de samenvatting van de Wet zoals die door de Heere Jezus gegeven is. Het eerste en het grote gebod is dat we God liefhebben boven alles. Maar het tweede gebod, aan het eerste gelijk, is dat we onze naaste liefhebben als onszelf. Nu, we zorgen voor en helpen onszelf. We zorgen voor onze eigen veiligheid. We eten en drinken en kleden ons. We zorgen voor onderdak, bescherming en beschutting. Als we ziek zijn, nemen we medische zorg enz. Dat alles zouden we vanuit het gebod ‘de naaste lief te hebben als onszelf’ dan ook voor onze naasten moeten doen die op ons pad komen.

De Heere Jezus illustreert dit gebod tot naastenliefde met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Een gelijkenis die SGP-leider Van der Staaij in 2014 nog een keer gebruikt heeft in de algemene politieke beschouwingen voor de Tweede Kamer.

Verder denken we in dit verband ook aan hetgeen de Heere Jezus zal zeggen in het laatste gericht. In Mattheüs 25 lezen we dat Christus dan onderscheid zal maken tussen de rechtvaardigen en de goddelozen. De schapen zal Hij dan tot Zijn rechterhand zetten en de bokken tot Zijn linkerhand. Tot de schapen zal Hij zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen (Matth. 25:34-36).

Maar tot de bokken zal Hij zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt en gij hebt Mij niet gekleed; krank en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht (Matth. 25:41-43).

Wel of niet herbergzaam zijn jegens vreemdelingen is geen vrijblijvende zaak. Het verschil in uitkomst is groot: eeuwig wel of eeuwig wee. Dat geeft gewicht aan dit onderwerp!

2.2. Aanpassen

Wat hierboven gesteld is, geldt niet alleen voor de tijd van het Nieuwe Testament. Nee, in zijn algemeenheid kunnen we stellen dat uit Bijbelse gegevens blijkt dat ook het volk van Israël iets doen moest voor de vreemdelingen. Ze verkeren vaak niet in een gunstige positie. Ze zijn niet zo gevestigd als een gewone burger en hebben daarom zorg en hulp nodig. Dat is een kant van de zaak, maar er is ook nog een andere kant en die blijft vaak onderbelicht, namelijk dat de vreemdelingen ook iets moesten doen voor Israël. En eigenlijk niet voor Israël, maar voor de God van Israël. De vreemdeling moest zich in morele en godsdienstige zin aanpassen aan de publieke godsdienst van Israël. Dat is een belangrijke constatering, ook ten aanzien van de theocratische gedachte. Er mogen en moeten zelfs wel degelijk Bijbelse eisen gesteld worden aan vreemdelingen.

Een en ander willen we nader concretiseren aan de hand van de reeds genoemde twee vragen: wat moeten we volgens de Bijbel aan vreemdelingen of vluchtelingen bieden (2.3). En wat moeten we van hen verlangen als zij kortere of langere tijd in ons land verblijven (2.4).

2.3. Wat moeten we vreemdelingen bieden?

Aan de hand van de wetten van Mozes willen we nagaan wat we de vreemdelingen moeten bieden; hoe we hen moeten behandelen. Drie aspecten willen we in dit verband noemen: we moeten hun bescherming bieden tegen overlast en verongelijking (a), we moeten hun hulp bieden bij armoede (b) en eten, drinken en kleding door arbeid (c).

a. Bescherming tegen overlast en verongelijking

In Israël mochten degenen die niet opzettelijk iemand gedood hadden, bijvoorbeeld door een ongeluk, vluchten naar een van de vrijsteden om zo uit handen van de bloedwreker te blijven. Ook de vreemdeling en de bijwoner mochten hiervan gebruikmaken (Num. 35:15). Dit is een vorm van levensbescherming tegen onredelijk geweld.

In Exodus 22 en 23 wordt erover gesproken dat de Israëlieten de vreemdelingen bescherming moesten bieden. Zij mochten de vreemdeling geen overlast aandoen (Ex. 22:21) en niet onderdrukken (Ex. 23:9). De Israëlieten moesten daarbij bedenken dat ze zelf ook vreemdelingen zijn geweest in Egypte.

