Godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen Over Artikel 36 NGB
Jarenlang, van mei 1923 tot aan zijn sterven op 5 december 1939, heeft de bekende Godvrezende godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen het Maandblad van de Nederduits Hervormde Vereeniging ‘Calvijn’ te Dordrecht volgeschreven met lezenswaardige meditaties, artikelen en antwoorden op vragen van lezers. Enkele keren heeft hij ook antwoord gegeven op een vraag over artikel 36 van de Nederlandse geloofsbelijdenis of over aanverwante zaken. In dit artikel willen we hem hierover aan het woord laten.
Het is zeker in onze tijd waarin zo vaak gezegd wordt dat artikel 36 onuitvoerbaar is, nuttig om te lezen hoe Van Leeuwen over deze zaken dacht. Hij liet zich in dezen niet leiden door het geredeneer van mensen, maar door Gods Woord. Vijf antwoorden van hem willen we aan u doorgeven. En omdat Van Leeuwen in een van zijn antwoorden naar een samenspraak van ds. Wilhelmus Schortinghuis (1700-1750) verwijst, willen we ook een gedeelte uit die samenspraak aanhalen.
1. Artikel 36 NGB
Op een vraag van een lezer naar de praktische uitvoerbaarheid van artikel 36 NGB gaf hij in het nummer 1 van juni 1926 het volgende behartigenswaardige antwoord:
“De vraag omtrent bovenstaand artikel houdt ontzaglijk veel in. (…) Als ik u goed begreep, gaat het u om de mogelijkheid van uitvoering van dat artikel en dan inzonderheid van de betwiste woorden: ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst, om het rijk van de antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen’, enz.
Het is ten eerste de vraag: geloven wij dat dit de roeping is van de overheid? Velen zeggen in deze tijd daarop: ‘Nee’. Zij gaan nog verder en beweren dat de overheid als zodanig geen kennis kan hebben van de ware religie; de overheid heeft alleen natuurlijke Godskennis en heeft dus alle vorm van godsdienst vrij te laten en te eerbiedigen. Geld voor de School met de Bijbel, maar ook voor de communistische school.
Wij voor ons geloven daar niets van. Wij belijden dat in een Christelijk land de overheid geroepen is om kennis te nemen van de inhoud van Gods Woord, naar Psalm 29 en zovele plaatsen, en dat God wel duidelijk in dat Woord spreekt, ook omtrent de regering van het burgerlijke leven. Neutraliteit is toch ondenkbaar. Dat heeft de geschiedenis duidelijk bewezen. En dus geloven wij dat het wel terdege roeping is van de overheid om de ware religie te bevorderen. Zij kan het weten uit het Woord van God en heeft daarnaar te vragen. En doet zij dat, dan volgt vanzelf het ‘weren en uitroeien’ enz. Maar wat verstaan wij daaronder?
Men heeft dat zo uitgelegd alsof de overheid volgens deze uitspraak de inquisitie moest invoeren. Zij die dit beweren, weten beter of kunnen beter weten. Er is een groot verschil tussen gewetensvrijheid en godsdienstvrijheid. Nu kan en mag de overheid niet heersen over het geweten, maar zij heeft het publieke leven te beschermen en daar heeft zij te weren al wat openlijk in strijd is met Gods gebod. Dus ook het verkondigen van een valse godsdienst, omdat het een verderf is voor het volk en omdat het Gods soevereiniteit en dus ook de overheid aanrandt. En die uit te roeien waar het zich in het publiek vertoont. Dus geen brandstapels voor andersdenkenden, maar God koning op elk terrein van het leven en de eerbiediging eisend voor de majesteit des Heeren en het gezag van Zijn Woord.
