Eert uw vader en uw moeder
Text: Exodus 20 : 12: Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in tiet land, dat u de Heere, uw God, geeft. tieid. Cat. Zondag 39, Vr. en Antw. 104.
Gemeente des Heeren ! Het onderwerp voor hedenmorgen, dat u vooraf aangekondigd is, past zeer goed bij de plechtigheid, die in dit uur staat te geschieden, bij de Doop, die aan een aantal kleine kinderen der Gemeente bediend zal worden.
Laten wij ons even voor de geest roepen, wat de betekenis is van de Heilige Doop. Met een enkel woord slechts, omdat het Formulier ons hierover straks nader zal inlichten. De Doop is teken en zegel van het genadeverbond Gods; met name van de belofte van dat verbond :
„Ik zal u tot een God zijn". In de Doop verbindt de hoge God Zich door een zichtbaar teken aan een kind, dat in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren is. Dat kind krijgt het merkteken Gods aan zijn voorhoofd, zodat het in het vervolg door het leven gaat als een kind, dat den hogen God toebehoort, als een kind, waarop alleen de hoge God récht en waarover alleen Hij zéggenschap heeft.
En nu heeft God ons in Zijn heilige Wet laten weten, welke Zijn wil voor het kind is, wat daarom voor het kind dienstig is om in waarheid gelukkig te leven. Het vijfde gebod wijst het kind zijn plaats in het huisgezin aan.
Hierbij willen wij thans de aandacht bepalen. Ofschoon onze Catechismus, als hij wat Gods Wet naar de letter alleen met betrekking tot „vader en moeder" zegt, terecht uitbreidt tot „allen, die over ons gesteld zijn", ook gedacht heeft aan de houding, die wij hebben aan te nemen en te volgen tegenover de overheden en tegenover onze meerderen in het algemeen, willen wij heden in verband met de Doop ons beperken tot de plaats, die het kind in het huisgezin inneemt. En dan vraag ik voor 4 dingen uw aandacht, n.1. voor I het kindervoorrecht, II de kinderplicht, 111 de kinderstrijd, en IV de kindertroost.
1 Wij willen dan in de eerste plaats spreken over het kindervoorrecht. waarmee ik bedoel : het voorrecht van kind in huis te zijn.
Zoals wij zoeven in ons lied uitspraken, is het een groot voorrecht kinderen te hébben. En het wordt ook werkelijk als een voorrecht beschouwd en ervaren, wanneer de kinderen waarlijk kinderen zijn en zich als kinderen gedragen. Maar daartoe is ook weer nodig, dat de kinderen het voorrecht van kind te zijn recht verstaan en in de practijk van hun leven voor ogen houden.
Het is inderdaad een voorrecht. Het wordt ons al in herinnering gebracht door een uitdrukking, die nogal eens gebruikt wordt : dal iemand daar en daar als kind in huis is.
Welk een ontzaglijke betekenis hebben rechtgeaarde ouders voor een kind ! Denk maar eens aan de eerste levensjaren. Daar ligt het kleine schepseltje in de wieg. Hoe hulpbehoevend is het, letterlijk in alle opzichten ! Hoe treurig zou het er aan toe zijn, wanneer het aan zichzelf was overgelaten : dan kwam het in een minimum van tijd om Maar zie, hoe daar de trouwe moederhanden gedurig bezig zijn om het aan alle kanten te verzorgen. Alle aandacht is voor het kind. Ook die van den vader, al kan hij vooreerst het kind nog weinig toebrengen.
Alles wordt gedaan, opdat het tere leventje beschut en versterkt worde, opdat het gedije en tot volle ontplooiing kome. Geen moeite is voor de moeder te groot, van haar geduld wordt nooit teveel gevergd. Bij dag en bij nacht staat zij klaar. En naarmate het kindje groter wordt, begint ook de vader meer metterdaad in de zorgen van de moeder te delen, opdat het kind in de goede lichting geleid worde en zich ontwikkele naar de eis van zijn bestemming om in de vreze Gods een eigen plaats in de samenleving in te nemen. — Zo is dan het kind-zijn een voorrecht, in de eerste plaats omdat het kind verzorgers heeft, die met al de liefde van hun hart voor zijn welzijn waken.
