Maria Magdalena
I
In de eerste drie Evangeliën wordt Maria Magdalena met een duidelijke gereserveerdheid beschreven. We lezen van haar in Lucas 8 : „En enige vrouwen, die genezen waren van boze geesten en van ziekten: Maria, genaamd Magdalena, van wie zeven boze geesten uitgegaan waren, en Johanna, de vrouw van Chuzas, de rentmeester van Herodes, en Suzanna en vele anderen, dienden Hem met hetgeen zij bezaten" (vers 2, 3). De situatie, zoals die hier getekend wordt^ staat op gespannen voet met de leefwijze van de vrouw volgens het Oude Testament en de Joodse traditie. Christus wordt bij zijn rondtrekken door Galilea niet alleen vergezeld door de twaalf discipelen, maar ook door een aantal vrouwen, van wie Maria Magdalena de belangrijkste was en daarom het eerst genoemd wordt. Zij krijgen zó de gelegenheid om Christus' verkondiging van het Godsrijk van nabij mee te maken en zijn onderricht van dag tot dag te volgen. Hun wordt dus door Christus de mogelijkheid geboden van een godsdienstig-geestelijke ontwikkeling. Voor de Wetgeleerden en Farizeeërs lag daar iets aanstotelijks in. Bij hen 74 werd de vrouw niet toegelaten tot het rabbinale onderricht.
De gereserveerdheid van de eerste drie Evangeliën ten opzichte van Maria Magdalena staat duidelijk in tegenspraak tot de wijze, waarop over haar in het Evangelie van Johannes wordt gesproken. Hier treedt zij opeens op de voorgrond. In de geschiedenis van Christus' kruisiging, begrafenis en opstanding is zij zelfs een centrale figuur. Wij lezen in Johannes 19 : „En bij het kruis
Wij lezen in Johannes 19 : „En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas en Maria Magdalena" (vers 25). In tegenstelling tot de andere vrouwen wordt zij niet aangeduid als een bloedverwante van Christus, evenmin als de echtgenote van iemiand of als de moeder van zonen, doch alleen door haar herkomst uit de stad Magdala, gelegen aan het meer van Galilea. Klaarblijkelijk was zij ongehuwd en had zij Jezus gevolgd op zijn wegen. Met de moeder van Christus en zijn moeder's zuster en de vrouw van Klopas stond zij vlak bij het kruis. Ook maakte zij de begrafenis mee (Marcus 15 : 47).
Nog opvallender is, hoe Johannes beschrijft welk een centrale plaats zij inneemt in het ge beuren op de Baasmorgen. Hij laat zien, duidelijker dan het van iemand anders beschreven wordt, hoe zij de opgestane Heer herkent en hoe zij op grond daarvan het volle Paasevangelie aan de discipelen verkondigt: „Maria Mag dalena ging heen en boodschapte de discipelen dat zij de Here had gezien en dat Hij haar di gezegd had" (20 : 18). Zij is de eerste echte Evangeliste! Als er iemand is, die dat beseft heeft, dan Luther. In zijn uitleg van dit Schrift gedeelte in de Kirchenpostille laat hij de Heer tot haar zeggen: „Lieve Maria Magdalena, g: heen en wees een predikster hiervan, dat Ik nie' meer op lichamelijke wijze hier zijn en blijven zal, maar overgegaan ben in een andere staat, waarin gij Mij niet meer aanraken en vasthouden kiuit".
Over deze belangrijke, merkwaardige, historische persoonlijkheid wil ik enkede gedachten naar voren brengen. Daarbij bepaal ik mij strikt tot de gegevens, die wij over haar in de Evangeliën en met name in het Evangelie van Johannes vinden. Ik wijs dus nadrukkelijk af alle legendarische toevoegingen, die in de gewijde traditie met haar verbonden zijn. Ik neem niet aan, zoals zo vaak is gebeurd, dat zij vereenzelvigd mag worden met de boetvaardige zondares, die Jezus' voeten nat maakt met haar tranen, ze afdroogt met haar hoofdhaar, ze kust en zalft met mirre (Lucas 7 ; 36—^38); evenmin dat zij identiek zou zijn met de vrouw uit Bethaniè, die bij een maaltijd ten huize van Simon de melaatse een albasten kruik vol kostbare zalf over Christus' hoofd uitgoot als voorbereiding voor zijn begrafenis (Mattheüs 26 : 6—^13). Elke verkleuring van haar historische persoonlijkheid in een romantisch-poëtische sfeer ") kan alleen maar afbreuk doen aan de nuchtere, klare gegevens van de Evangeliën, die ons Maria Magdalena tekenen als de gelovige leerlinge van Christus, die door een ingrijpende gebeurtenis in haar leven zeer nauw met Jezus verbonden was, en die naderhand als eerste mocht doordringen in het diepe geheim van zijn opstanding en hemelvaart.
