Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -12-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -12-

20 minuten leestijd

In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen over de opkomst van de Hervorming in Frankrijk. De Heere verwekte Johannes Calvijn (1509- 1564) om de Reformatie in Frankrijk te leiden. Maar de vervolging door de roomse kerk was hevig. Velen kwamen op de brand stapel om. De Franse koning, Frans I (1494-1547), hinkte op twee gedachten. De ene keer liet hij de vervolging toe en een andere keer verbood hij die, als het hem maar te pas kwam om zijn macht uit te breiden en zijn aartsrivaal keizer Karel V (1500-1558) te verslaan. We hebben gelezen dat er op vele openbare plaatsen in Parijs en in andere steden in de nacht van 17 op 18 oktober 1534 pamfletten tegen de roomse mis aangebracht waren. De koning was er persoonlijk door in zijn eer aangetast en de gevolgen waren vreselijk. De schuldigen moesten koste wat het kost opgezocht en veroordeeld worden.

Nu zullen we lezen dat er velen gevangengenomen en zonder een vorm van proces veroordeeld werden. Ook nam de roomse kerk de gelegenheid waar om in Parijs een groots opgezette processie te houden.

Velen werden verbrand

Aan het einde van het vorige artikel hebben we beschreven hoe naar aanleiding van de in het openbaar aangebrachte pamfletten tegen de mis Barthélemy Milon gevangengenomen werd en zijn leven moest eindigen op de brandstapel. Voor hem was het niet erg. Het was voor hem maar een moment van strijd en lijden om vervolgens in te gaan in de vreugde zijns Heeren.

Barthélemy behoorde tot de eerste slachtoffers van die ‘pamfletten’. In de dagen daarna en later werden nog vele andere gereformeerden gemarteld, verbrand en gedood. Door Pierre Robert Olivétan, de neef van Calvijn, werden de Franse gereformeerden daarom omschreven als:

Gij beledigden, gelasterden, opgejaagden, uitgejouwden, vervloekten, beroofden, gevangenen, verbannenen, aan de kaak gestelden, uitgespuwden, verminkten, de oren afgesnedenen, met tangen geknepenen, gebrandmerkten, geplukten, voortgesleurden, geroosterden, gestenigden, verbrandden, verdronkenen, onthoofden, gevierendeelden en dergelijke glorieuze en heerlijke titels van de onderdanen van het Koninkrijk der hemelen.” 2

Olivétan schreef deze woorden in het ‘voorwoord’ van de Franse Bijbel, die door hem vertaald was uit de grondtalen. Met recht kan deze Franse Bijbel de martelarenbijbel genoemd worden. Vele Franse gereformeerden hebben er gebruik van gemaakt en er troost uit gevonden, ook tijdens hun gevangenschap en op de brandstapel.

In een van de volgende artikelen Deo volente hopen we meer over het ontstaan van deze Franse Bijbel mee te delen.

De stortvloed van woorden en huiveringwekkende beelden die Olivétan gebruikt heeft om het lijden van de gereformeerden weer te geven, werd als het ware tastbaar na het aanbrengen van de pamfletten tegen de roomse mis. De rechter Jean Morin, die al zovelen in de gevangenis had laten zetten en tot de brandstapel veroordeeld had, werd aangesteld om de schuldigen inzake het maken en aanbrengen van de pamfletten op te zoeken. Hij wist een goede methode. Hij kende een schedemaker voor zwaarden die de Hervorming was toegedaan. Deze gaf aan de gereformeerden door wanneer er een besloten kerkdienst in Parijs werd gehouden. Hij werd opgepakt of mogelijk was hij reeds gevangen. In ieder geval werd hem voorgehouden dat hij niet verbrand zou worden als hij de huizen van de ketters zou aanwijzen. De man beefde van angst, maar weigerde eerst dit verraderswerk te doen. Toen werd de brandstapel voor hem in gereedheid gebracht. Een vreselijke strijd vond er in zijn binnenste plaats en… hij bezweek. Hij beloofde te doen wat van hem verlangd werd. 3

Hij liep door de stad, op korte afstand gevolgd door de agenten die belast waren met de gevangneming van de ketters. Overal wees hij huizen aan waarin gereformeerden woonden. Zij werden opgepakt. Wat ze ook ter verdediging aanvoerden, zij hadden geen schijn van kans op clementie. Ze werden zonder een vorm van proces gevangengezet. De gevangenissen raakten overvol. Meer dan 300 gereformeerden werden in korte tijd gearresteerd en gevangengezet.

