Wat uit stof is, neemt een end
De Oud Gereformeerde Gemeente (onder het kruis) heeft in het centrum van Rotterdam een doelmatig kerkgebouw. Aan het Weenaplein staat in de hoek een fraaie kerk. Een klein torentje bekroont het gebouw. De bekende kruisdominee Cornelis van den Oever heeft zich een slag in de rondte moeten werken om dit gebouw te laten verrijzen en de financiën rond te krijgen. Onder Gods zegen is hem dat ook mogen lukken.
Noorderkerk
Zijn gemeente had eerder al een kerkje aan de Raampoortlaan. Door een droeve scheuring in de gemeente is dit gebouw toegewezen aan een deel van de gemeente dat ds. Van den Oever niet volgde. Na enkele omzwervingen was het eindelijk zover dat een nieuwe kerk kon worden gebouwd. En dat werd de kerk aan het Weenaplein. Op 1 mei 1870 ging de bouw van start. Drie grote deuren aan de straatkant met daarboven de naam: Noorderkerk. De bouw verliep voorspoedig: reeds op 11 september 1870 werd deze nieuwe kerk ‘plegtstatig ingeweid’, zo vertellen ons de notulen. Ds. Van den Oever deed dat met de tekst uit Haggaï 2:10, ‘De Heerlijkheid dezen laatsten Huizen zal grooter zijn dan het eerste. (…) Het mogt hem (ds. Van den Oever, jm) na veel worstelingen gelukken om zijn wensch te verkreigen. Het was een gebouw zoo rijk en Deftig gebouw dat het elke verwondering weg droeg, zoowel van vriend als vijand!’
Vijf procent rente
Dominee Cornelis van den Oever overlijdt op 5 december 1877. Op 8 november 1877 verkoopt hij het kerkgebouw, dat op zijn naam stond, aan zijn zoon ds. Adrianus van den Oever. De koopsom? Tienduizend gulden. Natuurlijk een zeer ongewenste situatie, dat een kerkgebouw geen eigendom van een kerkelijke gemeente is, maar van een predikant! En deze Adrianus wil begin 1885 van het gebouw af, met wat aangrenzende huisjes en grond. Na lang onderhandelen wordt de gemeente eigenaar. Ds. A. van den Oever heeft er niet op hoeven toe te leggen in deze acht jaar; hij beurt er het dubbele bedrag voor, twintigduizend gulden. Dat bedrag is inclusief zesduizend gulden voor het interieur. De overige veertienduizend betreffen aankoop kerk en enkele huisjes. Wat de gemeente nog niet kan betalen, kan van de dominee geleend worden tegen vijf procent. Na tien jaar aflossing en rente zal het restant worden terugbetaald aan ds. Van den Oever, die hypotheekhouder is geworden.
Verkoop in plaats van vergroot
De gemeente groeit. Er worden plannen gemaakt om de kerk te vergroten. Dan stuiten wij op een oneffenheid in de notulen. Was de kerk nu wel of niet gekocht? De notulen lijken tegenstrijdig. Het is opnieuw ds. A. van den Oever die een stevige vinger in de pap heeft. Het vergroten betekent dat er enkele woningen moeten worden aangekocht om deze vervolgens te slopen, zodat op de vrijkomende grond de vergroting van de kerk kan gebeuren. De eigenaar van deze woningen? Jawel … ds. A. van der Oever. Wéér wordt onderhandeld, wéér gaan beurzen open. Voor twee en twintig duizend gulden koopt de kerkenraad deze grond met opstallen. Vrij op naam. De officiële overdracht is op 1 december 1899. Dan lijkt niets de uitbreiding van de kerk meer in de weg te staan. Líjkt … want de inkt op de koopakte ten kantore van notaris W.J. Droogleever Fortuyn aan de Geldersche Kade in de Maasstad is nauwelijks opgedroogd, of er doemen donkere wolken op boven het kerkgebouw. Wat gebeurt? Op 4 januari 1900 houdt de kerkenraad een extra vergadering. De broeders verwelkomen een gast. Dat is ene mr. Van Wijngaarden, die een onderhoud heeft gevraagd. De broeders zijn benieuwd wat dat mag zijn. Van Wijngaarden opent zijn aktetas, haalt er een dossier uit en licht het doel van zijn komst toe. Het gaat over … de Noorderkerk! Hij komt niet op eigen houtje, welnee. Als gevolmachtigde van de ‘Maatschappij voor Electrische Spoorwegverbinding met Den Haag’ deelt hij mee dat deze Maatschappij van plan is de Noorderkerk én de zojuist gekochte panden te … onteigenen! Vervolgens te slopen en de daardoor vrijkomende grond te gebruiken voor de aan te leggen spoorlijn. Daar zitten de broeders. Vol onbegrip. Is er écht geen alternatief? Nee, laat Van Wijngaarden weten. Dan noemen de broeders op stel en sprong een bedrag. Misschien heeft Van Wijngaarden even op de gang moeten zitten toen over een bedrag werd gesproken. Dat is aan de hoge kant: zestigduizend gulden, een bedrag waar Van Wijngaarden van schrikt. Dat is veel meer dan de taxatie die hij heeft laten verrichten, waarvan de kerkenraad geheel onkundig is. En dan de ledenvergadering nog, die goedkeuring moet verlenen. Enfin, Van Wijngaarden vertrekt, de broeders blijven achter. Goed dat de uitbreiding van de Noorderkerk nog niet heeft plaatsgevonden! Wellicht is het dan veel beter om elders een kerk te laten bouwen?
Van Wijngaarden komt er snel op terug. Hij dreigt met een mogelijk gerechtelijke ontruimingsprocedure. Met alle daaraan verbonden kosten. De broeders kerkenraad benoemen een commissie. Wat te doen? De genoemde zestigduizend gulden blijkt inderdaad wel wat fors te zijn. Ze komen uit op negenenveertigduizend. Met als voorwaarde dat de gemeente de Noorderkerk gratis mag gebruiken tot 1 januari 1901. De aanleunende panden aan de Raampoortlaan worden per 15 mei 1900 eigendom van de koper.
Protestantse aannemers
De kerkenraad handelt in de hoogste versnelling. Tijd is geld! En er is haast bij. En de nodige vragen: Waar komt de nieuwe kerk? Wat gaat nieuwbouw kosten? De bouwcommissie mag veel werk verzetten, maar mag zich niet bemoeien met het ‘meublement’. Enkele terreinen worden bezocht, de Boezemsingel blijft over. Er staat op een braakliggend terrein een vrijstaande woning. Die kan als pastorie dienen. Achttienduizend gulden moet worden neergelegd voor deze woning. Enkele kleine pandjes gaan in kerkhanden over voor zestienduizend gulden. Dan komt er nog een bedrag bij voor de grond. Het is al snel duidelijk: er moet een hypotheek gevestigd worden. Harten worden geneigd, beurzen gaan open, het geld stroomt binnen. Vier aannemers schrijven in. Zij voldoen alle vier aan de eis: protestantse religie.
De laagste inschrijver komt op ƒ 36.995,- uit, de hoogste zit op ƒ 55.258. Als alle bezwaren zijn weggepraat met betrekking tot de laagste inschrijver, krijgt J. Zijdemans de opdracht. Hij moet een solide gebouw neerzetten voor niet meer dan zijn offerte is. Dit wordt klip en klaar met hem besproken; een nieuwe kerk op Feijenoord had een overschrijding van de aanneem-som van veertienduizend gulden en de hervormde kerk aan de Jacob Catsstraat kwam tienduizend gulden hoger uit. Deze twee heel recente gevallen doen de wenkbrauwen van de kerkenraad fronsen.
Koster A.J. Saarberg reageert verheugd, als de kerkenraad hem meedeelt dat hij vanwege het vele extra werk rond de bouw vijf gulden per maand méér salaris krijgt. Zijn blijdschap is van heel korte duur en dat heeft te maken met zijn koffieschenkerij. Als hij bij de kerkenraadsvergaderingen koffie zet, mag hij van de kerkenraad iets meer vragen. De werklui bij de bouw nemen echter hun eigen koffie mee van huis. Saarberg gaat zitten rekenen. Conclusie: van de toegezegde verhoging van vijf gulden blijven er zonder koffie drie kwartjes over. En voor dat luttele bedrag moet hij véél meer werk verzetten! Hij vraagt een onderhoud aan bij de kerkenraad. Jammer voor Saarberg, er verandert niets voor hem.
