H. F. Kohlbr�gge En De Liturgie*)
^e vraag die ik mij gesteld heb, is de volgenie: welke zijn de inzichten van Kohlbrügge geveest ten aanzien van de liturgie, en hoe is ijn houding, in de praktijk, ten opzichte van '.e liturgie geweest? .3e vraag zal verwondering wekken. Op het
.3e vraag zal verwondering wekken. Op het -erste gezicht lijkt ons de kans niet groot, dat "iet onderzoek interessante resultaten zal opleeren. Immers: het komt ons voor, dat Kohl- TÜgge zich niet indringend en nauwgezet met ragen betreffende de liturgie heeft beziggehouden. In ieder geval hebben wij niet de iniruk, dat zijn belangstelling zich uitgesproken n déze richting heeft bewogen. Het verwonert ons dan ook niet, dat in de uitgebreide en lOg steeds groeiende literatuur over hem dit •speet niet of nauwelijks aan de orde wordt ;esteld 1).
vnderzijds moet worden opgemerkt, dat in het Igemeen gesproken bij de behandeling van on-derwerpen en figuren uit de kerkgeschiedenis de liturgische vragen, inzichten en praktijken nog steeds zeer periferisch 2) worden behandeld, terwijl juist verwacht mag worden dat er van hieruit een bijzonder licht valt op de betekenis van de behandelde onderwerpen en figuren, lïet zrl toch niei, kunnen worden ontkend, dat praktisch liturgisch handelen mede een graadmeter is voor het gewicht van theologische overwegingen en inzichten.
Nu moeten wij, wat Kohlbrügge betreft, natuurlijk beseffen te doen te hebben met een prediker en theoloog die leefde in de 19de eeuw.
Elisabeth Moltmann-Wendel heeft opgemerkt, dat met betrekking tot Kohlbrügge te weinig rekening is gehouden met het tijdgebonden karakter van zijn theologie. Het is duidelijk dat dit tijdgebonden aspect zich ook laat gelden, wanneer wij het onderwerp „Kohlbrügge en de liturgie" aan de orde stellen. Mogelijk stuiten wij echter ook op facetten, die niet uitgesproken met het tijdgebonden karakter van Kohlbrügge's theologie te maken hebben. Wij zullen dit vanzelf wel bemerken.
Ik stel mij voor achtereenvolgens het volgende te bespreken:
a. Kohlbrügge en de liturgie, rondom het jaar 1833.
b. Kohlbrügge en de liturgie, rondom het jaar 1845.
c. Het zondvloedgebed.
d. De Formulieren.
e. Het Avondmaal.
f. De Kerkdienst
a. Kohlbrügge en de liturgie, rondom het jaar 1833
Wie zich met beschrijvingen van Kohlbrügge's leven gaat bezighouden 3) ontdekt, dat hij allereerst halt zal moeten houden bij het jaar 1833.
Kohlbrügge, geboren in 1803, afgezet als proponent van de Hersteld-Lutherse gemeente te Amsterdam — in 1827 —, gepromoveerd tot doctor in de theologie te Utrecht — in 1829 —, in de jaren daaropvolgend steeds sterker de gereformeerde belijdenis toegedaan 4) maar uitgesloten van het lidmaatschap van de Ned. Hervormde Kerk, ging op doktersadvies in 1833 op reis naar Duitsland 5) Hij kwam m het Wuppertal, waar hij weldra met verschillende gemeenteleden en predikanten m contact kwam die hem deelgenoot maakten \an hun groeiende ongerustheid en ontevredenheid m verband met de dreigende, deels zeer ingrijpende veranderingen op het gebied van kerkorde en liturgie Veranderingen, die voortkwamen uit een smds 1814 toenemende invloed van de staat, — en 1 c 6) van de Pruisische koning — m deze specifiek kerkelijke aangelegenheden Vanuit Keulen, waar een koninklijk consistorie gevestigd was, werden allerlei pogingen gedaan om de door de koning voorgestane Union 7) en het gebruik van de Pruisische Agende 8) waar hij zelf zo'n groot aandeel m had gehad, door te voeren Er was dan ook sedert 1818 strijd ontstaan tussen aanhangers van de ,,Consistorial-Verfassung" 9) en aanhangers van de „Presbyterial-Verfassung" 10) Met name leefde deze strijd m de Reformierte Gememde 11) te Elberfeld, waarbij ook predikanten als G D Krummacher betrokken waren Wat de weerstand tegen de voorgestelde Agende betreft horen wij van vrees ten opzichte van o a de rooms-katholiek klinkende doopformule 12), het gebruik van crucifix 13), van kaarsen op de avondmaalstafel en — wat betreft de begrafenis — van het werpen van aarde op de kist Hoe het zij, men kan licht vermoeden, dat er m de ,,reformierte Gememden" de nodige weerstanden opgeroepen werden Men voelde zich bedreigd door maatregelen van bovenaf en door voorstellen die men, terecht of ten onrechte, wantrouwde Het was de eigen, bekende traditie en praktijk die werd aangetast en daa^stelde men zich tegen te weer „Het valt waarlijk met te ontkennen, dat de gehechtheid aan de oude sobere en gebruikelijke inrichting van de eredienst zwaarder woog dan de overtuiging, dat de koninklijke voorschriften inzake de liturgie m strijd waren met de Belijdenis — deze overtuiging leefde slechts bij weinigen Maar het was stellig onverstandig om te denken, dat men piëteit en trouw door dwang zou kunnen breken, en dat werd geprobeerd" 14) Vooraan m het verzet tegen Union en Agende stonden m Elberfeld de gebroeders Daniel en Carl von der Heydt, van wie vooral de eerstgenoemde woordvoerder, van de opposanten zou worden 15) Kohlbrugge stond aan hun zijde, hoewel hij zich ook tegenover deze opposantengroep critisch kon uiten Door alles heen is te bemerken dat zijn verzet niet zozeer opgeroepen werd door de kerkordelijke en liturgische veranderingen en bepalingen op zich zelve, als wel door de, van de kant van de staat en de koning, bedreigde zelfstandigheid van de kerk, en de aantasting van de vrijheid van de gemeente op deze terreinen 16) Men hoort het ook duidelijk nog doorklinken m de toespraak die Kohlbrugge m 1871 hield, en waarin hij ook over deze periode sprak , Daarop volgde de geschiedenis met de Agende en de nieuwe kerkorde Neemt ter harte, jonge mensen, wat ik u nu zeggen ga, want gij beseft niet, wat uw ouders terwiUe daarvan hebben doorgemaakt en geleden De weleerwaarde heren predikanten spraken overal m de gemeente als hun mening uit, dat de aanneming van de kerkorde en van de Agende een verderf zou zijn voor de gemeente te Elberfeld De Heilige Geest zou m de gemeente geen heerschappij meer voeren, en het zou met de gereformeerde waarheid gebeurd zijn, als de Agende aangenomen zou worden Ook mij werd toentertij'' gevraagd, wat ik van de invoering ervan dacht, en ik antwoordde „Onder geen vooi-
Samenvattend kan gezegd worden, dat voor Kohlbrügge de verhouding Kerk—Staat in het geding was en dat hieraan de feitelijke vermderingen inzake kerkorde en liturgie volledig ondergeschikt waren. Zó ondergeschikt, dat dj niet eenmaal expliciet aan de orde konden 'vorden gesteld of op hun gedetailleerde mériies werden bekeken. Hoewel ze in het geding varen, ze waren niet in het geding.
