Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het geloof in de branding van de tijdgeest

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het geloof in de branding van de tijdgeest

I

24 minuten leestijd

Het kenmerkende van onze eeuw is een versneld proces van ontkerstening. We noemen dat het verschijnsel van de saecularisatie. Ontkerstening betekent terugkeer tot het heidendom. Wij gaan hoe langer hoe meer leven in een nachristelijke wereld. Iets daarvan beseffen wij allemaal wel. Maar wat de terugkeer tot het heidendom nu in feite betekent, is de meesten niet duidelijk. Men verkeert daaromtrent in een naïeve en gevaarlijke onwetendheid. Daarom zijn de meeste christenen tegenover de tijdgeest zo slap en weerloos. Zij zijn niet in staat tot wat Groen van Prinsterer eens genoemd heeft „een occasioneel en actueel verzet — d.i. een verzet in onmiddellijke betrekking tot het tijdsgebeuren — tegen hetgeen het fundamentele van hun troost in leven en in sterven sloopt of ondermijnt" (Natuurlijk of ongerijmd?, blz. 16). Zij verstaan niet, dat echt belijden is „het uitkomen voor de waarheid op het punt, waar de tijd bezwaar heeft en waar het belijden met lijden vergezeld is" (Het Nederlandsche Zendelingsgenootschap, blz. 140). En om nu maar meteen met de deur in huis te vallen: Wijst dat niet op een schromelijk tekort van het christelijk onderwijs? Is het niet een fundamentele taak van dat onderwijs, om de jeugd belijdend, dat is weerbaar tegen de tijdgeest, haar plaats in de samenleving te leren innemen?

Daarom nu eerst iets over het grondverschil van christendom en heidendom. Christendom is openbaringsgodsdienst; heidendom is natuurdienst. Volgens het christendom ligt de waarheid niet in onszelf. Pascal heeft eens geschreven: „Het is een kwaal van de mens, te geloven, dat hij van nature de waarheid onmiddellijk be-zit" (De l'art de persuader). Christenen belijden echter: „dat wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom kinderen des tooms zijn, zodat wij in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij wij van nieuws geboren Vv'orden" (Doopsformulier). En ook: „Wij zijn van nature geneigd. God en de naaste te haten" (Heid. Cat. Zondag 2). De mens is belast door de erfzonde door een historische breuk met God. Het is om die reden, dat opvoeding in het christendom nimmer mogelijk is zonder gezag en tucht. Christelijke opvoeding vooronderstelt het gezag van de openbaring, en dus van de Bijbel, van Wet en Evangelie, en daarom ook van de kerk, het ambt, de belijdenis. De waarheid komt van buitenaf tot de mens.

Het heidendom wil van deze breuk niet weten. Daarom vertrouwt het heidendom op de natuur, op de natuurlijke mens, op de vrijheid. De waarheid hoeft ons niet van buitenaf gebracht te worden met tucht en gezag; zij is van nature in ons. Het komt erop aan, dat zij in ons gewekt, bewust gemaakt wordt. Opvoeding is een proces van bewustmaking, van ontwikkeling en vorming. Opvoeding is zelfwording, zelfverwerkelijking. Het heidendom stelt dus de natuur tegenover de openbaring.