Du Bourg, Henri Poille en anderen

Op 14 november 1534 werd een zekere koopman Du Bourg terechtgesteld. Du Bourg werd ervan beschuldigd meegedaan te hebben met het aanplakken van de pamfletten. Noch zijn rijkdom die hij bezat, noch de tranen van zijn vrouw, noch de verzoekschriften van zijn vrienden konden hem redden. Hij werd uit de gevangenis opgehaald en beklom de kar waarmee hij naar de brandstapel werd gevoerd, ondersteund door Gods genadige nabijheid. Toen de kar bij de Nôtre-Dame, de kathedraal van Parijs, was aangekomen, liet men hem van de wagen komen, waarna hij een touw om zijn hals kreeg en een toorts in de hand. Vervolgens werd hij bij de fontein gebracht, die daar was. Daar werd zijn hand, die de pamfletten aangebracht had, afgehakt. Daarna werd hij naar de brandstapel gevoerd, waar hij God lovend de dood inging.

Op 18 november was het de beurt aan de volgende gevangene om des geloofs wil, Henri Poille, een metselaar. Toen hij de brandstapel beklom was de vreugde van zijn gezicht af te lezen. Te midden van de hellebaarden en een gehele menigte Parijzenaren dacht hij alleen aan zijn Zaligmaker. “Mijn Zaligmaker”, zo zei hij, “heerst in de hemel, en ik ben bereid om op aarde voor Hem te strijden tot de laatste druppel van mijn bloed.” 4 Men sneed hem de tong uit de mond zodat hij niet kon spreken. Te midden van de vlammen waren echter Zijn ogen omhooggericht. Hij wist dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:18). Hij mocht zijn kroon neerleggen voor de voeten van het Lam om eeuwig gelukkig te zijn en zijn Zaligmaker te loven.

Van toen af volgden de executies elkaar in hoog tempo op. De schrik was groot in Parijs. Vele Christenen maakten zich op om te vluchten of waren reeds gevlucht. Maar ook kwamen vele ware Christenen openbaar, onder rijk en arm. Vele aanzienlijken werden door het Evangelie geraakt. Het leek wel of voor elke martelaar er tien in de plaats kwamen. Ook nú was het bloed van de martelaren het zaad van de Kerk. Er ging soms veel getuigenis uit van de martelaren, voordat ze de dood vonden in de vlammen. De martelarenboeken getuigen van hen.

Al deze inspanningen van koning Frans I en de roomse kerk ter bestrijding van de Reformatie hadden de instemming van paus Paulus III (1468-1549), die juist in oktober 1534 paus geworden was. In een speciale pauselijke bekendmaking werd de koning bedankt voor zijn inspanningen om de ketterij te weren en de roomse kerk te helpen.

Aanbrengen van pamfletten roekeloos!?

Velen hadden het aanplakken van de pamfletten in het openbaar afgekeurd. En het moet gezegd wor-den: was het, gezien de verschrikkelijke woede van de koning en de vervolging door de roomse kerk toch niet beter geweest dat de pamfletten niet waren aangebracht? De schrijver van het pamflet, Antoine Marcourt (1485-1561), zei echter dat hij het bewuste boekje over de vervloekte afgoderij móest schrijven. Op 16 november 1534 schreef hij in een brief aan de ‘welwillende’ lezers:

Wij kunnen niets over God en Zijn wil leren kennen dan door Zijn Heilig Woord. Alles wat gezegd en gedaan wordt in de kerk van Jezus Christus, is onderworpen aan dat Woord, niet aan de leer en uitvinding van mensen (…). Om deze reden heeft het mij, arm schepsel, goed gedacht met goede bedoeling, gezien de grote duisternis die al lange tijd over de gehele aarde geheerst heeft, enkele waarachtige artikelen tegen de misbruiken van de mis te schrijven. Ik wenste dat deze artikelen zouden gepubliceerd worden en op alle plaatsen van de wereld aangeplakt zouden worden, zodat deze dwaling, die reeds lange tijd bedekt en verborgen was, door eenieder gelezen zou kunnen worden en dat het door Gods genade gebruikt zou kunnen worden tot een remedie (…).