:>. Kohlbrügge en de liturgie, rondom het jaar 1845
.11 de jaren tussen 1834 en 1845 woonde Kohlbrügge in Nederland. Hij leefde mee met wat n Elberfeld gebeurde en bleef schriftelijk en nondeling in voortdurend contact met de oppositionele groep binnen de Evangelisch-Refornierte Gemeinde aldaar. Maar zijn critische nstelling, ook tegenover de oppositionele roep van de Von der Heydt's c.s., blijft be- . taan. In begin januari 1844 uit hij zich, bij oen bespreking van Hebreeën 6 : 1—5, tegenover Wichelhaus, zonder namen te noemen, aiaar voor de ingewijden op niet mis te vertane wijze, als volgt: „Het eigenaardige in jet eerste en tweede vers ligt hierin, dat men aeent, dat de mensen zich toch méér door de vern dan door de schaal hadden moeten laten unemen; het ging hiermee echter, zoals het ook aans nog gaat, nu menigeen, als hij zó spreekt, et doet voorkomen alsof hij slechts door het nzichtbare in beslag genomen is, terwijl het bij .em toch alleen maar aan de oppervlakte ligt; in ..ijn binnenste evenwel is heel zijn God slechts lit, dat hij de kerk heeft verlaten, dat hij zijn mderen niet laat dopen 18), dat hij de Agen- '-e verafschuwt. Zijn gemeente bestaat uit zul- 'en, die op dit punt met hem overeenstemmen. 'Van het zichtbare is het hart niet afgestorven, •naar het maakt zich hieruit nog heel wat, zo niet alles. Wèl hem, die zichzelf nauwkeurig ' nderzoekt!" 19).
')mstreeks Pinksteren 1846 bereikte hem het • erzoek van enkele tientallen vroegere leden 'van de gemeente om naar Elberfeld te komen. 'p de zondag na Pinksteren werd in een huis de eerste dienst gehouden — zonder gezang —, waarbij 35 personen aanwezig waren. Kohlbrügge bleef niettemin zijn eigen weg gaan, en liet zich, tot grote woede van o.a. Carl en Daniel von der Heydt, in november 1846 opnemen in de Evangelisch-Reformierte Gemeinde 20). lil L_jn schriftelijk verzoek maakte hij duidelijk dit te verlangen „met voorbehoud van Agende en kerkorde". Een voorbehoud dat door de predikant Ball als volgt geredigeerd werd: 21) „ . . . . onder voorwaarde, dat de intrede in de gemeente hem tot niets, wat in eredienst 22) of kerkorde met de gereformeerde belijdenis in strijd is, met name niet tot de Landes-Agende, verplicht . . . ." 23). Na opname in de gemeente schreef Kohlbrüg
Na opname in de gemeente schreef Kohlbrügge aan de hofprediker Strauss een brief, waarin o.m. ook de Agende-kwestie werd aangeroerd. „Hij heeft mij daarop het antwoord doen toekomen, . . . dat ik tegen de Agende geen bezwaar zou hebben, als ik die maar nauwkeuriger kende", zo schreef Kohlbrügge in december 1846 aan Wichelhaus. Hij voegde er aan toe: ,,Wat de Agende aangaat, — ik heb een vrijwillige Agende voorgesteld, d.i. zoals zij in de Nederlandse en Franse Hervormde gemeenten van oudsher gebruikelijk is geweest" 24). Hier horen we in welke richting Kohlbrügge's eigen gedachten ten aanzien van de liturgie gingen. Het zij echter nogmaals gezegd, dat uit niets blijkt dat juist op dit terrein voor hem de eigenlijke beslissingen vielen. In 1871 zei hij: ,Jn Elberfeld aangekomen trof ik in kerkelijk opzicht een treurige toestand aan. Let op, jonge mensen! Uw ouders gingen niet meer naar de kerk; want de Agende, zij het ook slechts de Kleine, was ingevoerd. Ook al hadden de predikanten zich aanvankelijk daartegen verklaard, toch waren zij later teruggeweken voor de bedreigingen, die tegen hen werden ingebracht, en zij hebben toegegeven. Maar de Here heeft eens op verschrikkelijke wijze vanuit de hemel geantwoord en laten zien, hoe weinig het Hem behaagde, wat er in Elberfeld gebeurde. Toen ik dus te Elberfeld kwam —kinderen, let goed op! — gingen velen van uw ouders niet meer naar de kerk, ja sommigen werkten zelfs op zondag, en omdat zij de rechte prediking van het Woord Gods niet hadden, was er ook allerlei strijd en ontwrichting. De één hield er deze, de ander die vreemde opvatting op na. Dat was verschrikkelijk! Nu ging ik tot de andere predikanten en zeide: Mijne Heren, ik ben hier gekomen terwille van de verstrooide schapen, met wie ik sedert het jaar 1833 verbonden ben, maar die nu zo in de woestijn aan het dwalen zijn. Zij moeten vergaderd worden, helpt mij daarbij! Neemt mij aan als lidmaat van uw gemeente; maar één ding zeg ik: ik protesteer tegen Union en Agende, en als zodanig moet gij mij aannemen! Zij namen mij ook aan, maar toen ik aangenomen was, werd er gezegd: ik moest uit Elberfeld weg. „Neen", zeide ik, „dat niet! Ik zou het wel graag willen doen; want ik ben tegen de stichting van een afzonderlijke gemeente en heb de Evangelisch-Reformierte Gemeinde van Elberfeld hartelijk lief. Maar ik ga niet weg. Ik trek mij het lot van de verlaten schapen, die gij terugstoot, aan; die beschouw ik als mijn schapen en laat u uw beproefde gelovigen. Alleen maar, vervolgt mij niet!" 25). Intussen, er werden sinds 1846 samenkomsten,
Intussen, er werden sinds 1846 samenkomsten, kerkdiensten, gehouden. Het grote moment waarop de groep rondom Kohlbrügge zich als Niederlandisch-Reformierte Gemeinde officieel kon konstitueren, brak aan op zondag Miserere, 18 april 1847, dank zij het door Friedrich Wilhelm IV op 30 maart 1847 uitgevaardigde „Religions-Patent", ook „Toleranz-Edikt" genoemd 26).
In de Akte van Konstitutie van deze zondag werd onder meer verklaard: „Aangezien het noch de bekoring van het nieuwe, noch de begeerte naar een willekeurige, ordeloze vrijheid, maar de vreze Gods is, die hen bij dit konstitueren van een eigen gemeente leidt, kiezen zij met alle vrijmoedigheid voor de leer en voor de orde, zoals die van oudsher in de naar Gods Woord gereformeerde kerk gehandhaafd zijn. Derhalve zullen zij, wat de leer betreft, de belijdenisgeschriften (met name de Heid. Catechismus uit het jaar 1563, de Geloofsbelijdenis van de Hervormde Kerk van Nederland, in het jaar 1566 aan keizer Maximiliaan II ter hand gesteld, en de Geloofsbelijdenis van de Schotse Kerk, zoals de Hervormde predikanten die in 1559 hebben aangeboden) en de formulieren van de Hervormde Kerk, en wat de kerkorde betreft, die van Jülich-Berg uit het jaar 1654 in. de geest van deze geschriften, waarvoor de vaderen, uitnemender gedachtenis, goed en bloed hebben opgeofferd, aan hun thans te konstitueren gemeente ten grondslag leggen" 27).
