Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vingerwijzingen voor leven in onzekere tijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vingerwijzingen voor leven in onzekere tijden

23 minuten leestijd

Het vinden van richting in het leven is voor moderne mensen moeilijk geworden. Ook gelovige mensen bespringen de vragen in onzekere en chaotische tijden. Houvast vinden in jezelf lijkt als ronddobberen in stuurloos bootje op een onstuimig meer. Waarden en waarheid, tradities en normen die daarop zijn gebaseerd geven betekenis aan het leven. Dan blijven er genoeg vragen over. Maar we verdrinken er niet in.

Alicja Gescinska, filosofe uit België, schreef een boekje over waarheid getiteld “Kinderen van Apate”. Bijzonder actueel in deze tijd, waar politici onware of ongefundeerde uitspraken doen en sociale media ons ongemerkt beïnvloeden en leugens verspreiden. Bedrog is van alle tijden, schrijft Gescinska: “Apate [de godin van de leugen] is steeds onder ons (…) en wij zijn allemaal verwanten van haar” (p.14). Maar er is wel een opleving van onwaarheden, volgens Gescinska door “talloze factoren (…): geopolitieke ontwikkelingen, de bloedarmoede van traditionele (centrum)partijen, globalisering, de commercialisering en infantilisering van het politieke proces, onze celebrity-cultuur, de rol van sociale media in de hedendaagse samenleving en debatcultuur” (p. 22).

Via het verkennen van wat een leugen is, her verschil tussen waarachtigheid (de intentie om de waarheid te spreken) en waarheid (er niet naast zitten) komt Gescinska uit op het bespreken van dimensies van waarachtigheid. Het eerste is oprechtheid: waarachtigheid tegenover anderen. Het tweede is authenticiteit: waarachtigheid tegenover jezelf. Ofwel, wat Gescinska illustreert met verwijzing naar Charles Taylor: onderscheid te maken tussen “dingen die we naar waarde schatten en dingen die we naar waarde zouden moeten schatten”.

En juist daar denk ik dat er wel wat geleerd kan worden van Gescinska’s betoog. Is authenticiteit, en belangrijker nog, de “zekere mate van kritische zelfreflectie en introspectie” (p.49) niet een wat onderbelicht thema? Zeker, over ‘bevinding’ en zelfonderzoek wordt genoeg gesproken in reformatorisch Nederland. Maar doen we weleens zelfonderzoek bij alledaagse, banale vragen? Zoals: Handel ik juist in mijn spreken en zwijgen, doen en laten? Ben ik echt open om mijn inzichten te wijzigen? Waardoor laat ik mijn gedachten beheersen?

Ten slotte geeft Gescinska een extra (voor een christen wat overbodige) reden om te streven naar waarachtig-heid: zonder waarachtigheid geen vrijheid. Met de leugen regeert manipulatie en achterdocht.

Het recept dat Gescinska voorschrijft is niet alleen “eerbied voor de waarheid”, maar ook “meer zelftwijfel” (p.69). Het boekje is helder geschreven en een mooie basis om over door te praten. Het is niet het meest laagdrempelige boek, want Gescinska gebruikt vlot allerlei filosofische begrippen, maar wel een lichtvoetig geschreven boek over een zwaar onderwerp.


In het boek ‘De verovering van de vrijheid’ neemt Alicja Gescinska ons mee op een reis die heel persoonlijk en aangrijpend begint: bij de vlucht van haar ouders met hun dochters uit communistisch Polen naar België en de ernstige ziekte en het overlijden van haar vader.