Il
Ik begin dan met het summiere gegeven van Lucas 8 ; „Maria, genaamd Magdalena, van wie zeven boze geesten (daemonen) uitgegaan waren". Deze woorden worden bij de meeste uitlegkundigen opgevat ais een aanduiding van haar zondig leven én haar krachtdadige bekering. En dat was dan oorzaak, dat men Maria Magdalena vereenzelvigde met de boetvaardige zondares uit Lucas 7.
Naar mijn overtuiging is dat een foutieve exegese (uitleg), want in het Nieuwe Testament heeft bezetenheid wel te maken met de zonde, maar nooit in de zin dat zij de persoonlijke zonde en schuld van de betrokkene vooronderstelt. Bezetenen zijn in het Nieuwe Testament mensen, die door bovenmenselijke machten beroofd zijn van hun vrije wil en persoonlijke verantwoordelijkheid. Zij leven en handelen onder de druk van donkere machten, die hun persoonlijkheid overheersen. In bepaalde omstandigheden kunnen zij daar opeens door overvallen worden. Zij zijn dan zichzelf niet meer, en zelf lijden zij daar het meest onder.
Als illustratie geef ik u een voorbeeld uit de christelijke literatuur. In zijn Belijdenissen vertelt Augustinus van een Carthaagse jeugdvriend Alypius, die een overmachtige hartstocht had voor gladiatorenspelen, maar daar het gevaarlijke en onzinnige van was gaan inzien en ze daarom nu verafschuwde. In de stad Rome gebeurde het, dat hij op straat enkele jeugdvrienden ontmoette, die hem met vrlendschappeliJK geweld meesleepten naar de wrede en bioeaige zwaardgevechten in het amfitheater. Toen zij daar hadden plaatsgenomen, gloeide de hele atmosfeer reeds van het wiaanzinnig genot . Het verhaal van Augustinus gaat dan zó verder:
„Alypius sloot zijn ogen om deze boosheden niet in zijn ziel toe te laten. Maar toen hij een ontzettend geschreeuw van de menigte hoorde, opende hij zijn ogen en werd getroffen door een zwaardere wond in zijn ziel dan de zwaardvechter in zijn lichaam Want zodra hij dat bloed zag, dronk hij de onmenselijkheid in, en hij keerde er zich niet van af, maar zwolg de woede naar binnen en verlustigde zich in de misdadige strijd en bedronk zich aan dit wrede genot. Op dat ogenblik was hij niet meer dezelfde die gekomen was, maar één van de menigte. Hij schreeuwde, raakte in vervoering en nam de waanzin met zich mee " (Boek VHI, 6-8). Dat is nu bezetenheid, waarover het Nieuwe
Dat is nu bezetenheid, waarover het Nieuwe Testament vaak spreekt, en waarvan wij de aanleg en vatbaarheid allemaal in ons hebben. Men zou het de uiterste vorm kunnen noemen van wat in de Heidelberger Catechismus omschreven wordt als: „ganselijk onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad".
Bij Alypius was het de hartstocht voor het 'gladiatorenspel. Bij de Franse schilder Utrillo de drankzucht. Bij Dostojewski de speelwoede. Bij Kierkegaard de bodemloze melancholie Maar er zijn daarnaast ook veel minder makkelijk te herkennen daemonieën, bezetenheden, vaak toegedekt met een keurige, nette, deftige, morele levenswijs: rauwe, niet erkende, diepe, aanstotelijke oerkrachten op de bodem van de ziel^ die bij ontwaken de mens tot een onmens maken. Iemand als Luther heeft dat ervaren in zijn kloostercel in Erfurt. En heeft Christus zelf ons al niet geleerd: „Uit het mensenhart komen voort boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen" (Matth. 15 : 19)?
Aan zulke dingen moeten wij denken, als wij in Lucas 8 lezen: „Maria, genaamd Magdalena, van wie zeven daemonen uitgegaan waren". Er is daarin dus niet zozeer sprake van persoonlijke zonde, maar van overgeërfde aanleg, van erfschuld en erfvloek, die zich uitstrekken over heel het menselijk geslacht. Nergens meer dan hierin komt het zwakke, onmachtige, gewonde, ontwrichte van de gevallen menselijke natuur tot openbaring.