Hiermee staat nu een tweede stuk in het allernauwste verband : het kind mag genieten van alles, wat binnen het bereik van zijn ouders valt. Éérst geschiedt dat onbewust. Het wordt gevoed, gekleed, met allerlei vriendelijkheden overladen, zonder dat het er iets van afweet.
Hef ondergaat dat alles, om zo fezeggen. Langzamerhand komt hieiin echter verandering. Het kind begint te beseffen, dat moeder en vader alles voor hem over hebben. En het duurt waarlijk niet lang, of het begint op beiden zijn vriendelijke aanvallen te richten om het één of ander, waar hef behagen in vindt, macht'g te worden. Ook nu staan de ouders klaar om hun kind mee te delen van hetgeen zij zelf bezitten, voorzover hef n.l. heilzaam is voor het kind.
Dat alles krijgt zo ongemerkt groter omvang, naarmate het kind opgroeit en in ontwikkeling toeneemt. Want liefhebbende ouders hebben er behagen in, hun kinderen zoveel mogelijk te doen delen in hetgeen zij zelf genieten.
Hierbij komt nu nog een derde stuk : het kind heeft bij zijn ouders een veilige toevlucht, als het door leed en zorg gekweld wordt. Met hoeveel geduld kan een moeder de klachten van haar kind aanhoren. Met hoeveel toewijding kan een vader het kind behulpzaam zijn om het begeerde doel te bereiken. Als het speelgoed gevallen en buiten bereik is, roept de kleine al gauw om moeder; als het stuk geraakt is, moet vader het maken. En beiden staan weer klaar. ..
Straks komt het leed in andere gedaante, van ernstiger aard ; straks komt ook de zorg in nieuwe vormen. Als de jongens en meisjes de voet buiten de deut moeten zetten en langzamerhand méér met de wereld in aanraking komen. Ook dan komen ze met het leed en de zorgen thuis, en vinden bij vader en moeder geopende oren.
Ziedaar dan, Gemeente! een weinig gesproken over hef voorrecht van hef kind-zijn, zoals het bestaat door de genadige beschikking Gods, Die aa'1 het kind liefhebbende ouders schonk. Juist omdat het een beschikking Gods is, wordt het vaak niet als een voorrecht gewaardeerd, maar als iets vanzelfsprekends beschouwd. Eerst als het gemfst wordt, dringt het tot het besef door,
dat het toch wel een voorrecht was. Denk maar eens aan den verloren zoon uit de welbekende gelijkenis van den Heere Jezus. Als hij, die in overmoed zijn erfdeel begeerde en daarmee het ouderlijk huis verliet, straks in diepe ellende bij de zwijnen zit, komt hem het ouderlijk huis in de gedachten met al wat daarin zijn deel was. En dan neemt hij met een berouwvol hart het besluit: „ik zal opstaan en naar mijn vader gaan" . . . Het kind-zijn staat hem dan weer als een voorrecht voor de geest, al durft hij het in de verslagenheid van zijn hart niet meer voor zich terugvragen. En hóevelen hebben, al waren zij om heel andere redenen ver van huis, gevoeld, dat zij met het ouderlijk huis een heerlijk stuk van hun leven hadden moeten achterlaten ' Werkt het niet bij volwassenen na, ook al zijn zij zelf al vader en moeder geworden, wanneer zij met weemoed het ogenblik zien naderen, waarop het ouderlijk huis door de dood voor goed gesloten wordt ? Wie terugziet op al de zorgen, door vader en moeder aan hem besteed, die bekent het wel uit de diepste grond van zijn hart, dat kind in huis te zijn een bijzonder voorrecht is.
II Naast het kindervoorrecht moeten wij nu in de tweede plaats wijzen op de kinderplicht. De kinderplicht volgt vanzelf uit de verhouding, waarin de ordening Gods ouders en kinderen geplaatst heeft. Onze Catechismus wijst hierop, als hij aan het slot van het antwoord op de vraag naar de inhoud van het vijfde gebod zegt : „aangezien het God belieft, ons door hun hand te regeren". De ouders staan boven de kinderen, ze zijn door God met gezag over de kinderen bekleed.