“Er is nog steeds geen thema dat me zo bezighoudt als vrijheid”, schrijft ze in het ‘Nawoord bij de vierde druk’. Bevlogen zet Gescinska in dit boek uiteen hoe luiheid en verveling tegen de zin van het leven ingaan en tegen de uitoefening van de vrijheid. “Vrijheid is een werkwoord, een doen. Anders heb je er niets aan, dan verwar je echte vrijheid met een starre abstractie van die vrijheid” (p.96). Haar beschrijving van “niets doen” is zo levendig dat ik er een misselijk gevoel van herkenning aan over hield. Op een heldere en meeslepende wijze behandelt Gescinska vervolgens de verschillende concepten van vrijheid. Ze breekt een lans voor het streven naar een ‘positieve vrijheid’, “de aanwezigheid van vermogen”, tegenover een puur ‘negatieve vrijheid’, “de afwezigheid van een belemmering” (p.107). Absolute vrijheid is geen echte vrijheid. “Wanneer de vrijheid ontkoppeld wordt van de morele waarheid en het goede, van de liefde en de menselijke persoon, dan krijgen we een egoïstische en asociale vrijheid(…) uiteindelijk zal zij de mens toch slechts verknechten, vervreemden en beangstigen” (p.184). Echte vrijheid, schrijft Gescinska verder, kan wel drukkend zijn omdat ze een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Een citaat van Dostojevski zegt het treffend: “nooit is er iets voor de mens en maatschappij ondraaglijker geweest dan de vrijheid” (p.127).

In “De verovering van de vrijheid” lees je een zoektocht naar zin en een worsteling om de zin van het leven te begrijpen. Als christen vind ik dat enerzijds schrijnend. “Want bij U is de bron van het leven; in Uw licht zien wij het licht” (Psalm 36). Anderzijds hoef je als gelovige jezelf niet uit te sluiten van bepaalde vragen. Waarom zou je, als je – met de woorden van Gescinska, die Etienne Vermeersch citeert – in een “pottenbakker” gelooft, ook geloven dat alles teleologisch bepaald is, dat alles “een plan, een rechte lijn, van begin tot einde, een doel en een middel” heeft (p.120)? Juist in Genesis zie je dat het verhaal niet ten einde is met de schepping. De mens werd op deze aarde geplaatst in vrijheid om de aarde te bebouwen en bewaren. Een vrijheid die helaas slavernij werd. Maar die voor ons is heroverd! Een vrijheid die nooit verveelt, als wij haar maar beoefenen.

AvD


Goede omgangsvormen beginnen bij jezelf. Begrijp ik hoe mijn verhouding tot anderen samenhangt met mijn eigen opvattingen en gedrag? Ben ik mezelf de baas? Immers: “een geduldig man is beter dan een dappere held, en wie zijn geest beheerst, is beter dan wie een stad inneemt” (Spreuken 16:32).

Dit boek biedt handvatten voor een ‘gezonde levenshouding’ en daarmee gezonde relaties dankzij met name zelfbeheersing. Robertson onderzoekt hoe de Romeinse keizer Marcus Aurelius zich staande hield dankzij het stoicisme, de oude wijsgerige stroming die deze deugd bij uitstek centraal stelt, en trekt van daaruit lessen voor nu. De aanleiding tot het schrijven van dit boek is verrassend, zo blijkt in het inleidende hoofdstuk. Na het jong overlijden van zijn vader, vindt Robertson in diens portemonnee een stuk papier met daarop de tekst uit Exodus 3:14: “En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN”. Robertson wil weten wat voor zijn vader de betekenis van die woorden was geweest. Het brengt hem tot een filosofische en metafysische queeste die uiteindelijk uitkomt bij de antieke filosofie.

Vooral in het stoïcisme ziet Robertson, inmiddels gediplomeerd psychotherapeut, een levenswijze “om mensen te helpen emotionele pijn te overwinnen en een sterk karakter te ontwikkelen”. En keizer Marcus Aurelius vormt dus zijn ideale rolmodel om de levenslessen van de stoïcisme bij een breed publiek onder de aandacht te brengen.

Het boek slaat clichés aan gruzelementen. Stoïcijnen zijn geen harde, emotieloze mensen met een ‘stiff upperlip’. Integendeel, zij streven naar de ‘goede hartstochten’ van vreugde en vrede omwille van wijsheid, van een gezonde aversie tegen ondeugd, en van behulpzaamheid. Dit vereist de kunst om onderscheid te maken tussen goed, kwaad en neutraal. Zo kunnen ‘ongezonde’ emoties, zoals angst, pijn of vraatzucht, transformeren in gezonde. Bij zijn moeder ziet de jonge Marcus Aurelius de eenvoud, bescheidenheid en vrijgevigheid die deze levenshouding teweeg kan brengen. Dat maakt grote indruk. Het helpt hem een goed karakter te verkiezen boven geld en goed.