Maar in vele opzichten bij de man toch anders dan bij de vrouw! Wij zullen daa.^ rekening mee moeten houden ten aanzien van Maria Magdalena. Daarop wordt reeds ge^vezen in Genesis 3, als de Here God de paradijsvloek uit-spreekt over het eerste mensenpaar. De vloek, die de man treft, is anders dan die over de vrouw. Van Eva en haar geslacht heet het: ,,Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren, en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen" (Genesis 3 : 16). In deze woorden zijn de invalspoorten aangegeven, waar daemonieën kunnen binnendringen en de ziel van de vrouw in bezit nemen: diepe, donkere oerkrachten op de bodem van haar bestaan, die haar leven kunnen ondermijnen en vergiftigen. Het Oude Testament geeft daar talrijke illustratie's van; de levens van de vrouwen der aartsvaders: Sarah, Rebecca, Lea en Rachel; Hanna en Peninna, Thamar^ Rachab, Bathseba en zo velen meer. In die trant moeten wij ook de daemonieën in Maria Magdalena bezien. Zij hingen samen met de paradijsvloek over het vrouw-zijn, zoals Kohlbrugge daarover spreekt in zijn ui'.- leg van Mattheus 1.
Ook hiervan geef ik enkele illustratie's uit de christelijke literatuur. In de eerste plaats denk ik dan aan de figuur van Nastassja Philippowna in Dostojewski's geladen boek: De Idioot. Zij is een opvallende, schone vrouw van hoog statuur, een vrouw met geest. Maar ook een vrouw op wier gezicht het lijden een duidelijk ste^mpel had gezet, omdat haar hart het voortdurende strijdtoneel was van hemel en hel, van God en duivel. Wat een conflicten in dit leven!
En om nu niet alleen te denken aan exorbitante (buitensporige) figuren, noem ik daarnaast een vrouw uit de Nederlandse literatuur: de begaafde^ fijnzinnige, spirituele dichteres Jacqueline van der Waals. Zij heeft ons een ontroerend vers nagelaten, waarin zij als ongehuwde vrouw in versluierde vorm uitdrukking geeft aan haar smart om een verborgen liefde voor een man, die niet de hare was. Het luidt zó:
,,Ik ween om v/oorden, die onuitgesproken bleven,
Van tederheid, die ik verlangde u te geven, Doch nooit heb uitgezegd of neergeschreven
Doch nooit heb uitgezegd of neergeschreven
Uit schroom voor 't grote woord, die 't ware woord [vermeed.
Ik ween om woorden, die onuitgesproken bleven.
Om al wat ik verzweeg — en gij met weet."
Hoe licht kan zulk een verdriet om de ongehuwde staat en om een kinderloos leven worden tot de invalspoort van daemonieën, die het eigen leven, maar ook het leven van anderen ontwrichten en vergiftigen! Zo iets moet het geval geweest zijn in het leven van Maria Magdalena, zoals het ook het geval was bij Nastassja Philippowna.
Toch ligt het bij Jacqueline van der Waals in zoverre anders, dat zij door haar geloof bewaard is voor zulke bezetenheid met alle ontsporingen, die er het gevolg van kunnen zijn, terwijl Maria Magdalena en Nastassja ervan verlost zijn.
III
Daarmee zijn wij gekomen tot het tweede gegeven uit Lucas 8 : „Maria Magdalena, van wie 76 zeven boze geesten (daemonen) uitgegaan waren". Dat deze uitdrijving het werk van Christus geweest is, is duidelijk. Het was de reden, dat zij de Heer verder gevolgd en Hem met haar bezit gediend heeft. Maar hoe hebben wij ons die uitbanning voor te stellen? Hoe kan zich zulk een wonder hebben voltrokken? Is daar op grond van het Evangelie iets over te zeggen? Ik wil het proberen.
En dan begin ik met te zeggen, dat het wonder dat zich in Maria Magdalena's leven heeft voltrokken niet zozeer het wonder van die uitbanning is geweest, maar het wonder van Jezus' Persoon. Alle uitbannings-, genezings- en bekeringswonderen zijn niet anders dan uitstralingen van het ene grote wonder van de Persoon van Jezus. Denkt u maar aan de geschiedenis van de eerste wonderbare visvangst, waarbij Simon Petrus neerviel aan de knieën van Jezus en uitriep: „Here, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!" (Lucas 5 : 8). Zó was de ervaring van die Galilese visser, zó van de tollenaar, zó van de rijke jongeling, van de Samaritaanse vrouw, van de Romeinse hoofdman. De ontmoeting met Christus was altijd weer een dramatische gebeurtenis, die niemand onberoerd liet, maar een keer in zijn leven betekende.
