Kerkhervorming
Tekst: Hebreen 11 : 30: „Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest". Lezen: Jozua 6.
Twee redenen hebben geleid tot de keuze van deze tekst. De eerste is, dat het afgelopen Zondag de gedenkdag was van de Kerkhervorming. De tweede is, dat deze Zondag bekend siaat ais de Zendingszondag. Op beide dingen wil ik vanmorgen uw aandacht vestigen.
Het is u bekend, dat op de 31ste October van het jaar 1517 Luther zijn 95 stellingen tegen de aflaathandel aan de deuren van de Slotkerk te Wittenberg heeft aangeslagen. Hij gaf door deze daad, zonder het zelf te vermoeden, de stoot tot de Hervorming, die later een gebeurtenis van wereldhistorische betekenis zou blijken te zijn. Vóór zijn optreden ging de hoofdstroom van het godsdienstig leven door de bedding der Roomse kerk. Zij stamde af van de oorspronkelijke apostolische Kerk en is in de eerste eeuwen van onze jaartelling een onschatbare zegen voor de mensheid geweest. Langzamerhand was zij echter zowel op het punt van de organisatie als op dat van de zaligmakende waarheid afgeweken van de zuiverheid van het Woord. De Bijbel, waarin zo duidelijk te lezen staat, dat wij niet uit de werken, maar alleen uit het geloof in Christus door God gerechtvaardigd worden, was een gesloten en verzegeld boek voor de „leken", en óók de priesters waren voor een groot deel vreemdelingen op het terrein van de Heilige Schrift. En nu spreekt het toch vanzelf: waar het licht van Gods Woord onder een korenmaat gezet is, daar moet het volk de weg in het duister zoeken. En zo is het geschied, dat de eenvoudigen op allerlei dwaalwegen geraakt zijn, — zij wisten niet meer, dat een zondaar alleen uit vrije genade door het geloof zalig moet worden ; zij steunden, behalve op de verdiensten van Christus, óók op hun eigen verdienstelijke werken, ofschoon er slechts één werk bestaat, dat vol bevonden wordt door God, het verlossende werk van Jezus Christus, waaraan niets ontbreekt, en waarvan Hij Zelf met luider stem kon zeggen : Het is volbracht!
Luther is toen het instrument in Gods hand geweest om de haast uitgedoofde fakkel der zaligmakende waarheid weer hoog in het midden der wereld op te heffen. Het licht van Christus brak door zijn dienst weer uit de verborgenheid te voorschijn. Luther's werk was in de grond niets anders dan een boodschap ; niets anders dan het aanheffen van de Kersfpsalm : „Daar is uit 's werelds duist're wolken een licht der lichten opgegaan. Komt tot zijn schijnsel, alle volken, en gij, mijn ziele, bid het aan !"
En nu, ruim 400 jaar na deze daad van Luther, hebben wij nog de boodschap aan alle volken te brengen, en degenen, die nog in de banden van het heidendom zitten, toe te roepen : Komt tot zijn schijnsel, alle volken, want in Christus is het licht der lichten opgegaan. Hij is de enige, volkomen, algenoegzame Zaligmaker.
En nu spreken wij eerst over de roeping des geloofs, waarbij de Kerkhervorming en deze Zendingszondag ons bepalen.
