Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge's Geloofspassiviteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kohlbrugge's Geloofspassiviteit

25 minuten leestijd




'.Voord-vooraf

De voornaamste bron waaruit in dit opstel geput •\ordt, is de nalatenschap van Kohlbrugge's brieven, Ithans voorzover die uitgegeven is, nl. Brieven van Dr. . [. F. Kohlbrugge, uitgegeven door Dr. Eduard Böhl, Jtrecht 1877; Briete von Dr. Theol. H. F. Kohlbrüge an Johannes Wichelhaus, Elberfeld 1911; Door 'ijne wonden is ons genezing geworden. Brieven van )r. H. F. Kohlbrugge, uitgegeven door Ds. Georg lelbig, Wageningen 1935.

In dit en het volgende nummer van ons blad verchijnt de letterlijke tekst van het referaat, op 20 aaart 1.1. door mij gehouden in de Marcuskerk te itrecht op de conferentie van de ,,Kring van Vrien- •en van Dr. H. F. Kohlbrugge". A. DE REUVER

„Toen ik te Elberfeld was", zo schreef Kohlbrugge 1 1840 vanuit Utrecht aan één van zijn vrienden, vwam iemand ver uit het Nassause bij mij inlopen n vroeg, nog met stof en zweet van de lange mars üdekt, wat hij doen moest om zalig te worden. Ik iitwoordde hem, dat hij weer naar huis zou gaan, 'aar eerst uitrusten, en het dan aan de levende God 'agen moest; dat Die hem dan zou leren, dat het iet is des willenden noch des lopenden, maar des ntfermenden Gods" ^). Kohlbrugge twijfelde r niet aan, of de Nassauer kon het daarmee ,doen'. Behoorde deze hardhandige aanpak tot Kohlbrug- '-'s pastorale methode.? Nee, zijn ,methode' is iiot in geen geval te noemen; het was bepaald niet /ijn gewoonte om iedereen een stereotiepe* behandeling te verlenen in deze kortaangebonden stijl. 'vVaarschijnlijk heeft Kohlbrugge niemand ooit nog -ens zó bejegend als deze Nassauer. En wie het >vaagt dit na te doen, loopt alle kans zijn schapen af 'c schepen in plaats van hen herderlijk te verzorgen. Wij zetten met dit krasse voorval dan ook niet in om Kohlbrugge's zielszorgelijke methode te typeren, maar wel diens zielszorgelijke hart. Het voorval is in de eerste plaats tekenend voor Kohll'uigge's hele persoonlijkheid en een sterke proeve \an zijn profetische pastoraat. Als Noordmans l^ohlbrugge typeert als ,,biechtvader van aanleg" en -M^reekt van zijn bijzondere gave om zielen te leiden^), valt daar geen woord op af te dingen. Wij zouden er alleen aan willen toevoegen: ook in pastoraal opzicht was hij irregulair*, charismatisch* en Geestelijk-oorspronkelijk. Kohlbrugge's in gesprek en predikmg alsook per brief beoefende pastoraat was bezield, wars van algemeenheden en kant en klare recepten. Dat maakt zijn boodschap zo flitsend, bewogen en direct. Maar wat wij in het kader van ons thema met deze momentopname uit de practijk van Kohlbrugge's zielszorg vooral willen karakteriseren, is het hart van deze boodschap zelf. Wij ontmoeten namelijk in heel Kohlbrugge's werk telkens twee markante, onopgeefbare constanten* — die overigens een onlosmakelijke tweeëenheid vormen, als eikaars keerzijden —: niet wij brengen het heil — mede — tot stand, maar God doet het, geheel en al!

Gód doet het! In deze woorden is heel Kohlbrugge's theologie geconcentreerd en heel zijn boodschap samengevat. Daarin vloeien al de lichtlijnen van zijn Evangelie-bediening als in een brandpunt samen. Dit was de geloofsovertuiging die God in zijn hart had binnengedragen. Dit was het geloofsgetuigenis dat Kohlbrugge in prediking en pastoraat heeft uitgedragen.