En vraagt men dan hoe dat moet bij een gemengde bevolking, dan geeft het Woord de weg aan. Wie begint met zelf te buigen voor de majesteit van dat Woord, of wilt ge: Wie lust heeft den HEER’ te vrezen, die heeft de belofte: God zal Zelf zijn Leidsman wezen (Ps. 25:6 ber.). Maar daarop komt het aan: hebben wij er lust in? Hebben wij er lust in met deze belijdenis te lijden? Onze vaderen beleden dit toen de overheid de brandstapels ontstak, juist om de belijdenis uit te roeien. Toch hebben zij geen uitweg gezocht, maar het zwaard gelaten in de hand van die overheid, Gode hun zaak toevertrouwend.
Het is de kerk die artikel 36 belijdt en die de roeping heeft om alles op te eisen voor de Heere en Zijn Woord, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid (1 Tim. 2:2). Waar is toch het einde, als wij dit loslaten en de overheid de band aan het Woord loslaat? Zien we dan niet de heilloze verwarring in deze tijd als de vrucht daarvan? Nee, het Woord, de Heere regeert en niet wij, ook niet een meerderheid. Vorst en volk hebben te buigen voor Hem Die alle macht gegeven is in hemel en op aarde. En ‘ziende in het gebod, blind voor de toekomst’ moet weer het richtsnoer voor onze overheid zijn.
We hebben het zo kort mogelijk samengevat. We willen dit er nog bijvoegen: als we één artikel loslaten of gaan besnoeien, dan heeft een ander het recht andere artikelen te gaan bekritiseren en dan raken we de Belijdenis kwijt. Niet dat wij de Belijdenis boven of naast Gods Woord stellen, maar de kerk alleen heeft het recht dat te toetsen aan het Woord. En dan moet nog altijd bewezen worden dat deze opvatting in strijd is met Gods Getuigenis. Wij hebben niet opzij te gaan voor de gedienstigheden van een politieke praktijk die meent de meerderheid te moeten hebben, maar onvoorwaardelijk te buigen voor de eisen des Heeren. Er is nog een andere meerderheid dan naar ons tellen: denkt u aan Elisa, Gideon en heel de worsteling van de Kerk. De vraag is: geloven wij dat nog?”
2. Nog eens artikel 36
Naar aanleiding van het bovenstaande antwoord klom een paar jaar later een andere lezer in de pen 3 die hem vroeg of er in de praktijk voor het uitvoeren van artikel 36, en dan met name met betrekking tot de zin van het weren en uitroeien van alle afgoderij en valse godsdienst, ooit wel een meerderheid te vinden zou zijn. Van Leeuwen antwoordde:
“Uit hetgeen we al over deze zin geschreven hebben, is het u duidelijk geworden dat onzes inziens niet bedoeld wordt een inquisitie, maar het publieke erf, waarop de overheid heeft te handhaven de wil van God, die ook voor de overheid geschreven is in het geopenbaarde Woord van God. Wij mogen niet toegeven aan de gedachte alsof voor de overheid geen Bijbel bestaat en zij dus neutraal behoort te zijn ten opzichte van de godsdienst. Trouwens de geschiedenis bevestigt het ook in deze tijd, hoe dit toch niet bestaat, maar men glijdt van stap tot stap af op de paden van de revolutie.
Ja, maar we hebben ‘een gemengde bevolking’? Denkt u een huisgezin in met zeven of acht of meer kinderen en een vader die God vreest en dus zal trachten Gods Woord te doen gelden in het huiselijke leven. Maar nu zal het toch meestal wel zo zijn dat er onder de kinderen zijn die dat niet bevalt, die liever de wereld zien heersen in huis. Moet dan die vader opzij gaan voor dat kind? Ja, maar zegt ge: ‘Tot hoeveel bloedvergieten zal dat moeten leiden?’ En ziet, dat heb ik er nooit in kunnen lezen! Die vader doodt zijn kind ook niet, maar zal de tucht handhaven. En wil dat kind niet bukken, dan behoort hij in het huisgezin niet. Welnu, past dit toe op een volk onder een overheid, die geroepen is God te eren.