Op 28 april 1847 werden kerkeraadsleden gekozen (3 ouderlingen, 3 diakenen), maar het zou nog, tot het volgende jaar mei duren vooraleer de ordinatie van Kohlbrügge (onder handoplegging door de ouderlingen) geregeld was 28). Op zondag 14 mei werden na de prediking 30 kinderen gedoopt, op Ie Pinksterdag door meer dan 260 communicanten het avondmaal gevierd. Voor velen de eerste avondmaalsviering sedert de invoering van de Agende.
c. Kohlbrügge en het zondvloedgebed
Prof. Dr. W. J. Kooiman heeft indertijd een fraai artikel geschreven over de geschiedenis van het in het doopformulier voorkomende zogenaamde zondvloedgebed 29). Daarin spreekt hij met veel waardering over Kohlbrügge, die, anoniem, in 1855 een apart geschrift hierover liet verschijnen 30).
Vele predikanten in Nederland hadden het opgegeven het gebed te bidden, dat aldus begon: „O almachtige, eeuwige God; Gij die naar Uw streng oordeel de ongelovige en onboetvaardige wereld met de zondvloed gestraft hebt, en den gelovigen Noach zijne acht zielen uit Uwe grote barmhartigheid behouden en bewaard; Gij die den verstokten Pharao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de doop beduid werd; wij bidden U . . ." In een uitvoerig onderzoek, waarin hij vee] aandacht schonk aan de nieuwtestamentische en patristische gegevens 31), pleitte Kohlbrügge voor handhaving van deze passage.
Het is nu in dit geschrift dat Kohlbrügge opeens verwijst naar het begin van het doopfornulier van de .Pruisische Agenda. Het blijkt i^ooral het kruisteken te zijn, dat een doorn is ,n zijn oog: het herinnert aan Rome. Ik citeer ut dit gesprek:
.Neef: Is dat vertaalde formulier van LUTHER nog lang in stand gebleven in de Luthersche kerken?
)om: Volgens CALOVIUS werd het op het einde van de 17e eeuw n,og algemeen in dezelve gebruikt. En in de Agenda voor de Evangelische kerk in Koninklijke Pruisische landen wordt het als gebed No. 2 opgegeven, zoodat men zich volgens die Agenda van een daarin voorgeschreven gebed bedienen kan, indien men den zondvloed en de Roode Zee, enz., niet gaarne noemt.
leef: Zulk eene Agenda zou mij bevallen.
'om: Maar Neef, gij zijt zoo licht geneigd om wat op Gods Woord gegrond — en dus Gereformeerd is, van roomsche afkomst te verdenken, wat denkt gij dan wel dat gij te doen en te zeggen zoudt hebben, als gij onder die Agenda stondt, of b.v. Pruisisch hof prediker waart?
N^eef: Dat weet ik niet, Oom!
)om: Zóó luidt de aanhef van het doopsformulier van die Agenda:
„Geestelijke: In den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen.
(Korte aanspraak en vermaning van den geestelijke vóór den doop, waarbij over het algemeen de woorden van Christus, St. Matthaei, cap. 28 : 18, 19, ten grond gelegd worden).
Geestelijke: De geest van den onreine make plaats voor den Heiligen Geest. (Deze woorden kunnen ook naar believen weggelaten worden).
[Het teeken van het kruis op het voorhoofd en op de borst].
(Tot den doopeling). Ontvang het teeken van het kruis op het voorhoofd en op de borst, tot een teeken, dat gij door den gekruisigden Christus verlost zijt".
eef: Dat zou zeker niet gereformeerd wezen!
nm: Gij zoudt toch . . . zóó doopen moeten, of uw ambt neerleggen.
'eef: Wat wilt gij daarmede zeggen, Oom!
)om: Dat gij lieden toch geen aanstoot moest nemen aan den aanhef van een gebed, dat goedgekeurd is door de grootste mannen onzer gezegende Reformatie, opdat u niet te eeniger tijd wat opgelegd wordt, dat u nog anders ten aanstoot zou kunnen zijn".
'•'ot zover dit gesprek, waarin Kohlbrügge zijelings in een bepaald betoog, een voorbeeld '?eft van bezwaren tegen de Pruisische Agende. In mijn betoog moge ik er zijdelings opmerkzaam op maken, dat de Wassenaarse predikant L. J. van Rhijn 32) in 1856, in een bespreking van Kohlbrügge's geschrift, wat betreft de aanhef van het doopformulier, bekent door Kohlbrügre tot andere gedachten te zijn gebracht 33). Kohlbrügge's geschrift zal ongetwijfeld op verscheidene lezers in die tijd indruk hebben gemaakt. Men kan het een populair geschrift noemen, hoewel toch ook wel met enig recht een opvallende studie over een liturgisch onderwerp.
d. De Formulieren
In de Kohlbrügge-literatuur stuit men meer dan eenmaal op de aandacht die geschonken is aan de veranderingen, die door Kohlbrügge in de formulieren van de Pfalz, met name die van Doop en Avondmaal, zijn aangebracht. Deze veranderingen, aanvullingen, correcties, ingrepen, — of hoe men ze wil aanduiden — zijn inderdaad geheel in overeenstemming met de theologische inzichten en de prediking van Kohlbrügge.
Het ligt voor de hand dat het oordeel over de betekenis van deze bewerking van de formulieren ten nauwste samenhangt met het oordeel dat men velt over Kohlbrügge's theologie. Iemand als Elisabeth Moltmann-Wendel, die van mening is dat zijn theologie gekarakteriseerd is niet door terugkeer tot, maar door afwending van de Reformatie 34), zegt dan ook onomwonden van b.v. het gewijzigde doopformulier, dat het niet meer is „een belijdenis der vaderen, maar een dokument van de theologie van Kohlbrügge" 35).
Kohlbrügge zelf, die zeer op de formulieren gesteld was, en die b.v. van het doopformulier kon zeggen „ . . . een Formulier van zulk een gehalte dat, ofschoon ik zeer goed weet, Wie mij gezonden heeft en Wie mij de prediking geeft, ik aan de andere kant toch alle leerredenen voor dit ene Formulier zou geven" 36), — Kohlbrügge zelf schreef in mei 1848 aan Wichelhaus: ,,De veranderingen, waarmee ik in het doopformulier sommige dingen heb weergegeven, zonder ingrijpende wijzigingen aan te brengen, hebben de gemeente zeer toegesproken" 37). En een maand later, eveneens aan Wichelhaus: „De verbeteringen, die ik ook in het avondmaalsformulier heb aange-bracht, zijn de gemeente bijzonder goed bekomen" 38). In de in 1850 in Elberfeld gedrukte „Belijdenisgeschriften en Formulieren van de Nederlands-Gereformeerde Kerk te Elberfeld" wordt het zó omschreven: „Bij de bediening van de sacramenten zowel als bij de bevestiging van het huwelijk worden de formulieren van de Paltsische liturgie van 1585 gebruikt. In het doop- en avondmaalsformulier zijn voor het gebruik van onze gemeente enige veranderingen aangebracht, die aan de oorspronkelijke betekenis een duidelijker en scherper stempel geven" 39).