Ik heb gehoord dat deze artikelen op verschillende plaatsen aangebracht zijn tot heilzame waarschuwing van eenieder (…). Maar velen die vanwege hun ambt het arme volk tot alle goeds en kennis van de waarheid zouden moeten aansporen, zijn juist degenen die ze ervan afhouden, ophitsen en volgens hun gewoonte bewegen tot vervolging, groot gedruis en oproer om alles wat hun niet bevalt, te verhinderen. Over deze mensen spreekt Jesaja 56 vers 10a: ‘Hun wachters zijn allen blind.’ Het is duidelijk dat de heilige profeet niet spreekt over de lageren, maar over groten der aarde, die de sleutel van de kennis dragen en die niet ingaan en verhinderen degenen die in willen gaan (…).5

Het is niet mogelijk om over deze pamflettenkwestie een goed oordeel te vormen. In ieder geval is het zeker dat het aanplakken van de pamfletten geleid heeft tot terechtstelling van vele martelaren. Zij mochten door genade kennisgeven van de hoop die in hen was. En dat gebruikte de Heere weer als een middel tot bekering van vele anderen. Het aanbrengen van de pamfletten leidde dus indirect tot de bekering van velen. Ook het aanbrengen van de pamfletten lag onder Gods voorzienig bestel. Hij had er Zijn wijze bedoeling mee. De Heilige Geest werkte onder hoog en laag. Het leek erop dat hoe meer de roomse kerk woedde, hoe groter de standvastigheid van de martelaren werd.

Béda weer gevangen

De koning was, zoals we weten, woedend op degenen die de pamfletten aangebracht hadden. In het vorige artikel hebben we gelezen dat de Sorbonne ook Marguerite de Navarre beschuldigde dat zij er de hand in gehad had. Zelfs de koning werd in bedekte termen verantwoordelijk gesteld, voornamelijk door Béda, het hoofd van de Sorbonne. Ook met hem hebben we eerder kennisgemaakt. De koning had hem eerst verbannen uit Parijs en daarna gevangen laten nemen vanwege een door hem geschreven boekje waarin de koning belasterd werd. Op voorspraak van de roomse kerk was hij weer losgelaten. Maar Béda, die de koning haatte, zocht gelegenheid om zich te wreken. Hij sprak in een rede in de kerk uit dat de koning de oorzaak was van alle kwaad dat de gereformeerden aangesticht hadden tegen de roomse kerk. Dit was te veel voor de koning. Béda werd opnieuw gevangengenomen en veroordeeld tot het erkennen van zijn dwaling voor de Nôtre-Dame. Daarna werd hij tot het eind van zijn leven verbannen naar de beroemde abdij Saint-Michel op het gelijknamige eiland Mont Saint-Michel, dat - bij Bretagne - voor de kust van Frankrijk ligt. Daar heeft hij zijn laatste levensdagen dan ook doorgebracht.

Processie in Parijs

Maar de koning was nog niet tevreden. Hij overlegde met de Sorbonne en de roomse geestelijken wat er nog meer gedaan moest worden. Zij namen die kans waar.

Sire,” zo spraken zij, “laat uw opvolgers getrouw de titel na van de oudste Zoon der Kerk, die uw vaders hebben gedragen. Gij weet hoe de Franse geest begerig is naar nieuwigheden en waarheen ons dat kan voeren” (zij doelden daarmee op de nieuwe leer die stormenderhand ingang vond bij het Franse volk). “Geef openlijk bewijs van uw gehechtheid aan het geloof.” 6 Verder moest er naar de mening van de priesters een verzoeningsoffer gebracht worden. De pamfletten hadden de leer van de roomse kerk aangetast. Er was verzoening nodig om de toorn van God over de ketters te stillen. Frankrijk moest gezuiverd worden door plechtige ceremoniën, offers en brandstapels. Niets mocht aan het verzoeningswerk ontbreken! Zo spraken de priesters.