Inmiddels is de fundering gelegd. Ter gelegenheid daarvan houdt ds. K. Pieneman een speciale preek in de Noorderkerk. De collecte is voor de fundering!
Nog geen einde aan het gekijf
Dan gebeurt er iets verdrietigs: de aannemer laat het afweten. Half afgebouwd staat de kerk daar. De beide personen die voor de aannemer borg zijn, worden aangesproken. Er wordt zelfs een advocaat ingeschakeld. En … de aannemer komt onmiddellijk onder de tweede trap van censuur. Verkerken rond de jaarwisseling, wat de bedoeling was, gaat dus niet door. De spoorwegmaatschappij doet een aanbod: de gemeente mag nog drie maanden in de oude kerk blijven, en dat voor honderd gulden per maand. De diaken die met het toezicht was belast wordt niet meer herkiesbaar gesteld. Hij was zeer vakbekwaam, maar ook zeer eigenmachtig. Hij negeerde besluiten van de kerkenraad. Zo zouden er houten dorpels komen, maar hij had hardstenen dorpels besteld. Kostenverhogend! Daarom besluit de kerkenraad het voorplein voor de kerk niet te bestraten, maar te begrinten. De slotzin van de notulen van 12 oktober 1900 spreekt boekdelen: ‘opdat er toch aan alle ’t gekijf eens een einde mogt komen.’
Werden er aan het eerste kerkje aan de Raampoortlaan op 16 september 1844 maar liefst drie eerste stenen gelegd, over een eerste steen voor de Noorderkerk en voor de Boezemsingelkerk wordt niets vermeld in de notulen. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn die ook nooit gelegd, zeker te weten niet aan de Boezemsingel.
Het brandende braambos
Diaken A. Plomp stelt voor om boven de hoofdingang een ‘symbool’ aan te brengen: Mozes bij het brandende braambos. Onder dit symbool staat: EX.3Vs2. Twintig werklieden zijn inmiddels met de bouw verder gegaan. Als in oktober de kapconstructie is aangebracht, krijgen ze allemaal een gulden.
De kansel en het doophek worden besteld, het orgel verhuist van de Noorderkerk naar het nieuwe kerkgebouw. Orgelbouwer Van der Kley ziet deze klus wel zitten. Voor negenhonderd en tien gulden verplaatst hij het orgel en past hij het aan het nieuwe interieur aan. Hij moet verklaren dat hij goed werk zal afleveren. Maar al te graag geeft hij garantie zo lang hij mag leven. We weten niet hoe oud hij op dat moment al was … Op 1 maart 1901 moet het orgel in gebruik genomen kunnen worden.
Later, toen de kerk onder ds. G.H. Kersten vergroot werd, is dit orgel vervangen door een nieuw instrument. Het oude orgel verhuist naar Genemuiden. De kerkmeesters gaan, gelet op de grote belangstelling, de plaatsen nu al verhuren. Ze trekken daarvoor vier dagen uit, van ’s middags drie tot ’s avonds negen uur.
‘In memoriam’
Op zondag 24 maart 1901 is de laatste dienst in de Noorderkerk. Ds. Pieneman preekt over Psalm 137:5. Hij noemt deze preek een ‘in memoriam’ en gewaagt in zijn voorafspraak dat het Weenaplein onvergetelijk is geworden voor veel zielen. Op zondagmorgen 31 maart wordt de Boezemsingelkerk in gebruik genomen. Ds. Pieneman preekt dan over Efeze 1:10. Gedurende de bouw is ds. Pieneman vele malen met zijn jonge vriend Henri Kersten, de latere ds. G.H. Kersten, een kijkje op de bouwplaats gaan nemen. Ongetwijfeld zullen hun gesprekken onderweg weleens boven deze kerkbouw zijn uitgestegen en zal er gesproken zijn over dat Huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
Het was in deze Boezemsingelkerk, dat op 9 en 10 oktober 1907 de eerste Algemeene Vergadering van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland werd gehouden, nadat op 25 juli 1907 in een deputatenvergadering dertien artikelen werden opgesteld en vastgesteld.