De terugkeer tot het heidendom is terugkeer tot dit vertrouwen op de natuur; tot het geloof, „dat de mens van nature de waarheid onmiddellijk bezit". Wat voor consequenties heeft dat? De eerste consequentie is, dat er een algemene afwending plaats vindt van de openbaring, van Wet en Evangelie; een afwending daarom van de Bijbel, van de kerk, van de kerkdiensten, van de Doop, de catechese en het ambt; een afwending van de confessie, de traditie, de moraal, het gezag. Alles wat zich tegenover de natuur en de natuurlijke mens niet als waar en waarachtig bewijzen kan, is onecht, dwang, heers-zucht, paternalisme. Het is conventie (bestaand gebru k) en geen natuur; het is van buitenaf opgelegd en niet van binnenuit gegroeid. Het staat de menselijke zelfontplooiing in de weg, en is daarom geweldpleging, en dus verwerpelijk. Een tweede consequentie is, dat er een emancipatie(vrijmakings)-proces plaats vindt van het verleden, van de historische waarden en normen. Het afschudden van dat verleden wordt ervaren als een bevrijding, als het afwerpen van een zwaar juk. In dat emancipatie-proces voltrekt zich de terugkeer tot de natuur. Men denke aan de eerste regels van Rousseau's opvoedingsroman Emile: „Alles is goed zoals het uit de handen van de Maker van alle dingen is voortgekomen . . . Maar alle maatschappelijke instellingen, waarin wij ons bevinden, wissen de natuur uit en laten niets op zijn plaats". In dat emancipatie-proces poneert de vrije en natuurlijke mens zich tegenover het christendom als de meest verlichte, objectieve, vooruitstrevende mens; de mens, die alleen in staat is tot authentieke (echte) ontmoeting en echte gemeenschap. Want ook dat is een consequentie van het nieuwe heidendom, dat het zich alleen in staat acht tot het verwerkelijken van een nieuwe moraal, een nieuwe opvoeding, een nieuwe maatschappij. Als de mens immers bevrijd wordt van conventies, van gezagsinstanties, van opgelegde moraal, dan komt het vanzelf tot een menswaardig, sociaal gedrag. De spontane krachten in de mens zijn in gimstige zin maatschappij-vormend. De bevrijding van de mens van de tucht van heiige beginselen stimuleert individuele impulsen, >vaardoor hij in de ware zin des woords creatief (scheppend werkzaam) wordt en in staat is tot authentieke gevoelens en gedragingen.

Dit over het principiële verschil tussen christendom en heidendom. Nu gaat het er ons echter am, dit heidendom te herkennen in de praktijk v'an het moderne leven. Want dat heidendom jntwikkelt zich steeds meer tot een sociale en jolitieke macht, waardoor christenen in verdrukking komen. Ik wijs u op enkele belangrij- '^e symptomen.

Allereerst noem ik de sensitivity training. Het zijn groepsbijeenkomsten, die tot doel hebben, dat de samengebrachte mensen zich bewust worden van wat er bij hen leeft aan hei- •nelijke en verdrongen neigingen en gevoelens, die de kijk op mensen en toestanden kunnen vervalsen en verhoudingen en reacties onecht maken. De achtergrond ervan is, dat de mens zich niet mag laten leven, maar zich moet losmaken v^an ouders, gezin, huwelijk, werk, opvoeding, om in ware vrijheid zichzelf te worden. Het gaat dus om bevrijding van de gevoelens, de spontaneïteit, de natuur. Die groepstherapie kent allerlei methoden als: openhartige gesprekken, handtastelijkheden, confrontatie-technieken, rollenspelen, contactspelen, massage. De gevoelens moeten gemobiliseerd, getest en aanvaard worden. Men moet leren „durven" wat door opvoeding, moraal en conventie afgekeurd en veroordeeld wordt. Het is een bevrijding om zijn agressiviteit (neiging om aan te vallen) te leren uiten en zich te laten gaan in contacten met de andere sexe. Als de remmen wegvallen, worden we onszelf! Daarbij wordt een beroep gedaan op „je eerlijkheid". Men zegt: „Kom eerlijk uit voor wat in je leeft, voor wat je voelt. Het is menselijk, natuurlijk, gezond". Het is heenbreken door de moraal, door de normen, door de wet, door de taboes. Er is weinig fantasie voor nodig om te beseffen, wat dit voor onvolgroeide of onevenwichtige mensen betekent, en hoe verwoestend dit kan zijn voor de christelijke opvoeding.