Men mocht het recht van de vreemdeling niet buigen. Ook daarbij moesten de Israëlieten bedenken dat ze zelf knecht in Egypte geweest waren en de HEERE hen verlost had (Deut. 24:17-18). Zelfs wordt de vloek uitgesproken over degene die het recht van de vreemdeling boog. Daar moest heel Israël amen op zeggen (Deut. 27:19).

Een- en andermaal doet de Heere met betrekking tot de vreemdelingen dus een appel op het inlevingsvermogen van de Israëlieten die zelf ook in Egypte in een moeilijke situatie verkeerd hadden. Zij wisten wat het was om vreemdeling te zijn. Feitelijk gaat het hier om het in praktijk brengen van het gebod dat de Heere Jezus later zo verwoordde: Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de Wet en de Profeten (Matth. 7:12). Ook in Leviticus 19 vers 33 lezen we dat de vreemdeling niet verdrukt of ongelijk aangedaan mocht worden. De Israëlieten moesten hem in die zin net zo behandelen als een inboorling en hem liefhebben als zichzelf. En daarbij bedenken dat ze zelf vreemdelingen waren geweest in Egypte (Lev. 19:34).

Verder lezen we dat we een arme en nooddruftige dagloner onder de vreemdelingen niet mogen verdrukken door de uitbetaling van zijn loon uit te stellen. Op de dag dat hij gewerkt heeft, dient hij uitbetaald te worden (Deut. 24:14-15). We kunnen ons voorstellen dat zo iemand het geld hard nodig heeft. Als het loon dan niet direct betaald wordt, dan is dat zonde. Impliciet zit hier ook in dat we de vreemdelingen kansen moeten bieden op de arbeidsmarkt. Dat zij ook kunnen werken en hun eigen brood verdienen.

We zien dus dat het gebod ‘de naaste lief te hebben als onszelf’ zonder meer ook geldt voor de vreemdeling. Op de vraag wie de naaste is, kan gezegd worden: iedereen die op enige wijze op ons pad komt, maar toch zeker ook de vreemdeling.

b. Hulp bij armoede

Bij verval in armoe moest niet alleen de Israëliet, maar ook de vreemdeling en de bijwoner zoveel bijstand, ondersteuning en milddadigheid geboden worden als nodig was om in leven te blijven (Lev. 25:35). En aan hen mocht geen geld op woeker gegeven worden noch spijze op overwinst (Lev. 25:36-37). Kortom, een vreemdeling die het arm heeft, behoren wij de helpende hand te bieden.

c. Eten, drinken en kleding door arbeid

In Deuteronomium 10 vers 18 staat dat de HEERE de vreemdeling liefheeft alsook dat Hij hem brood en kleding geeft. Dat God de vreemdeling liefheeft, is een belangrijke motivatie voor ons om ook de vreemdelingen lief te hebben.

Bekend is ook dat een vreemdeling - net als de weduwe, de wees en de Leviet - mee mocht eten van de tienden van de inkomsten van het land (Deut. 14:29; 26:11-13). Als een Israëliet zich aan die bepaling hield, zou de HEERE al het werk van zijn handen zegenen. Verder lezen we dat de Israëliet die een wijngaard had, die niet mocht nalezen en de afgevallen beziën opzamelen. Hij moest die laten liggen voor de arme en de vreemdeling (Lev. 19:10). De olijfboom mocht eveneens niet al te nauw nagezien worden. Er moest iets overblijven voor de vreemdeling, de wees en de weduwe (Deut. 24:20). En hetzelfde gold voor de druivenoogst (Deut. 24:21). Weer wordt er dan gezegd dat Israël moest denken aan het feit dat men een knecht was in Egypte (Deut. 24:22). God wilde dat Israël zich telkens verplaatste in de vreemdeling.

De Israëliet die een stuk land had en ging oogsten, mocht de hoek van het veld niet helemaal afmaaien en verzamelen. Hij moest dat laten liggen voor de arme en de vreemdeling (Lev. 23:22). Ook als hij bij de oogst van de akker een garf vergeten was, mocht hij die zelf niet alsnog oogsten. Hij moest die laten voor de vreemdeling, de wees en de weduwe (Deut. 24:19). Als hij zich hieraan hield, zou de HEERE het werk van zijn handen zegenen.