Ledeboerianen en Kruisgezinden, beide groeperingen verenigden zich in het nieuwe kerkverband. De Boezemsingelkerk is inderdaad een staaltje van architectonische kunst. Alleen dat torentje roept vragen op. Mensen die het gebouw niet zo welgezind zijn - of de leer die daar gebracht wordt voor dat zwartekousenpubliek haten - spreken wat badinerend over ‘de suikerpot’ als ze het over deze kerk hebben. Het torentje schijnt op het deksel van een suikerpot te lijken, een attribuut dat op veel huiskamertafels te vinden is. In de volksmond is het al gauw ‘de suikerpot’.
Zoiets is niet van vandaag of gisteren. Het in 2008 gereedgekomen kerkgebouw van de Goudse Gereformeerde Gemeente heeft door zijn opvallende vorm ook al snel bijnamen. Men spreekt dan over ‘de mijter’, ‘het strijkijzer’ en zelfs over de ‘Sint Clements’ – afgeleid van de naam van de huidige predikant ds. G. Clements. Het was vroeger ook niet veel anders …
Te weinig zitplaatsen
De gemeente blijft groeien. Het zitplaatsentekort stijgt. Velen komen over uit andere kerkverbanden, voornamelijk uit de Nederlandse Hervormde Kerk. Eigenlijk kan het zo niet langer. De kerkenraad buigt zich over drie mogelijkheden: uitbreken van het huidige kerkgebouw, winst is dan 200 plaatsen. Nee, toch maar niet, vinden de broeders. Optie twee is het plan om van de kerk een kruiskerk te maken. Kansel niet langer tegenover de hoofdingang, maar rechts van de ingang situeren en dan links een forse uitbreiding creëren. Dan komen er 900 plaatsen bij. Dat is nogal wat! De laatste optie is om het gebouw helemaal vierkant te maken, met 1000 plaatsen erbij. Kostenbegroting: ongeveer ƒ 48.000,-. Er is al ƒ 18.000,- beschikbaar. Ds. Kersten draagt zelf een steentje bij door zijn honorarium vanwege zijn derde diensten in Rotterdam-West in de bouwkas te storten. Nadeel van optie twee is dat de dominee dan zijn garage kwijtraakt. En de geraamde 900 plaatsen extra lijkt teveel van het goede. Met 400 plaatsen minder kan er ook een uitbreiding worden gerealiseerd. Ds. Kersten heeft zelf bouwtekeningen gemaakt. De burgerlijke gemeente heeft daarop wijzigingen aangebracht, wat ook weer extra kosten met zich meebrengt.
Orgelperikelen
En waarom niet meteen een nieuw orgel? De handen gaan op elkaar. De totale aanneemsom wordt vastgesteld op fl. 52.000,-, exclusief orgel. Ds. Kersten is daar niet gelukkig mee. Hij pleit voor uitbreiding van het bestaande orgel en het aanbrengen van een elektrische windvoorziening. Besparing vier- tot vijfduizend gulden. Zijn voorstellen sneuvelen onmiddellijk, de broeders kijken de dominee bepaald niet naar de ogen. Er wordt besloten orgelbouwer Dekker te Goes opdracht voor een nieuw orgel te verlenen. Voor dat besluit wil ds. Kersten geen enkele verantwoordelijkheid nemen.
Als de plannen doorgaan (ds. Kersten heeft berekend dat er 450 zitplaatsen te weinig zijn) kan ook voor een gewijzigde bankenplan worden gekozen. Dat gebeurt dan ook. Tegelijk worden de zitplaatsen in vier klassen verdeeld. Op jaarbasis kan een plaats worden gehuurd voor twaalf, tien, acht en zes gulden. Die van twaalf gulden worden al snel in beslag genomen door de welgestelden. De mindere klasse kan genoegen nemen met een plek van zes gulden. Het oude orgel maakt voor de vierde keer een verhuizing mee. Eerst de Raampoortlaan, toen de Noorderkerk aan het Weenaplein, vervolgens de Boezemsingel en tenslotte betaalt Genemuiden de vraagprijs van tweeduizend gulden. Met het schip Paul Kruger wordt het gedemonteerde orgel naar de haven in Genemuiden vervoerd. Er vloeit nog wel wat water door de Maas voor de verbouwing gereed is. Op 23 februari 1928 neemt ds. Kersten het vergrote kerkgebouw in gebruik. Als orgelleverancier Dekker om betaling van de laatste termijn, groot 5.250 gulden vraagt, krijgt hij te horen dat de pijpen in het front te ver uit elkaar staan. En is het orgel wel krachtig genoeg om 2500 zingende kerkmensen te begeleiden?