In het Amerikaanse tijdschrift Journal van april 1967 las ik dit voorval: In Chicago aan de universiteit maakte een meisje een studentensamenkomst mee van sensitivity training. Er kwamen daarbij allerlei psychische remmingen ter sprake, die het vrije gevoelsleven onderdrukken. Joan Carshwell vertelde toen in een zekere naïveteit, dat zij eigenlijk nooit boos werd. Aanstonds werd met haar een psychodrama (de nabootsing van een levensechte situatie) geënsceneerd, waarbij één der aanwezige psychologen de rol van haar vader speelde en in die rol haar tot het uiterste tergde, om haar maar boos te maken. Ondertussen moedigden alle aanwezigen haar aan, om kwaad te worden en zich tegen haar „vader" te verweren. Toen zij het schuchter probeerde, riep men haar toe: „Scheld, schreeuw, raasi" Langzamerhand slaagde zij erin dat te doen, totdat zij (aangemoedigd door de toehoorders) het met zóveel overgave deed, dat ieder applaudiseerde. Toen had Joan de ervaring van boosheid en woede leren kennen. Na die ervaring vroeg de groep haar, hoe zij zich nu voelde. En toen moest zij eerlijk bekennen, dat zij die woede een verrukkelijke ervaring had gevonden, die zij voordien niet kende. Zo ging zij van die samenkomst vandaan met het gevoel van een bevrijding, die het haar nadien mogelijk zou maken om gemakkelijk over de drempel van haar opvoeding en karakter heen te stappen en zich onmiddellijker en spontaner te uiten. Zij had geleerd-om „echt, eerlijk, natuurlijk" te zijn. Zij was teruggevoerd tot het heidense leven van vóór de doop! Dan noem ik de commune. De commune is

Dan noem ik de commune. De commune is een sociale ruimte, waarin de mens tot spontane en alzijdige gevoelsuiting kan komen. De commune is een cel van totale vrijheid, van totale natuurlijkheid, en daarom ook van totale gemeenschap en ongedwongen relaties met anderen. Het zijn zulke commune's, die zich vooral vormen in kraakpanden. Ook de zogenaamde „gangs" moeten hiertoe gerekend worden. De Amerikaanse film Westside Story, die in Den Haag langer dan een jaar heeft gedraaid, en waar vele middelbare scholieren wel vier of méér keren naar toe zijn geweest, is een verderfelijke propaganda voor het commune-leven geweest. Ik geef er een voorbeeld van, dat ik zelf heb meegemaakt met één van mijn catechisanten.

Liesbeth, die kwam uit een fijn christelijk gezin, kwam op het christelijk gymjnasium in aanraking met enkele nozemachtige figuren. Als 16-jarige begon ze vreemde gedichten te schrijven over eenzaamheid, moord, de vreselijke wereld, Vietnam. Zij werd opgenomen in een jeugdgroep, waarvan de moraal voorschreef: conflict met de ouders, winkeldiefstallen, niet werken, openhartige sexualiteit. Alleen zó tel je mee! Zij kleedde zich in een minirok, leren jak, felle kleuren. Het haar droeg zij lang en sluik. De groep kwam samen op vaste plaatsen: bij de pier, in de Houtstraat, in verlaten bunkers in de duinen. Men kende elkaar alleen met vreemde voornamen. Zo kwam Liesbeth terecht in een dubbelleven met een waterdicht schot tussen beide levensterreinen. Thuis wist men niets over haar „andere leven". Iedereen voelde, dat er een geheim in haar leven was. Haar ouders verloren haar, omdat er een geheim territoir (gebied) was, waar zij niet in konden doordringen. Ervan vertellen was een onmogelijkheid, omdat wie ervan vertelt een verrader is en niet meer meetelt. Hij wordt veracht en loopt zelfs gevaar. Wat zich in die geheime bijeenkomsten afspeelde, is pas veel later bekend geworden. Muziek, sex, misdaad stonden er hoog genoteerd. Men zou kunnen spreken van mysterie-religies van het moderne heidendom. En ook hierbij moeten we zeggen: er is niet veel fantasie voor nodig om te beseffen, wat zulke commune's een dodelijk gevaar zijn voor jonge mensen; en dan wel in bijzondere mate voor kinderen uit gebroken huwelijken en ontwortelde gezinnen! Nauw met de commune's verwant is het verschijnsel van het hippiedom. Ik versta eronder de vulkanische uitbarsting van de vrije jeugd, die de hele samenleving van na de tweede wereldoorlog met haar kennis, welvaart, luxe, veiligheid van zich stoot, en zich aaneensluit in vagebonderende (rondzwervende) groepen met een totaal conventie-loze levensstijl en gehuld gaat in de kleding van de „shabby look". Hun enige wachtwoord is: vogelvrij! Men ziet ze op de stations, op de Dam, in het Vondelpark, in Paradiso. Hun profeet is Simon Vinkenoog met zijn devies: „Lief zijn voor elkaar". Zij vinden elkaar overal op de wereld in een contact zonder woorden. Wat zij zoeken is „togetherness" (bijeenzijn) en „love-in".