Kohlbrugge heeft iets van Rembrandt weg: slechts twee .kleuren' overheersen in zijn schildering: licht en donker, met dien verstande dat al het donker des te meer reliëf geeft aan de lichte partijen. Dat maakt zijn in woorden verbeelde boodschap zo ondubbelzinnig duidelijk: wij mensen zijn doorbrengers, onze God is de Volbrenger. Het heil is des Heeren; door Hem is het bedacht en door Hem wordt het ook teweeggebracht. Daarop valt al de tinteling en zindering van licht in een omgeving van nachtelijk donker. God is God, groot en soeverein! God doet het, maar Hij laat zich nimmer dicteren! Hij handelt niet op ons commando, maar naar Zijn welbehagen en voorbeschikking. En waar deze worden verworpen, daar komt men tenslotte tot zulke domheden, te menen dat men zelf iets kan en wil en zal, zegt Kohlbrugge schamper ^).

Het zal wel bekend zijn, hoezeer Kohlbrugge met deze nadruk op Gods exclusieve almacht en vrijmacht de gevoelens van zijn tijd weerspreekt. En omdat dit accent op Gods vrijheid niet maar een onderdeel van zijn theologie is, maar de ongebroken spits en ononderbroken grondtoon van al zijn prediking, staan zijn woorden bij de voortduur haaks op de geest van de negentiende eeuw.




Dat Kohlbrugge's geluid werd geschuwd of zelfs verafschuwd, kan geen verwondering wekken als we ons te binnen brengen, dat het levensgevoel van de vorige eeuw werd beheerst door de soevereiniteit van de vooruit-strevende mens.

Kohlbrugge bracht met zijn prediking van Gods soevereiniteit vernietigend geschut te velde tegen heel deze mentaliteit van vlak optimisme en vlot liberalisme. En we kunnen ons zeer wel voorstellen, dat men hem een lastige onruststoker vond in het verlichte gezelschap dat gewijd was aan de vooruitgang der beschaving. Dit verklaart het op 't eerste gezicht bevreemdende feit, dat Kohlbrugge die als geen ander de rust aanprees, werd geweerd en uitgeworpen als rustverstóórder! Zijn rust was een andere dan die der liberalen. Kohlbrugge was nu juist niet zo gerust op de menselijke mogelijkheden. Hij kon niet anders dan het vonnis vellen over dat optimistische zelfvertrouwen. Met het scherpe zwaard van het Woord ontmaskerde hij heel het streven van de zelfbewuste, autonome''' mens als waan en zelfbedrog.

Overigens gaat Kohlbrugge in zijn preken en brieven slechts sporadisch met zoveel woorden in tegen de geest van zijn tijd-*). Niet omdat hij niet voluit in het leven zou staan of niet de concrete mens op het oog zou hebben. Dat is onmiskenbaar juist wél het geval. Maar dan zó, dat zijn boodschap niet slechts aan de liberale mens van de negentiende eeuw geadresseerd is, maar aan de .liberaal' van elke eeuw: de mens die zich, in welke gestalte dan ook en met welke kunstgrepen dan ook, breed maakt en zich opblaast tot een ,ik' dat meetelt en er mag zijn. Het is de geëmancipeerde, activistisch-creatieve en zelfingenomen mens die zioh in zijn werkgerechtigheid handhaaft, hetzij met behulp van God, hetzij zonder God, maar ten diepste steeds tegenover God. 'n Schepsel dat schepper zijn wil! s)

Dat eigenwettelijke ,ik' spoort Kohlbrugge op met profetisch- onthullende trefzekerheid, en hij stelt het te kijk als vlees in het licht van Gods Wet die Geestelijk is. En déze mens, niet de denkbeeldige mens uit de voorstellingswereld der dogmatiek, maar de levende mens uit de wereld der werkelijkheid, deze mens roept hij hier en heden te voorschijn uit iedere schuilhoek en dringt hij af van alle eigen poreuze bestaansgrond, om hem te dagvaarden voor God en te gronden op vreemde, hechte gerechtigheid. Zo komt het, dat Kohlbrugge's woord zo onmiddellijk levensecht en terzake tot ons komt en bij ons aankomt met de authentieke* gloed en actualiteit die de waarheid eigen is. En er zijn maar weinig theologen aan te wijzen, wier geschriften zulk een brandend protest bevatten tegen de geest van acti-visme die ook in de nadagen van onze twintigste eeuw door kerk en theologie heenwaart, als Kohlbrugge!