Ons lekstwoord herinnert aan de inneming van Jericho, waarvan wij u het verloop zo straks hebben voorgelezen. De geschiedenis verhaalt ons, dat de Israëlieten in het land Kanaan waren gekomen, nadat zij 40 jaar in de woestijn hadden rondgezworven. Na Mozes' dood had Jozua de opperleiding van Israël in handen gekregen. Zijn grote voorganger had het volk bij de uittocht uit Egypte door de wateren van de Schelfzee gevoerd, en Ay had het bij de intocht in Kanaan veilig door de wateren van de Jordaan gebracht. Maar nu staat hij vóór die onneembare vesting Jericho, die de toegang tot het binnenland beheerste en daarom met recht de sleutel tot het land mocht heten. Was die versperring opgeruimd, dan lag Kanaan voor Gods volk open en zouden zij het in bezit kunnen nemen. Israël was weliswaar niet weerloos. Het had ruimschoots gelegenheid gehad zich in de krijg te oefenen, en zij waren voortreffelijk uitgerust. Maar tegen een vesting ais Jericho waren zij toch niet opgewassen. Er viel hier in eigen kracht niets uit te richten, en zo scheen de toegang tot het land tenslotte toch nog voor hen hermetisch gesloten. Het eerste vers van Jozua 6 vestigt daar de aandacht op. Jericho sloot haar poorten toe, zodat een indringen van buiten onmogelijk was. Maar in de tweede plaats waren de poorten van binnen zó afgegrendeld, dat er niemand uit kon. Geen enkele inwoner kon zich op verraderlijke wijze met de Israëlieten in verbinding stellen. Zo waren alle. maatregelen genomen, dat noch door een aanval van buiten, noch door verraad van binnen uit de stad genomen kon worden. Toen was de Heere op dat kritieke ogenblii< echter aan Jozua verschenen in de gedaante van een geheimzinnigen Man met het uitgetrokken zwaard in de vuist. Jozua wist niet, of het een vriend of een vijand was, maar de Heere openbaart Zich aan hem als den Engel des Verbonds, als den Vorst van het heir des Heeren, voor Wien Jozua zich dan ook in het stof werpt. Deze hemelse Vorst geeft nu aan Jozua een bevel, en daarbij een belofte. Het bevel is, dat hij met het volk legen Jericho moet optrekken: niet met wapengeweld, maar in een feestelijke optocht. En daarbij komt de belofte: „Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven!" Het bevel scheen naar menselijk oordeel een dwaasheid, want hoe was de stad in te nemen door er omheen te wandelen ? En de belofte scheen al even ongerijmd ; zij stonden vóór de gegrendelde poorten der stad, en tóch zegt de Heere, dat zij haar reeds in de hand hebben. Het vleselijk verstand zou zowel om het bevel als om de belofte gelachen hebben. Maar het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Jozua heeft bevel en belofte geloofd, en zo merken wij hier reeds, dat de muren van Jericho gevallen zijn door het geloof aan Gods Woord. Jozua's roeping om Jericho's muren te doen vallen was natuurlijk een volstrekt énige gebeurtenis, Hij kon die roeping vervullen, doordat Hij Gods Woord geloofde. De stad zou echter niet gevallen zijn, als Jozua en het volk dit Woord des Heeren niet hadden geloofd. Door het geloof vielen de muren van Jericho. Maar dat betekent niet, dat Jozua's en Israel's geloofskracht de muren deed ineenstorten, neen, de muren vielen ineen, omdat God ze deed ineenstorten, en Hij verbrak ze, omdat Jozua Zijn Woord geloofde, aan dat Woord volkomen vertrouwen schonk. Wanneer Jezus zegt: „Voorwaar zeg Ik u, zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier! en hij zal heengaan I", betekeflt dat niet, dat onze geloofskracht die bergen verzet; dat doet God, maar Hij doet het, waar Zijn Woord geloofd wordt.
Zo hebben ook de grote Hervormers jozua's roeping in zich voelen branden als een vuur. En zij werden tot bezielde profeten, doordat zij zich onvoorwaardelijk onderwierpen aan de Schrift. Zij zijn dan ook waarlijk niet eigenmachtig opgetreden om de Kerk van haar dwalingen te zuiveren en haar in het juiste spoor terug te brengen. Er waren er velen, die dit ten onrechte meenden. Men schonk aanvankelijk te Rome niet veel aandacht aan de reformatorische beweging. Men sprak over Luther als over een monnikje, dat gemakkelijk tot rede te brengen zou zijn. Wat zou hij vermogen tegen een kerk, die sinds eeuwen bestond en door schier alle machten der wereld gesteund en beschermd werd ? ... Niets !! Was het geen vermetelheid een leer aan te vallen, die door het gezag van de kerkvorsten en door de mannen van de wetenschap gesteund werd ? Gewis, allen, die niets dan het verstand lieten spreken, moesten wel derhken, dat het waanzin was, met twee blote handen een bres in die zware muren te willen breken ; maar Luther wist zich door God geroepen om de waarheid te dienen, zoals hij haar in het Woord gelezen en in zijn eigen ziel ervaren had, en zo heeft God Luther willen gebruiken om de weg vrij te maken voor de gezuiverde gemeente van Zijn Zoon Jezus Christus. Wij kunnen er onze winst mee doen. Ook in verband met de arbeid in Gods Koninkrijk. Vandaag is het Zendingszondag. De Zendingsweek is de week van gebed, toewijding en offer. Er ligt een groot stuk heidendom in de wereld, ofschoon er méér dan IQ eeuwen sinds de komst van Christus voorbijgegaan zijn. Wij hebben allen een roeping ten aanzien van de heidenen ontvangen, het is evenals bij Jozua een bevel èn een belofte. Het bevel is u duizendmaal onder de ogen gekomen : „Gaat dan heen, onderwijst alle volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb". Jezus voegt er de belofte aan toe: „En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld !"