In deze jeugd openbaart zich het nieuwe bewustzijn van vrijheid, openheid, echtheid, eerlijkheid als natuur! Het gaat om onmiddellijke werkelijkheidsbeleving met de nadruk op de zintuigelijke ervaring. Daarom zoekt men rock-, folk-, pop- en beat-muziek, die het bewustzijn stimuleren. Daar sluit dan op aan: het gebruik van psyohodelische middelen, die de ervaring verwijden. Druggebruik geeft immers top-ervaringen!

Ik noem deze dingen, omdat ze een geweldige aantrekkingskracht hebben op de jeugd. Maar ook buiten zulke uitingen van het moderne leven waait de sfeer van dat heidendom langs allerlei wegen ons leven binnen. Ik wil daar enkele voorbeelden van geven. In de eerste plaats wil ik wijzen op de macht van het cabaret. Ik ontken niet de waarde van de humor, de lach, en zelfs niet van de spot. Maar bij het moderne cabaret is iets heel anders in het spel. De lach is hier de spot, die de eerbied ontzenuwt. Het was een dergelijke spot, die al naar voren kwam in boeken als: De parade der mannenbroeders, Het rijke Koomse leven en De zwarte-kousenkerk. Wie zó de zwakke plekken van zijn verleden belicht, is wreed en onbarmhartig. Hij begaat de zonde van Cham, die zijn vader bespotte in diens naaktheid. Die wreedheid is kenmerkend voor het moderne cabaret! Hier is geen sprake van milde humor, waarbij eerbied en dankbaarheid overheerst, maar van „debunking" (zinloosheid). Het doel is de afbraak van de heiligdommen van het verleden. Ik denk hierbij aan een figuur als Godfried Bomans, maar nog sterker aan Fons Jansen met zijn optreden in De lachende kerk. Hoevelen, die door de radio naar zijn grappen en grollen hebben geluisterd en zich erover hebben vermaakt, hebben beseft wat hier eigenlijk achter lag? In een intervieAV van N.R.C.-Handelsblad van 26-11-1971 onthulde deze cabaretier het ons: „Ik heb ontzettend hard gewerkt aan de sloop van de kerk. Dat is moeilijker dan je denkt: slopen. Je moet per slot van rekening zó slopen, dat je het niet allemaal op je eigen kop krijgt. Het is een vreugde de nieuwe generatie nu bezig te zien aan het massale sloopwerk. Hè, denk je dan, ik mag het toch nog meemaken. Wat wij niet durfden, doen zij . . .". Naast Bomans en Fons Jansen moet ik in dit verband ook noemen het cabaret Farce majeure van de N.C.R.V. En natuurlijk bovenal aan de gedenatureerde V.P.R.0. Men denke slechts aan de geestloze show Chef van Oekel. De wijze waarop door deze cabaretiers de werkelijkheid vertekend wordt, is een vorm van nihilisme, dat niet anders doet dan de diepste waarden respectloos en schaamteloos afbreken. Zij scheppen een klimaat, waarin niets meer heilig is. Zij zijn de francs-tireurs van de anarchie (de vrijschutters van de bandeloosheid)! Maar misschien dat de ondermijnende invloed van de moderne literatuur nog sterker is dan die van het moderne cabaret. Naar mijn mening is er geen kanaal, waardoor het heidendom sterker onze samenleving is binnengedrongen dan de literatuur! Daarachter ligt een wereld, die niet alleen volledig gebroken heeft met het christelijk geloof, maar die de kunst gemaakt heeft tot een bron van herleefd heidendom. De Duitse schrijver Franz Werfel schreef na zijn bekering: „Ich habe viele Arten von Hochmut erlebt, an mir und andem. Da ich aber in meiner Jugend exm Zeitlanig selbst dazu gehort habe, kann ich aus eigener Erfahrung bekennen, dasz es keinen verzehrenderen, frecheren, höhnerlscheren, teufelsbesesseneren Hochmut gibt, als den der avantgardistischen Künstler und radikalen Intellektuellen, die von eitler Sucht bersten, tief und dunkel und schwierig zu sejn und wehe zu tun. Unter dem amusiert empörten Gelachter einiger Philister waren wir die unansehnlichen Vorheizer der HöUe, in der nun die Menschheit brat" *) (Walter Muschg, Die Zerstörimg der deutschen Literatur, S. 29). Zo kenmen wij in ons land figuren als Harry Mulisch, Van het Reve, Hermans, Wolkers, Jan Cremer en Hugo Claus. Hun heidense bestaansbeleving uit zich in een voortdurende hoon tegen de gevestigde orde, tegen de schepping, tegen de historie. Ik moge in dit verband citeren wat ik las in de geschiedenis van de moderne literatuur van W. L. M. E. van Leeuwen: „In dit proza treft een moedwillig nihilisme. Uit balorigheid over de verleugende wereld wordt met cynische spot en in een dan weer gewild droge, dan weer giftig zure toon heel het „normale" burgerlijke leven vertekend en vei'A'loekt in een vaak onzinnige plastiek en taal, terwijl de personen op demonische wassen beelden gaan lijken in een abstracte film". Ik zeg niet te veel als ik beweer, dat achter deze moderne literatuur de overheersende gestalte staat van Sartre, wiens epigonen (navolgers) zij allen zijn. En Sartre, dat is de moderne mens, in wie de heidense droom van de vrijheid in absolute zin anti-christelijk is geworden. Vrijheid is hier atheïstische en lihilistische irreligieusiteit (ongodsdienstigheid)!