E'i dat ten goede van de kinderen. Dit komt alweer zo duidelijk uit in de jeugd, het allerduidelijkst in de prille jeugd. Wat zou er van het kind worden, als de ouders geen gezag over het kind uitoefenden ; als zij niet bepaalden, wat er gebeuren moet ? Dan kwam het arme kind al spoedig om.
Dit gezag openbaart zich aanvankelijk alleen in de zorg, aan het kind besteed, waarbij de ouders zowel verordenen als uitvoeren. Maar als het kind groter wordt, komt hierin ten dele wijziging : de ouders verordenen en het kind voert uit, het hééft tenminste uit ie voeren, want hoe verder de leeftijd en de ontwikkeling van het kind voortschrijden, hoe meer moeilijkheden zich hierbij voordoen, zoals de ervaring in ieder huisgezin leert.
De plaats nu, die de ouders naar de ordening Gods innemen, bepaalt ook de houding, die het kind past.
Gods Wet zegt: „Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen veilengd worden in het land, dat de Heere, uw God, u geeft". Uit de belofte, aan dit gebod toegevoegd en hiermee ten nauwste verbonden, blijkt tweeërlei: vooreerst, dat dit gebod tot welzijn van het kind dient; ten andere, hoe hoge prijs door God op de vervulling ervan gesteld wordt. Daarom noemt ook de apostel Paulus in Ef. 6 dit gebod „het eerste gebod met een belofte", d. w, z. een voornaam gebod, in een belofte gevat, zoals een kostbare steen gevat is b.v. in een ring. Dit gebod bestaat in de Wet uil slechts één woord: „Eert..." iemand „eren" is eigenlijk niets anders dan iemand erkennen op de plaats, waar hij staat; niet alleen met woorden, maar ook met daden, dus in de practijk van het leven, met heel de houding, die wij tegenover hem aannemen.
Onze Catechismus zet nu nader uiteen, wat dit „eren" omvat. Vooreerst bestaat het hierin, dat wij onzen vader en onze moeder „alle eer, liefde en trouw bewijzen". Dat betekent dus, dat wij hen erkennen op de plaats, waar God hen gesteld heeft, met inachtneming van de band, die ons aan hen verbindt. Met liefde omringen zij ons; hierbij past niets minder dan liefde onzerzijds, dat is : hartelijke toegenegenheid, die zich niet alleen in goedkope woorden, maar bovenal in daden uit. Hierbij komt nu nog de trouw,
die eigenlijk ook liefde is; maar liefde in een bijzondere vorm. Trouw sluit in, dnt de kinderen openhartig met hun ouders omgaan, de ouders niet buiten hun doen en laten houden, zich niet door vrienden en vriendinnen van de oudr'rs laten aftrekken, het oor niet lenen aan allerlei inblazingen ; ook dat zij de ouders steunen zoveel in hun vermogen is, en hen de lasten des levens helpen dragen, voorzover zij hiertoe in staat zijn.
Daarnaast zegt ons leerboek, dat wij „ons aan hun goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid hebben te onderwerpen". Aan hun „goede leer", d. w. z. aan alle onderrichtingen en aanwijzingen, ook aan alle vermaningen, die zij in hartelijke liefde en trouw geven om het welzijn hunner kinderen, lichamelijk zowel als geestelijk, te bevorderen. Gelukkig het kind, dat zulke „goede leer" van zijn ouders ontvangt. Wat zou er anders van zo'n kind terechtkomen ? Het zou onkundig het leven ingaan, niet wetend wat het moest doen en waarheen het zich moest wenden.