Gemeente! gelooft gij nu als Jozua bevel en belofte beide ? Of deinst gij terug voor de bezwaren, de kosten, de opleiding, het verschil van talen, het soms dodende klimaat, en bovenal de tegenstand der afgodische priesterscharen ? Dit alles vast aaneengemeiseld schijnt inderdaad een onneembare vestingmuur. Maar indien er geloof en gehoorzaamheid is, zult gij de hand aan de ploeg slaan, gij zult dan rekenen op de belofte, dat éénmaal alle knie voor Jezus Christus zal buigen en alle mond zal belijden, dat Hij de Heere is. Twijfelt gij aan die uitkomst — zie dan op uzelf. Gods genade in Christus, waarin gij roemt, vond in uw eigen hart immers ook geen wijd geopende deur. Er waren belemmeringen, zo zwaar als Jericho's muren : het scheen onmogelijk, dat gij als verloren zondaar en zondares eens zalig zoudt worden, uw schuld was te groot, gij kondt door de vloek der Wet niet heenbreken, en dan was er nog de grote zielevijand, die u met zijn aanvechtingen weerhield, . . . gij stondt vóór gesloten en gegrendelde poorten, maar door het geloof zijn de muren gevallen, Oode zij dank, en gij zijt ingegaan tot de erfenis, die voor u v/as weggelegd. Deze persoonlijke ervaring mag u een waarborg zijn, dat, mede door de dienst der Zending, éénmaal alle afgodische tempels zullen vallen en alle land zal worden tot een „heilig land". Maar wij gaan verder. Wij wijzen nu op de strijd des geloofs. De Heere had jozua terstond bij zijn roeping Jericho met haar koning en legermacht in de hand gegeven. Hij ontving de sleutelstad dus als een vrije genadegift. Maar tóch moest hij haar zelf veroveren. De Heere wil van de dienst van mensen gebruik maken. Doch Jozua moest dat niet doen. door wapengeweld, maar door zijn geloof te betonen in de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord. De Heere wees hem aan, door welke middelen
De Heere wees hem aan, door welke middelen de muren der vesting zouden bezwijken. Jozua organiseert, naar Gods aanwijzing, een indrukwekkende, maar vreedzame stoet. Voorop gaan zeven priesters met de ramshoornen bazuinen. De leiding berust ditmaal niet bij de veldheren, maar bij de priesters. Daarop volgt de ark des verbonds met het gouden verzoendeksel. Waar de plaats der krijgslieden was, is niet duidelijk. Alleen wél, dat zij er bij waren, evenals het volk. In elk geval was de ark het middelpunt, want zij was het zichtbare teken van 's Heeren tegenwoordigheid en moest dus de ereplaats hebben. De Heere God trekt dus mede op. En dit zegt bij elke onderneming alles. Ja, de hachelijkste onderneming wordt daardoor zeker tot een goed einde gebracht. Zes dagen achtereen maken zij zo één enkele rondgang om de muren. Zij v/andelen in het diepste stilzwijgen voort, want niemand moclit ook maar een enkel woord spreken. Alleen bliezen de priesters nu en dan op de ramshoornen bazuinen. Het zwaard der helden in de schede, maar de'bazuin der priesters aan de mond, — zó had de Heere het verordend, en zó werd het ook uitgevoerd. Op de zevende dag werd de omtocht in de vroegte begonnen en zevenmaal herhaald, op de andere dagen hadden zij slechts één rondgang te maken. En telkens ging van die zwijgende optocht met den Heere in het midden deze spraak des geloofs tot de mannen van Jericho uit: „Dezen vermelden van wagens en die van paarden, maar wij zullen vermelden van de Naam des Heeren onzes Gods". Tot zover het geschiedverhaal voorlopig.