Wij moeten ons daarom niet in verwarring en onzekerheid laten brengen door een hedendaagse kerkelijke stroming, die ons wijs wil maken, dat de ware en diepe menselijkheid van Jezus de eigenlijke kern van het Evangelie is. Onbevangen lezing van het Evangelie leidt tot geen andere conclusie, dan dat de verschijning en aanwezigheid van een Heiland, een goddelijJ-e Verlosser, een Redder het hart van het Evangelie is. Centraal staat niet de openbaring van een volmaakt mens, maar de openbaring van de Zoon Gods, God uit God, Licht uit Licht. De ontmoeting met Hem is de ontmoeting met God zelf! En daarom een dramatische gebeurtenis.
Wat was nu echter de oorzaak van het dramatische en aangrijpende in die ontmoeting? Waarom bracht het de zielegrond van de mens in diepe beroering? Ik meen, dat het dit is: de verschijning en aanwezigheid van Christus als de Zoon Gods was de aanwezigheid van het Woord, de Waarheid en het Licht in de wereld; en dat is iets waar de mens niet tegen kan, omdat ieder mens ondoorzichtig, gesloten en ondoordringbaar is in zijn zielegrond. Er zijn in ieders leven verwilderingen, vragen, duisternissen, kwalen, die wij toedekken en verborgen houden, omdat wij er bang voor zijn. In wezen en diepste grond is elk mens onuitspreekbaar. Hij bergt in zich een afgrond^ gesloten voor God en mensen. En in die duisternis huizen de daemonen, de boze geesten.
De ontmoeting met Christus als de Zoon Gods is nu daarom zo dramatisch, omdat zijn aanwezigheid die afgesloten afgrond in beweging brengt. Tegenover Hem houdt de mens het nier uit in zijn verslotenheid. De diepere lagen van ons hart, waar niemand toegang heeft, beginnen in zijn tegenwoordigheid te zuchten te roepen, te schreeuwen zelfs. De duisternis is bang voor het licht en wil volharden in haar zwijc^end en gesloten voortbestaan. Daarom roepen Ie daemonen in het Evangelie en ook bij ons: „Wat hebben wij met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods; wij bezweren U, dat Gij ons niet oijnigt!" (Marcus 1 : 24).
Maar het Licht, de Waarheid, het Woord in ie Persoon van Jezus is sterker dan de duisterlis. Het dringt door in die afgrond en doet anlermaal wat het in den beginne ook gedaan leeft: het scheidt licht en duisternis door zijn goddelijk machtswoord: „Er zij licht!" Met anlere woorden: Christus brengt het menselijk lart, dat in duisternissen toegesloten en vergrendeld was geweest, angstig van het Licht af- >ekeerd, tot zich in een verhouding, en laat zijn A'^oord, Waarheid, Licht daar binnendringen, loor de daemonen schreeuwen: „Wat hebben vij met U te doen?" Maar met die angstschreeuw vluchten ze weg en de gebonden mens is vrij! De onuitspreekbare mens heeft een tegenover gevonden, die hem uit de leugen n de waarheid en uit de duisternis in het licht leeft gevoerd. God heeft zich over hem ontermd. Hij heeft een Heiland, een "Verlosser, een tiedder! Het vlees is door de Geest overwonnen. Het Woord heeft een tegenover en een ant- .voord gevonden.
Op een dergelijke dramatische wijze moeten ie zeven boze geesten uit Maria Magdalena uitgegaan zijn. Zó heeft ook in Dostojewski's ronan de figuur van Nastassja Philippowna het ervaren in de ontmoeting met vorst Myskin, die een Christus-symbool is. In de ontmoeting met hem openen zich de vergrendelde deuren van haar hart. De diepten ontsluiten zich. Zij. die gebonden was, is vrij!