Daarom heeft het kind zich aan hun „goede leer" met behoorlijke gehoorzaamheid te onderwerpen, zodat het zich daardoor laat leiden. — Doch niet alleen aan hun goede en heilzame leer, maar ook aan hun „straf". De ouders zijn wel eens genoodzaakt, hun kinderen te straffen. Deze straf bedoelt echter het welzijn van het kind. Het kind moet weten, dat het met deze of gene handelwijze misdeed, opdat het niet voortga op de verkeerde weg, maar hiervan terugkere. Daarom is het zo nodig, dat het kind zich ook aan hun straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe. Eindelijk zegt onze Catechismus, dat wij „ook
Eindelijk zegt onze Catechismus, dat wij „ook met hun zwakheden en gebreken geduld moeten hebben". Zwakheden en gebreken komen ook bij onze ouders aan de dag, zolang zij mensen blijven. Hiermee worden bedoeld eigenaardigheden in hun karakter, evengoed als lastige gewoonten, evengoed als lichamelijke gebreken. Het één zowel als het ander openbaart zich het meest in de jaren van hun ouderdom. Hiertegenover past den kinderen „geduld", zodat zij niet over all's struikelen, niet wrevelig worden, niet tegen de ouders opstaan, maar vader en moeder in hun zwakheden en gebreken dragen, „aangezien het God belieft, ons door hun hand te regeren", dus : omdat de ouders naar de ordening Gods hun plaats als ouders innemen ; ook al hebben de kinderen een zelfstandige plaats in de wereld, al staan zij niet meer in eigenlijke zin onder het ouderlijk gezag, — zij hebben te bedenken, wat de ouders steeds voor hen geweest zijn, zij hebben te zien op God, Die hun de ouders geschonken heeft en nog voor hen spaarde.
Hoezeer de Heere God op de kinderplicht gesteld is, blijkt nog ten duidelijkste uit de zegeningen, die fiij uitstort over kinderen, die hun ouders eren. Denk aan de Rechabieten, van wiejeremia 35 spreekt. Zij hadden het gebod van hun voorvader Jonadab, den zoon van Rechab, zó hoog gehouden, dat zij zelfs door den profeet zich niel lieten bewegen om wijn te drinken. En zij ontvingen de belofte van een duurzaam nageslacht.
En zien wij niet, zelfs bij wat wij bloot natuurlijke mensen noemen, dat God degenen, die hun ouders eren, naar het uitwendige nog zegent, b.v. door te maken. hen in hun werkkring voorspoedig
111 Werd nu maar even hoge prijs op de onderhouding van dit gebod gesteld door degenen, voor wie het bestemd is! Doch daar is het nog altijd verre vandaan. In verband met de kinderplicht moeten wij ook spreken over de kinderstrijd, waarmee ik bedoel: de strijd, die in het hart van het kind tegen dit gebod ontbrandt, waarvan heel de levensbeweging gedurig de bewijzen te zien geeft.
Onderweiping aan dit gebod zit in het kind niet in. Met het „eren" van de ouders, zoals de Catechismus dat ontwikkelt, is hel kind allesbehalve in het reine.
Het komt al heel spoedig aan het licht. Sla de kinderen maar eens gade ! Ge zult weidra bespeuren, dat een zeer jong kind naar het verbodene haakt. Verbiedt ge het, dit of dat voorwerp aan te raken, dan kunt ge er zeker van zijn, dat het kind kort daarop de hand juist naar het verbodene uitstrekt.
Met het klimmen der jaren neemt het kwaad nieuwe vormen aan. Vooral wanneer het kind de school begint te bezoeken en langzamerhand in kennis toeneemt. Dan meent het al spoedig, ook een woordje te mogen mee spreken. Het onderwerpt zich aan de „goede leer" van vader en moeder niet meer zo voetstoots. Vermaningen vinden geen gerede oren meer. Als het kind gestraft wordt, is het diep verontwaardigd, zo iets als geschonden majesteit.... Het wordt al moeilijker, hoemeer de kinderen knapen en meisjes, straks jongelingen en jongedochters worden. Vooral in de jaren, waarin h-^t leven met volle kracht door de aderen bruist. PMn komt er meestal een periode, waarin zij de wijsheid in pacht menen te hebben. Vooral natuurlijk, wanneer ze méér onderwijs ontvangen dan vader en moeder in de goede oude tijd genoten hebben. Dan is de tegenspraak tegen hetgeen de ouders hun voorhouden schering en inslag . . .. En dan nog, het geduld met de zwakheden en gebreken der ouders is vaak verre te zoeken!