II

Dit alles moge volstaan om aan te tonen, dat wij omringd zijn door een heidendom, dat als alle •leidendom gegrond is op de spontane persoonlijkheid, de vrije mens, de natuur. Deze vrijheid 's het einde van het christendom. (Natuurlijk "liet van het christelijk geloof!) Door dit heidendom verandert het totaalbeeld van de weserse samenleving. Het heilige verband van 'vaarden, normen, beginselen valt weg. Europa stort ineen. Ik wil in dit verband herinneren aan een uitspraak van de visionaire schrijver Dostojewski: „Na de verwensingen, de modder en het gejouw treedt er een stilte in. De menden zijn alléén gebleven zoals ze het gewild hadden. De grote krachtbron, die ze tot nu toe gevoed en verwarmd had, is ondergegaan als de zon. En de mensen beseffen plotseling, dat ze alléén zijn gebleven, en ze voelen zich grenzenloos verlaten. Eenzaam als weeskinderen zijn ze in de wereld achtergebleven ... Mijn hart kon het niet verdragen. Die ondankbaarheid, waarmee ze zich van hun idee afwendden; dat uitjouwen en met modder gooien kon ik niet verdragen ... Ik huilde om hen, ik huilde om de oude idee, want een Rus heeft Europa even lief als Rusland. O, die oude stenen van hen, die wonderen van de oude Godswereld, die scherven van heilige wonderen zijn ons Russen dierbaar; ze zijn ons zelfs dierbaarder dan hunzelf . . ." (De jongeling, blz. 544 v.v.). En zo groeit er een jeugd op, die het product

En zo groeit er een jeugd op, die het product is van deze natuurdienst, dit heidendom. Een jeugd, aan wie de ouders, de opvoeders, de scholen geen noemenswaardige controle-reflexen of remmen hebben bijgebracht. Een jeugd dus, die zijn vrijheid viert in experimenten van gevoelens, indrukken, driften op grond van een verruimde en oeverloze ervaring van de werkelijkheid. Tegenover de oude moraal en de traditionele normen stelt men een nieuwe moraal en nieuwe normen. Bovenaan staat daarbij de eis van eerlijkheid, echtheid, waarachtigheid, natuurlijkheid. Maar die waarachtigheid houdt in: de mens los van de openbaring, los van de waarheid, los van Wet en Evangelie. De autonome mens (die zich zijn eigen wet stelt)! Wanneer wij die terugkeer tot het heidendom

