Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De prediking van ds. D. Bakker werd haar tot zegen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De prediking van ds. D. Bakker werd haar tot zegen

Uit het leven van Adriana Overdorp, deel 2

19 minuten leestijd

In het vorige artikel lazen we in het schrift van Adriana (Jaantje) Overdorp al haar wederwaardigheden en Gods werk in haar leven voor haar nageslacht opgeschreven. Ze schrijft over haar jeugd en haar huwelijk met Jan Kleijnenberg. Dan wonen ze op een boerderij aan de Oudendijk bij Dirksland. Rond 1864 koopt Jaantje aan de deur een boekje van John Bunyan.

Het boekje heet: ‘Een verhandeling over de farizeeër en de tollenaar’. Het achterste gedeelte gaat over de onvruchtbare vijgenboom. Dat wordt haar tot zegen. Ze leert de droefheid naar God kennen. Ze schrijft: Op een avond toen ik tot God wilde naderen, boog ik mijn knieën en daar toonde de Heere mij hoe Hij een heilig en rechtvaardig God was, Die in eeuwigheid geen gemeenschap met de zondaar kon hebben. En daar ging de Heere met mij naar het paradijs. Daar werd ik Adam voor God! Daar was ik verloren en kwam de noodkreet: Gena o God, genâ. En zo komt de Heere Jezus en riep ik: ‘Och wees Gij mijn Borg’. En nu dat eeuwige wonder, dat daar ontsloten werd, daar ik dacht om te komen, dat er een Jezus was, als Borg en Voorspraak, Die ik kon aanroepen. Want tot God kon ik niet meer naderen, buiten de Zoon Zijner eeuwige liefde. Nu willen we haar schrift volgen, waarin ze schrijft over de verdere werking van de Heilige Geest in haar hart en ook hoe ze steeds meer contact kreeg met Gods kinderen en onder de prediking kwam van ds. D. Bakker in Stad aan ‘t Haringvliet.

Nader onderwijs onder de prediking van de afgescheiden predikanten

Ze schrijft: Nu was mijn moeder nadat haar hofstede verkocht was, in Nieuwe-Tonge gaan wonen. Wij gingen daar zondags naar toe. In die tijd was de cholera uitgebroken. (Dit was de derde grote en laatste dodelijkste choleraepidemie in Nederland. Die vond plaats in 1866. Deze woedde vooral in Amsterdam en omstreken, maar ook in andere delen van ons land en kostte 21.000 mensen het leven). Ds. H. van Griethuijsen (Hendrik van Griethuijsen was predikant in Nieuwe-Tonge van 1864 tot 1868) hield op woensdagavond bidstond. Van alle kanten waren er mensen gekomen. Wij waren daar met mijn oudste zus, die naast mijn moeder woonde. Ze zat achter mij, maar ik wist het eerst niet. De dominee preekte over: ‘Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE’ (Psalm 130 vers 1). Hij preekte zo uit mijn hart, ik dacht te bezwijken. Toen de kerk uit was, verwijderde ik me zo vlug mogelijk naar achteren. Mijn zuster kwam me achterna. Ze zei: ‘Kind wat doet er op, heb je moeite met je man of met uw zaken?’ Ik zei: ‘Nee, maar de Heere heeft al zo lang in mij gewerkt en nu kan ik het niet langer verbergen’. Ik had wat voor moeder meegebracht. Maar ze wilde het niet aannemen. Ze zei: ‘Je bent veel te arm’. Wij hadden veel tegenslagen gehad. Maar ik zei: ‘O, moedertje ik ben zo rijk!’ O, wat kreeg ik toch een rijkdom in die God te zien. O, wat begon ik te wenen. Ze zei: ‘Je vadertje heeft het altijd wel gezegd, dat er een zaadje in u lag, maar dat heeft hij nu niet mogen beleven’. We gingen in huis. Het zat vol mensen. Aan allen heb ik de zalige dienst van de Heere aangeprezen. De week daarna kwam mijn zuster bij ons en ze wilde meer horen van hetgeen in mijn leven was omgegaan. Ze vertelde ook, dat ds. W.C. Huizer (Willem Cornelis Huizer was predikant te Dirksland van 1867 tot 1882) in de afgescheiden kerk preekt en dat hij nog meer de bevinding preekt. Die moet ge eens gaan beluisteren. Dus wij reden met ons koetsje op zondagmiddag daar naar toe. Onderweg zagen we de dijkbaas. Die hebben we mee laten rijden. Ik was blij, dat we een kind van God in de wagen hadden. Ik had daar ook nog een nicht wonen, dicht bij de kerk, die de Heere vreesde. We werden er vriendelijk ontvangen. Zelf lag ze in het kraambed. Maar daar kwamen er meer van het volk. Er was een godvrezende baker (kraamverzorgster) en die haalde ons over om ook de avond nog te blijven. ’s Avonds leerde de dominee over de blindgeborene, die aan de weg lag en begon te roepen tot de Heere Jezus: ontferm U mijner. Ik had veel genoegen in die preek. Toen de kerk uit was, gingen we bij die nicht aan haar bed gedag zeggen. Nu stond die baker daar weer. Ze zei weer: ‘Onderzoekt u nauw, want velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen’. Ik zei: ‘Och vrouw, ik kan u niets zeggen, als dat ik een klein geloofje in de Heere Jezus geschonken ben’. Ze zei: ‘Dan geen nood, want op die weg is nog nooit ene ziele omgekomen, maar dan hoop ik, dat de Heere u maar ontdekken en ontbloten mag, want het is tegenwoordig een tijd, dat ze het schaap er nog een vacht overheen zouden geve’. ‘Maar het schaap moet geschoren worden’. Ik heb veertien jaar, zei ze, gedacht: ‘dat ik de geholpen man was’. En op een zondagmiddag zei ik tegen mijn man: ‘Gaat u mee naar het gezelschap?’ Hij zei: ‘Nee, ik ga wat liggen slapen’. Ze zei: ‘Je hebt gelijk, u moet uw luie vlees de toom maar geven’ En ze ging naar het gezelschap. En toen ze ’s avonds thuis kwam, had die man zich opgehangen. Ze zei: ‘Toen ben ik drie keer bij het water geweest om me te verdrinken en de laatste keer schoot de Heere toe en werd mijn ziel gered’.