Maar het ontwikkelen van zo’n sterk karakter gaat niet vanzelf. Het vergt inzet en waakzaamheid. Vooral hoofdstuk drie gaat in op lessen die Marcus Aurelius in dat opzicht leert van de stoïsche en andere wijsgeren om zich heen. Zo dienen we te leren dat onze eerste indrukken en emoties (phantasiai) de werkelijkheid vaak geen recht doen, zodat we ons oordeel leren uitstellen. We moeten anderen toestemming geven om te zeggen wat onze fouten zijn, zonder boos te worden. Ons ook in anderen leren verplaatsen, en hen tegelijk gelegenheid geven zich in ons te verplaatsen.

Dat brengt Robertson bij een praktische les: zoek een mentor. “We zouden een kameraad moeten hebben die ouder en wijzer is dan wijzelf: iemand die bekendstaat om zijn eerlijkheid en openhartigheid, die dezelfde hartstochten heeft bedwongen (…) die ondeugden kan signaleren en ons openlijk durft te vertellen als we verkeerde keuzes maken in ons leven” (p. 96). Daar voegt hij de tip van zelfonderzoek aan toe. We moeten bereid zijn onszelf af te vragen: wie wil ik zijn, wat wil ik met mijn leven tot uitdrukking brengen, waar verlang ik naar? Hebben mijn woorden en mijn gedrag dat goede wel of niet dichterbij gebracht? Sta ik ernaar mijn angsten of boosheid de baas te leren zijn?

Zulke noties vormen mijns inziens de grootste waarde van Robertsons boek. Veel relevante vragen voor ons vandaag hielden ook oude denkers bezig, en ze kwamen met rake antwoorden. Hoeveel relaties zijn inderdaad gebaat bij een daadwerkelijk besef van eigen betrekkelijkheid? Het is voluit Bijbels dit te overdenken: “’k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden” (Psalm 32:3 berijmd). En hoeveel ruzies zouden voorkomen zijn als men het oordeel zou uitstellen, en echt bereid was naar de ander te luisteren? Plus: wie kan nou niet leren van een levenswijze mentor? Zo biedt het boek waardevolle richtlijnen voor een voluit christelijk leven.

Tegelijk proef ik tussen de regels door het fatalisme dat het stoïcisme aankleeft. Memento mori? Zeker, maar dan wel in het licht van een eeuwige toekomst. Daar waar de keizer niet wil dat men treurt om zijn dood vanwege de onvermijdelijkheid ervan, was Christus’ “ween niet over Mij maar over uzelf” het gevolg van brandende liefde in plaats van berusting. Geen vragen stellen als ‘waarom?’ en ‘hoe kon dit gebeuren?’ Klinkt goed in theorie, maar wie wordt niet op enig moment vol door het leven geraakt; een geraakt-worden dat met deze vragen kan uitdrijven tot een ontfermende God?

Daar komt bij dat zelfbeheersing minder maakbaar is dan Robertson schetst. Wat dat betreft is in hoofdstuk vier ‘De keuze van Hercules – hoe overwin je verlangens?’ de therapeut nadrukkelijk aan het woord. Alsof we een aantal lijstjes en schema’s mogen afvinken of invullen, en er dan wel zo’n beetje zijn – als we maar volhouden. Dat werpt mensen op zichzelf terug, en miskent dat we genade nodig hebben.

Ik denk in dat opzicht ook aan hoofdstuk vijf, over het aanvaarden en verdragen van pijn. Keizer Marcus Aurelius combineerde fysieke broosheid met grote veerkracht.