Er valt wel een en ander uit te leren, dat wij in
toepassing moeten brengen, indien wij onze geloofsroeping niet willen verzaken. Men spreekt vaak van de „strijdende" Kerk op aarde in tegenstelling met de „triomferende" Kerk in de hemel. Wij behoren tot de eerste, en de Heere roept ons om terneder te werpen alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God en alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus. Er waren zulke tartende en trotse hoogten in de tijd van de Hervorming. Er zijn er tot op deze dag toe in de heiden wereld, vyaar de tegenstand soms niet te breken schijnt te zijn. Er zijn er zelfs in de zogenaamde Christelijke landen, want ook daar gaat de kreet van vele zijden tegen God en Zijn Christus op : „Laat ons hun banden verscheuren en hun louwen van ons werpen". Wij zouden geen strijdende Kerk zijn, indien wij
Wij zouden geen strijdende Kerk zijn, indien wij al die Jericho's onaangetast konden laten. Maar de wapenen van onze krijg zijn evenmin vleselijk als bij Israël, neen, zij zijn krachtig door God tot nederwerping der sterkten, zegt de apostel Paulus. Wij vechten niet met het zwaard, wij 171 voeren alleen het zwaard des Geestes, dat is : Gods Woord. Geen veldheren, geen staatslieden, geen diplomaten zullen de vestingen van den Boze in puin kunnen doen vallen, de geest van ongeloof en opstandigheid bedwingen, en de landen met hun volken inlijven in het Koninkrijk der hemelen, dat is; in het Vrederijk. In deze geweldige worsteling zullen de priesters voorop moeten gaan. Zij zullen met eerbiedige handen de ark des verbonds met het verzoendeksel, zij zullen het Evangelie der verzoening moeten dragen rondom de muren en sterkten van den satan, die de uitbreiding van Gods Koninkrijk belemmeren. Zij zullen telkens weer op de bazuin moeten blazen, en die bazuin mag geen onzeker geluid geven. Wij moeten het blij geklank overal en aan allen doen horen, dat Jezus Christus de schuld in Zijn bloed heeft uitgedelgd, de zonde verzoend, de vrede verworven, en dat Hij den gevallen en diep-gezonken mens volkomen zalig maakt.
Konden wij die wapenen maar beter gebruiken I Evenals bij Israël moet de ommegang in de diepste stilte gebeuren. Wij zullen stil onze gang moeten gaan, geen opzichtige reclame moeten maken voor Jezus, dat is een krenking van Zijn majesteit, want alle macht, hoe hoog, hoe groot, zal zich éénmaal voor dien Gods-getuige diep eerbiedig moeten buigen. Het moet óók een volhardend omtrekken zijn, zeven dagen lang, dat is het heilige getal, dat een volheid uitdrukt. Een mens wordt niet maar even bekeerd. Een vesting wordt ook niet maar eventjes genomen. Gods week duurt vaak langer dan de onze. En óók zal de ommegang met het Evangelie der zaligheid moeten geschieden in het vaste geloof aan de uilkomst, dat Christus het ganse rijk der duisternis zal beschamen, tot het niet meer wezen zal.
En nu nog een enkel woord over de zegepraal des geloofs, die in onze tekst tot uiting komt. Israël is ons ook op dat punt tot een voorbeeld. Het scheen een wanhopig iets om de sterke muren van Jericho te doen vallen, maar onze tekst spreekt het nadrukkelijk uit: „Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest". Wij hoorden reeds, dat de ommegang op de laatste dag niet éénmaal, maar zevenmaal plaats greep. Dat was een buitengewone geloofsoefening. De belegerden hadden de optocht natuurlijk de ganse week gadegeslagen. Zij moeten zich in het begin over deze soort van belegering verbaasd hebben. Waren dat nu de helden, die Sihon en Og verpletterd hadden ? Wat was er van die priesters met die hooggedragen ark te vrezen ? Al lezen wij het niet, wij kunnen ons indenken, dat de eerste vrees voor Israël in die eerste dagen geleidelijk voor vrolijkheid plaats maakte. Zij zullen op de laatste dag, toen de stille optocht zevenmaal rondging, nauwelijks een spotlach hebben kunnen bedwingen. Zó gaat het immers met de mensen, die de geestelijke krachten niet tellen, maar alleen met het tastbare rekenen : met zwaarden, spiesen en dolken, alsof het gelóóf niet sterker was dan die alle.