Geheel Parijs kwam in beweging. Straten werden bekleed, altaren opgericht. De prachtigste kleren die tijdens de processie gedragen moesten worden, werden vervaardigd. Tijdens de processie moest om de zoveel straten een brandstapel staan waar een ketter op verbrand werd.

Op 21 januari 1535 moest het gebeuren! Reeds vroeg in de morgen waren de straten in Parijs gevuld met een talrijke menigte, afkomstig uit Parijs en de omliggende streken. De straten schenen wel geplaveid met mensenhoofden. Zelfs de daken waren bezet met toeschouwers. Vele burgers van Parijs hadden nog nooit zoiets gezien. De ontelbare menigte bewonderde de tapijten waar de huizen mee behangen waren, alsook de schilderijen met allerlei uitbeeldingen van heiligen. Voor de deur van elk huis was een brandende toorts aangebracht om het heilig sacrament en de heilige relikwieën te eren. Om zes uur ’s morgens begon de optocht vanaf de Nôtre-Dame. Voorop gingen de kruisen en banieren van de parochies van Parijs. Daarna volgden twee-aan-twee burgers met een fakkel in de hand, de vier bedelorden en alle priesters en kanunniken van de stad. Ook de graftombe van Genoveva (422-502), de patroonheilige van Parijs, moest mee in de stoet. Hij werd gedragen door 16 geestelijken, die langzaam voortschreden.

Priesters en ook burgers droegen de talrijke relikwieën. Nooit had men zoveel relikwieën gezien. Zij werden met vrome bewondering bekeken. Het lichaam van de heilige Johannes, zijn schoenen en zijn kousen, de baard van de heilige Chrysostomus, de doornenkroon die de Heere Jezus droeg. ‘Hier is het purperen kleed des Heeren’, riep het volk. En: ‘Daar is de linnen doek waarmee Hij Zich aan het Avondmaal omgordde, en de luiers uit Zijn kindsheid!’ ‘Hier is het ware kruis!’ Opnieuw geroep en gejuich, Parijzenaren verdrongen elkaar. Dat kruis moesten ze zien. Dat kruis was echter niet het enige kruis waarvan men zei dat Christus daaraan gehangen had. Calvijn:

Er is geen kleine stad noch nederig kerkgebouw dat er geen stukken van toont. En wilde men die alle verzamelen, dan zou het geheel de lading uitmaken van een grote schuit. En driehonderd man zouden niet in staat zijn dat te dragen.” 7

In plaats van relikwieën van Christus te bewonderen deed men er “beter” aan, zei Calvijn, “om Jezus te zoeken in Zijn Woord, Zijn sacramenten en geestelijke genadegiften dan in Zijn kleed, Zijn doek, Zijn luiers en het kruis!” 8

Overigens had Calvijn Parijs enige maanden eerder al verlaten.

Het geheel was een potsierlijke vertoning! Er was zoveel te zien, te veel om op te noemen. Het volk stroomde op de relikwieën af. De een wilde ze aanraken met zijn muts, de ander met de vinger of met de tong of met de lippen om te kussen met de gedachte die godslasterlijk was: Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat (Ps. 2:12a). 9 Indroevig zoals het volk verleid en bedrogen werd!

Toen de relikwieën voorbij waren, kwam een groot aantal kardinalen, aartsbisschoppen en abten met het koorkleed aan en de mijter op het hoofd. Daarop volgde een prachtige troonhemel, waarvan de vier stokken vastgehouden werden door drie zonen van de koning en de bisschop van Parijs. Onder de troonhemel bevond zich de heilige hostie, een stukje brood, dat niet kon kruimelen. Het volk was vooral onder de indruk van de voorstelling van de heilige hostie.