Israël kende ook een sabbatsjaar voor land en wijngaard. In het zevende jaar mocht er niet geoogst worden. Wat er dan spontaan groeide, was voor de bezitter van land en wijngaard, voor zijn knecht en dienstmaagd, voor de dagloner, voor het vee en voor de dieren tot voeding, maar ook voor de bijwoner die als vreemdeling bij hen verkeerde (Lev. 25:2-7).

Het mooie van deze bepalingen is dat God arbeid, eten en drinken samenvoegt. Arbeid is een scheppingsordening. Het is goed dat een mens - als dat mogelijk is - werkt voor zijn eten en drinken. En dat iemand die te lui is om werken, geen eten en drinken heeft. Deze bepaling voorkwam ook bij de vreemdelingen ledigheid en werkeloosheid. Zij moesten er evengoed voor werken, anders zou het niet eerlijk en niet rechtvaardig zijn. Vreemdelingen moeten dus gestimuleerd worden om te werken en daarvoor de gelegenheid krijgen om zo hun eigen brood te verdienen.

2.4. Wat moeten we van vreemdelingen verlangen?

We komen nu op een belangrijk punt, zeker ook voor de Landelijke Stichting ter bevordering van de Staatkundig Gereformeerde beginselen. Het gaat namelijk om de handhaving van de eerste Tafel van Gods Wet in de Nederlandse politiek. Of anders gezegd: om de theocratie, waar de Staatkundig Gereformeerde Partij zich altijd sterk voor gemaakt heeft. Helaas moeten we zeggen dat de huidige SGP toegeeft aan de kuyperiaanse gedachte van godsdienstvrijheid. Het gedachtegoed van Abraham Kuyper moet op dit punt verworpen worden, omdat de consequentie daarvan is het kortwieken of krachteloos maken van de bekende 21 woorden van artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. En als gevolg daarvan ook het kortwieken van de Schrift, waar artikel 36 op gebaseerd is. In de Gereformeerde Kerken synodaal is dit daadwerkelijk gebeurd (in 1905). Zij hebben letterlijk gesneden of geknipt in de belijdenis en indirect daarmee in Gods Woord.

Wie op dit punt gereformeerd of reformatorisch wil blijven, kan niet anders zeggen dan dat de oude SGPkoers de Bijbelse koers was. Wie met betrekking tot vreemdelingen en vluchtelingen het Oude Testament erop naslaat, moet concluderen dat God wilde dat de vreemdelingen zich moesten aanpassen aan de publieke godsdienst van Israël. Zij moesten dus assimileren. We willen in dit verband op zes aspecten wijzen:

a. Onderwijs in Gods Wet

De priesters waren in Israël geroepen om in ieder zevende jaar de Wet des HEEREN uit te roepen voor de oren van gans Israël, waarbij ook de vreemdelingen in de poort hoorden. Zij moesten horen en leren. En de HEERE vrezen en waarnemen om te doen alle woorden der Wet (Deut. 31: 9-13). We zouden op basis van deze bepaling de inburgering en integratie van buitenlanders moeten verrijken met Christelijk onderwijs in Gods Woord. Vreemdelingen moeten de Bijbel leren lezen en uitgelegd krijgen, en catechisatie krijgen in de gereformeerde godsdienst, opdat zij zo de nodige basiskennis verkrijgen van de Bijbel en de gereformeerde religie, en bovenal opdat zij leren om God te vrezen.

b. Sacrament voor burgerlijke status

In Exodus 12 staat wie het pascha eten mocht (vers 43-51). Strikt genomen was het pascha alleen voor de Israëlieten bestemd. Niettemin mocht ook een vreemdeling deelnemen aan het pascha mits hij besneden was (vers 48). Hij werd dan gehouden als een ingeborene des lands. Dit laat zien dat een vreemdeling pas echt tot het volk behoorde als hij ook participeerde in de publieke of heersende godsdienst van Israël. Omgekeerd gold dat wanneer een vreemdeling niet besneden werd en daarom ook niet deel kon nemen aan het pascha, hij een buitenstaander bleef. De godsdienst van de vreemdeling was dus niet alleen een kerkelijke, laat staan alleen een persoonlijke aangelegenheid, maar deze had ook directe consequenties voor de burgerlijke status van de vreemdeling. Door werkelijk te participeren in de godsdienst van Israël was men niet langer een vreemdeling of buitenstaander.