Dat deze actualiteit de mensen niet ligt en niet lijkt, heeft Kohlbrugge terdege geweten! „Al; het Woord Gods levendig wordt, als het wordt opgewekt", zo schrijft hij in de vlammende stijl die zijn vroegste geschriften kenmerkt, „en als men de ver doemelijke eigengerechtigheid, eigen wil en wijsheiu dezer eeuw ternederslaat en, in de kracht Gods Christus en het Evangelie predikt, en de zondaar ii het hart grijpt en de grote hanzen en heren me zwarte rokken, of dames fraai versierd en gepluimd de waarheid zegt in Gods Naam, uit liefde voor hu!< eeuwig heil, dan staan duivel en wereld, consistorii en prelaten op, maken oproer en geweld in het rij Gods, en hitsen alles samen op om ons aan het krui te brengen" ••).

Maar het was nu eenmaal niet Kohlbrugge's zort' of de waarheid de mensen uitkwam, maar dat z overkwam, in al haar heilzame irritatie.

Tweepolig is de ene waarheid: zij is vor nis en vrijspraak, zij wondt en zij heelt. Met de/ twee woorden spreekt Kohlbrugge het ene God; woord, en dan niet in een eindeloze spanning tusse nee en ja, maar met een sterke stuwing naar Gods j. Dat is heel ,zijn' Evangelie: niet wij, maar — zove. te meer — Hij!

Zo is zijn prediking een gestage, monotone''' o) roep tot passiviteit, maar louter en alleen vai wegede activiteit van de levende God! F het is daarom een monotonie* die wèl luidt en nin^ mer verveelt, omdat het de hulpeloze, haveloze zoi daar die uitgewerkt is, wijst en werpt op God D helpt en heelt en werkt.

Men moet daarom wel weten wat men doet, - liever, men wéét eenvoudig niet wat men doet, a' men Kohlbrugge's passiviteit hekelt als een sect risch kwaad en verwart met die ,dode lijdelijkheii







Men behoeft maar enkele preken van Kohlbrugge vlezen te hebben om met klare stelligheid te weten, 3.t zijn prediking aan zulk een wan-evangelie niet cns in de verte verwant is. Om niets anders is het • cm te doen dan om de passiviteit van het evende geloof. Kohlbrugge verkondigt niet iat God het moet, maar dat Hij het doet! Hier prankelt alles van het leven Gods, bij Wie de levens- •ron is. Kohlbrugge leert ons niet: „God zal het uoeten doen, wacht gij maar af of het gebeurt" ,en \enmin: „Gij zult dit moeten doen en dat moeten tten", maar: „God zal het doen, en gij, laat af en .acht op de Heere, niet of het geschiedt, maar dat et geschiedt"!

Het is deze levende geloofslijdelijk- ! e i d, waarvan wij ons nu wat nader rekenschap villen geven. Daarbij richten wij in het eerste onder- 'eel vooral onze aandacht op de kritische kracht, in 'c tweede helft vooral op het bevrijdende motief van Cohlbrugge's theologie inzake ons thema.

EEN GOD DIE KNEUST

Aan de ,vader der Afscheiding', Hendrik de ^ock van Ulrum, schrijft Kohlbrugge in .S34 een uitvoerige brief, waarin de bijna spreckoordelijke volzin voorkomt: „Passief moeten wij iin in alles: daarmee verwerven wij ons wel geen uenden, maar dat doet er niet toe. Die erop in wil- ^n slaan, zijn helpers van de duivel" ^). En even vvaargeladen klinkt het in ,Het ambt der Ouderlin- -cn': ,,Waar het Woord regeert, daar regeert Chrisus Zelf als Koning en is wel aanwezig met Zijn mai'steit, genade en Geest. Waar mensen zich echter liet buigen onder het Woord en zelf willen regeren, laar drukt hun eigen orde hen dood; daar is enkel en .illeen gewetensverkrachting, twist, krakeel, tweedracht, en terwijl men boven aan het bouwen is, zinkt het aan de onderkant weg. Het is voor en na het opbouwen van een toren van BabeF' ^). Zó kan Kohl- 'irugge zijn woorden neerstorten, als gloeiend ongestolde lava.