IV Uit het Evangelie weten wij, dat Maria Mag
Uit het Evangelie weten wij, dat Maria Magdalena Christus vergezeld heeft bij zijn rondtrekken door Galilea en Judea. Zij heeft dus zijn prediking, zijn wondertekenen, zij.n ontmoetingen en gesprekken meegemaakt en daardoor een proces van godsdienstig-geestelijke ontwikkeling doorgemaakt. En het is dankzij die ontwikkeling, dat zij bij het opstandingsgebeuren de meest op de voorgrond tredende en leidinggevende figuur is geweest. Maria Magdalena was de eerste, die het volstrekt nieuwe en andere van de opstandingswerkelijkheid heeft beseft. Zij heeft daardoor een waardigheid gekregen, die oude kerkvaders ertoe bracht, haaa: de toenaam „Evangelistria" te geven *). Men zag er een bewijs in, dat door Christus de vrouw haar eigen natuur te boven komt en een nieuwe bestaanswijze ontvangt. Zó is Maria Magdalena te zien als het oertype van de christelijke vrouwengestalte. Daarover wil ik nu nog wat zeggen.
Reeds in het Evangelie van Mattheüs horen wij iets over de voorrangspositie van Maria Magdalena. Ons wordt verteld, dat tijdens Christus' gevangenneming de discipelen Hem allen in de steek lieten en vluchtten (Mattheüs 26 : 56) ^ maar de vrouwen vergezelden Hem naar het kruis en waren aanwezig bij zijn begrafenis (Mattheüs 27 : 55 en 61). Op de Paasmorgen zijn het de vrouwen, die zich het eerst naar het graf spoeden (Mattheüs 28 : 1). De opgestane Heer ontmoet haar met de groet: „Chairete, Verheugt u!" (Mattheüs 28 : 9). De vrouwelijke sekse, die dieper dan de man de vloek van het paradijs als smart ervaart, mag eerder dan de man de vreugde van Christus' opstanding en overwinning ervaren.
In dit verband moet ik nog eens terugkomen op Luther's uitleg van dit Evangelie-gedeelte in de Kirchenpostille. Naar aanleiding van de ontmoeting van Christus en Maria Magdalena schrijft hij: ,,De troost van Christus' opstanding is te groot, de vreugde ervan te hoog, het menselijk hart te klein en te eng, om dit te ontvangen Onze oude huid, onze oude bedelzak, is te gering daarvoor. En net zoals een varkensblaas met zout ingewreven en mishandeld moet worden om wijd en plooibaar te worden, zo moet ook onze oude huid met zout gezouten en geplaagd worden, om deze vreugde en deze troost te kunnen ontvangen".
Welnu, in het Evangelie van Johannes wordt ons beschreven, hoe dat bij Maria Magdalena is toegegaan, en hoe zij tot Evangelistria is geworden. Eerst is er haar wanhoop en vertwijfeling, als zij Hem, die haar uit zo diepe nood verlost had, meent verloren te hebben. In zijn Schriftverklaringen merkt Kohlbrugge daarbij op: „Zal nu niet de gehele hel weer in haar losbreken, nu zij haar Heiland in het graf wist? Men moet het ervaren hebben om te weten, hoe diep de troosteloosheid en het zielelijden is, als men de Heiland gevonden en wederom verloren heeft ". En de christen-dichter Willem Hessels heeft het zó verwoord:
,,Zij virankelde en voelde het niet hoe nog haar lichaam liep en liep.
hoe nog haar lichaam liep en liep.
Zij vifas geworden tot verdriet, haar hart zonk diep, onpeilbaar diep.
haar hart zonk diep, onpeilbaar diep. Daar boven staarden wijd-ontzet
Daar boven staarden wijd-ontzet haar grote bange ogen nog.
haar grote bange ogen nog.
Wat zag zij, ja, wat zag zij nog? Geen mens, geen God meer, die haar redt."
Geen mens, geen God meer, die haar redt."
Zó is zij met zout gezouten en geplaagd, om de vreugde en de troost van de opstanding van Christus te kunnen ontvangen.
Maar dan is er de ontmoeting met de Opgestane. Na twee woorden: „Maria!" en „Rabbouni!" is de smart en wanhoop weg, en zij zinkt neer aan zijn voeten. Op een nieuwe, rijkere en vollere wijze is de betrekking tussen haar en Christus hersteld. Woord en weerwoord scheppen een gemeenschap, die de dood overstijgt.
Ik zeg; nieuw, rijker en voller! Maria Magdalena is de eerste geweest, die door Ohriscus' woord enig inzicht gekregen heeft in de nieuwe en andere werkelijkheid van de opstanding. Toen de discipelen nog in grote geestelijke verwarring verkeerden en vastzaten in ongeloof (Marcus 16 : 11), was zij al geworden tot Evangelistria, omdat de Heer haar iets van het opstandingsmysterie onthuld had: „Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; doch ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God" (Johannes 20 : 17).