Zo zien we dat in de Bijbel als het gaat over criteria voor een definitieve opname in een volk niet in de eerste plaats gevraagd wordt of iemand de taal spreekt, een goede opleiding heeft genoten of financieel een gunstige positie heeft, maar of men besneden was. Anders gezegd: of men de Israëlische godsdienst had aangenomen.

Op overeenkomstige wijze zou in Nederland alleen aan die vreemdelingen die van de gereformeerde godsdienst belijdenis hebben afgelegd en aan wie het Nieuwtestamentische sacrament van de Doop toegediend is, een vaste verblijfsstatus aangeboden behoren te worden.

c. Wetten inzake offers en bloed eten

De vreemdelingen mochten in Israël evenals de Israëlieten geen slachtoffers of brandoffers offeren aan andere goden. Als ze hun offers niet bij de deur van de tent der samenkomst brachten en het de HEERE bereiden, moesten ze uitgeroeid worden (Lev. 17:7-9). Hieruit blijkt dat er aan geen andere goden geofferd mocht worden dan alleen aan de enige ware God van Israël. Dit is een belangrijke constatering. De theocratie moest gehandhaafd worden. God bepaalt dat elk Hem alleen zal dienen en ook hoe elk Hem zal dienen. Zo zou de overheid ook in Nederland de gereformeerde godsdienst moeten bevoorrechten en de valse godsdiensten moeten weren en uitroeien naar de eis van de Schrift zoals uitgedrukt in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dit houdt ook in dat aan vreemdelingen de openbare uitoefening van een andere godsdienst verboden behoort te worden, ja, de overheid dient geen ruimte te laten aan ongeloof en bijgeloof in het publieke domein. Het publieke domein behoort God toe!

Voor de Israëlieten gold verder dat ze geen bloed mochten eten. De reden daarvan was dat de ziel in het bloed was en dat het bloed er was om verzoening te doen. Deze godsdienstige bepaling gold echter niet alleen voor Israël, maar ook voor de vreemdeling. Als iemand zich daar niet aan hield, moest hij uitgeroeid worden (Lev. 17:10-14).

De bloed- en offerwetten van Israël hadden dus rechtstreekse consequenties voor de vreemdelingen in Israël. Zo behoort dan de handhaving van artikel 36 NGB zich evenzeer tot de vreemdelingen c.q. vluchtelingen uit te strekken.

d. Verbod en doodstraf op godslastering

Als iemand de Naam des HEEREN lasterde, moest hij gedood worden. De hele vergadering zou hem stenigen. Hierbij gold enerlei wet voor de inboorling en de vreemdeling (Lev. 24:16). Ook niet-Israëlieten moesten dus het derde gebod onderhouden. De vreemdelingen in ons land zouden dat ook moeten doen. En de overtreding van het gebod zou evenals in Israël met een rechtvaardige, strenge straf gestraft moeten worden.

e. Bepaalde dagen niet werken

In het vierde gebod (zie Ex. 20:8-11 en Deut. 5:14) staat dat de zevende dag de sabbat des HEEREN uws Gods is waarop geen werk gedaan mag worden. Dit gebod gold de kinderen, de knechten, de maagden en het vee, maar ook de vreemdeling in de poort (Ex. 20:10). Dat betekent dat een vreemdeling, ook al diende hij de God van Israël niet, zich houden moest aan het vierde gebod.

In Leviticus 16 gaat het over de grote verzoendag. Dan werd verzoening gedaan over de zonden van het volk Israël. In de zevende maand op de tiende dag van de maand moesten de Israëlieten zich verootmoedigen en geen werk doen. Ook de vreemdeling mocht op die dag geen werk doen (Lev. 16:29).