Voor vier gulden een jaar lang een plank gehuurd
Ook het aantal zitplaatsen blijft nijpend, ondanks de vergroting. Er worden uitschuifplaatsen verhuurd. Die waren voorheen gratis, maar nu niet meer. Vier gulden voor een jaar ‘zitgenoegen’, een harde, eikenhouten plank en een dito balkje in de rug. Men neemt dit alles voor lief, het gaat immers om het Woord!
We gaan bewust niet diep in op het onderwerp ‘pastorie’, hoewel deze woning op het terrein van de kerk staat. Enkele feiten noemen we slechts: de oorspronkelijke pastorie, een wit gebouw, wordt vervangen door nieuwbouw. Twee panden onder één kap. Rechts de pastorie, links de Theologische School. Later ‘Tehuis voor Weezen en Ouden van Dagen van de Gereformeerde Gemeenten’ en nog weer later, tot op de dag van vandaag, opnieuw de Theologische School. Sinds enkele jaren is de pastorie bij het schoolgebouw getrokken. Ds. J. van Haaren, destijds zelf docent aan deze opleiding, sprak over ‘Het Mekka der Gereformeerde Gemeenten’. Kerk, pastorie en school dicht op elkaar.
Proefpreken
De studenten van de Theologische School houden hun proefpreken in het bijna aangrenzende kerkgebouw. Dat zal niet altijd meegevallen zijn, om vanaf de ruime kansel een toespraak te houden tot een handjevol docenten en studenten. En dat in een gebouw met meer dan 2000 plaatsen. En een aandachtig luisterend groepje mannen. Net te doen alsof voor een grote gemeente gesproken wordt. “Je hebt geen woord voor de onbekeerden” zo verweet ooit een docent eens een zenuwachtige student. Die daarop ad rem reageerde: “Waren die er dan vanmorgen?” In grote getrouwheid verricht ds. Kersten zijn ambt en plicht. Zoveel taken in één persoon verenigd is nauwelijks voor te stellen. Herder en leraar van een grote kudde, in politiek opzicht actief als lid van de Tweede Kamer, voorman op onderwijskundig terrein en dan ook nog docent aan de Theologische School, hoofdredacteur van De Saambinder, medewerker aan De Banier en auteur van een aantal toonaangevende boeken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij het medisch advies krijgt om het wat kalmer aan te doen. Het strekt hem echter tot blijdschap dat zijn prediking niet ongezegend blijft. De Heere heeft veel volk in deze stad. Dat blijkt ook uit de Avondmaalsbedienin-gen, waar vijf volle tafels zijn. Ds. Kersten preekte dan veelal uit de hoofdstukken Johannes 14-16. Niet alles wat er blinkt zal goud geweest zijn, ook ds. Kersten is geen hartenkenner, maar toch – er is volk van God. En ze zoeken elkaar op in gezelschappen om na te spreken over wat er zondags gepreekt is.
Mannen en vrouwen gescheiden
De jaren vervliegen. Na het vertrek van dr. C. Steenblok naar Gouda en het heengaan van ds. Kersten neemt ds. M. Blok het beroep naar de gemeente aan. De groei gaat gestaag door. Het komt zelden voor dat gemeenteleden hun bewijzen van lidmaatschap opvragen om zich elders aan te sluiten. In 1955 neemt een gezin afscheid om naar de Nederlandse Hervormde Kerk over te gaan. Op 18 februari gebeurt dit, op 15 april staat de vader weer op de stoep van de consistoriekamer. Of hij weer terug zou mogen keren, met zijn gezin. Het wordt hem toegestaan.