Een wijs man neemt volgens hem geen slachtofferrol aan en klaagt niet over wat hem is overkomen. Nee, hij blijft streven naar wijsheid, zelfs met het vooruitzicht van ziekte en ellende, en probeert geestelijk afstand te nemen van het lichamelijke. Zo moet hij zijn dood leren relativeren als een ‘kosmische vanzelfsprekendheid’. Wijsheid of wensdenken? Of zou het een poging zijn om de ‘laatste vijand’ te bezweren alsof deze niet gepaard zou gaan met het vonnis dat ‘zelfs’ over een Romeinse keizer geveld wordt. Laat ik positief eindigen. Robertsons boek toont hoe stoicijnen wijsheid beminden, goede deugden in hun medemens zochten, goed van kwaad wilden onderscheiden, en daarnaar wilden handelen. Dan ben je ‘niet verre van het koninkrijk der hemelen’, zou ik zeggen. Het is een levensinstelling om, net als Paulus op de Areopagus, mee in dialoog te gaan. Voor ultieme zelfbeheersing en zelfverloochening hoeven we echter niet op te zien naar Socrates of Marcus Aurelius, maar naar Jezus Christus. Niet het stoïcisme maar de Messias is de steen die de bouwers verworpen hadden maar tot een hoeksteen geworden is (Psalm 118). Laat onze omgangsvormen naar die Hoeksteen gemodelleerd worden.

Nog een laatste stoïsche les dan: blijf gericht op het praktische doel van een wijs en verstandig leven, dus lees niet te veel boeken (p. 38). Staat genoteerd.

HK

‘populisme’ wordt aangeduid, veel meer is dan een kwes Dit boek maakt duidelijk dat de tegenbeweging die alstie van personen, laat staan een sterke man alleen. Het gaat niet minder ook om ideeën. Voor het publiceren van dergelijke ideeën bestaat weinig ruimte in uitgeversland. Maar gelukkig hebben we, naast een klein aantal andere spelers, altijd nog uitgeverij Aspekt met haar tegendraads fonds.

Ook dit boek gaat duidelijk in tegen de ideologische mainstream – niet alleen die in Nederland, maar ook die in Europa en de VS haar miljoenen verslaat. Gewezen FVD-senator en nog altijd gerenommeerd rechtsfilosoof aan de Universiteit Leiden, Paul Cliteur, en historicus en directeur van Aspekt, Perry Pierik, laten er in hun inleiding op deze bundel ook geen gras over groeien. Met deze publicatie willen zij ageren tegen de moderne diversiteitsideologie. Die ideologie gaat er vanuit dat er geen universele waarden en normen zijn, behalve dan ‘diversiteit’ zelf. Zoals een gepassioneerd voorvechter van deze waarde, Frans Timmermans, het in Europees verband niet zo heel lang geleden formuleerde: diversiteit is de waarde van de toekomst. Sterker nog: onze cultuur zal ‘divers’ zijn, of ze zal niet zijn!

Maar deze waarde komt ten diepst voort uit nihilisme, cultuurrelativisme en postmodernisme, zo stellen Cliteur en Pierik terecht. Dat mensen onderling verschillen, is een gegeven. Maar voor vreedzaam samenleven is het nodig dat al die verschillende individuen en collectieven ook een aantal gemeenschappelijke waarden onderschrijven. Die waarden zijn weliswaar nooit algemeen geaccepteerd geweest, en dienden niet zelden met bloed, zweet en tranen te worden verdedigd, maar ze hebben steeds opnieuw bewezen de beste aanknopingspunten te bieden voor een beschaving die ook op dit moment wordt aangevallen door tribale culturen van buitenaf, maar ook wordt aangevreten door progressieve elites van binnenuit.

Wat die tribale culturen en progressieve elites gemeen hebben is het idee dat de wereld te verdelen valt in enerzijds de onderdrukkers met hun eigen dominante cultuur, en anderzijds de onderdrukten met hun verschillende subculturen. Aldus niet alleen Pierik, maar ook historicus en publicist Sid Lukkassen in zijn bijdrage aan de bundel. En, met een variatie op het aloude Marxisme, valt die tegenstelling volgens betrokkenen alleen te overwinnen door de totale afbraak van die dominante cultuur.