doorzien, gaan wij de schoolstrijd van de vorige eeuw en de betekenis van iemand als Groen van Prinsterer pas goed begrijpen. Toen de schoolwet van Van der Brugghen in het parlement was aangenomen, nam hij ontslag als lid van de Staten-Generaal en schreef: „Wat wij hier op dit ogenblik meemaken is het meest beslissende moment in ons staatsbestel sinds eeuwen, en ingrijpender dan wat in 1795 of 1848 is voorgevallen. De christelijke staat wordt verlaten, straks de humanistische ingevoerd. De gevolgen daarvan zullen ernstig zijn, misschien niet aanstonds, maar zeker op den duur". Wij zijn de generatie, die de gevolgen ervan steeds duidelijker vóór ons zien. Met name de politieke ontwikkeling is er een symptoom (kenmerkend verschijnsel) van: het steeds verder afglijden in de richting van een revolutionaire anarchie.

Het kan niet anders, of tegen de achtergrond van dit heidendom wordt de liefde tot- en de dankbaarheid voor de radikaal tegengestelde werkelijkheid van de openbaring in ons nieuw. De grauwe kleur van gewoonte en vanzelfsprekendheid, die zoveel geloof verduistert, verdwijnt. Wij verstaan weer de woorden van Psalm 1:

„Welgelukzalig de mens, die niet wandelt in de raad der goddelozen,

die niet staat op de weg der zondaren,

noch zit in de kring der spotters;

maar aan des Heren Wet zijn welgevallen heeft, en diens Wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen,

die zijn vrucht geeft op zijn tijd,

welks loof niet verwelkt;

en al wat hij doet, gelukt. . .".

Sterker dan voorheen beseffen wij de betekenis van de Doop als de invoeging in het verbond, dat wil zeggen: een heilig levensverband van goddelijke normen en waarden. En ook de betekenis van wedergeboorte en bekering, van het belijden als „een occasioneel en actueel verzet tegen hetgeen het fundamentele van de troost in leven en sterven sloopt of ondermijnt"; van de antithese (tegenstelling) van natuur en openbaring, vrijheid en gezag, emancipatie en historie, commune en gemeente, nieuwe moraal en goddelijke Wet.

En het ligt in het verlengde van deze dingen, dat wij óók sterker dan voorheen de betekenis gaan beseffen van een christelijke opvoeding en een christelijke school, die met deze fundamentele dingen rekening houdt. Misschien méér dan ooit voordien zijn wij ons bewust van de waarde van een school met de Bijbel!

Maar nu stoten wij op een zeer belangrijk, doch ook zeer moeilijk punt. Want het onderwijs

heeft nu eenmaal met de maatschappij te maken. Het zal het kind moeten leren, zich te bewegen in de hedendaagse samenleving en daar te functioneren. Het wordt immers gesubsidieerd door het Rijk. Er zijn daarom eisen, normen, verplichtingen, waaraan niet te ontkomen is. Het is daarom niet te vermijden, dat het kind op de school in aanraking komt met het moderne heidendom. Alles wat begrepen is in het woord saecularisatie (ontkerstening), komt via de school in de gezichtskring van het kind. Dat is niet te voorkomen. Misschien moet ik zelfs zeggen, dat het niet voorkomen mag worden! De christelijke school beoogt immers het kind in de moderne samenleving te brengen als een belijdend christen, dus niet wereldvreemd en onnozel, maar in staat tot dat occasioneel en actueel verzet, waar Groen zo sterk de nadruk op legde. En nu is het zo pijnlijk, dat het christelijk onderwijs zo vaak op dit essentiële (wezenlijke) punt tekort is geschoten. Het leerde het kind wel belijden, maar niet „occasioneel en actueel" belijden! En ik heb vaak de gedachte, dat hier de oorzaak ligt, dat er bij de meeste christenen zo weinig weerstand is tegen de tijdgeest en het moderne heidendom; en ook dal zoveel apostaten (verzakers) van het christelijk geloof afkomstig zijn van het christelijk onderwijs. Zij hebben wel veel bijbelkennis en christelijke liederen „opgedaan"; veel geleerd van de vaderlandse geschiedenis en van de Hervorming. Maar verder was het onderwijs gelijk aan het onderwijs op de openbare school, want het geloof en de confessie (belijdenis) hadden geen wijder actie-radius dan de ziel, de kerk en het hiernamaals.