Maar, en dat is tenslotte de vraag: ‘Is er ooit een meerderheid te vinden voor de uitvoering van dit artikel?’ Dan antwoord ik op grond van Gods Woord: ‘Nooit’, want nooit is de meerderheid voor de waarheid Gods in zijn algehele toepassing. Maar een andere vraag: ‘Is dit stelsel waarin de meerderheid beslist, naar het Woord van God of is het opgekomen uit de Revolutie?’ Zien we niet allerwegen in Europa hoe dit stelsel al meer met machteloosheid geslagen wordt en op vele plaatsen een dictatoriale heerschappij de plaats inneemt? Is dat niet het oordeel Gods over dit stelsel? Ziet, ik weet wel, dat het een in het oog van deze tijd ouderwetse opvatting is waarover men glimlachend de schouders ophaalt, maar dat kan ik wel dragen. Maar mijn beschouwing is dat God ons land en volk een koning(in) gegeven heeft, van wie wij nog altijd belijden: ‘bij de gratie Gods’. Die heeft ons volk te regeren. Die heeft raadsheren te kiezen. En de kerk heeft de roeping aan de overheden bekend te maken de veelvuldige wijsheid Gods. Maar als die koning(in) dan vijandig is? Dan beslist Gods Woord, zie: Romeinen 13 vers 1, Titus 3 vers 1, 1 Petrus 2 vers 13 en andere plaatsen.
En nu weet ik wel dat dit dwaasheid, verouderd, genoemd wordt, maar let op de tekenen der tijden! Men ontneemt de koningen de macht en het parlementaire stelsel blijkt machteloos en dan staat een man op die met ijzeren vuist regeert. Wij blijven geloven dat het land en volk welgaan zal in gehoorzaamheid aan het Woord: vreest God; eert den koning (1 Petr. 2:17), en dat volk en koning beiden hebben te buigen voor de autoriteit van Gods Woord. Maar dat wil de meerderheid nooit. Laat ik erbij voegen dat ik over deze gedachten geen twistgeschrijf wil aanvangen, maar ik achtte mij toch verplicht aan onze veeljarige vriendschap om u mijn gedachten eens duidelijk mee te delen. Misschien brengt het ook anderen tot nadenken. Ik las juist in deze dagen in de derde samenspraak van Het Innige Christendom van Schortinghuis over de plichten van de overheid, maar die is ook al voor verouderd verklaard. Maar wat toen waarheid was, dat zal eeuwig waar blijven.”
3. Ds. Schortinghuis: voor Gods kerk in de bres staan!
Wat zegt ds. Wilhelmus Schortinghuis in zijn derde samenspraak 4 van ‘Het Innige Christendom’ over de overheid? Wel, dat Godzalige regenten hun Christelijkheid en getrouwheid ten opzichte van Gods kerk onder meer daarin vertonen dat zij:
“De kerk Gods in het algemeen en ieder van de leden in het bijzonder beschermen. En waken dat er vanbinnen geen ketterijen, bijgelovigheden en goddeloosheden vernachten, opdat zij door vergiftigende en schadelijke dwalingen geen nadeel lijdt. En vanbuiten dat zij nog door henzelf, nog door iemand anders in haar kerkelijk recht, privilegiën en vrijheden bekort, benadeeld of met geweld van vervolgingen onderdrukt wordt.