Cliteur sluit daarin zijn bijdrage op aan, en focust daarbij op de ondermijning van de natiestaat. Door hen die wijzen op de blijvende waarde van de natiestaat weg te zetten als enge nationalisten, wordt de weg vrij gemaakt voor een steeds verdergaande overdracht van soevereiniteit aan Brussel. Bovendien ondermijnt het vasthouden aan de eigen tribale identiteit door immigranten de nationale identiteit. En die laatste vormt volgens de Leidse rechtsfilosoof Afshin Ellian de basis voor de legitimiteit van onze historisch gegroeide democratische rechtsstaat.

En laten we vooral niet naïef zijn, zo benadrukt vrouwenrechtenactivisten en N-VA-politica Darya Sufai. Tegenover een groeiende aanhang voor de politieke ideologie van het islamisme, dient de islam te worden uitgedaagd, desnoods gedwongen, zich te voegen naar de klassiek-Europese waarden. Daarvoor dienen echter nog wel veel ogen geopend te worden. Zolang wij ons door progressieve elites laten aanpraten dat wij de enge witten zijn die zich nog dagelijks schuldig maken aan structurele onderdrukking van minderheden, is onze cultuur gedoemd te verdwijnen, aldus publiciste Pamela Pinas.

Iets dergelijks dreigt ook wanneer we kritiekloos meegaan in de postmoderne genderideologie, zo betogen jurist en filosoof Bas Hengstmengel en psychiater Esther van Fenema. Deze hele ideologie is erop gericht om het natuurlijke verschil tussen mannen en vrouwen te vervangen voor de beleving van een eigen seksuele identiteit. Die identiteit, vertegenwoordigd in het hele spectrum dat vertegenwoordigd wordt door de LHBTI-beweging, berust op een keuze uit een oneindige veelheid aan opties. Normaal gesproken heeft minder dan 1% van de jongeren moeite met het vinden van een seksuele identiteit, nu dreigt elke jeugdige volstrekt onnodig met dit probleem te worden opgezadeld, zo stellen de auteurs.

Als we niet oppassen wordt de brandende Notre Dame de beeldende metafoor van de toekomst van onze beschaving, aldus N-VA-politicus Theo Francken en godsdienstfilosoof David Dessin. Het is tijd dat we wakker worden en iets meer waardering krijgen voor onze eigen culturele traditie. Daarnaast moet er een soort democratisch burgerschap worden ontwikkeld dat ervoor zorgt dat helder is waar onze cultuur voor staat en wat van nieuwkomers wordt verlangd bij hun integratie in onze samenleving, zo besluit de vorig jaar overleden Rotterdamse staatsrechtsgeleerde Wim Couwenberg.

Duidelijk is dat het hier om een uitdagende bundel gaat, die prikkelt tot nadenken en thema’s en invalshoeken aanreikt die ook binnen de SGP een eigen doordenking verdienen.


In een tijd waarin elk boek dat over Forum-leider Thierry Baudet het licht ziet al achterhaald lijkt, is het de moeite waard om dit boek van twee vooraanstaande publicisten in journalistiek Nederland te lezen.

De auteurs komen met een meeslepend verhaal, waarin zij de jeugdjaren, de politieke opkomst en, wat zij noemen, toenemende radicalisering van Baudet beschrijven. Zij konden daarbij rijkelijk putten uit het geschreven en gesproken woord van laatstgenoemde. Daarnaast waren er velen die bereid waren hun ervaringen met hen te delen. Van familieleden met persoonlijke ontboezemingen tot vroegere vrienden met commentaar op hun politieke avonturen met Baudet. En aangezien Baudet zelf niet aan de publicatie heeft meegewerkt, leidt dat onvermijdelijk tot een gekleurd verhaal. Dat is zacht gezegd; de auteurs maken er door het hele boek heen, maar gaandeweg steeds vaker, geen geheim van uiterst kritisch te staan tegenover hun personage. Aan het eind van elk hoofdstuk, en zeker richting het eind van het boek, krijgen de critici van Baudet ook steeds het laatste woord.