Hoe zijn de belegerden beschaamd ! Bij de laatste ommegang viel de beslissing. Op een gegeven ogenblik, door Jozua van tevoren aangegeven, schallen de bazuinen voor het laatst. De muren stonden nog onbewegelijk vast. En toch gehoorzaamt de ganse stoet aan het door Jozua gegeven bevel: „Juicht!" Vóórdat de muren wankelen, vóórdat er iets van de inneming der stad te zien is, klinkt de overwinningsjubel op uit die duizenden kelen, als om te tonen, dat het geloof een vaste grond is der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet. Het was geen voorbarig gejuich. Want op hetzelfde ogenblik stortten de muren ineen : ieder man had als 't ware een eigen bres vóór zich, waardoor hij de stad kon binnentreden. Buit mocht echter niemand behalen. De stad was door Jozua verbannen, de inwoners vielen naar het oorlogsrecht onder de scherpte des zwaards, de eigendommen werden verbrand, alleen de metalen werden bij de schat des Heeren gevoegd, de vesting werd met de grond gelijk gemaakt, en Jozua sprak de vloek uit over ieder, die de schone palmstad zou willen herbouwen, .... zó zijn door het geloof de muren van Jericho gevallen, als zij zeven dagen omringd waren geweest, het was de profetie van de uiteindelijke val van het rijk der duisternis door de kracht van het zalig Evangelie des kruises. Wat dunkt u, is het geen rijke tekst, die wij hebben overdacht, en is het geen troost volkomen verzekerd te mogen zijn van 's Heeren eindtriomf midden in een wereld, die in het boze ligt ? Maar dan zullen wij ook Gods mede-arbeiders moeten zijn om deze toekomst te helpen verhaasten. Dat kunnen wij, dat moeten wij, neen, dat mogen wij. De Heere had Israël met zijn ommegang niet nodig als iets behoevende, om de muren van de stad omver te werpen. Eén wenk van Zijn almacht, en de aarde had zich geopend om alles en allen te verslinden. Het heeft den Heere echter behaagd Zijn volk in Zijn dienst te gebruiken, door het geloof in hun hart te werken. Zij moesten de ark dragen. Zij moesten de bazuinen blazen, zij moesten allen in gehoorzaamheid rondgaan, en zij moesten vóór de eindslag reeds een vreugdegejuich aanheffen, als waren zij overwinnaars. Op de laatste omgang werd de plechtige optoctit plotseling een feestelijke optocht. Dat is het optimisme des geloofs, dat zéker is van God. Én dit vreugdevolle optimisme zal u allen moeten bezielen in het werk des Heeren, anders is het van te voren met onvruchtbaarheid geslagen.
Straks zult gij uw offer voor de Zending brengen, Uitnemend, als gij er maar niet in uzelf bij denkt; wat helpt het eigenlijk, ze zijn er reeds jaren mee bezig, en nóg staan de muren ; hier en daar brokkelen zij af, maar wat is dat eigenlijk vergeleken bij alles wat staande blijft .... als het maar niet alles vergeefs is! Neen, wij mogen niet kleinmoedig zijn ! Er is in die taal geen gejuich. Breng dan uw offer met een blijmoedig hart. Laat het geloof hoog in u opspringen, en getuig, dat Jezus Christus de kop van de slang vermorzeld hééft op Golgotha, en dat die zegepraal door móet en door zal werken tot aan de einden der aarde.
En dan verder: de Kerk heeft een voortdurende Hervorming nodig. Steun daarom de Kerk met uw gebed en uw liefde. Méér kunt gij niet doen. Maar blaas de bazuin en juich in het optimisme des geloofs: de zege is Oodes! Als Hij het wil, komt de dag, dat de Naam boven alle naam op alle kansels zal gepredikt worden. Wij zien het nog niet met onze ogen, maar het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.
En nu tenslotte een woord over uzelf. Laat ons aannemen naar het oordeel der liefde, dat de Heere u genadig is geweest en u heeft ingelijfd bij Zijn geheiligd volk, dat van Zijn trouw mag zingen. Dan weet gij, hoe barmhartig en genadig de Heere u geleid heeft. Ja, zegt gij, mijn brood was altijd zeker en mijn water gewis, ofschoon ik o zo dikwijls vergat Hem voor Zijn goedheid te danken. En nu wacht u door genade aan het einde der reis de rust, die daar overblijft voor het volk van God, het hemels Kanaan, waarvan het aardse, overvloeiend van melk en honing, een schaduwbeeld is.
Maar daar zijn vijandige machten vlak bij de grens, die u als Jericho op het laatste ogenblik nog de toegang willen beletten, als het mogelijk was. Daar zijn de aanvechtingen van den Boze, die het u zelfs op uw sterfbed nog benauwd kunnen maken. Daar is de dood, de geweldenaar, daar is het graf met zijn open keel. God geve u allen en mij geloof om reeds nu en hier, bij het naderen van de dood, o, niet van vrees te schreeuwen, maar, evenals Israël reeds vóór het ineenstorten der muren te juichen: „De dood is verslonden tot overwinning. Dood I waar is uw prikkel? Graf! waar is uw overwinning ? De prikkel nu des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet, maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus", ... wij zijn reeds, nu en hier, méér dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Amen. Vaassen L. J. R. KALMIJN.
Vaassen L. J. R. KALMIJN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 6 november 1954
Kerkblaadje | 8 Pagina's