Vreemdelingen moesten zich dus houden aan de weekcyclus van Israël door elke sabbat te rusten van de arbeid. En zij moesten zich eveneens aanpassen aan de jaarlijkse viering van de grote verzoendag in Israël. Zij mochten op die dag geen werk doen.

In ons geval zouden we vreemdelingen moeten verplichten om de Christelijke sabbat (de dag des Heeren) te onderhouden. En ook de landelijke bid- en dankdagen. In elk geval behoren ze deze dagen te eerbiedigen door geen werk te doen.

f. Morele godsdienstige bepalingen

In Leviticus 18 worden een hele lijst van gruwelen aan Israël verboden. Maar deze lijst gold niet alleen voor de inboorling, maar ook voor de vreemdeling (Lev. 18:26). Bij het overtreden ervan gold dat de ziel die dat gedaan had, uitgeroeid zou worden (Lev. 18:29).

De werken die verboden waren, waren kenmerkend voor de Egyptenaren en de Kanaänieten (Lev. 18:3).

De HEERE verbiedt onder meer dat niemand tot zijn nabestaande mag naderen om zijn schaamte, dat is zijn naaktheid te ontdekken ofwel geslachtsgemeenschap met hem of haar te hebben (Lev. 18:6). Dit is een bepaling tegen incest. Allerlei nauwe graden van bloed- en aanverwantschap worden verboden. En niemand mag tot een vrouw naderen die in quarantaine of afzondering is vanwege onreinheid (Lev. 18:19). Overspel en hoererij worden verboden (Lev. 18:20). Kinderen levend verbranden voor de Moloch, de afgod Milcom van de Ammonieten, wordt verboden (Lev. 18:21). Homoseksualiteit wordt streng verboden en een gruwel genoemd (Lev. 18:22), alsook bestialiteit (Lev. 18:23). Op deze zaken stond de doodstraf. Bij het offeren van kinderen aan de Moloch wordt nog bepaald dat dit de doodstraf is door steniging. En als het volk die straf niet uit zou voeren, zou God het Zelf doen (Lev. 20:3-5).

Al deze rechtsregels golden met nadruk ook voor de vreemdelingen (Lev. 20:2). Daarom moet in onze dagen door de overheid niet geschroomd worden om zware straffen toe te passen op zonden die dat volgens Gods Woord verdienen: overspel, incest, homoseksualiteit, bestialiteit enz. De strafmaat moet niet door mensen worden bepaald en vastgesteld, maar deze is door God, de Allerhoogste Wetgever en Rechter, Zelf vastgelegd. Hij oordeelt over goed en kwaad. En dus ook over hoe bepaalde zonden gestraft moeten worden. Hierbij geldt enerlei wet en strafrecht voor inboorling en vreemdeling.

g. Verbod en straf op doodslag

Bij een doodslag van een mens gold zowel voor de vreemdeling als de inboorling de doodstraf. Bij de doodslag van een dier gold de compensatie. En bij het aanbrengen van enig letsel bij een naaste gold dat de overheid dan vergold oog voor oog en tand voor tand enz. (Lev. 24:17-22).

3. Een aanscherping van de SGP-visie

Alles overwegend zou ik graag een extra deelartikel in het SGP-Beginselprogram willen zien toegevoegd dat recht doet aan de theocratische noties van een Bijbelse vluchtelingenpolitiek. Dit deelartikel zou bijvoorbeeld zo kunnen luiden:

“Bijbelse vluchtelingenpolitiek is meer dan alleen maar naastenliefde en herbergzaamheid. Alleen zij die de gereformeerde godsdienst aannemen, behoren een vaste verblijfsstatus te krijgen. Zij die zich niet willen aanpassen, moeten in geval van nood slechts tijdelijk worden opgevangen. En nog liever als de omstandigheden het toelaten in de eigen regio.”

In een toelichting hierop zou dit uitgewerkt kunnen worden met behulp van de Bijbelse gegevens die ik hierboven onder punt 2.4 heb aangehaald uit de vijf boeken van Mozes. Vreemdelingen moeten zich aanpassen aan de door God gewilde godsdienst. Voor inwoners en vreemdelingen dient eenzelfde wetgeving te gelden.