En dat is dus nu het belangrijke en moeilijke punt, dat wij moeten gaan leren, dat het geloof, dat de Bijbel, dat de confessie een veel wijder actie-radius hebben. En dat alleen daardoor het occasioneel en actueel belijden een mogelijIcheid wordt! Als ik het meer theologisch mag uitdrukken: het gaat erom, dat de Bijbel n.et alleen genademiddel is, dat in ons het geloof werkt; maar dat de Bijbel ook principium cognoscendi, dat wil zeggen: beginsel van kennis, is. Nog eens, — op dat punt is het chris celijk onderwijs erg tekort geschoten. Maar de diepere oorzaak is geweest, dat de theologie op dit punt tekort geschoten is.

Wat bedoel ik daarmee, dat de Schrift ook beginsel vain kennis is? Dit, dat de Bijbel niet alleen Evangelie is, maar ook Wet, en dat (volgens Paulus) de Wet is paedagogos, tuchtmeester, tot Christus. De Wet is de sprake der Wijsheid (Spreulien 8). De Wet is het fundament der schepping. De Wet is niet alleen de Tien Geboden, maar een wereld, een milieu van ideeën, normen, waarden, en als zodanig de natuurlijke grondslag van godsdienst, cultuur (beschaving) en geschiedenis. De Wet ligt aan de basis (grondslag) van ons bestaan. En op die basis moet nu opvoeding en onderwijs rusten. Op die basis is het mogelijk, onze plaats te bepalen tegenover het heidendom, en daarom in de moderne wereld „occasioneel en actueel" te belijden. Want nu kunnen wij op grond van de Schrift de ware, scheppingsmatige natuur kennen en die antithetisch (als tegenstelling) stellen tegenover de pseudonatuur (niet echte natuur) van het moderne heidendom. Nu weten wij van de ware humaniteit (menselijkheid) !Nu weten wij wat alleen maar de basis kan zijn van de maatschappij, van het recht, van de kunst, van de sociale verhoudingen, van de moraal, van het huwelijk, het gezin, de opvoeding! In de Bijbel is die ware humaniteit, die oorspronkelijke en scheppingsmatige natuur, waartoe wij op geen enkele wijze meer toegang hebben, als Wet en als beginsel van alle kermis, gekanoniseerd (bindend vastgelegd).

Ik vind dat een zaak, die van fundamenteel belang is voor ons staan in de wereld. Maar voor opvoeding en onderwijs is het conditio sine qua non (onvermijdelijke voorwaarde). De Bijbel is niet alleen Evangelie, maar ook Wet; niet alleen verlossing, maar ook schepping; niet alleen geloof, maar ook kennis; niet alleen wedergeboorte, maar ook geboorte. En als zulk een principium cognoscendi, zulk een beginsel van wijsheid, heeft de Bijbel in de kerk en in de school veel te weinig gefunctioneerd! En toch vinden wij er in de Reformatie, en met name bij Calvijn, duidelijke aanwijzingen voor. In het eerste boek van de Institutie legt Calvijn er de nadruk op, dat de Schrift de oorsprong van de schepping in ons levend houdt. Tegenover een wereld, die de oorsprong met leugens overwoekert, maakt de Schrift in haar taal, woorden. beelden, wijsheid, geschiedenis de oeroude log.- ka van de schepping weer actueel voor ons. De titel van boek I is dan ook: Over de kennis van God de Schepper. Als wij dat inzicht van Calvijn dieper tot ons hadden laten doordrmgen, zouden we veel weerbaarder en strijdbaarder geweest zijn tegenover de pseudonatuur van het heidendom.