Dergelijke uitvallen doet Kohlbrugge niet omdat de passiviteit hem aangeboren zou zijn en alles wat daar niet mee strookt hem dus niet liggen zou. Alsof enig mens met deze passiviteit zou geboren worden! Hij is zich terdege bewust hoezeer onze aangeboren natuur God en medemens, kerk en maatschappij naar eigen hand wil zetten. Gedreven is de mens, zonder stilstand of bezinnmg op jacht naar zelf-verwerkelijking, in de ban van eigen, desnoods religieus activisme!

Hoe scherp weet Kohlbrugge de mens, met name de religieuze mens te portretteren. ,,Wij mensen doen niets liever dan ons met goud en zilver oppronken. Hoe graag hadden wij alles in de hand wat wij behoeven voor dit leven! En konden wij dat klaarspelen, ja, dan zou de Heere in onze ogen goed en hoog te loven zijn ( ). Wij zouden graag de grote God van hemel en aarde in ons speelkamertje binnenhalen en Hem dwingen onze zin te doen en onze zelfgemaakte speelpoppetjes voor hemelse gestalten te begroeten Ik bouw mij een schoon en fraai huis, en nu is de Heere mij goed genoeg om er de leien bovenop te leggen!" '"). De godsdienst die wij creëren is niets anders dan:

De godsdienst die wij creëren is niets anders dan: een gunst die wij aan God bewijzen, en die Hem verplicht tot weder-dienst aan ons mensen. En vlijmend preekt Kohlbrugge: „Indien de Heere God de nood van land en kerk mij op het hart gebonden heeft, dan moet de Heere God op mijn bevel ook maar klaar staan om alles naar mijn zin, naar mijn denkbeelden te reformeren. En zo zijn wij in de grond de lieden gelijk, die de toren van Babel opbouwen wilden! En dan moet de Heere God tenslotte nog komen om op ons met veel moeite opgetrokken gebouw een gouden torenspitsje te zetten" ^^). „Wat blijft er over als wij van ons aftrekken de Farizeeër, die God en Zijn Gezalfde niet lijden mag.? Wat.? — Louter ongerechtigheid, louter goddeloosheden — een puur goddeloze Heb ik het u niet duizendwerf gezegd: O, dat wij het van onszelf toch weten willen, wat fraaie mensen wij zijn — hoe geheel zonder enige de minste lust tot de onzichtbare dingen, hoe licht wij alles eraan geven en laten schieten om onze zin, lust, gemak, eer, plezier, en het hier goed te hebben ...!"^-) Het is niet verwonderlijk, dat wie zich zó in de lichtgloed van Gods aangezicht leerde kennen, niet veel meer van eigen creaties te verwachten heeft.

Kohlbrugge's pleidooi voor passiviteit hangt onlosmakelijk samen met zijn visie op de mens en diens zonde. En dan niet maar de zonde als een vreemde macht, maar diens bloedeigen zonde die zich diep heeft ingenesteld in zijn bestaansgronden. Niemand bedriege zichzelf! Ik moet niet in de waan verkeren, „dat i k goed ben, maar dat het mijn hartstocht of zonde is die mij zo verkeerd maakt (...), maar geloven dat de schuld mijner verdorvenheid bij m ij ligt, dat ik in de grond verdorven ben en tot niets deug, naardien ik reeds in het paradijs, in Adam, God geheel losgelaten heb om op eigen benen te staan. Uit een bedorven aard komt nooit







Door scha en schande overigens had God Kohlbrugge's eigen ontwerpen doorkruist, hem zijn zelfbepaling ontnomen en hem tot die eerlijke zelfkennis geleid Op gerijpte leeftijd bekent hij, dat ook hij m zijn jonge jaren eer, goed en kracht had ingezet om de kerk van zijn vaderland te redden. Maar alles bleek vergeefs. „Op een dag", zo verhaalt hij m een preek over Psalm 37, „ga ik langs de weg en zie ik een man die stenen bikt. Waarlijk, een onbeduidende arbeid' ( ) Daar vroeg ik hem. Man, wat doet u hier.? — O, mijnheer, antwoordde hij, ik maak de weg gereed. — Zo.? Maar deze harde, scherpe kiezelstenen zullen de wandelaar toch zeker pijn doen! — O, heb maar geduld' Die zullen wel plat gemaakt worden' — Zal de koning hier ook over komen? — Dat weet ik niet, maar ik denk van wel. — He, man, zeg eens, wat hebt u toch hier op uw hoofd.? — De koninklijke hoed! De kokarde (het onderscheidingsteken) van de koning' Ik draag haar met ere' — He, dacht ik, deze man hier bikt stenen en draagt toch de kokarde van de koning Hij is geen gcneiaal of commandant, maar is tevreden met deze onbeduidende arbeid om stenen te bikken en de weg gereed te maken, en hij dient toch zijn koning' Nu, Heere God, geef dan ook mij genade, dat ik mijn hoge ideeën afleg alsof ik iets kon of moest' Gij hebt mij Uw Woord gegeven, geef mij genade, dat ik daarmee tevreden ben en de weg gereed maak'" '•'). Stenenbikker aan Gods weg te zijn, dat werd Kohlbrugge genoeg, maar met het onderscheidingsteken van de Koning'