Daarnaast zou ik graag een volgend SGP-verkiezingsprogramma met de onderstaande speerpunten aangevuld zien. Onder de subkop ‘Integratie en inburgering’:

· In inburgeringscursussen moet naast beheersing van de Nederlandse taal, de gereformeerde religie centraal staan. Basale kennis van de Bijbel, maar ook van de Drie Formulieren van Enigheid is nodig.

· Een geregelde kerkgang en het volgen van catechisaties bevorderen de integratie.

· Van vreemdelingen wordt verwacht dat ze de zondagsrust eerbiedigen en ook de landelijk ingestelde bid- en dankdagen.

· Alleen leden van kerken die onverkort de Drie Formulieren van Enigheid tot grondslag hebben, kunnen een vaste verblijfsstatus krijgen.

En onder een subkop ‘Andere godsdiensten’:

· Valse godsdiensten zoals het mohammedanisme, hindoeïsme, boeddhisme, atheïsme en alle andere stelsels van ongeloof en bijgeloof moeten geweerd en uitgeroeid worden naar de eis van Gods Woord, zoals uitgedrukt in het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

· De vrijheid van onderwijs voor niet-gereformeerde scholen en universiteiten moet zo snel mogelijk worden teruggedraaid.

· Er moet een bouwstop komen op het bouwen van afgodstempels zoals moskeeën en gebedshuizen voor andere niet-gereformeerde religies.

Bij al deze zaken moeten we niet kijken naar haalbaarheid en draagvlak in de praktijk. Bijbelse politiek neemt immers zijn uitgangspunt niet in de omstandigheden, maar in Gods geopenbaarde Woord, wil en Wet. Bijbelse politiek mag rekenen op de goedkeuring en zegen van God. En on-Bijbelse politiek moet rekenen op Gods afkeuring en de vloek en het ongenoegen van God. Onze marginale positie mag er niet toe leiden dat we ons bij de bestaande praktijk neerleggen, maar integendeel dat we ons voluit inzetten voor de Bijbelse ‘idealen.’ Een land, vorst, overheid en volk dat overeenkomstig Gods wil geregeerd wordt, daar vaart iedereen geestelijk, lichamelijk en materieel wel bij.

Ten slotte

Laten we bidden en smeken of God een terugkeer wil schenken naar de oude paden; of God in rijke mate terug wil keren met Zijn Geest in Nederland. Anders blijft ons spreken, getuigen, evangeliseren - ook over politieke kwesties - alleen maar theorie zonder ooit praktijk te worden. Want zo de HEERE het huis niet bouwt, is alles tevergeefs. Tevergeefs arbeiden dan deszelfs bouwlieden daaraan. En zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter (Psalm 127:1).


Noten:

1) Dit artikel is een grotendeels letterlijke weerslag van het referaat gehouden op de jaarvergadering van de Landelijke Stichting op 13 mei 2017 te Barneveld.

2) Toelichting op het Program van Beginselen van de Staatkundig Gereformeerde Partij, Houten 2003. De toelichting op artikel 30 is te vinden op pagina 123-127.

Fotoverantwoording:

a-e) Depositphotos

f) foto collectie Haags Gemeentearchief.

g-h) Depositphotos


Geen vrijheid van onderwijs voor niet-gereformeerde scholen

Ds. G.H. Kersten: “Op grond van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis hebben wij steeds positie gekozen tegen de godsdienst neutrale staat, met name tegen de stelling dat indien maar een door de wet vereist aantal leerlingen bijeengebracht wordt, ieder recht heeft op een eigen, uit de publieke kassen bezoldigde school, al ware het een atheïstische. Tegen die stelling moesten wij opkomen en van de overheid eisen dat zij zulk onderwijs deed geven dat de toets van Gods Woord kan doorstaan.

-Bron: Verslag van de Algemene Vergadering van de Vereeniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs, 10 januari 1946, p. 21 (herspeld)-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

In het spoor | 72 Pagina's

Bijbelse Vluchtelingenpolitiek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2017

In het spoor | 72 Pagina's