Er wordt ook veelvuldig op los gepsychologiseerd. Baudet wordt talloze malen een ‘narcist’ genoemd, iemand die verslaafd aan aandacht en alleen geïnteresseerd in mensen die hij ter meerdere eer en glorie van zichzelf kan inzetten. Baudet zou niet open staan voor kritiek en mensen die het niet met hem eens zijn kleineren en, wanneer ze hem voor de voeten lopen, dumpen.

Een dergelijk beeld hoeft niet te verbazen bij een uitgesproken figuur als Baudet wanneer steeds critici het laatste woord krijgen. Maar is dat het hele verhaal?

In het eerste deel van het verhaal zien we Baudet als nako meling in een geslacht van zeer begaafde mensen: avonturiers met aristocratische trekken, goede musici en schakers die het, net als zijn beroemde grootvader Han, tot hoogleraar schopten. Franse roots, met een scheutje Indisch bloed. Niet gemakkelijk in een hokje te vangen. Internationale oriëntatie, met tegelijk een sterke hang naar een thuis. En die hang naar een thuis zou bij Baudet nog eens versterkt zijn door het feit dat zijn ouders van elkaar scheidden toen hij nog jong was.

Hij is al vroeg overtuigd van zijn eigen intelligentie. Bovendien heeft hij over alles een mening, die hij ook niet onder stoelen of banken steekt. Maar die mening was lange tijd niet zozeer bedoeld als uiting van zijn eigen overtuiging; eerder was het een manier om tegenspraak uit te lokken in de zoektocht naar waarheid. Een belangrijke boost kreeg zijn eigen overtuiging toen hij in aanraking kwam met conservatieven van de Burke Stichting en de Leidse Rechtenfaculteit als Bart Jan Spruyt, Andreas Kinneging, Paul Cliteur en Afshin Ellian. Die overtuiging brengt hem ook steeds vaker in conflict met gevestigde namen in de wetenschap. Die wetenschap verdenkt hij van een ‘progressief-linkse’ agenda, met name als het gaat om ideeënvorming en beleidsadviezen met betrekking tot de toekomst van de Europese Unie en het klimaat. Hij krijgt het etiket ‘klimaatontkenner’ en ‘fascist’ opgeplakt. Daarnaast komt het tot een hevig conflict met mainstream opiniemakers en politici over de ‘verworvenheden’ van de jaren 1960. Baudet spreekt zich uit tegen het feminisme en de genderlobby. Volgens hem zijn abortus en euthanasie geen verworven rechten, maar menselijke drama’s. En er dient meer waardering te komen voor vrouwen die ervoor kiezen thuis voor hun kinderen te zorgen. Vanaf dat moment gold hij in bepaalden kringen als ‘aartsconservatieve reactionair’ en een regelrechte ‘vrouwenhater’.

Daar is recent het etiket ‘racist’ en ‘antisemiet’ bijgekomen. Kortom: Baudet is geradicaliseerd. Daarmee is zijn electorale potentieel na de zo succesvolle Provinciale Statenverkiezingen van 2019 ook zienderogen afgenomen. Steeds meer mensen die niets moesten hebben van zijn flirt met het Christendom en vonden dat hij daarnaast te vaak met de verkeerde mensen werd gezien, namen afstand. Eerst was er Henk Otten, die met hem de politieke partij Forum voor Democratie had opgericht. En onlangs bereikte die tendens een voorlopig dieptepunt met het vertrek van Annabel Nanninga, Nicki Pouw-Verweij, Joost Eerdmans en velen uit de provincie.

Wie het boek leest, is geneigd die laatste ontwikkelingen als een logisch vervolg te zien op ontwikkelingen die al langer in de partij te zien zijn. Baudet die zijn eigen plan trekt en zich daarbij niet laat corrigeren door mensen die pleiten voor een gematigder koers. Zijn neiging tot provoceren heeft hem groot gemaakt, maar lijkt zich nu tegen hem te keren en verhindert hem verder te groeien.

Door de reacties die hij oproept wordt het voor de buitenstaander steeds lastiger beeldvorming te scheiden van waarheid. Kunnen we afgaan wat anderen over hem zeggen, of moeten we hem en de mensen die hem trouw zijn geloven wanneer hij zegt geen antisemiet te zijn?