Zulke regenten betonen ware nazaten te zijn van zulke voorgangers van het volk die het hun eer en geluk hebben gerekend om voor Gods kerk in de bres te staan en die met hun weldadigheden te begunstigen, gelijk de kerkelijke geschiedenissen daarvan zo overvloedige bewijzen verschaffen. Wanneer Constantijn de Grote, Constantius, Jovinianus, Valentinianus de Jonge, Theodosius, Honorius en Arcadius het Christendom omhelsden, werd de afgoderij weggeruimd, de heidense bijgelovigheden en offeranden verbannen, de vervolgingen werden geschorst en ballingen en gevangen Christenen weer teruggeroepen en bevrijd, de huizen, landerijen en goederen die de Christenen waren afgenomen, werden hersteld, de kerken herbouwd en rijkelijk begiftigd, de kerkelijke regeringen werden beveiligd, synodes verzameld, ketters besnoeid, nieuwe kerken alleszins getimmerd, scholen opgericht en de kerkelijke inkomsten en goederen vermeerderd. (…)
O, waarlijk zijn zij getrouwe regenten die het zich een eer achten voor de kerk van Jezus te regeren, daarop hart en oog te hebben en onder het oog en opzicht van de Overste van de koningen der aarde (Openb. 1: 5) alle hun regeerdaden te bestieren. (…) Hoe billijke en rechtmatige wetten zullen dezen hun onderdanen voorschrijven! Wetten die niet anders dan billijk en betamelijk zijn om gekend, behartigd en gehoorzaamd te worden en die overeenkomen met de heilige en zalige wetten van de God des hemels, Wiens dienaren en stedehouders zij zijn. O, hoe zal het hunne verzuchting zijn om door heilzame en ernstige plakkaten voor de eer en Naam van die hoge God te zorgen, dat Zijn dag niet geschonden, Zijn bevelen niet overtreden en Zijn dienst niet veracht wordt. Hoe zullen hun de beide tafelen van de Goddelijke wet niet innig aan het hart liggen om zelf door hun voorbeeld in Godzaligheid hun onderdanen tot gehoorzaamheid temeer aan te sporen.
En hoe zeer zal hun bijzondere achting voor Jezus kerk niet getoond worden in die te beschermen tegen alle geweld en overlast vanbinnen en vanbuiten en door die te beteugelen en in te binden die Sion gram zijn en op haar verderf en ondergang toeleggen. Zij lenen graag hun hand en macht tot herstelling en reformatie. Met een Asa, die deed wat recht was in de ogen des Heeren, want hij nam de schandjongens uit het land weg en alle drekgoden die zijn vaderen gemaakt hadden (1 Kon. 15:11-12). Met een Jósafat, die de hoogten en bossen wegnam uit Juda (2 Kron. 17:6). Met een Hiskía, die de hoogten wegnam, de opgerichte beelden verbrak, de bossen uitroeide en die op de Heere, de God Israël, betrouwde, de Heere aankleefde en niet week van Hem na te volgen, houdende de geboden des Heeren (2 Kon. 18: 4-6). Ja, met een Josía, die alle gereedschappen van Baäl verbrandde en zo een wonderlijke reformatie bevorderde, gelijk blijkt uit 2 Koningen 23:4.
Hoe zullen zij ernstige en getrouwe leraren in hun rechtmatige pogingen tot wegneming van de ergernissen en bevordering van de bloei en welstand van de ware Sionieten niet zoeken te begunstigen en te ondersteunen”! Tot zover ds. Schortinghuis.