Het zou ons te ver voeren nader op deze hele kwestie in te gaan. Bij de beantwoording van de vraag: hoe hebben wij de aangebrachte veranderingen te beoordelen, dienen immers in de eerste plaats de stukken volledig, in parallelle kolommen, op tafel te komen, en in de tweede plaats zal, zoals ik reeds zei, bij de nadere beoordeling de waardering van Kohlbrügge's theologie van doorslaggevend belang zijn.
Wij kunnen daar in dit verband slechts naar verwijzen. Het ging er ons om, dat bij de behandeling van het onderwerp „Kohlbrügge en de liturgie" in ieder geval op deze ingreep in de liturgische formulieren gewezen diende te worden.
Een nadere bestudering van Kohlbrügge's formulieren loont zeker de moeite, zoals uit het hiernavolgende moge blijken.
e. Het Avondmaal
Op een bepaald moment van de avondmaalsviering, zoals dit in het formulier staat aangegeven,wil ik graag iets nader ingaan. Ik doel op de nodiging.
Bekend klinkt ons in de oren: „Opdat wij nu met het waarachtige hemelse brood Christus gespij zigd mogen worden, zo laat ons met ons hart niet aan het uiterlijke brood en de wijn blijven hangen, maar onze harten en ons geloof opwaarts in de hemel verheffen, waar Christus Jezus is, onze Voorspraak, ter rechterhand van Zijn hemelse Vader, waarheen ons ook de artikelen van ons christelijk geloof wijzen, en niet twijfelen of wij zullen zó waarachtig door de werking van de Heilige Geest met Zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespij zigd en gelaafd worden, als wij het heilige brood en de wijn tot Zijn gedachtenis ontvangen". Hierop volgt: „Thans zal de dienaar der kerk, terwijl hij Spreuken 9 : 1—4 voorleest, de gasten aan de tafel des Heren nodigen; vervolgens het brood breken en hun toereiken, zeggende: Het brood, dat wij breken, is de gemeenschap aan het lichaam van Christus" 40).
Als een volkomen nieuw element duikt hier een nodiging op, die bestaat uit de verzen Spreuken 9 : 1—4. In de (door Kohlbrügge gebruikte, D. V. H.) vertaling van Luther luiden de verzen 1—5:
(1) „De Wijsheid bouwde haar huis en hieuw zeven pilaren,
(2) slachtte haar vee en diende haar wijn op en bereidde haar tafel
(3) en zond haar dienstmaagden uit, om te nodigen [latere revisie: roepen] boven op de paleizen [latere revisie: de hoogten] der stad:
(4) „Wie ,albern' — eenvoudig — [latere revisie: onverstandig] is, die kere zich hierheen!"
(5) Komt, eet van mijn brood en drinkt van de wijn, die ik schenk".
Het kerngedeelte van deze opwekking om deel te nemen aan het gastmaal der Wijsheid is vers 4: „Wie ,albern' — eenvoudig — [later: onverstandig; vgl, Statenvertaling: slecht 41): later: onverstandig] is, die kere zich hierheen". Op deze centrale plaats, bij de nodiging tot het avondmaal, worden in Kohlbrügge's gemeente diegenen gevraagd te komen die „albern" zijn. Wie zijn dat?
„Albern" is „einfaltig" — eenvoudig —, jong. onervaren, licht te verleiden, wat nog iets geheel anders kan betekenen dan de typisch 19e eeuwse vertaling ,.onverstandig", met zijn sterk rationele klank.
De vraag is nu: wat heeft Kohlbrügge zélf in „albern" gehoord?
In een in 1858 gedrukte leerrede, die door Kohlbrügge zelf uit het Duits in het Nederlands was vertaald, en die handelde over „De drie stukken van ons formulier om het heilige nachtmaal te houden", zegt hij: „De uitnoodiging geschiedt aan allen die slecht zijn, dat is: die vanwege hun zonden en vervloekinge niet weten waar anders heen. De uitnoodiging luid" immers aldus: Wie is slecht? hij keere zichherwaerds, tot den verstandeloose seyt sy: kornet, etet van mijn brood, en drinket van den wijn. (dien) ik gem,engd hehhe. Dat is de stem van Christus de Opperste Wijsheid. Zoo beproevc dan allereerst een iegelijk zichzelven, of hii zich zoo bevindt, of hij dus zonder vonden tu zoeken, recht en slecht, in allen eenvoud, zonder veinzerij, hoogheid des harten en der oo gen, en zonder zich iets aan te matigen, nadert Een iegelijk zal zóó naderen, die zijne zonde er vervloeking bedenkt, een iegelijk die God; toorn tegen de zonde overweegt en juist daar-om met zielehonger en zieledorst aankomt, me; het oog der ziel alleen ziende in allen eenvoud op den eeuwiggeldenden losprijs, welken de Heer e Jezus alleen heeft aangebracht; alleen ziende op Zijne groote liefde, waarin Hij onze vervloeking op zich heeft genomen, en waarin Hij de straf, die ons den vrede aanbrengt, voor ons. Zijne uitverkorenen, gedragen heeft".
Jaren later sprak Kohlbrügge tijdens een catechisatie over de nodiging tot het avondmaal. Wij vallen ergens midden in zijn gesprek met de kinderen: „ . . . Komt men tot het heilig avondmaal gedwongen of genodigd? Wie mogen tot de tafel des Heren komen? Van welke uitdrukking bedien ik mij, wanneer ik tot het •leilig avondmaal nodig?
-TC.: „Wie ,albern' is, die kere zich hierheen".
P.: Dat is toch een eigenaardig woord; „Wie .albern' is"; wat zou er toch eigenlijk moeten staan? Wat betekent het wel?
<..: Wie dom is.
?.: Albern, — hoe moet het worden opgevat?
'<..: Wie onverstandig is.
?.: Nog meer.
•<..: Eenvoudig.
-\: Vrij goed.
V.: Wie troosteloos is.
-'.: Goed, nog meer. i.: Wie begeerte, verlangen heeft.
i.: Wie begeerte, verlangen heeft.
'.: Wanneer iemand gestolen heeft, en de politie achtervolgt hem, die is „albern", wanneer hij wat doet? V..' Wanneer hij ontvlucht.
V..' Wanneer hij ontvlucht.
^: Integendeel; hij is ,,albern", wanneer hij niet ontvlucht. Wanneer een jongen zeer verkeerd is, en het is hem gezegd: Wanneer je morgen op school komt, dan krijg je een pak slaag, dan is hij toch wel „albern", wanneer hij naar school gaat. Wat gevoelt een ieder, die ,,albern" is?
V.: Zonden.
-.: Bedreigt hem straf?
L: Ja.
\: Wanneer hij dus aan de tafel des Heren komt, waar is hij bang voor? Dat hij het avondmaal onwaardig zou kunnen gebruiken. Daar is hij bang voor. Heeft hij daar reden voor?
V.: Ja.