Ik ben ze nooit meer vergeten. Ik ben nu 75 jaar maar het ligt nog vers in mijn geheugen. Zo verliet ik haar en wij moesten naar huis. Later kwam ik in contact met een bekeerde vrouw Lena. Ik had de meid naar haar toegestuurd of ze eens op bezoek wilde komen.

Lena had aan de Heere gevraagd: Wat moet ik bij die vrouw gaan doen? De Heere zei tot haar: ‘Ben Ik dan niet machtig om van een doorn een dennenboom te maken?’ Ze zei: ‘Ja, lieve Heere, dat bent U wel machtig, maar dat is niet genoeg voor mij’. En toen kreeg ze de woorden: ‘Ik heb nog andere schapen die van deze stal niet zijn, deze moet Ik ook toebrengen’. Toen zei ze: ‘Heere, dan zal ik gaan’. Zo kreeg ik een kennelijke gebedsverhoring. Om twee uur was ze er. De Heere gaf dadelijk opening en ik mocht mijn zaakjes voor haar neerleggen. O, wat was dat mens blij met mij. Ze zei: ‘Kent het de Heere maar toe’. Ze ging later naar Leendert van der Sluijs, dat was ook een wedergeboren mens. Daar vertelde ze alles aan. (De heer. L. van der Sluijs hield vanaf juni 1872 leesdiensten in de keet bij W. Kardux, aan de Peuterdijk onder Herkingen. L. van der Sluijs was ook de eerste ouderling van de Oud Nederduits Gereformeerde Gemeente te Herkingen. Hij heeft daar tot februari 1881 preken gelezen). Zo kwam ik in contact met Van der Sluijs. Ik werd verzocht om een keer te komen. Met een vriendin ben ik er naar toe gegaan. Hij vroeg, of ik nu met Jozua de ware keuze had gedaan. Ik zei: ‘Ja, die volkomen keuze heb ik gedaan. Dat durf ik niet te ontkennen’. Hij zei: ‘Gij zult de Heere uw God niet kunnen dienen’. En zo raakten wij in gesprek en heeft de Heere een band gelegd. Later is hij mij een nauwe zielenvriend geworden en hebben we vele jaren in zielsgemeenschap geleefd. Bij mijn moeder hebben we ook verschillenden van Gods volk ontmoet.