4. De gelijkenis van het onkruid
Weer een andere lezer stelde in verband met artikel 36 aan Van Leeuwen een vraag over de bekende gelijkenis van het onkruid, waarover we lezen in Mattheüs 13 vers 24-30. Eerst was er door een mens goed tarwezaad in een akker gezaaid. Maar toen de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe. Nadat de tarwe opgeschoten was, openbaarde zich ook het onkruid. Zijn dienstknechten wilden het onkruid eruit trekken, maar hij zei: ‘Neen, opdat gij het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt. Laat ze beide tezamen opwassen tot den oogst, en in den tijd van den oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden, maar brengt de tarwe tezamen in mijn schuur’.” Deze door Christus geleerde gelijkenis werd door geleerde heren (in de ARP) in stelling gebracht tegen het ‘weren en uitroeien’ van artikel 36 NGB. De vraagsteller wilde weten hoe Van Leeuwen hierover dacht. 5 Deze antwoordde:
“En nu uw eerste vraag aangaande deze gelijkenis, alsof dit een argument zou zijn om artikel 36 te bestrijden. Dan begrijp ik niet dat die geleerde heren dit niet doordenken. Gaat dit op, dan moeten zij wel weten dat het gedaan is met alle tucht in de kerk, gedaan met alle bestrijding van het kwaad op elk terrein. Dan mag er ook geen vloekverbod worden uitgevaardigd, de onzedelijkheid niet bestreden, maar die consequentie durven zij waarschijnlijk ook niet aan. Vergeten wordt dat de Heere hier spreekt van het Koninkrijk der hemelen. Dat is de openbaring van de kerk. Het gaat hier over het oordeel van de mens omtrent het verkeerde zaad. In de kerk zijn te allen tijde geveinsden en nu wil de Heere leren dat wij dit niet onfeilbaar kunnen beoordelen en wij dus nooit hier op aarde moeten verwachten een zuivere kerk. Hoe dikwijls dit ook beproefd is, dat loopt uit op een bittere teleurstelling.
Men zegt dan: ‘Ja, maar er staat: de akker is de wereld’ (Matth. 13:38a)? Dan is dit toch duidelijk de betekenis dat de kerk hier is midden in de wereld en de duivel niet zal ophouden het kwade zaad te zaaien in tijden als de mensen slapen. Het geldt ook van die enkele ziel in wie het goede zaad viel. O, er komen tijden van slaperigheid en dan is de duivel in de weer dat kwade zaad te zaaien, de boze hartstocht op te wekken. Dan schiet dat onkruid welig op, maar laten wij dan voorzichtig zijn. Al mogen we nooit het kwaad goedkeuren, toch ze niet veroordelen, toch: Laat ze beide tezamen opwassen. God voert met allen Zijn heilige en wijze Raad uit en zet vaak dat kwade tot Zijn glorie om in het goede. Er is in het opwassen geen koren zonder kaf en de Heere alleen zal het ware van het valse scheiden: Psalm 12.
Maar dat heeft niets te maken met de tucht in kerk en staat. De Schrift is er vol van met daarop aan te dringen dat de openlijke dwaling en zonde bestreden en geweerd moet worden. Wat betekent anders Matthéüs 18 vers 15-17 en 1 Korinthe 5 enz.? Dan zou u ook op uw akker het onkruid niet mogen uittrekken, het ongedierte dat de oogst dreigt te vernielen, niet mogen bestrijden. Dus gevoelen we wel dat het zo niet mag gebruikt worden. Maar wij hebben nodig ook deze gelijkenis allereerst op onszelf toe te passen en te vragen om de bearbeiding van die Hemelse Landman, Die door Zijn Geest alleen ons het onderscheid leert tussen het goede en het kwade. Maar niet Gods Woord gebruiken om ons doel te bereiken, maar dat Gods Woord het doel in ons bereike. Niet boven, maar onder het Woord: die buiten zijn, oordeelt God (1 Korinthe 5:13a).”