Waaruit komt dit voort ? We kunnen het wel in één woord zeggen. Gemeente! Uit het boze „ik" van het kind, dat zich meer en meer begint te roeren. Eerst onbewust, maar later hoe langer hoe meer met volle bewustheid. Het kind komt langzamerhand zover, dat het enig idee van zelfstandigheid krijgt. En nu is in de grond der zaak de bestemming van het kind wel, zelfstandig te worden : de kinderen van heden zijn immers de vaders en de moeders van de toekomst!
Maar het kind wil zelfstandig zijn, vóórdat de tijd daartoe aangebroken is. Vele ouders hebben hier zeif schuld aan : zij stellen betrekkelijk jonge kinderen haast met grote mensen gelijk. Zij laten stilzwijgend, uit gebrek aan inzicht of uit gemakzucht, toe, dat de kinderen hoe langer hoe meer zich met de ouders op één lijn plaatsen. En dan duurt het niet lang, of het kind staat tegen de ouders op, eerst in stilte, daarna openlijk. Het kind wil niet geregeerd worden, maar zelf regeren ; daarom is het er dan ook op uit, eigen zin door te drijven. Het staat tegen de ouders op, het maakt op alles aanmerking, het tracht zelfs de ouders van hun plaats weg te dringen !
Maar daar moet het kind weten, dat ook het vijfde gebod behoort tot die reeks, waarvan geschreven staat: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen". Wij kunnen zien, welk een ernst God er mee maakt, wanneer wij maar eens letten op de geschiedenis van enkele ongehoorzame zonen uit de Bijbel, die hun ouders de schuldige eer niet gaven. Ik herinner u aan Cham, die zijn vader bespotte en de vloek moest ondervinden. Ik denk aan Absalom, die poogde zijn vader van de troon van Israël te verdringen, en die straks, op deze lijn voortgaande zelfs in openlijke krijg, op jammerlijke manier het leven verloor. Ik herinner u ook nog aan Adonia, die tegen de wil van zijn vader David zichzelf koning maakte. Begenadigd gaf hij zijn pogen nog niet op en werd op bevel van koning Salomo gedood.
Gemeente ! wanneer wij aan deze dingen denken, dan kunnen wij ons niet zonder zelfonderzoek van de kinderstrijd afmaken. Gaat uw levensweg eens na, ouderen zowel als jongeren ; en vraagt uzelf eens af, hoe gij gestaan hebt en ook nu nog staat tegenover dit gebod . . . Wat rijzen er dan een tonelen op voor onze geest, die ons met schaamte moeten vervullen ! Hier was het eigenwijsheid, die volhield tegen alle overtuigende stukken is. Daar was eigenzinnigheid in het spel, die geen afstand wilde doen van wat ons aangenaam was. Daar denken wij terug aan onbetamelijke blikken, die wij openlijk of bedekt op onze ouders wierpen. Ginds doemen uit de diepte der herinnering woorden op, die wij in strijd met Gods gebod onzen vader of onze moeder hebben toegevoegd. En wat het geduld met hun zwakheden en gebreken aangaat, — hoe beschaamd moeten wij ook met betrekking hiertoe staan! Wat een ongeduld, wat een wreveligheid komen ons voor de geest ; wreveligheid over eigenaardigheden, waarmee wij ons niet konden verenigen — om van andere dingen nog maar niet te spreken! Hoe menigeen heeft jegens een ouden vader of moeder de plicht om naar vermogen voor hen te zorgen verzuimd ! Hoe goed wij het ook bedoeld hebben, en hoe
Hoe goed wij het ook bedoeld hebben, en hoe goed ook voor het oog der mensen onze houding geweest is, — zeg eens, wie van ons kan zeggen : ik heb dit gebod gehouden, zoals God het gehouden wil hebben, naar letter en geest beide ? Ook hier geldt: „Wij struikelen allen in velen". Daar is niemand rein.
IV Is dat in waarheid uw belijdenis, dan mag ik u in de laatste plaats ook nog van de kindertroost spreken. Hiermee bedoel ik: de troost, die er voor het kind is.