Inmiddels zijn we de bron — althans een der hoofdaders — op het spoor van Kohlbrugge's passiviteit, hij wist zich door zijn God gekneusd in eigen zelfontwerp en zelfontplooiing. Zonder slag of stoot was hij hiertoe uiteraard niet gekomen. Integendeel, vele slagen en stoten waren hem van Hogerhand toegebracht. Hiervan heeft hij ooit een indrukwekkend getuigenis afgelegd „Kracht heb ik met om mijzelf te bekeren. Kracht vond ik niet om Gods gebod te bewaren, hoezeer ik er ook toe genegen was en mijn best deed. Kracht vond ik met om mij tot God te wenden, geen kracht om één enkele zucht te slaken. Kracht vond ik niet om een enkele zonde, een belachelijk kleine zonde, zwak als een spinneweb, als een verteerde draad, te verbreken Sterk ben ik nooit geweest dan m 's Heeren kracht Blijde ben ik nooit geweest dan in de blijdschap des Heeren. Dit heb ik ervaren van mijn jeugd af aan ik ben door alle radeloosheid heengekomen, maar niet mensen, doch de Heere alleen, Hij heeft gehoord, Hij heeft geholpen, toen ik aan de rand van de afgrond lag'" En even verderop „Ik heb mijzelf verloren Ik kom met meer in aanmerking. Dat wil zeggen ik ben niet meer mijn eigendom. Ik dacht vroeger, dat ik mijzelf zalig moest maken, dat heb ik nu echter an-ders geleerd. Ik dacht vroeger, dat ik mijzelf zalij, kon maken; ik heb het nu echter anders ervaren. Ik dacht vroeger, als er bij mij niet het willen en lopen IS, dan is er mets! Ik heb het echter anders ondei vonden' Ik heb het nu opgegeven en geef het op, ei God moge mij genadig zijn, dat ik niet wederom op neem hetgeen toch slechts dood brengt. En als ik he wederom opneem, dan moge Hij mij genadig zijn on mijn werk nog onder de vingers te verbranden, zoda er mets van overblijft" ^'').

Wie zo m eigen kracht geknakt is geraakt, dn moet het van vreemde kracht hebben' ,,Het Woor zal het doen, dat blijve het parool. Wij zijn he niet ( ). WIJ kunnen niet reformeren Willen wi het bepalen, dan gaat het niet goed ( ). He Woord zal het doen. Daarom dit gepredikt' Of wi daarbij op de wateren drijven of erin ondergaan, wa gaat ons dat aan.? Dat slechts opblinke de eer vaj onze grote God en trouwe Heiland ^*').

Kohlbrugge's lijdelijkheid is niet die van de zoi geloze luiaard die zichzelf zoekt, maar die van d toegewijde dienaar die horig is aan zijn Meeste De wortels van deze passiviteit liggen in geen aii dere bodem dan die van de ootmoed. En da met een ootmoed die de hoogmoed moet maskerei maar die zijn eigen ik ,,een vervloekt ik" durft t noemen '^^). Het oordeel voer erover, het is gevonni^ en begraven. Kohlbrugge leerde geloven dat hij ht zelf met doet met maar omdat hij het niet gedaa zou krijgen, maar omdat het geheel met hem gedaa IS De radicaliteit van zijn prediking is geen andei dan de radicaliteit van zijn geloofseivaring die h opgedaan had in het Woord. Kohlbrugge kan met ar ders. Het gaat hem om laatste zekerheden. Daar i hij door Gods hand gezef in de laatste linies die nit te verlaten zijn'