5. In praktijk gebracht
Van Leeuwens ‘Maandblad’ kende een tijdlang ook de rubriek ‘Om en in de Synode van Dordt’. Daarin behandelde hij het verloop van de bekende Synode van 1618-1619. In het nummer van oktober 1930 beschreef Van Leeuwen in deze rubriek hoe onze vaderen ten aanzien van prof. Conradus Vorstius (1569-1622) artikel 36 daadwerkelijk in de praktijk hadden gebracht. 6 Van Leeuwen:
“In deze tijd wordt nogal eens geschreven en getwist over artikel 36 van de Geloofsbelijdenis. Ik voor mij geloof dat de ‘politiek’ een machtige invloed heeft in de beweringen waarmee dit artikel bestreden wordt. Mij dunkt uit de handelingen van de Synode blijkt duidelijk de opvatting die onze vaderen huldigden ten opzichte van de dikwijls gewraakte en door sommigen geschrapte woorden. In het bijzonder blijkt dat uit het proces tegen de bekende prof. Vorstius, een door de remonstranten aanbevolen en met geweld gewilde man voor een leerstoel aan de academie te Leiden. De Staten verzochten de Nederlandse professoren zijn werken te onderzoeken, wat zij dan ook gedaan hebben en enige stellingen ingediend bij de Synode. Nauwkeurig werden die stellingen onderzocht en eenparig veroordeeld als lasteringen die het meest overeenkwamen, althans heel nabij, met de leer van Socinus en streden tegen Gods Woord en de Belijdenisgeschriften van de Gereformeerde Kerk. Goddeloos, lasterlijk, de majesteit Gods en de waarheid smalend enz. Een van de buitenlandse theologen wilde hem voor de Synode dagen, maar algemeen achtte men hem dat niet waardig. En ook volstrekt onnodig, daar zijn geschriften duidelijk genoeg de goddeloosheid van zijn leer aantoonden. Anderen eisten de verbranding van zijn boeken. Na enige bespreking werd het vonnis uitgesproken, namelijk dat hij het ambt en de naam van rechtzinnig professor en leraar van de Gereformeerde Kerk gans onwaardig was en dat aan de Staten-Generaal gevraagd zou worden zijn verbanning uit de Nederlanden. Hem werd dan ook het verblijf in deze landen ontzegd, hoewel hij er nog een tijd bleef rondzwerven. Onder andere is hij nog een tijd de gast geweest van de bekende dichter Joost van den Vondel. In het laatst van zijn leven was hij in Holstein, waar hij in 1622 stierf. Zo begreep de Synode artikel 36 en voerde het uit. En ’s lands overheid luisterde naar die uitspraak van de kerk en werkte op haar terrein mee tot uitroeiing van de valse godsdienst, bevestiging van de waarheid en de rust in de kerk en het waarachtig heil van Sion.”
6. Rechtsgelijkheid
In een woord over de school had Van Leeuwen de term ‘rechtsgelijkheid’ gebruikt en gezegd: ‘Rechtsgelijkheid is uit de Revolutie’. Dit was voor een lezer aanleiding om Van Leeuwen te vragen wat ‘rechtsgelijkheid’ in dit verband nu eigenlijk inhield? 7 Van Leeuwen antwoordde in het nummer van maart 1936:
“Wel, dat wil het zeggen gelijke rechten voor alle richtingen. Dus de staat geeft subsidie zowel aan scholen waar de Revolutie gepredikt wordt, waar God en Zijn Woord geloochend wordt, als aan de Christelijke scholen. En nu weet ik ook wel dat voor deze wet er was, de Christelijke scholen gruwelijk verongelijkt werden. Wij moesten betalen voor het openbaar onderwijs en zelf onze scholen bekostigen. Dat was verschrikkelijk onrecht. En vandaar de juichtonen toen die wet van de zogenaamde gelijkstelling erdoor ging.