In die tijd zitten mannen en vrouwen strikt gescheiden. Is er een gezin met jongens en meisjes, hoe klein ze nog zijn, de jongens bij hun vader en de meisjes bij hun moeder. Op de drie galerijen is het al net zo. Tot een jongeman op de galerij tegenover hem zijn ogen wat minder op de dominee en wat meer op een meisje op die galerij richt. De klik is er. Voortaan zitten ze naast elkaar. Langzaam maar zeker voltrekt dit proces zich door de gemeente, hoewel ouderen doorgaans blijven vasthouden aan het mannen- en vrouwenvak. Na het vertrek van ds. Blok naar de Noorderkerk in Rijssen breekt een vacature aan, die met de komst van ds. A. Vergunst uit het Amerikaanse prairiedorpje Corsica vervuld wordt. Tijdens zijn bediening is er een bijna onstuitbare groei. De zogenaamde babyboomers, geboren in de jaren na de bevrijding, zorgen voor catechisaties met zo’n 100 tot 150 catechisanten. Wat later volgen dan de belijdenissen. Rotterdam, zwaar geteisterd door het laffe bombardement op dinsdagmiddag 14 mei 1940 - waardoor de Boezemsingelkerk geen enkele schade heeft opgelopen! - gaat volop in de nieuwbouw van woningen. Er verrijzen nieuwe wijken in het oosten van de stad: Prins Alexanderpolder, Ommoord. Jonge mensen trouwen, krijgen in deze jaren van schrijnende woningnood een inwoning of een huisje onder de huurwaarde en worden lid van de gemeente. Dat betekent dat er zondags heel wat mensen in de paden staan, wachtend op het rode lampje dat de zitplaatsen vijf minuten voor de aanvang van de diensten vrijgeeft.
Bouwvallig
Als er wat meer ruimte op de woningmarkt vrijkomt, verhuizen velen naar de beide nieuwe wijken. Die vallen de eerste tijd onder de Boezemsingelgemeente. In die tijd komt het verenigingsleven fors op gang. Met als gevolg: behoefte aan vergaderlocatie. In het voorjaar van 1960 wordt gevraagd om op de kerkzolder, boven de torengalerij, vergaderruimte te realiseren. Er volgt een onderzoek met vérstrekkende gevolgen: de voorgevel verkeert in bouwvallige staat. Restaureren komt op ƒ 67.000,-. Dan kan er géén vergaderruimte komen. Wel als de voorgevel wordt vernieuwd. Dat wordt begroot op ƒ 135.000,-.
Unaniem wordt daartoe besloten. Architect Chr. de Heer, tevens diaken, gaat aan de slag. Van vergroting van het kerkgebouw is dan al geen sprake meer: in omliggende gemeenten is meer en goedkopere woongelegenheid dan in de stad. Krimpen aan den IJssel, Capelle aan den IJssel zijn aantrekkelijke plaatsen. Er begint een grote uittocht. Zo worden er bijvoorbeeld op 8 juli 1960 maar even zeven gezinnen in één week uitgeschreven, waarvan vier zich in Capelle vestigen. De tijd van wachtlijsten voor een zitplaats is voorgoed verleden tijd.
De gemeentelijke Welstandscommissie verleent geen goedkeuring aan het schetsontwerp voor een nieuwe gevel. Het bezwaar gaat over de toren. De architect heeft al een nieuw ontwerp klaar, zij het zonder toren. Daar gaat de kerkenraad niet mee akkoord. Dominee Vergunst laat het er niet bij zitten. Voortvarend als hij is, gaat hij samen met architect De Heer met deze commissie in gesprek.
In die tijd wordt het kerkgebouw voor een ramp behoed. Als koster J.H. Schollaart op een zondagmorgen de kerkdeuren opent om de kachel op te stoken, komt hem een vette rookwalm tegemoet. Er heeft een inbraak plaatsgevonden. Via een ingeslagen raam naast de diakenenbank heeft vermoedelijk een zwerver nachtlogies gezocht en is hij met een brandende sigaret op het zachte kussen van de kerkbank in slaap gedommeld. De man in kwestie is vertrokken als de koster binnenkomt, maar de kerkbank is geheel verkoold. Het is een wonder dat er geen verdere brandschade is ontstaan. Naar later blijkt is het vuur gedoofd vanwege de dikke waslaag op de banken. De schade is te overzien, de sparende hand Gods mag worden opgemerkt.