Heel zijn hoogmoed, heel zijn dadendrang, ht^ zijn zelfbeschikking, het was alles aan het eind gt komen m de dood die hij in Christus gestorvL was

Om deze ,vroegtijdige dood' relief te geven, moL,>een vergelijking dienen tussen Kohlbrugge e Kuyper' Over Kuypers levensavond schrijft zi] dochter. ,,Het enige waar mijn vader m die dagt over ,tobde' — om een typisch woord van hemzeli te gebruiken — was zijn werk, zijn levensarbeid Nici alleen had de longontsteking hem verhinderd zii taak in die weken te volbrengen, maar als God hen nu reeds wegnam, dan zou zijn levensarbeid niet vol emdigd zijn' ,En ik heb nog zo véél te doen. Ik bd nog lang met klaar', placht hij m die dagen te zee gen" ^^). Dit IS het tobben van wie geen tobber ziji wil'

Hoor nu Kohlbrugge' Zijn .levensarbeid' had hi








vruier! Meer is het niet met ons. Matigen wij ons .i..;ir aan, dan zijn wij bij God juist onder de maat en kan Hij niets aan ons kwijt. De hoge God ziet nu eenmaal aan wat laag en leeg is, en de verhevene ziet Hij over het hoofd. „De Heere hoort geen professors", schrijft hij aan een vriend, ,,maar jonge raver! ".

ijn leerling Wichelhaus houdt hij voor: ,,i\iiim toch bij u op ieder idee van ,iets te willen zijn'!"'^''). En enkele jaren later schrijft hij hem: „Mijn geliefde en dierbare Johannes! ( ). Ik verst;; het wel, wat je daarmee bedoelt als je schrijft, dal je door veel worstelingen heen een theoloog gevv'irden bent. Maar toch, laat je hemd het niet weten, dat je je voor een theoloog houdt! Je zou er ande's tezeer door geplaagd worden en je wordt er al door geplaagd. Ik zie ihet nu beetje bij beetje in " ").

Het is deze anti-trio mfalisti§che tendens in Kohlbrugge's theologie, die zijn passiviteit zo overtuigend maakt. Hij predikt geen geloof dat dienst doet als hefboom waardoor ons menselijk vernuft en vermogen hun triomfen kunnen vieren. Het geloof is geen dosis capaciteit om mee aan de slag te kunnen, maar het geloof gelooft dat Gods kracht in onze volstrekte onmacht wordt volbracht.

Kohlbrugge sprak uit ervaring. Hoe diep werd hijzc!' niet keer op keer aan de grond gebracht en door altronden heen gedreven! Diep deed God hem afdalen in donkere schachten om van daaruit Zijn delfstoffen aan het licht te brengen. Hij wist het zonlicht te waarderen, omdat hij in de mijnen was geweest.

Hij schaamt zich niet om Wichelhaus begin 1849 te bekennen: ,,De drie dagen vóór Kerstfeest 'ag ik ziek en sluimerde bijna de gehele dag op mijn canapee. Aan schrijven kon ik niet denken. Ik kon ook geen twee zinnen bij elkaar denken. Welk een last drukte mij neer! Preken, avondmaal houden, en weer twee dagen achtereen preken, en niet te weten wat. niets te hebben! Alles was me toegesloten. Ik lag zonder gevoel, als dood. Zaterdagsmiddags sprak ik: ,Geef mij slechts een beetje van Uw genade te smaken, dat ik er mijn broeders in kan laten delen'.

En nog heden weet de gehele gemeente en ik ook te vertellen van het overgoten zijn, waarmee zovelen en ook ik tijdens de feestdagen, op 31 december en 1 januari, overgoten zijn" --).

Maar ere wie ere toekomt! Want onmiddellijk voegt hij er dan weer aan toe: „Wat hielp mij toen al mijn weten, al mijn kennis.?" En dan schrijft Kohlbrugge, de doctor in de heilige godgeleerdheid, de onderlegde schriftgeleerde, de uitnemende kenner van oosterse talen, die daarenboven een eindweegs was ingeleid in het ondoorgronde geheim der genade: „Was ik daar geen erbarmelijk theoloog.? Daar kon ik mij toch met niets helpen!" -^). Kohlbrugge wist het: zoals bij windstil weer het zeilschip stil ligt totdat de wind opsteekt en de zeilen bol zet, zo blijft ons leven roerloos totdat de Geest komt blazen.