Maar wie nog iets gevoelt van het beginsel, moet toch toestemmen dat dit toch niet is naar de eis van Gods Woord, als Christus en Belial op één lijn worden gesteld. Gelijke rechten hebben. God alleen heeft recht en Zijn Woord behoort te zijn hét richtsnoer op elk terrein. Daar hebben onze vaderen de strijd voor aangebonden, hun bloed voor gestort. Toen mocht er geen sprake zijn van scholen zonder Bijbel, zonder catechismus. Er mocht geen onderwijzer toegelaten worden die niet de Belijdenisgeschriften van de kerk ondertekende. Zo is het geweest, maar ach, waar zijn we gebleven! Nu blij met wat men noemt ‘rechtsgelijkheid’, maar het blijft ten opzichte van de majesteit des Heeren ‘rechtsverkrachting’. Maar wat moeten we dan? Men zegt: ‘Het is toch onmogelijk die eis van het Woord te doen gelden voor een gemengde bevolking als wij nu hebben.’ God leidt heel Zijn Kerk door de onmogelijkheden heen en bindt hen de noodzakelijkheid op de ziel. Nu weet ik heel goed dat ik in de oren van dit geslacht dwaze dingen verkondig, maar ik hoop dit korte poosje dat ik nog hier ben, te blijven bij de dwaasheid van het kruis. Het meerderheidsstelsel is zuiver revolutionair. En ik heb nergens gelezen dat God door de meerderheid verlossing gaf. Toch ook in ons eigen vaderland niet. Alva spotte met dat handjevol kaasboeren, maar als dat volk biduur hield, dan beefde hij. O mijn vriend, we zijn zo ver weg dat ons arme volk het niet eens meer gevoelt hoe onmogelijk het is, heil te verwachten in het gelijkstellen van waarheid en leugen. Dat is de waarheid verloochenen. Groen heeft eens gezegd: ‘In ons isolement ligt onze kracht.’ Men zegt dat wel na, maar men betoont er niets van te geloven, want men reikt de hand aan on- en bijgeloof. En nu oogsten wij de vruchten: verwarring en radeloosheid op alle gebied en wij zijn er nog niet. De goden die wij verkoren hebben, zullen onze meesters zijn. Dus zult u hopelijk begrijpen wat ik bedoelde met de uitdrukking: ‘Rechtsgelijkheid is uit de Revolutie’. Gelukkig de mens die een meerderheid leert kennen gelijk Elísa (2 Kon. 6:15-17)”! Tot zover Van Leeuwen.
Ten besluite
Uit de aangehaalde antwoorden van godsdienstonderwijzer Van Leeuwen blijkt duidelijk dat hij zijn uitgangspunt niet nam in de huidige rechtssituatie of in wat hij haalbaar achtte in zijn tijd. Hij redeneerde niet zoals velen in onze dagen in de trant van: ‘Om in de huidige situatie voor onze kerken, scholen en instellingen publieke vrijheid te behouden kunnen we nu in de praktijk niet anders dan publieke godsdienstvrijheid voor alle gezindten verdedigen’. Nee, zegt Van Leeuwen, “wij hebben niet opzij te gaan voor de gedienstigheden van een politieke praktijk die meent de meerderheid te moeten hebben, maar onvoorwaardelijk te buigen voor de eisen des Heeren.” “God alleen heeft recht en Zijn Woord behoort te zijn hét richtsnoer op elk terrein.” Zijn Woord en wet wijzen een ‘gelijkrecht voor alle gezindten’ af. Zelfs onder felle vervolgingen hebben onze vaderen het verdedigen van zulk een ‘gelijkrecht’ afgewezen. Daarvan leggen artikel 36 en andere gereformeerde belijdenisgeschriften uit de 16 e eeuw een helder getuigenis van af. Wanneer wij als nageslacht in de praktijk van dat Bijbelse spoor afwijken of gaan afwijken, dan is dat tot oneer van God en zal dat uiteindelijk alleen maar leiden tot schade van ons en onze kinderen. Maar wie van ons zal onder martelingen staande blijven? Dat zal alleen gaan als we van de Heere kracht en standvastigheid mogen ontvangen.