We kunnen met de auteurs instemmen wanneer ze stellen dat Baudet er de afgelopen jaren in is geslaagd belangrijke thema’s op de publieke agenda te krijgen. Of hij ook een dominante rol zal spelen bij het verdere debat daarover, is de vraag. Veel zal afhangen van het resultaat dat hij bij de komende Tweede Kamer verkiezingen zal weten te behalen en welke koers hij daarna zal gaan varen. Anders dan je geneigd zou zijn te denken na lezing van het boek van onze beide auteurs, is het denk ik nog te vroeg voor een eindoordeel.

HvdB


De Canadese hoogleraar Jordan Peterson is psycholoog en cultuurcriticus. In dit boek behandelt hij op een luchtige en uitvoerige wijze twaalf leefregels die goed zijn voor een beter leven. Niet alleen als persoon, maar ook als samenleving. Soms zijn de regels van Peterson wat wonderlijk of verrassend geformuleerd. Ik zet ze even op een rij:

• Sta rechtop, met je schouders naar achteren

• Behandel jezelf als iemand voor wiens zorg je verantwoordelijk bent

• Sluit vriendschap met mensen die het beste met je voorhebben

• Vergelijk jezelf met wie je gisteren was, niet met wie iemand anders vandaag is

• Laat je kinderen niet iets doen waardoor je de pest aan ze krijgt

• Zorg dat je huis op orde is voordat je kritiek spuit op de wereld

• Streef na wat betekenisvol is (niet wat opportuun is)

• Vertel de waarheid, of lieg in ieder geval niet.

• Ga ervan uit dat degene naar wie je luistert iets weet wat jij niet weet

• Wees precies in wat je zegt

• Laat kinderen die skateboarden hun gang gaan

• Aai een kat wanneer je er eentje tegenkomt op straat

Lange tijd leefde de mensheid in een voorwetenschappelijke wereld. Dat is een wereld van waarden, niet van objecten. Maar omdat we nu wetenschappelijk willen zijn en tegelijk zeer materialistisch ingesteld, is het voor moderne westerse mensen haast onvoorstelbaar dat er ook nog een andere manier bestaat om de werkelijkheid te benaderen. In oude tijden werd de werkelijkheid verstaan als een plaats van handelingen. Niet als een plaats van dingen. Mensen waren vooral gericht op overleven. En hoe je dat goed doet. Tegenwoordig lijkt het vergaren van rijkdom en het verwerven van welvaart veel meer het doel te zijn. Wie veel dingen heeft, doet het goed. Maar doe je dan ook het goede? En op welke manier heeft je leven betekenis?

In zijn beschouwingen gaat Peterson uit van de tegenstelling tussen orde en chaos. Orde is mannelijk, chaos is vrouwelijk. Ze kunnen niet met elkaar, maar ze kunnen ook niet zonder elkaar. In het Paradijs, een ommuurde tuin, was het veilig. Er was orde. Maar al gauw drong de slang zich naar binnen, het symbool van de machten der chaos. En nog steeds geldt in ieder mensenleven, hoe stabiel en ordelijk ook: vroeger of later dringt zich de chaos naar binnen. We leven buiten het paradijs en dat zullen we weten.

Om de chaos tegen te gaan, zijn tradities, waarden en normen die het (christelijk) geloof aanreikt van belang. Die maken het leven voorspelbaar. Helaas nemen veel mensen daar afstand van. Ze verwerpen oude wijsheden en ruimen alle (beschermende) taboes op. Maar daardoor vallen ze ten prooi aan vertwijfeling en zinloosheid. Peterson toont zich overduidelijk kritisch tegenover de seksuele en culturele revolutie van de jaren 60. Was die drastische liberalisering van de echtscheidingswetgeving wel zo verstandig? Ouders willen meer individuele vrijheid, maar vooral hun kinderen betalen het gelag. “Onbewust schaatsen wij op flinterdun ijs met daaronder diepe, koude wateren waarin zich onvoorstelbare monsters schuilhouden.” (163) Het uitgangspunt van het liberalisme, dat mensen voor zichzelf kunnen denken en hun eigen waarden kunnen bepalen, is duidelijk niet aan Peterson besteed.