-'.: Nu ja, hij heeft daar reden voor; want de wet zegt: „Wie onwaardig van dit brood eet, en van deze beker drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, doordat hij niet onderscheidt het lichaam des Heren". Omdat hij nu bang is, en hij komt toch aan de tafel, — wat is hij op zichzelf beschouwd?
^-: „Albern".
• '•'• „Albern", want hij zegt bij zichzelf: „Slagen heb ik verdiend; die mij echter roept, is Jezus; Die zegt, dat ik toch komen mag". Geweten en wet zegt: „Gij zijt ,albern', gij eet u het avondmaal tot een oordeel"; de ziel waagt het echter, tot de maaltijd waartoe zij genodigd is, te komen, want de Here Jezus zegt het. — Waarin bestaat de waardigheid, die de Here Jezus van ons eist?
K.: Dat wij onszelf zó beschouwen, als wij zijn, over onze zonden berouw en smart gevoelen, maar al onze hoop op Christus stellen" 42).
Ik meen, dat wij hier. bij de nodiging, tot het avondmaal, bepaald doorgedrongen zijn tot het hart van Kohlbrügge's theologie: de mens, die „albern" is en ,,albern" zich gedraagt, aan wie niets duidelijk is dan zijn eigen onheiligheid, hij komt en nadert, i s en gedraagt zich als een heilige, omdat het Woord van God, Christus Jezus, het enige .is, dat voor hem geldt, — de enige is, die voor hem alles is. De mens leeft alleen bij de gratie van Gods betrouwbaarheid. Met andere woorden wordt het, kort en krachtig, door hem in zijn catechismus gezegd. Vraag: „Waaraan kan ik weten, of ik uitverkoren ben?" Antwoord: „De tollenaar stond van verre" 43).
Het vermoeden is sterk, dat Kohlbrügge met grote vreugde Jan Wit's lied — naar Spreuken 8 en 9 — als avondmaalsgezang zou hebben laten zingen:
(vers 5) „De opperste wijsheid, de vrouwe
die hoog is, edel en rein
heeft hier haar paleis laten houwen
en open hof zal het zijn.
O komt tot de zeven pilaren,
eenvoudigen, dolende scharen,
breekt hrood, drinkt bloedrode wijn.
(vers 6) Ja, hier is het leven te winnen
dat opweegt tegen de dood,
die dienst van de hemelse minne
die God van oudsher gebood,
de stralende vrouwe, de schone,
de wijsheid die bij u wil wonen
en zelf aan tafel u noodt" 44).
Hierbij kan ook nog worden opgemerkt, dat de pericoop uit Spreuken 9, — het gastmaal der wijsheid, — lang vóór Kohlbrügge in de traditie van de Kerk (ik denk met name aan kerkvaders als Ambrosius en Cyprianus) voorkomt als voorafbeelding van het avondmaal 45). Het bleek ons reeds bij de bespreking van het zondvloedgebed, dat Kohlbrügge niet onbekend was met gegevens uit de patristische literatuur 46). Is hij bij zijn studie van de patres 47) wellicht ook op de verbinding van Spreuken 9 met het avondmaal opmerkzaam gemaakt? Hoewel, zijn visie op het Oude Testament zelve kon hem hier evenzeer de richting wijzen
f De Kerkdienst
Een vraag die nog op beantwoording wacht, is die naar de orde van dienst m Kohlbrugge's kerkdiensten Er is een vrij uitvoerig bericht, dat hierop betrekking heeft 48) Men kwam op de zondag samen 's morgens en 's avonds, op de overige feestdagen m de regel 's morgens, op Goede Vrijdag 's avonds Viel de Ie Kerstdag op een weekdag, dan waren er ook twee diensten, evenals wanneer de 2e Kerstdag op een zondag viel De zondagmorgendienst duurde van 10 uur tot kort voor 12 uur De gemeente kwam samen, liefst vóór de organist begon te spelen 49) Na dit voorspel werd gezongen „Het zingen van de psalmen is de macht en heerschappij van de gemeente", en „Het gemeenschappelijk zingen van de ge^ meente heeft een wonderbare macht, het is een macht tegen de hel", en — om nog een uitlating van Kohlbrugge te geven „Ik sla slechts op, — en hoe vaak, hoe vaak is het op zondag juist gebleken, dat gezongen werd, wat nodig was" 50)
Onder het zingen van het laatste vers van het mtroitus-lied kwam de voorganger de kerk binnen, deed een stil gebed onder aan de kansel en gmg dan de kansel op Het votum werd door hem uitgesproken („Onze hulp"), waarna de m Nederland zo genoemde „voorafspraak" gehouden werd 51), een inleiding op de prediking Het gebed, dat daarop volgde, was een lang, vrij gebed 52) Doorgaans zonder toespelingen op de schriftlezing of de tekst In dit langere voorgebed komen aan de orde dankzegging, schuldbelijdenis, verheerlijking van Gods genade, en de voorbeden In de voorbede worden genoemd de armen, de zieken — een enkele keer met naam en toenaam 53) —, de stervenden, de weduwen en wezen, de gemeente, stad en land en niet te vergeten de kinderen, en de keizer 54)
Na dit gebed werd opnieuw gezongen, zeer openhartig — want zó werd en wordt het zingen maar al te vaak opgevat — als volgt omschreven „Een tussenpoos alvorens overgegaan wordt tot de prediking wordt met een kort lied gevuld"
De prediking duurde doorgaans ruim een uur. Verondersteld werd, dat de gemeenteleden zelf m hun bijbel de pericopen en teksten opsloegen Het dankgebed na de prediking was kort Voorbeeld „Wij zeggen U lof en dank, Here Jezus Christus' Wij bidden U, geef ons, dat wij Uw Woord m een oprecht hart bewaren, opdat het vrucht drage Geef ook, dat wij Uw almacht hoger achten dan alles, wat wij zien en gevoelen Amen" 55)
Afkondigingen werden gedaan voor of na de preek „Het slotlied bestaat uit 1—2 verzen; daarna wordt de gemeente, nadat de predikant overeenkomstig de vermaning van de apostel „Vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid met" aan de behoeftigen gedacht heeft weggezonden met de zegen des Heren, die de gehele gemeente staande ontvangt"
De orde van de namiddagdienst was vrijwel gelijk aan die van de morgendienst De doop werd bediend in aansluiting op de zondag morgendienst, en wel op een tijdstip dat 5—10 kinderen gedoopt konden worden De voorgan ger stond bij de bediening op de laagste trede van de kanseltrap, het doopbekken was aan d^ kansel bevestigd
Het avondmaal werd viermaal 's jaars gevierd op Ie Paasdag, Ie Pinksterdag, Ie Kerstdag er op een zondag m oktober Ook dit sacrameni werd in de morgendienst gevierd Eerst gmger de mannen aan tafel Tijdens de communie werd door de voorganger een meditatie gehou den, bij het wisselen van de tafel werd gezon gen