Bruikbaar zijn wij slechts voor God wanneer wij ledig, breekbaar en zelfs gebroken zijn. De geschiedenis van Gideon staat hier model! Niet alleen het aantal manschappen werd op Gods bevel tot een minimum herleid, maar ook de uitrusting van dat kleine restantje wapenbroeders stelde uiteindelijk niets voor. Of zijn ledige kruiken, die men bovendien aan stukken had te slaan, soms wapentuig van enige allure.? Maar juist zo'n holle kruik moeten we zijn, zegt Kohlbrugge.

En Kohlbrugge zou geen Kohlbrugge geweest zijn, als hij het gevaar dat hier op de loer ligt niet had onderkend en onttoverd. Het is dit: het raffinement* om iets te worden met ons niet s-geworden-zijn. Hij signaleerde haarscherp, hoe hooggevoelend de ogenschijnlijke ootmoed in werkelijkheid is. Trefzeker schreef hij eens: „De grootste Enakieten wonen in de stad Niets-wezen"! -"*) Wat hij hiermee aan vroom bedrog aan het licht wilde brengen, wordt uit een andere brief duidelijk: „Dat de Heere 't al is, en wij nul — is een waarheid; maar als men nu van die nulliteit wat maakt en naar een gestalte staat, waarin men dat voor zichzelf als met handen zou kunnen tasten, dat men zulk een niet is, dat men weg is, dat het ik aan de kant en Gods Ik het alles is: — dan is men toch ook al weer van de eenvoudigheid af, — men behaagt zichzelf in zulk een gedwongen staat ( ). Vlees is vlees, — een mens een mens, en hij wil zo gaarne niet mens, maar een engel zijn " -^).

Nu kan de vraag worden gesteld, of deze leer geen goddeloze en zorgeloze mensen maakt, om een formulering van de Heidelberger Catechismus te gebruiken. Deze vraag is inderdaad bij herhaling gesteld, al of niet met de ondertoon van een aanklacht. Naar ons besef verraadt de argwaan die daaruit spreekt een diepgeworteld en hardnekkig misverstand. Dat misverstand is dit: de suggestie* dat wij nog goddeloos gemaakt zouden kunnen worden! Mensen worden door géén soort van prediking, ook niet door Kohlbrugge's prediking goddeloos en zorgeloos gemaakt, maar èf aan hun goddeloosheid ontdekt of erin gestijfd. En wie zou van









Dat Kohlbrugge het met Gods heilige Wet niet zo nauw zou genomen hebben, kan slechts door kwaadwilligen of hardhorenden worden beweerd. Eigenlijk getuigt iedere preek, zo niet expliciet* dan toch wel impliciet*, van Kohlbrugge's hoogachting voor de Wet. Van jongsaf was hem deze eerbied bijgebracht en zij was in de loop der jaren alleen maar toegenomen. De Wet was hem ,,de zichtbare plaatsvervangster Gods op aarde" '"]. Daarnaar hebben wij onze handel en wandel in te richten!

Alleen, op het ,hoe' komt het aan: hoe de Wet te houden.? Door ons over te geven en te houden aan die andere Man, Christus, bij Wie wij Gode vrucht dragen, dat is: leven in overeenstemming met de Wet -"). Opdat wij de Wet zouden bewaren, heeft Christus haar ons uit de hand genomen, en uit de volheid van Zijn genade-heerschappij wordt ons koninklijk geschonken wat goed en recht is in Gods ogen ^'^). „Als men de Wet wil betrachten naar vlees, dan doet men die dingen niet. Als men aan gelove wandelt, dan doet men ze Geloof is leven, is doen, maar heeft niet het doen tot voorwerp van aandacht, maar Christus" ^'*). In alle andere vormen van heiligmaking en bekering steekt Kohlbrugge resoluut de brand. ,,Breek uw hoofd niet en kwel het niet, o mens, op farizeese wijze met uw leer van heiligheid en dankbaarheid en afgestorven zijn van de zonde naar de maatstaf waarmee gij uzelf meet! Eén lust in uw leden, zij drijft de spot met al uw moraal, al uw plannen, uw theorieën van de navolging van Jezus, al uw geloften en voornemens, overspanning van eigen kracht, zwak maken van het lichaam en zelfdoding. Wanneer dit aan het groene hout geschiedt, wat zal er met het dorre gebeuren! — De boze geest die gij waant uitgedreven te hebben, trekt na een tussenpoos in de fantasiehemel uwer verrukking met zeven sterkere geesten weder binnen, en hoe meer middelen ter doving aangewend, des te heller gloort zij op, die vlam der bronst, bij uw gedoe van zelfgekozen afzondering en engelen-ootmoed" ^^).