De zogenaamde vroomheid van de koning

Na de geestelijken met hun afgoden kwam koning Frans I, blootshoofds en met een brandende toorts in de hand. Als een boeteling die belast was de heiligschennis van zijn volk uit te delgen. Bij elk altaar dat opgericht was, gaf hij zijn toorts aan de kardinaal die naast hem liep, en knielde hij neer voor het beeld van Maria met het Kind, om zich te verootmoedigen. Helaas was het geen verootmoediging voor zijn ontuchtige wandel, zijn leugens en valse eden. Daaraan dacht hij niet, maar hij dacht aan de stoutmoedigheid van hen die de mis verwierpen.

De koning werd gevolgd door de koningin, de prinsen en prinsessen, het gehele hof, de kanselier, de raad en het parlement met scharlakenrode mantels, de leden van de Sorbonne en ten slotte de koninklijke garde.

Allen liepen twee-aan-twee en gaven tekenen van buitengewone Godsvrucht, zo verwoordde iemand. Eenieder hield zijn brandende flambouw - dat is een processielantaarn op een lange stok of stang - omhoog onder de grootste stilte. Men hoorde alleen zo nu en dan geestelijke gezangen en treurliederen. Geen wonder dat het verleide volk de adem inhield bij zoveel vertoning van zogenaamde Godsvrucht. Nadat de processiestoet door vele wijken en straten van Parijs was getrokken, nagevolgd door een ontelbare menigte, kwam deze weer terug bij de Nôtre- Dame. De hostie werd daar op het altaar gelegd, de mis werd gezongen en de hostie werd alle denkbare eer toegebracht om de door de pamfletten aangedane belediging te herstellen.

Nog was het schouwspel niet ten einde. De koning zou een troonrede houden in het bisschoppelijk paleis. Dat gebeurde niet veel. Het ongeduld van het volk was dan ook groot. In grote spanning wachtte men op zijn redevoering, die in de grote zaal van het bisschoppelijk paleis zou worden gehouden. Het volk verzamelde zich in de zaal, totdat er niemand meer bij kon. Velen moesten buiten blijven staan. Weldra trad de koning binnen met een ernstig, treurig gezicht. Zijn kinderen, de kardinalen en hoge ambtenaren omringden zijn troon, vanwaar de koning door de gehele vergadering gezien kon worden. Geachte onderdanen, zo begon de koning zijn redevoering,

het verwondere u niet als gij heden op mijn gelaat niet díe bedaardheid ziet die mij eigen is, en díe blijdschap die mij vervult telkens als ik u ontmoet. Verbaast u niet als de sierlijkheid der welsprekendheid aan mijn rede vreemd blijve. Ik kom met u niet over mijzelf spreken, maar het betreft heden een belediging die de Koning der koningen is aangedaan.10

Zo durfde de koning te spreken! “Het betaamt mij daarom (…)”, zo ging hij verder,

een ander gelaat en een andere houding te tonen, want ik spreek niet tot u gelijk een koning en een meester spreekt tot zijn onderdanen en zijn dienstknechten, maar als zelf ook een onderdaan en dienstknecht richt ik mij tot hen die, evenals ik, dienstknechten zijn van eenzelfde gezalfde Koning, van de Heere der heren, de almachtige God. Welk een eer, welk een hulde, welk een gehoorzaamheid komt die Koning niet toe! (…) Welk een ver-plichting is boven andere dit koninkrijk Hem niet verschuldigd, aangezien Hij het reeds sinds dertien- á veertienhonderd jaar in vrede en rust heeft bewaard (…). En al moge Hij vanwege misslagen tegen Zijn Goddelijke majesteit bedreven, het soms bezocht hebben met kastijdingen in tijdelijke zaken, (…) nooit is Hij echter in de kastijding verdergegaan dan een goedhartige en genadige vader gebruikt tegenover de schuld van een nederige en gehoorzame zoon.” 11

In de ogen van de koning kwam Frankrijk de naam van het ‘allerchristelijkste’ land toe. Na dit opgemerkt te hebben, betoogde hij:

Des te meer leed moeten onze harten gevoelen dat er in deze tijd zulke slechte en ongelukkige mensen gevonden zijn die die schone naam hebben willen bevlekken. Zij hebben veroordelingswaardige leringen verspreid en (…) hebben zich rechtstreeks tegen Hem Zelf gericht in het Heilig Sacrament van het altaar. Lieden van lage rang en mindere stand, ellendige lasteraars, hebben, wat betreft het sacrament van het altaar, zich van woorden bediend die door elke andere natie verworpen en veracht zijn. (…) O, misdaad! O, lastering! O, dag van smart en schande! Waarom hebt gij over ons moeten lichten?12

Het voert te ver om alles wat de koning zei, hier aan te halen. Hij eindigde met een verschrikkelijke opmerking:

“Zo waar (…) als ik uw koning ben, als ik wist dat een van mijn eigen leden door dat verfoeilijke bederf besmet was, ik zou u dat geven om af te snijden (…). Ja, als ik bemerkte dat een van mijn kinderen daarmee bevlekt ware, ik zou hem niet sparen (…). Ik zou hem zelf willen overgeven en aan God opofferen!13

De uitwerking van de woorden van de koning, die een welsprekend man was, was geweldig. Het volk barstte in snikken uit. De bisschop van Parijs en een voornaam koopman bogen de knie voor de koning en bedankten hem namens de geestelijkheid en de burgerij voor zijn ijver en zwoeren de oorlog aan de ketterij. Daarop riepen alle aanwezigen als met één stem dat ze wilden leven en sterven voor de katholieke godsdienst.

Langs plaatsen van terechtstelling

Maar nóg was de koning niet tevreden. Hij wilde het volk afschrikken met een schouwspel van barbaarsheid dat niet in woorden is uit te drukken. Er waren verscheidene brandstapels opgericht. De koning met zijn familie en met een gehele stoet achter hen begaf zich op weg naar de eerste brandstapel. Soldaten moesten het volk terugslaan om te voorkomen dat zij die bestemd waren om verbrand te worden, niet door het volk verscheurd werden. Zo opgehitst was het volk door de rede van de koning.

De gereformeerde martelaren wilde men niet op de gebruikelijke wijze verbranden. Nee, nog erger moest het… Er was een zogenaamde wipgalg gemaakt, een lange balk met een scharnierpunt in het midden. Aan de ene kant werd een van de martelaren gehangen met onder hem het vuur en aan de andere kant werd door de beul getrokken, die de arme man of vrouw even in het vuur hield en daarna weer omhoogtrok. Vreselijk was het schouwspel, maar het volk juichte. Alle zogenaamde veroorzakers van de toorn van de hemel moesten verdelgd worden. Maar de martelaren ontvingen de martelaarskroon en mochten eeuwig hun Koning aanschouwen en loven.

Na hetzelfde wrede schouwspel ook bij een tweede brandstapel aanschouwd te hebben keerde de koning voldaan naar zijn paleis het Louvre terug. De hovelingen die hem omringden, zeiden dat de zegepraal van de Heilige Moederkerk voor altijd in het schone Franse rijk was bevestigd. En de terechtstellingen gingen door. De roomse kerk nam haar kans waar: Etienne de la Forge (de vriend van Calvijn), een goudsmid, een schilder, een scholier die meegedaan had met het aanbrengen van de pamfletten, een koorzanger van de koning, een kleermaker, een jong meisje dat onder de prediking van een Franciscaner monnik tot bekering was gekomen, kortom, mensen uit alle lagen van de bevolking werden het slachtoffer van deze roomse vervolging. Niemand was zijn leven in Frankrijk nog zeker. Maar, zo zegt een schrijver uit die tijd, voor twee martelaren die stierven op de brandstapel, stonden er honderd nieuwe uit hun as op. Het aantal martelaren in Frankrijk in de periode van 1530 tot 1560 wordt geschat op 50.000!

Geen hoop meer op verzoening?