Tegen de achtergrond van wat wij in het voorafgaande reeds vastgesteld hebben als het wonder van de Persoon van Jezus en de uitstraling daarvan in ontwrichte, geknakte en toegesloten mensenharten, is het niet moeilijk om de betekenis van deze woorden van Christus tot Maria Magdalena te vatten. Er ligt in uitgedrukt, dat met zijn dood, opstanding en opvaart Christus alle natuurlijke, aardse, historische omkleding als grafdoeken had afgelegd en de beperktheden ervan overstegen, om nu voortaan zich onbelemmerd in volle heerlijkheid als de eeuwige Zoon te openbaren: „De Here is de Geest" (II Cor. 3 : 17).
De ontmoeting en gemeenschap met Hem als de Heiland, de Verlosser, is door opstanding en hemelvaart „geestelijker", dat wil zeggen: „inner lij ker" geworden. Zij voltrekt zich minder in het vlak van het natuurlijke, zichtbare, tastbare, maar „dringt door en scheidt vaneen ziel en geest, gewrichten en merg, en schift de overleg gingen en gedachten des harten" (Hebreeën 4 : 12).
Van dat opstandingsmysterie is nu Maria Magdalena de kroongetuige geweest; de Evangelistria van een blijdschap, die geen natuurlijk oor gehoord, geen natuurlijk oog gezien heeft, en die in geen natuurlijk hart is opgekomen.
En daarmee is zij als vrouw ook haar natuur, haar sekse en de paradijsvloek te boven gekomen. Want: „De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid" (II Cor. 3 :17 V.). Door haar geloofsgemeenschap met de opgestane en verheerlijkte Heer is zij in staat geweest om haar aardse natuur als graidoeken neer te leggen en achter te laten in Christus' graf: met Christus gestorven om met Hem op te staan. Levend gemaakt met Christus! Zij is geworden het oertype van de nieuwe mens in Christus, door de Geest levend gemaakt als een verinnerhjkte persoonlijkheid.
Ik eindig met ook daarvan uit de christelijke literatuur enkele gedichten aan te halen, die de omslag uit het natuurlijke in het geestelijke op schier onnavolgbare wijze verwoorden. Het eerste is van J. W. F. Werumeus Bunmg na het overlijden van zijn vrouw en is getiteld: De tout mon coeur (Met mijn ganse hart).
„Prince, dit was mijn troost, mijn toeverlaat.
Dat zij gezegd had op dien avond iaat: De tout mon coeur.
De tout mon coeur.
Maar dézen nacht hebt Gij mij op doen staan
En mij die woorden waarlijli doen verstaan:
De teut mon coeur.
't Was niet aan mij, het was aan U gezegd;
Ook deze troost was mij niet weggelegd.
Nu rest mij niets, tot ik eens zeg: Seigneur,
De tout mon coeur."
Het andere gedicht is van Anton van Duinkerken en stamt uit de tijd van zijn verblijf ir het gijzelaarskamp St. Michielsgestel in de oorlogsjaren. Het heet: De wuivende.
,,Mijn vrouw is de wuivende, die met haar zakdoek
in 't licht langs het korenveld fjaat.
Zij zendt mij eon uiterste teken van liefde
nu zij mij gedwongen verlaat.
Verhoor voor vandaag en de rest van mijn leven
één enkele bede van mij:
Dat altijd mijn vrouw als uw teken van liefde voor mij deze wuivende zij.
voor mij deze wuivende zij.
Haar simpel bewegen der hand bij haar afscheid zond mij het geheim tegemoet,
zond mij het geheim tegemoet,
waarom Gij uw engel zijn boodschap liet zeggen
beginnende met: „Wees Gegroet!"
Mijn ziel zij gelijk aan de ziel van de vrouw, die mij toezond uw Godlijken groet.
die mij toezond uw Godlijken groet. Want zij is de wuivende, die Gij mij gaaft,
Want zij is de wuivende, die Gij mij gaaft, en ik dank U, het leven is goed."
en ik dank U, het leven is goed."
(Referaat, gehouden op 31 maart 1979 op di conferentie van de „Kring van vrienden var Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht).
• ) Bijvoorbeeld in het boek van Scholem Asch, Do Nazarener.
'•) Prof. Dr. J. J Thierry, Opstanding-sgeloof in de vroegchristelijke kerk, blz. 152. De schrijver noemt het ,,een opmerkelijk verschijnsel van vroege emancipatie in de christelijke literatuur".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1979
Kerkblaadje | 8 Pagina's