Daarom moeten wij op de zojuist gemelde kritische vraag of deze leer geen zorgeloze mensen maakt, met een tegenvraag reageren: is er dan een andere leer en een andere weg, die de goddeloze rechtvaardigt é n heiligt.? Of om met Kohlbrugge zelf te spreken: ,,Daar de Heere met ons tevreden wil zijn, zo wij met geheel afzien van onszelf en van al onze werken en van al onze vorige geestelijkheid, als naakt en van alles ontdaan, als goddelozen, Jie het opgegeven hebben ooit weder vroom te worden, tevreden zijn willen met Z ij n Lam met h 'twelk wij ons in alle goede werken als onheiligen uevinden naar Efezen 2 : 10—, wat zullen wij ons daar van de duivel laten terughouden om er niet rnee tevreden te zijn.?" ^-)

Wie zó de volle vrede vond in het Lam dat üer wereld zonden droeg, die kan aan twee dingen met meer denken: de zonde zelf wegdragen, maar evenmin de zonde zorgeloos en gelaten verdragen. Christus is geen dienaar van de zonde! En / ijn Geest maakt geen quiëtisten*, die met de ongerech igheid accorderen*. De passiviteit die Kohlbrugge '7ns voorhoudt is geloofs-passiviteit, die vruchten draigt van waarachtig daadwerkelijke bekering. Waar heel de drift der dadendrang, die de genade verdringt en verdrijft, wordt afgezworen, juist daar is een da idkrachtig christenleven in de weg van Gods roep ag.

Zeker, in ,De Tale Kanaans' horen wij Kohlbugge zeggen, dat de liefste bezigheid van de geloMge is: niets-do en; hij laat al dat schrobben "" schuren achterwege en hij kan niets doen, — r toch, juist in deze passiviteit komt hij aan alkde werken, want hij haalt ze uit de volheid Heeren. En als hij 't niet doet, wordt hij er doo nood toe gedreven, en hangt hij aan 's Heeren i ..- en heeft hij wat hij hebben moet. Zó wast hi', de voeten der heiligen met blijdschap! ^'^). Juist ar ;en maken velen rijk, en de niets hebbenden bezitten alles (2 Kor. 6).

Niets-doen betekent bij Kohlbrugge: u.ets doen in eigen kracht, — dus ook niet: zelf doen iet geschonken kracht — ,maar: Gód laten do'ii. Hij verduidelijkt dat met een voorbeeld. Stel dat een kind van vier of vijf jaar zou zeggen: Vader, geel me een zwaard; dan kan ik, als we een vijand tegenkomen, weerstand bieden Wat doet dan vaocr.' Hij zal zijn kind eigenhandig beschermen. Maar een zwaard in handen geven.? Het zou er op zijn best zichzelf mee verwonden! ,,Kan de Vader dan Zijn kracht aan het kind lenen.? Begrijpt ge.? Doe wa: de Heere u zegt. Waar gij Zijn Woord hoort, zonder kracht! Zó is het geloof: dat heeft een Wnord Gods ". In Gods Rijk gaat het niet toe op de wijze van bravour en paukengeschal. Het is een ..Rijk van het Woord, van geloof, van genade. Het heerst in de gewetens en harten en heeft geen rumoer nodig ( ). Waar God Zich heen begeeft en Zijn genade laat komen, daar bemerkt men Zijn voetstappen niet. Onzichtbaar maakt Hij de hand, die heelt



(Het tweede onderdeel volgt)

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1982

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Kohlbrugge's Geloofspassiviteit

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1982

Kerkblaadje | 8 Pagina's