Het verlies van ons vierde kindje

Een poos later zou ik bevallen van ons vierde kindje, dat op 7 april werd geboren. Toen was ik zo in de banden. Ik kon met al het vorige niets doen. O, wat heeft de vijand mij toen bestreden. Ik riep hardop uit: ‘Lieve Heere Jezus, wat bent U goed’. De dokter zei: ‘Ik geloof dat u zich erg ongerust gemaakt hebt’. Ik dacht, man je moest eens weten wat er in mij omgegaan is, maar ik had een schone jongen gebaard. De Heere herstelde mij nogal spoedig. Een vriendin, Saartje Admiraal, kwam kijken.

Zij was in de dagen van de cholera in het hart gegrepen. En was huishoudster bij mijn buurman. Ze vroeg; ‘Waar laat je het kindje dopen?’ Ik zei: ‘Als de Heere het mij niet laat zien, daar waar ik het altijd heb gedaan’. Maar toen ik hersteld was en mijn huiselijke werk weer kon doen, was ik op een keer de vloer aan het vegen. Toen kwam er met kracht in mijn hart: ‘Die zijn geloof verloochent, is erger dan een ongelovige’. Ik zei: ‘Dat is waar’. En zo liet de Heere mij zien, dat ik daar moest belijden, waar de waarachtige leer was tot zaligheid. En ik kreeg te zien, dat ik dat niet kon op de plaats waar we wel kerkten te Dirksland. Daar stond destijds een moderne dominee, die zo blind was als een mol in de weg der zaligheid. In Nieuwe-Tonge, waar we ook wel gingen, was het nog anders. Dat was nog een ouderwetse prediker. Ik smeekte de Heere om licht. Ik kreeg die waarheid uit Psalm 73 het eerste vers: ‘Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen; Hij ziet in gunst op die Hem vrezen’. Het was op een zondagmorgen, dat mijn man en ik wakker werden. Het zonlicht scheen al door de halve maantjes van de blinden. Mijn man zei: ‘Het zou nu mooi weer geweest zijn om onze kleine te laten dopen’. Ik zei: ‘Waar zou u het laten dopen?’ Hij zei: ‘Daar waar we de andere kinderen ook hebben laten dopen’. Ik zei: ‘Dat kan ik niet’. Vanaf die tijd brak de strijd los. Later begon mijn man er weer over. Hij wilde niet dat ik ons kind op een andere plaats zou laten dopen. Op een middag reed hij naar mijn moeder en kwam met de doopdeken terug, waar de meeste kinderen van de familie mee ten doop waren gedragen. Ik gaf te kennen dat ik het onmogelijk kon doen. Hij ging onvergenoegd weg.

Ik raakte zo in de banden. Ik bracht het voor de Heere. Toen kwam er met kracht in mijn hart, of ik dan niet wist dat de zwijnendraf de verloren zoon geweigerd werd. Dat hij zich daarmede anders zou blijven voeden. Ik zei: ‘Dank U, Heere’. Nu ging er weer licht op voor mij. Maar ons kindje was nog ongedoopt. Dat was wel een grote nood. Op een avond kwam L. van der Sluijs ons opzoeken. Ik zei wel dat ik zo in de banden liep, maar vertelde verder niets. De andere avond kwam hij weer en voelde aan dat de nood niet opgelost was. Ik heb toen alles verteld, al had ik nog geen recht gezicht in de droeve kerkstaat van onze dagen, hoe alles was met het verval van de vaderlandse kerk. In die tijd kerkte ik, als ik mee kon rijden, ook wel bij ds. Keulemans. (Te Middelharnis was er op 25 maart 1863 een Gereformeerde Gemeente o/h kruis geïnstitueerd door ds. M. Keulemans uit Middelburg. Deze was destijds aangesloten bij de groep Kruisgemeenten rond ds. Cornelis van den Oever). Ook ds. C. Kloppenburg en ds. J.W. van den Broek kwamen daar preken, mensen die krachtdadig van God bekeerd waren. Maar mijn man wilde me niet meer naar de afgescheiden kerk brengen. Ik kreeg veel vijandschap ook in mijn familie. Ze zeiden steeds maar, dat het een schande was dat ons kind ongedoopt bleef. In die tijd kwam mijn schoonmoeder onverwacht van Piershil en ook mijn moeder werd gebracht. De hele tijd waren ze er over bezig dat ons kind ongedoopt was, ’t was een schande! Later kwam ook mijn broer. Hij begon er ook over. Hij zei: ‘Waar wil je het kind laten dopen?’ Ik zei: ‘Bij de Afgescheidenen’. Hij zei: ‘Bij dat afgescheiden bocht, bij die hoeren en boeven?’ Ik zei: ‘Jongen, al die zonden die u zegt, zijn molenstenen voor u, als God je niet bekeert’. Zo stonden hij en mijn man als leeuwen tegenover mij. Ze zijn in woede weggegaan, het veld in. Ik zou moedeloos bij de pakken neer gaan zitten. Ik heb Gods Woord gepakt en opengeslagen. Ik las: ‘Er is niemand, die verlaten heeft huis of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om Mijnentwil en des Evangelies wil, of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd huizen en broeders en zusters en moeders, en kinderen en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven’. (Markus 10 vers 29 en 30). Ze kwamen weer terug en nu waren het lammetjes. Hij ging naar huis. We scheidden in vrede. Mijn man was nu vriendelijk en ’s avonds zei hij: ‘Vrouw, wat heb ik er toch mede te doen. Wij hebben altijd zo goed geleefd’. Later kreeg ik weer strijd. Van binnen werd er gezegd: ‘Het is uw man zijn kind toch ook. U moet onder uw man staan.’ Ik heb later toegegeven en het werd gedoopt. Maar ik kreeg later, dat Lot zijn rechtvaardige ziel steeds kwelde.