Wat betreft het kerkelijk jaar dit werd, uit gezonderd de hoge feestdagen en een lijdenstijd van zes weken, niet gevolgd. Veelal werden bijbelgedeelten of bijbelboeken in lectio continua 56) gelezen en uitgelegd. Ook zó, dat in de avonddienst de lectio 57) van de morgendienst werd voortgezet. In 1887, twaalf jaar na de dood van Kohlbrügge, zei zijn opvolger Ds. Künzli in een preek: „Wij zijn nu wel gewoon de ordeningen van het zogenaamde kerkelijk laar, volgens welke iedere zondag zijn eigen benaming heeft, te veronachtzamen", maar, zo voegde hij er aan toe, zondag 18 april 1847 (de zondag waarop de gemeente zich konstitueerle) was toch de zondag Miserere „Erbarm U )nzer": wat toen gebeurde was een daad van 'jrods erbarmen! 58)
Wat wij aan het begin als vermoeden al uitspraken, wordt door de hier gegeven schets Devestigd: Kohlbrügge was — wat de liturgie betreft —• niet specifiek, niet wezenlijk geïnteresseerd. Hij bewoog zich binnen het kader van ie situatie zoals deze met name in de Ned. Hervormde Kerk en in de gemeente te Elberfeld omstreeks het midden van de vorige eeuw •oestond. Ook vanuit zijn theologie werd hij niet langemoedigd om te gaan in de richting van andacht voor uiterlijke vormen en gebruiken. Deze dienst van God, waarover wij spreken, estaat niet zozeer in het inachtnemen van de iterlijke dienst of van godsdienstige gebruipu, maar veeleer hierin, dat de mens erkeni, at hij Gods dienstknecht is . . . .". — „De londslag van de dienst van God is God Zelf, . ." — „ • • • het wezen van de dienst van Tod ... de kennis van God". — „De regel van e dienst van God . . . kan niet op menselijk jeddunken en eigen wil berusten ...". — „Tot 2 dienst van God behoort de openbaring van ajn heilige en alleen wijze wil" 59). )ok vanuit zijn theologie werd hij, zei ik zoaist, niet aangemoedigd om veel aandacht te esteden aan uiterlijke vormen en gebruiken, loewel, bij nader inzien, zal dit toch te onge- .uanceerd uitgedrukt zijn. Een merkwaardige ntboezeming uit het jaar 1844 (dus vóór zijn lefinitief vertrek uit Nederland naar Duitsand) vinden wij in een brief aan Mej. P. Drost: In de Openbaring (21, vs 22) is de Hemel de imenwoninge des Heer en met de Zijnen. Eene are Openbare Kerk, d.i. een steenen of houn gebouw van aanmerkelijke grootte, waar jer velen in te zamen komen, en een of meer eeren en de sacramenten bedienen en waar an eenige jaren achtereen het Woord Christi erkondigd wordt, is er sedert de Apostelen niet geweest en zal er ook niet komen. Komt er eens een uit derzelver midden op, die dat Woord predikt, dat altijd gebeurlijk is, de besten zullen hem het eerst dooden.
Dit alles neemt de verplichting van de menschen niet weg, dat zij het Woord Christi leeren en doen. Maar volgens de Openbaringe zijn alle de kerkelijke inrichtingen, die er nu 18 eeuwen geweest zijn, vervloekt, niet per se op zichzelve, maar omdat zij overal het getuigenisse Jezu verworpen hebben en verwerpen. Gods intentie was en is evenwel dat zij dat aannemen en dan ware het goed, al ware er ook anders veel op aan te merken van die, die zich beter waanden" 60).
Wij hebben gezien, welke belangrijke rol de strijd over de invoering van de Pruisische Agende gespeeld heeft in de jaren waarin de contacten tussen Kohlbrügge en de gemeente te Elberfeld gelegd zijn. Wij hebben echter ook gezien, hoe deze strijd en deze verwikkelingen voor hem niet van doorslaggevend belang zijn geweest. Hij conformeerde zich aan de oppositionele groep, overigens niet zonder zijn zelfstandigheid ook tegenover hen te bewaren, en zag het als zijn eerste en enige taak om het Woord van God te verkondigen en „de verstrooide schapen" weer bijeen te brengen.
Op 19 maart 1868 vertelde hij op catechisatie: „In het jaar 1835 werd hier in de gemeente een Agende ingevoerd, dat is: een aanwijzing, hoe de predikanten in de kerk behoren te bidden. Het verdroot namelijk koning Friedrich Wilhelm III, dat in zijn land tal van predikanten geheel onvoorbereid op de kansel kwamen en zo veel veronachtzaamden. Verder was het ook zijn wens, de Hervormden en Luthersen zoveel mogelijk met elkander-te verenigen. Het was voor een koninklijk hart iets moois, daaraan te denken. Zo houd ook ik zeer veel van Luther en heb van Luther veel meer gelezen dan van Calvijn. Het beste, wat de Lutherse Kerk van oudsher bezat, is mij in hoofd en ziel gedaald, zodat ik het in mij omdraag. Toen ik nu in het jaar 1833 hier was, werd er veel over de Agende gesproken. De mensen, die toentertijd leefden, uw ouders en grootouders waren verschrikkelijk tegen de Agende. Ook de predikanten waren ertegen en wilden haar aanvankelijk volstrekt niet aannemen. Ik was als gast hierheen gekomen. Telkens wanneer ik preekte, was de kerk propvol. Door de regering in Coblenz gevraagd of ik de Agende zou aannemen, wanneer ik een beroep hierheen ontving, antwoordde ik: „Neen, dat is wellicht goed voor de kerken van andere provincies, maar voor de kerken van de Rijnprovincie is het verderfelijk, vooral omdat de beste gemeenteleden ertegen zijn. Overigens zult gij met deze Agende alleen maar een brug voor de Roomsen bouvv^en en uzelf verzwakken'". Dat werd mij kwalijk genomen . . .". En voor wat betreft zijn komst in 1845, vertelt hij: „Aangezien ik nu de Hervormde gemeente van vroeger tijd af kende en wist, dat er tal van kinderen Gods in haar midden waren, had ik haar werkelijk liefgekregen. Deze verstrooide en verweesde gemeenteleden beriepen mij hierheen en ik volgde hun roepstem op. Ik wist uit betrouwbare bron, dat ik door mijn connecties in Berlijn de gemeente alhier van de Agende zou kunnen bevrijden" 61).
Concluderend kan gezegd worden, dat de bezwaren tegen de Agende voor hem niet van principiële maar van practische aard zijn geweest. Anderzijds blijkt, uit zijn bewerking van de formulieren en van de avondm^aalsliturgie, dat ook Kohlbrügge wist: „Legem credendi lex statuat supplicandi" 62).
) Lezing, gehouden op 7 december 1968 te Utrecht, voor Ie .,Kring van vrienden van Kohlbrügge".
In uitgebreider vorm heeft Dr. Honders deze lezing geluden op 27 juni 1967 te Amsterdam voor het ..Kerkhistosch Gezelschap''. In die vorm is zij gepubliceerd in „Nederinds Archief voor Kerkgeschiedenis", Nieuwe Serie. Deel vLIX, Afl. 2. Uitg. E. J. Brill. Leiden 1969 De Duitse cita- ^n uit de geschriften van Kohlbriigge en andere schrijvers ijn door Ds. D. van Heyst in het Nederlands vertaald.
i Vooral is, door verschillende onderzoekers, aandacht ge- •'^honken aan de veranderingen, door Kohlbrügge aangeracht in de liturgische formulieren. Zie in deze lezing sub d.