Als werkelijk door ons hartgrondig erkend wordt, dat het vijfde gebod naar recht niet anders kan doen dan ons veroordelen, omdat wij het gedurig overtreden, — dan is erdroefheid in ons binnenste.
En dan is er tot vertroosting maar één mogelijkheid, n.I. afdoend antwoord op de vraag : hoe kom ik van mijn zonden en van mijn zonde af? Gode zij dank, dat wij hier het antwoord niet behoeven schuldig te blijven. Want het antwoord is hier hetzelfde als elders. Er is immers geen andere Verlosser dan Jezus Christus en daarom ook geen andere verlossing dan door Zijn bloed.
Het bloed van Jezus Christus heeft verzoenende kracht ook ten aanzien van de overtreding van het vijfde gebod. Jezus Christus heeft ook die zonden op Zich genomen ; daartoe is Hij juist als klein kind in de wereld gekomen en langzamerhand opgegroeid, opdat Hij de kinderleeftijd doorlopen zou, als kind onder de kinderen verkeren en zó als Gods Lam hun zonden Zich laten aanrekenen. Maar aan de andere kant heeft Hij heel de kinderleeftijd doorlopen, opdat Hij de wil Gods voor het kind als kind zou leren kennen en volbrengen.
En Hij hééft die volbracht tot op tittel en jota. Hij heeft Zijn ouders geëerd ; niet alleen Maria, maar ook Zijn pleegvader Jozef, want „Hij was hun onderdanig", zoals Lukas getuigt. Hij heeft Zich door hen laten onderwijzen, hun goede leer aangenomen. Voor Hem was het niet nodig. Zich aan hun straf te onderwerpen, juist vanwege de steeds bewezen gehoorzaamheid. Zie ook, hoe Hij aan het kruis nog voor Zijn moeder zorgt, als Hij haar Johannes tot steun geeft, •zeggende : „Vrouwe ' zie, uw zoon !.. . Zie, uw moeder!" Zó is Hij aan het hout der vervloeking geklonken en heeft hieraan de adem uitgeblazen als het onschuldige en reine Godslam, Dat met de Wet in volmaakte overeenstemming was.
Zo heeft Hij met Zijn bloed de zonden verzoend, die wij bedreven, ook tegen het vijfde gebod. Zo blijft dan voor dengene, dia als kind zijn zonden of als volwassene de zonden zijner jonkheid betreurt en de toevlucht neemt tot Jezus Christus, den Gekruisigde, deze troost over: uw zonden zijn verzoend en daarom heeft God ze voor eeuwig achter Zijn rug geworpen !
Dat is heerlijk. Doch hiermee is een arme ziel nog niet volkomen voldaan, 't Gaat om Gods eer en om Gods recht, dat God ook in onze houding tegenover onze ouders aan Zijn recht en aan Zijn eer komt. Dan alleen komt onze ziel tot rust, als zij antwoord heeft op de vraag : welke weg moet ik daartoe bewandelen ?
Het antwoord op deze vraag luidt: door u te houden aan den Heere Jezus Christus, alleen en geheel. Zijn bloed reinigt ook in deze zin van alle zonden, dat het scheiding maakt tussen u en de ongerechtigheid, zoals de Rode Zee Israël scheidde van de dienstbaarheid in Egypte. Op de dood van Christus is Zijn opstanding gevolgd, waarin het waarachtige leven aan het licht kwam : het leven, dat zich uit in een zich bewegen overeenkomstig de wil Gods. Dat leven deelt Christus Zelf door Zijn Geest mee aan allen, voor wie Hij gestorven is en die door het geloof met Hem gestorven zijn. Zó komt het door geloof in Jezus Christus — en daardoor alleen — tot onderhouding van Gods Wet, ook van het vijfde gebod.
Erken dan uw onbekwaamheid en houd u zó aan Jezus Christus. Dan zult gij — al moet gij uzelf veroordelen tot aan uw jongste snik — nochtans uw ouders eren, zoals God het wil. AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 26 februari 1949
Kerkblaadje | 8 Pagina's