Toch wil ik in dit verband wijzen op twee figuren, die de betekenis van de Schrift als beginsel der wijsheid voor opvoeding en school hebben ingezien, namelijk Alexandre Vinet en Prof. H. Bavinck. Als illustratie daarvan citeer ik enkele regels van Vinet: „Opvoeding is een kunst, die rekening houdt met de menselijke natuur en op haar steunt. De christelijke opvoeding neemt niet als uitgangspunt een bovennatuurlijke toestand. Neen, zij erkent, aanvaardt en exploiteert de natuur. Zij wil niet dat het kind terstond van meet af zijn innerlijke leven neerstort in de diepte der genade, maar dat het de werkelijkheid van de Wet leert eerbiedigen, zich doordringe van haar eigenaardige betekenis, en met Johannes de Doper in aanraking komt vóór te komen tot Jezus Christus . . . Men moet dus zoveel mogelijk aan het opkomende geslacht een opvoeding geven, die weliswaar rekening houdt met de eisen van het verstand en de tijd, maar die bovenal eerbiedigt de individuele aard in wat deze aan natuurlijks en intiems heeft. Men moet dus, wel verre van de laatste sporen uit te wissen en de heilige tradities van de ziel te verduisteren, die de Schepper in ons achterliet, deze beschermen en zo mogelijk verdiepen. Het moet een opvoeding zijn, die ons ervoor behoedt, dat in plaats van de ziel, waarmee wij geboren werden, iets gesteld wordt van conventie (bestaand gebruik), abstractie (afgetrokken denkbeeld buiten de feitelijke werkelijkheid om). Het moet een opvoeding zijn, die ons niet berooft van ons diepste zelf, maar die integendeel ons het bezit waarborgt van hetgeen we zijn, en die onze vatbaarheid handhaaft voor de indrukken, die zich richten tot de ziel... Kortom, opvoeden is: het kind toelaten geboren te worden, voordat het wordt wedergeboren" (Uren met Vinet, blz. 236). Ook bij Bavinck komen wij soortgelijke uitspraken tegen. Waar ik dus voor pleit, is dat wij de Bijbel in zijn volheid, diepte en rijkdom beter leren kennen, gebruiken en . . . toepassen! De Bijbel schenkt ons de basiservaringen van de natuur en van de ware humaniteit. En omdat dat zo is, daarom js christelijk onderwijs nimmer een opgelegd systeem, nimmer louter objectiviteit, nimmer geweldpleging van de natuur. Het tegendeel is het geval. En juist op grond daarvan is het nu mogelijk, om ons nadrukkelijk en bewust en gefundeerd te keren tegen het moderne heidendom met zijn leugenachtige pretenties (aanspraken) en voorspiegelingen. Door de Bijbel worden wij bekwaamd tot de antithese, die de ware, oorspronkelijke, scheppingsmatige natuur stelt tegenover de boze en verzondigde natuur. Wij worden dan ook verlost van dat slopende en ondermijnende minderwaardighe dsgevoel van zoveel christenen tegenover de moderne cultuur. Wij weten, dat ons geloof met wereldTiijd'ng en v/ereldvlucht is, geen angst en desertie (weglopen), maar moedige confrontatie. Wij schuwen de strijd met het moderne heidendom niet!

En dat is nu het occasioneel en actueel bel ij den, waar ik de christenen van deze tijd, en dan in het bijzonder de onderwijs^nensen, toe zou willen oproepen!

Naschrift van de eindredacteur

Terwille van de lezers, die daaraan behoefte hebben, heb ik een aantal door de schrijver van dit hoogst belangrijke artikel gebruikte vreemde woorden tussen haakjes nader verklaard. Deze verklaringen zijn geheel voor mijn verantwoording. Ook de proeve van vertaling van het Duitse citaat is van mijn hand en komt dus voor mijn rekening. Van harte hoop en vertrouw ik, dat de lezers zich zullen inspannen om dit artikel met de grootste aandacht te lezen en te herlezen. De moeite, hieraan besteed, zal zeer zeker rijk worden beloond. D. VAN HEYST

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1975

Kerkblaadje | 16 Pagina's

Het geloof in de branding van de tijdgeest

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1975

Kerkblaadje | 16 Pagina's