2) aan de rand, terloops (D.v.H.)
^) Voor biografische gegevens zie o.m. de dissertatie van J. van Lonkhuyzen. Hermann Friedrich Kohlbriigge, Wageningen 1905, en H. Klugkist Hesse, Hermann Friedrich Kohlbriigge, Wuppertal-Barmen 1935.
"i) Dogmatische inzichten, en niet praktische vragen betreffende liturgie en kerkorde, speelden hierbij een rol. Zie de bundel „Door Zijne wonden is ons genezing geworden" (Brieven van Dr. H. F. Kohlbrügge, doorgezien en uitgegeven door Ds. Georg Helbig), blz. 59.
^) In februari 1833 was Kohlbrugge s vrouw overleden Hij was van de zomer 1833 tot aan het begin van 1834 in het Wuppertal waar hij o m zijn beroemd geworden preek over Rom 7 14 hield In oktober 1834 hertrouwde Kohlbrugge met Jonkvrouwe U Ph van Verschuer en woonde tot 1845 in ons land
ö) m casu = in dit geval (D v H )
') hereniging van Luthersen en Hervormden in één kerkverband (DvH)
^) dienstboek met de verschillende orden van dienst (DvH)
^) consistoriale kerkorde (DvH)
10) presbyteriale kerkorde (DvH)
11) Hervormde gemeente (DvH)
i2)Vgl H Klugkist Hesse tap blz 137
13) kruisbeeld (DvH)
") H Klugkist Hesse, / a p blz 219
1') Over Daniel von der Heydt zie Ad Zahn Der Gross valci Stuttgart 1881 — Vooral door de familie Von dei Heydt waren er nauwe betrekkingen met het Pruisische ko ningshuis Een zwager van de Von der Heydt s Dr Strauss was hof prediker Van hem had Kohlbrugge al in 1825 enige preken in het Nederlands vertaald Zij waren koningsgezind sterk in de gereformeerde traditie levend begaafd (Carl ver taalde het Nieuwe Testament Daniel werd mede beroemc door het Elberfeldse stedelijke armenverzorgingssysteem en vermogend Sinds 1835 distancieerden zij zich steeds mee van het op compromissen afgestemde beleid van de Evangt lisch Reformierte Gemeinde van Elberfeld en bereidden z mee de bodem voor de definitieve komst van Kohlbrugge ii 1845
Toen ik u onlangs geliefde Broeder in Christus over onz kerkelijke aangelegenheden schreef had ik niet gedacht d het zo zou lopen als het werkelijk gelopen is Het anti chn^ tendom heeft de meest volkomen zege weggedragen Onz kerk eertijds een bloeiende maagd is een hoer geworden een verwilderd Bibel en de gruwel der verwoesting staat o de heilige plaats Door middel van een nieuwe kerkorde di de koning bevolen heeft wordt de Union in feite tot stam gebracht de Agende wettelijk ingevoerd De beide Kruni machers staan aan het hoofd van hen die deze zaak in\0L ren de oude Krummacher meen ik. zelf bedropen de jong Krummacher daarentegen bedriegend Het grootste gedeelt van de christenen hangt naar het schijnt nieei aan de kei dan aan Christus gelooft de predikanten meer dan het Wooi Gods (C v d Heydt m een brief van 3 1 1835 aan Koh brugge, aanwezig in het Kohlbrugge Archief dat ondergi bracht is in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht)
10) Zie H Klugkist Hesse tap blz 162 164 — Achter dt „Union stond de koninklijke kabinetsorder van 27 sept 1817 (in verband met naderende 31 oktober') waarin de VIL ring van de Hervormingsdag in het kader werd gezet van ee i begin om te komen tot hereniging van de Luthersen en d" Hervormden Elberfeld behoorde tot het gebied van de pn vinciale synode van Julich Cleve Berg
'') Zur Feier des fünfund^wamigjahrigeii Bestehens unsers ''''reins/Festgahe des Vorstandes der Gesellschaft ..Vereinitiung'VAls Manuskript gedruckt / Elberfeld 1889/blz. 9.
' ) Zoals het geval was bij Daniel von der Heydt!
^ 'I Bn'efe von Dr. theol. H. F. Kohlbrügge an Johannes Wi- ^••elhaus, herausgegeben von ,T. J. Langen. Elberfeld 1912, '''z. 10 v. — Langen voegt er in een noot aan toe. dat Kohli'iugge contact had met gemeenteleden in Elberfeld. ,.Hij vicelde hun bezwaren, maar hij vreesde voor hun ziel".
2") Kohlbrügge waakte er voor om onaffiankelijk te blijven van de Von der Heydfs. Uit een brief aan Wichelhaus — een neef van hen — citeer ik: „Wat mij echter niet bevalt, is, dat men werkelijk denkt, dat ik mij laat binden door de invloed van je ooms. Intussen, wanneer alleen de vrees voor de naam Von der Heydt. en niet de vreze Gods de mensen bezielt, dan is het mij goed. dat zij toch tenminste nog voor iets vrees koesteren" (J. J. Langen, t.a.p., blz. 43).
21) Zie H. Klugkist Hesse. I.a.p., blz. 258.
22) Zowel Ed. Bóhl (zie zijn uitgave van brieven van Kohlbrügge uit 1877. blz. 243) als J. C. S. Locher (Kohlbrügge en de Afscheiding, 1934. blz. 28) vertalen het Duitse ..Gottesdienst" met het Nederlandse ..godsdienst"!
'->*) Locher, i.a.p., blz. 28 v.. vindt ..onder voorwaarde dat ." zwakker dan ..met voorbehoud van. ." en merkt op. dat het noemen van de ..Landes-Agende" zou betekenen, dat de zgn. ..Kleine Agende" buiten schot bleef. Tegen deze ..Kleine Agende" bestonden echter dezelfde bezwaren als tegen de „Landes-Agende". Kohlbrügge zelf hierover in Ed. Bohl, Brieven, blz. 252 v.
2^) J. J. Langen, i.a.p., blz. 42.
^^) Zur Feier etc. t.a.p., blz. 11 v.
^'^) Het Toleranz-Edikt hield o.m. in: „Diegenen, die in hun geweien niet langer accoord kunnen gaan met de geloofsovertuiging en de belijdenis van hun kerk en zich dientengevolge tot een afzonderlijk kerkgenootschap verenigen of zich bij zo"n kerkgenootschap aansluiten, genieten volgens dit Edict niet slechts volledige vrijheid om voor het lidmaatschap van hun kerk te bedanken, maar blijven ook in het genot van hun burgerlijke rechten en voorrechten; daarentegen kunnen zij geen aanspraak meer doen gelden op een aandeel in de grondwettelijke rechten van de kerk, die zij verlaten hebben". Zie J. J. Langen, t.a.p., blz. 157.
2^) Bekemilnis-Schriflen und Fonnulare der Niederlandiscli Refonnierten Kirche in Elberfeld, Elberfeld 1850. blz. 5.
2^) Kohlbrügge bezat de verkiesbaarheid tot de heilig dienst, maar was nog niet geordineerd voor de bediening vai de sacramenten.
2-') Pro regno pro sancluario / Een bundel studies en bijdn. gen van vrienden en vereerders bij de zestigste verjaardag va Prof. Dr. G. van der Leeuw. Nijkerk 1950, blz. 285—307.