Na alles wat er gebeurd was in Parijs, was de schrik onder de gereformeerden groot. Ook Johan Sturm (1507-1589), die in 1529 in Parijs aangesteld was op het door Frans I gestichte College Royal, was ontsteld. Sturm was de Reformatie toegedaan, maar hoorde bij de gematigden en trad niet zo op de voorgrond. Wel schreef hij vele brieven naar de hervormingsgezinden in Duitsland en Zwitserland om hen op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in de stad. Hij werd verteerd door droefheid over de vele terechtstellingen. Veel martelaars behoorden tot zijn vrienden. Hij had het aanplakken van de pamfletten veroordeeld, want die konden de Hervorming niet teweegbrengen, zo dacht hij. Hij schreef alles wat er gebeurd was aan zijn vriend Philippus Melanchthon (1497-1560) in Wittenberg. Hij schreef:

Wij verkeerden in de beste toestand door de zorg van wijze mannen, en nu zijn wij door de raadgevingen van onhandige lieden in de grootste rampen en ellende vervallen. Verleden jaar heb ik u geschreven hoezeer alles goed ging en de billijkheid van de koning ons veel hoop deed voeden. Wij wensten elkaar geluk, maar helaas, dwaze mensen hebben ons die dagen van voorspoed ontnomen. (…) O, mocht de koning inzien welk een geest die bloeddorstige mannen bezielt, hij zou dan ongetwijfeld naar betere raad luisteren! En toch wanhopen wij niet. God regeert! Hij zal die stormen bezweren, ons de haven tonen waar wij een wijkplaats kunnen vinden. Hij zal aan de goeden een toevlucht geven waar zij vrij durven zeggen wat zij denken.” 14

De pogingen aan het begin van 1534 om met de hulp van Melanchthon en de Parijse bisschop Du Bellay (als vertegenwoordiger van de koning) tot een overeenkomst te komen tussen de gereformeerden en de roomsen waren nog niet gelukt, maar waren ook nog niet geheel afgeschreven, zoals u in een van de vorige artikelen hebt kunnen lezen. 10 Nu leek echter alles helemaal verloren. Maar toch… nadat de ergste storm naar aanleiding van de pamfletten voorbij was, leek er weer een glimp van hoop te komen. Daarover zal Deo volente in het volgende artikel iets te lezen zijn.


Noten:

1) De elf vorige afleveringen van deze serie zijn verschenen in: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 214-224, decembernummer 2016, p. 289-297, februarinummer 2017, p. 19-27, meinummer 2017, p. 96-104, julinummer 2017, p. 158-166, oktobernummer 2017, p. 192-201, decembernummer 2017, p. 276-283, februarinummer 2018, p. 39-46 en meinummer 2018, p. 94-101, julinummer 2018, p. 160-167, oktobernummer 2018, p. 215-223

2) La Bible, Qui est toute la Saincte efcripture, Neuchatel 1535. Actes du Colloque Olivétan, Noyon Mai 1985.

3) Theodore de Bèze, Histoire Ecclésiastique des Eglises Réformées au Royaume de France, Tome I, Lille 1841, p. 10

4) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming in Europa ten tijde van Calvijn, dl. 3, Rotterdam 1864, p. 83 (herspeld). Hierna: Merle 3

5) A.L. Herminjard, Correspondance des Réformateurs dans les pays de langue Francaise, Tome III, Genève 1870, Lettre 485, p. 1534 (vertaling van mijn hand)

6) Merle 3, p. 87 (herspeld)

7) Merle 3, p. 89 (herspeld)

8) idem

9) Merle 3, p. 89-90 (herspeld)

10) Merle 3, p. 92 (herspeld)

11) idem

12) idem

13) Merle 3, p. 93 (herspeld).

14) Merle 3, p. 100-101 (herspeld).

15) Zie: In het spoor, julinummer 2018, p. 160

Fotoverantwoording:

a) Foto C. Verdouw

b) Antoine Lamielle [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons

c) Beeld: Bibliothèque nationale de France

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

In het spoor | 68 Pagina's

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -12-

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 2018

In het spoor | 68 Pagina's