De gelijkenis van het zaad
De nieuwe voorgevel komt er aan. Mét toren. In november 1962 vangt de sloop aan. Aannemer Van der Lugt klaart de klus voor ƒ 181.000,-. Wel wat meer dan de aanvankelijke begroting. Geprobeerd wordt bij de sloop van de oude gevel het timpaan met de afbeelding van het brandende braambos te bewaren. Helaas gaat dit ornament toch verloren. Boven de ingang van de nieuwe entree wordt aan de nieuwe gevel een reliëf aangebracht. Voor duizend gulden vervaardigt Gebr. Henderickx een ontwerp van Frits Henderickx, voorstellende de gelijkenis van het zaad met de vogels, de doornen en de mens. Maar ook de vruchten, de volle aren worden afgebeeld. In het najaar van 1963 wordt het hoogste punt bereikt. Dat levert een samenzijn op met aannemer, werklieden en kerkenraad. Alle werklui krijgen vijfentwintig gulden. Op 17 mei 1964, Eerste Pinksterdag, wordt de ver-bouwde kerk in gebruik genomen. In een zondagse dienst, zonder officieel karakter. Dan luiden voor het eerst de beide klokken in de toren. Wel in overleg met de koster van de majestueuze Koninginnekerk in de onmiddellijke nabijheid. Als de klokken van deze kerk zijn uitgeluid, is het de beurt aan de Boezemsingelkerk om de gemeente op te roepen met klokgelui. Een toren met luidklokken, in die tijd uniek binnen het kerkverband. Dat levert een kritische vraag aan ds. Vergunst op van een gemeentelid: of het wel nodig is om een eigen geluid te laten horen. We zijn toch niet rooms, of hervormd of gereformeerd? Als altijd heeft ds. Vergunst zijn woordje klaar. “Man, als er nu aan de overkant van de singel een man of vrouw de klokken zou horen en daardoor aangespoord zou morgen worden om de kerk te bezoeken, zou een klok dan geen goede zaak zijn?” De vraagsteller druipt af.
Rotterdam sloopstad
In de Kerkbode, kerstnummer 1971, schrijft ds. Vergunst een weemoedig gestemd artikel. Vanuit zijn studeerkamer heeft hij zicht op de Koninginnekerk. Na veel getouwtrek valt uiteindelijk het oordeel: deze schitterende kerk, in 1907 gebouwd in Jugendstil en onbeschadigd gebleven bij het bombardement, moet ten prooi vallen aan …bejaardenhuisvesting. Acties worden gevoerd, handtekeningenlijsten gaan rond, een zakenman schenkt een miljoen om de kerk te kunnen behouden, maar links gedram van de Partij van de Arbeid, die niets van religie en kerk wil weten, geeft uiteindelijk de doorslag: de kerk valt onder de sloopkogel. Aanplakbiljetten schreeuwen het van de lantaarnpalen: Rotterdam sloopstad! Deze sloop stemt de predikant weemoedig. Dat 47 jaar later ‘zijn’ eigen kerk eenzelfde lot zou treffen, zal niet bij hem opgekomen zijn.
De kerkelijke ontvolking is ingezet en zet zich door. Niet zozeer dat er massale kerkverlating plaatsvindt vanuit de Boezemsingelgemeente, maar gezinnen trekken meer en meer de stad uit. De drie grote galerijen worden gesloten. Vier vakken, het verst van de preekstoel verwijderd, vervallen en maken plaats voor een grote zaal en consistoriekamer. Er komen steeds meer lege plaatsen, terwijl de kerken in de randgemeenten alleen maar groeien. In die tijd was er een schippersgezin dat voor het eerst met hun schip in het Boerengat lag en de kerk bezocht. Op de vraag van de schipper aan de (hulp?)koster: “Hebt u voor ons gezin een zitplaats?” kwam het antwoord: “U kunt zelfs een ligplaats krijgen!” De bevindelijke kerken in Rotterdam decimeren of moeten sluiten. Rond 1980-1985 telde de Rotterdamse Gereformeerde Gemeenten, zij het maar een korte tijd, vijf predikanten. West is opgegaan in de Boezemsingelgemeente, Zuid is Barendrecht geworden en van de drie Gereformeerde Gemeenten in Nederland (West, Oost en Zuid) is er niet een meer over. De diverse ‘zaaltjes’ zijn verdwenen en de enige Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland in Rotterdam-Charlois is eveneens opgehouden te bestaan. De teruggang in het ledental wordt mede veroorzaakt door de zorgcentra voor ouderen: Rehoboth in de Prins Alexanderpolder en d’Amandelhof in Capelle aan den IJssel. De ouderen vallen weg; wie over de begraafplaats Oud Kralingen loopt, ziet tal van grafzerken van kerkenraadsleden en gemeenteleden. Ook ds. Vergunst ligt daar begraven (graf-nummer 1000).