2") In 1882 verscheen de tweede druk, onder Kohlbrügge"s e. gen naam: „Hislorisch-theologische gesprekken lusschen twc gereformeerde predikanten (een oom en een neef) betreffende het lezen, bij de bediening van den heiligen doop, van het g< heele formulier, vooral echter van den aanhef van hel gebed „Die naar Uw streng oordeel.. . door hetwelk de Doop hi duid wordt"." Scheffer & Co, Amsterdam 1882. Door m werd deze tweede druk geraadpleegd. Vgl. ook SchrlftausU gungen, 1. Heft: Auslegungen zu 2. Mose, Kapitel 12 bis U Elberfeld 1906. S. 113—133.
'•^^) Dat zijn: de gegevens, ontleend aan het Nieuwe Testamer. en aan de kerkvaders (D.v.H.).
Over de doopritus en de doopsymboliek in de vroege ker' zie J. Daniélou, Bijbel en Liturgie, 1964, vooral blz. 55—16 — Vgl. ook Artikel XXXIV van de Ned. Geloofsbelijdeni- „Niet dat zulks door het uiterlijke water geschiedt, maar dot • de besprenging des dierbaren bloeds des Zoons Gods; dionze Rode Zee is, door welke wij moeten doorgaan, om l: ontgaan de tyrannieen van Pharao, welke is de duivel, en ii te gaan in het geestelijk land Kanaan".
3^) Vgl. over Van Rhijn mijn dissertatie „Doen en laten in ERNST EN VREDE", 's-Gravenhage 1963. blz. 87—96. •!•') Ernst en Vrede, IV, 1856. blz. 181. — Het was Van
•!•') Ernst en Vrede, IV, 1856. blz. 181. — Het was Van Rhijn's overtuiging, dat ,. onze openbare, gemeenschappelijke godsdienstoefeningen te vee! /cerdienst. te weinig ware fcrdienst " zijn (blz. 175).
^') Elisabeth Moltmann-Wendel, Theologie unci Kin he bei Hermcmn Friedrich Kohlbrügge, München 1957, blz. 10.
^^) Elisabeth Moltmann-Wendel. t.n p., blz. 51
"'•) De eenige troost in leven en in sterven, Amsterdam 1933, blz. 8.
3') J. J. Langen, i.ii.p, blz 58,
•'**) J. J. Langen, l.a.p., blz. 62.
3") Blz. 9. — Ad. Zahn, t.a.p., blz. 66: „Enkele van oudsher aanstotelijke, wijl duistere en onbegrijpelijke, plaatsen werden na zorgvuldige en ernstige beraadslaging veranderd, en de nieuwe redactie werd door de gemeente met grote instemming aangenomen".
•*'>) Bekenntnis-Schrifteu etc, blz. 132.
*i) Blijkens hun kanttekeningen wilden ook de Statenvertalers, wanneer zij in dit verband de woorden „slecht, slechtheid" gebruikten, deze opgevat zien in de zin van lichtgeldvigheid. licht te verleiden, leerzaam, onnozel, eenvoudit rechtuit.
'*2) Schriflauslegungen, 8. Heft: Auslegungen zu 2. Mose Kap. 19 u. 20, 1—11. Elberfeld 1907. blz. 178 v.
*2) Aangehaald door W. Kreek, Die Lehre von der Heiligung bei H. F. Kohlbrügge, 1936. blz. 176.
^'i) Proef bundel 102-Gezangen, 's-Gravenhage 1965. Gezang 6.
*•') Zie J. Daniélou. t.a.p., blz. 214. 221 v.
'"') Dat zijn: gegevens uit de geschriften van de kerkvaders (D.V.H.)
*•') kerkvaders (D.v.H.)
*^) In het Kohlbrugge-Archief ondergebracht m de Universiteitsbibliotheek te Utrecht, Portefeuille 16, no 88 — Citaten in het vervolg van de tekst zijn hieraan ontleend
^^) Sinds 1850 bezat de gemeente een orgel Wij hebben thans een orgel dat uitstekend van bouw en toonaard is" (Kohlbrugge in een brief aan Wichelhaus, 6 7 1850, J J Langen, tap, blz 91)
^0) Schriftauslegungen, tap, blz 183 — Het gezangboek waaruit gezongen werd was dat van de , reformierte Kirche von Cleve, lulich, Berg und Mark", dat de psalmen van Matth Jorissen bevatte en nog 374 gezangen
''1) , HIJ behandelt vervolgens in de inleiding of een gedeelte uit de Heilige Schrift waarbij hij onder het lezen daarvan de nodige toelichtingen reeds aanduidt met v'ermeldmg van de tekst en opgave van zijn onderdelen of tracht in een vrije uiteenzetting de aandacht naar de prediking heen te leiden, waarbij hij niet zelden overeenkomstig de ervaringen van de afgelopen week ingaat op wat de gemeente m het algemeen en m het bijzonder doorgemaakt heeft
^^) Zie voor gebeden die Kohlbrugge in de jaren 1869, 1870, 1873 en 1874 in de kerkdienst uitsprak , Gehele ausgesprochen beun offenllwhen Gotlesdiensl Elberfeld 1893
^^) Zoals op Nieuwjaarsdag 1874 voor Daniel von der Heyd (Gebete etc , tap blz 72)
^*) Vooral in 1870 wordt de voorbede voor de keizer en ht Duitse leger zeer nadrukkelijk verricht Ach wees met on en geef, dat wij en onze koning geholpen worden Trek G uit met ons leger, trek het zwaard voor ons in de strijd di ons opgedrongen is" (Gebete etc tap blz 155) Daarnaa hore men echter ook wat Kohlbrugge op Boete en Bededa^ 27 juh 1870 aan het eind van de prediking over Psalm 75 zi. In dit vertrouwen gaan wij over tot gebed Vooraf echtt nog een ding' Ik ben diep bedroefd wanneer ik eraan den! dat God ook in het land van de vijand Zijn volk heefi talrijker wellicht dan gij vermoedt' Nu moeten misschic zelfs kinderen Gods het zwaard trekken tegen kindere Gods broeders tegen broeders' Wij willen ook deze broi. ders die wie weet op welke wijze uit deze beker zulle drinken, m ons gebed insluiten" (Schriftauslegungen Hei 23 Auslegungen zu Psalm 51—95, Elberfeld 1925—192 blz 269)
''^) Gebete etc , t a p , h\z 217
' opeenvolgende lezing (D.v.H.)
; lezing (D.v.H.)
) Schrifiauslegungen zu Psalm 20—33, Elberfeld 1922, '•i. 353.
) Schrifiauslegungen zu Chronika bis Hiob, Elberfeld 1919, •'iz. 348 v.v.
8°) Kohlbrügge aan Mej. P. Drost. 8-7-1844, uit Nijmegen (Kohlbrügge-Archief, ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek te Utrecht).
"1) Uit een catechisatie; gebonden achterin Scliriftauslegungen zu I. Mose, Kapitel 12—16, Elberfeld 1904.
'''•') Vrij vertaald: ,.De liturgie laat zien wat tot het geloof behoort".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 augustus 1969
Kerkblaadje | 16 Pagina's