Helaas is onze westerse, christelijke traditie dodelijk gewond. Hoe komen we uit deze complexe situatie? Peterson zoekt de uitweg via het individu. Want het kwaad zit in de mens. Dat is een harde, maar realistische constatering. Als mens kun je God of het lot of de anderen de schuld geven van het kwaad en de gevolgen ervan, zoals lijden, onrecht, gebrek en ontbering. Maar daarmee schuif je de verantwoordelijkheid om het goede te zoeken en te doen van je af. Want wie het kwaad kent, kan ook weten wat goed is, namelijk het tegenovergestelde van het kwaad. Peterson wijst op Alexander Solzjenitsyn die door het Sovjetregime verbannen was naar een strafkamp. In plaats het lot en anderen de schuld te geven voor hun gebrek aan moed en inzicht, onderzocht Solzjenitsyn zijn eigen rol in het totalitaire systeem. Veel van zijn levenslessen put Peterson uit de Bijbel. Zo legt hij op een originele manier de betekenis van het

offer uit. Hij ziet dat als een investering in de toekomst. De les van het offer is volgens Peterson dat mensen moeten afzien van het onmiddellijk bevredigen van hun verlangens. Voor ouders is het daarom belangrijk dat zij hun kinderen discipline bijbrengen. Een kind wordt niet als een volledig goed wezen geboren dat maar vrij gelaten moet worden. Het moet leren waar zijn of haar grenzen liggen. De ouder helpt z’n kind door duidelijk te maken wat niet goed is, wat wel en wat niet mag.

Wie uitgaat van de stelling van Rousseau dat kinderen als een onbeschreven blad, dus zonder erfzonde, worden geboren en door de maatschappij slecht gemaakt worden, zal ertoe aangetrokken worden om de samenleving revolutionair te willen veranderen. Maar dat is een fout idee. Het fundamenteel veranderen van gezinsvormen bijvoorbeeld zal hoogstwaarschijnlijk schadelijke gevolgen hebben voor het kind en voor de samenleving.

Peterson accentueert de individuele verantwoordelijkheid. Maar het zijn juist gezinnen die de kern van de vrijheid beter kunnen beschermen, zou ik willen stellen. We hebben de verschrikkingen van de 20 e eeuw meegemaakt. Na het fascisme kwam het communisme. Die dodelijke, totalitaire systemen willen we toch niet terug? Daarvoor zijn we allemaal persoonlijk verantwoordelijk, zegt Peterson. Laat het niet gebeuren, durf op tijd ‘nee’ te zeggen. Ook al zijn gehoorzaamheid en discipline verdacht geworden, ze vormen nog steeds een belangrijk begin voor een goed leven. Streef daarom niet het kortzichtige, eenvoudige en leugenachtige na, maar het betekenisvolle.

Het boek heeft een directe betoogtrant en staat vol met voorbeelden uit het dagelijks leven. Herhaaldelijk maakt de auteur uitstapjes naar zijn eigen vakgebied, de psychologie. En naar de filosofie. Maar ook naar eeuwenoude tradities. Al is hij duidelijk geen christen, ook de Bijbel brengt hij regelmatig ter sprake. Petersons redeneringen en argumentaties maken je soms aan het lachen, maar stemmen zeker tot nadenken. Zondermeer een mooi boek om tijdens de wat langere winteravonden te lezen. Laat de omvang je niet afschrikken, want de schrijfstijl is vlot en toegankelijk.

JAS


Door Aris van Dijk, Henri Krooneman, Jan Schippers en Hans van de Breevaart, redactieleden

Dit artikel werd u aangeboden door: Wetenschappelijk Instituut voor de Staatkundig Gereformeerde Partij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2020

Zicht | 104 Pagina's

Vingerwijzingen voor leven in onzekere tijden

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2020

Zicht | 104 Pagina's