Veel volk in deze stad
Na ds. Vergunst komt de laatste predikant in de geschiedenis tot nu toe, ds. A.F. Honkoop. Van 1975 tot 1984 is hij aan de gemeente verbonden. Bijna 35 jaar is ‘de Boezem’ sindsdien vacant. De kerk loopt leeg. Van de drommen mensen van voorheen is nauwelijks meer iets over. Het ledental per 1 januari 2018 bedroeg 80 leden en 19 doopleden. In het bijna 175-jarig bestaan is het ledental nooit zo laag geweest, op de eerste jaren rond de instituering in 1844 na.
In 2018 valt de beslissing om de kerk in haar geheel te slopen. Er zal een veel kleiner gebouw voor in de plaats komen. De burgerlijke gemeente heeft echter aangegeven dat de markante toren behouden moet blijven als beeldbepalend element. Rotterdam seculariseert in ras tempo. Met de woorden uit Handelingen 18:10b ‘Ik heb veel volk in deze stad’ werden de hervormde ds. S. van Dorp, de ledeboeriaanse ds. Leendert van der Velde, ds. G.H. Kersten en ds. J. Fraanje naar de Maasstad gezonden.
En de deur werd gesloten
Op zondagavond 1 juli gaat consulent ds. A. Verschuure voor in een laatste dienst. Inleidend staat hij kort stil bij de geschiedenis van gemeente en kerkgebouw. Daarna ontvouwt hij de toepasselijke tekst uit Mattheüs 25:10b ‘… en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.’ Geen mens verlaat ongewaarschuwd dit kerkgebouw. De kerk is bijna tot de laatste plaats bezet. Zelfs van de Veluwe zijn er oud-leden aanwezig. De kerk, hún kerk, waarin ze gedoopt zijn, belijdenis hebben afgelegd, geknield hebben gelegen tijdens hun trouwdienst. Velen werpen bij het verlaten van de kerk nog een laatste blik op de kansel, op de gesloten kanselbijbel, op het doopvont. Tranen vloeien. Gedachten vermenigvuldigen zich. Het is wáár: hier werd de rust geschonken, hier ’t vette van Uw huis gesmaakt (naar Psalm 36:2).
En toch, er zal een overblijfseltje zijn naar de verkiezing van Gods genade. Over enige tijd zal er een kleiner kerkje zijn waarin de gemeente mag samenkomen. Het catechisatielokaal, waarin tot aan de nieuwe kerk de diensten worden gehouden, blijft behouden en zal worden ingericht als Documentatiecentrum.
De deur wordt gesloten. Zondagavond 1 juli 2018. De volgende ochtend gaan de deuren weer open. De onttakeling begint. Het orgel wordt gedemonteerd, de preekstoel, de banken gaan eruit. Het fraaie roosvenster tegenover de ingang zou behouden blijven, maar viel helaas in stukken. Wat uit stof is, neemt een end, door de tijd, die alles schendt. Alleen het Woord Gods bestaat tot in der eeuwigheid. En dit is het Woord, dat ook aan de Boezemsingel verkondigd is.
De Rotterdamse gemeente werd vanaf de instituering door de volgende predikanten gediend:
C. van den Oever 1842-1877
H. van den Oever 1878-1881
D.B. van Smalen 1883-1899
K. Pieneman 1898-1906
G.H. Kersten 1906-1912
J. Fraanje 1913-1916
D.C. Overduin 1918-1923
J. Overduin 1924-1925
G.H. Kersten 1926-1948
C. Steenblok 1945-1946
M. Blok 1949-1956
A. Vergunst 1957-1972
A.F. Honkoop 1975-1984
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 maart 2019
Oude Paden | 48 Pagina's