Ook de koning en het kabinet hebben zich te buigen onder het gezag van Gods Woord en niet de wil van het volk boven de wil van God te stellen. Zij regeren niet bij de gratie van het volk, maar bij de gratie Gods. Dat wil niet zeggen dat er geen parlementair stelsel mag of behoort te zijn. Om despotisme te voorkomen, is het goed dat zowel de koning als het kabinet gebonden zijn aan een grondwet en gecontroleerd worden door een parlement. Ten aanzien van de grondwet en de vorst merkte ds. G.H. Kersten eens op: “In zoverre nu is een grondwet onmisbaar, als zij de monarchie tempert, zonder nochtans de vorst te maken tot een figurant, tot een speelpop van de ministers of van de Tweede Kamer, tot een uitvoerder van de wil van het volk, daar hij regeert bij de gratie Gods.” 8
Ds. Kersten beoogde - evenals Calvijn - geen despotisch vorst en kabinet, maar een regering die met de rechten en vrijheden van het volk wel terdege rekening hield en via de Staten-Generaal in overleg trad met het volk. Hij was daarom behalve voor een grondwet, ook voor een parlementair stelstel, maar dan wel zo dat de regering “de eis Gods” bleef stellen “boven de wil van het volk” en dat de regering (vorst en kabinet) de wetgevende en uitvoerende macht toekwam en het parlement slechts een adviserende en controlerende bevoegdheid. 9
Van zo’n stelsel, van zo’n bibliocratie willen echter velen tegenwoordig om allerlei redenen helemaal niets meer weten. Zij willen vrijheid, maar niet de ware vrijheid. Zij zoeken een vleselijke vrijheid. Ter waarschuwing willen we daarom dit artikel beëindigen met de volgende duidelijke woorden die ds. Kersten op 11 november 1927 tijdens de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer heeft uitgesproken:
“Alles wat in het openbare leven indruist tegen Gods wet hebbe de overheid te weren. Doet zij dat niet, dan laat zij toe wat God verbiedt. Geeft zij vrijheid meer dan Gods wet gedoogt, dan is dat valse vrijheid en dus losbandigheid. (…) Te zeggen dat onze vaderen rooms waren, is door en door onwaar. Zij hebben aan ieder de vrijheid der consciëntie gelaten, maar op het openbare erf hebben zij de openbaring van elke richting niet gedoogd; wat tegen Gods geboden en Zijn verheerlijking inging, hebben zij geweerd; hun vrijheid was gebondenheid aan Gods Woord en dat alleen kan ik de ware vrijheid achten. Willen de antirevolutionairen anders, dan zijnzijongereformeerd, niet onze vaderen. Thans wil men een andere vrijheid, zoals aan de linkerzijde wordt uitgeroepen. Men denke echter aan het tekenend woord: ‘Laat ons Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen’. Maar, mijnheer de voorzitter, er staat ook geschreven: ‘Die in den Hemel woont, zal lachen’, en: ‘De Heere zal hen bespotten’. De ware vrijheid kan alleen zijn wat gebonden is aan het Woord Gods. Wat de overheid daarboven vrijgeeft, is in de grond overgeven in slavernij.” 10
Noten:
1) Maandblad van de Nederd. Hervormde Vereeniging, juni 1926, 10 e jrg., nr. 2 (herspeld). Hierna: Maandblad
2) Zie voor meer informatie over hem: H. Hille, Een leesbare brief. Uit het leven van godsdienstonderwijzer W. van Leeuwen, Den Hertog, Houten z.j. e
3) Maandblad, mei 1929, 13 e jrg., nr. 1 (herspeld)
4) W. Schortinghuis, Het Innige Christendom, Houten 2001, p. 58-61 (herspeld)
5) Maandblad, augustus 1929, 13 e jrg., nr. 4 (herspeld) e
6) Maandblad, oktober 1930, 14 e jrg., nr. 6 (herspeld) e
7) Maandblad, maart 1936, 19 e jrg., nr. 11 (herspeld; hier en daar hertaald)
8) G.H. Kersten, ‘Een Grondwet onmisbaar?’, in: De Banier, 11 september 1924 (herspeld)
9) Zie bijvoorbeeld: Handelingen Tweede Kamer, 1927- 1928, 11 november 1927, p. 337
10) Handelingen Tweede Kamer, 1927-1928, 11 november 1927, p. 338-339 (herspeld)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 2014
In het spoor | 56 Pagina's