Maar wat gebeurde, het werd ziek. Ik werd schuldenaar gemaakt voor de Heere. Ik was net als Petrus. En ons kindje werd steeds zieker. Hij kreeg kliertering, dat gepaard ging met een zeer hevig, bijna onophoudelijk hoesten. Hij heeft vier maanden om mijn zonden uit liggen teren. Mijn man, onze knecht, de meid en ik werden ook ziek. Het was midden in de oogst. Het was Gods tuchtigende hand. Mijn moeder en een oom kwamen meehelpen met de oogst. Toch moest ik zeggen: ‘De Heere is rechtvaardig, al zou Hij ons kind wegnemen’. Wij herstelden weer langzaam, maar ons kindje bleef ziek. We ontboden de dokter. Hij onderzocht ons kindje. Hij zei: ‘Ik zal alles doen wat ik kan’. Maar ik zei: ‘Ik vrees dat we ons kindje zullen moeten missen’. Toen zei de dokter: ‘Als God zo’n verborgen raad aan een mens openbaart, dan schiet er bij mij niet veel hoop meer over. Ik heb er wel geholpen, die verder weg waren, dus u moet er alles aan doen wat u kan’. De dokter is er later nog twee keer bij geweest, maar het was al lijden en achteruitgang. Hij was helemaal uitgeteerd door de kliertering en kreeg hevige stuipen. Het kind leed veel. De laatste dag kwam. De Heere sprak tot me: ‘Want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe’ (Ruth 3 vers 18). Het gaf mij wel een hoopje voor zijn onsterfelijke ziel. Maar ik heb het moeten laten liggen, want eigen liefde is zo groot bij een mens. In Nieuwe-Tonge was er een nieuwe dominee gekomen. (ds. D. Niesen 1868-1870). We gingen naar de intrededienst, maar ik had er niets aan. Sommigen zeiden: ‘Je bent nog bedroefd over je kind’. Maar hij bracht geen leer zoals ik hoorde bij de afgescheiden leraars. Mijn vriendin zei altijd: ‘Die afgescheiden leraars zijn extraordinaire mensen’. Thuis viel ik op mijn knieën en bracht al de nood voor God. Ik kreeg met kracht in mijn hart: ‘Ik zal u leiden naar Mijn raad’. Ik verloor de mensen, maar kreeg God als mijn Raadsman en Leidsman.

Onder de prediking van ds. D. Bakker

Op een keer ben ik met mijn man naar de afgescheiden kerk gegaan in Stad aan ‘t Haringvliet. Mijn vriendin Saartje Admiraal en haar moeder gingen ook mee. Mijn man zette twee paarden voor de wagen, ook het pas gekochte paard. De vijand kwam mij bestrijden. Je zult aan een ongeluk komen. Je zult in de sloot terechtkomen. Ik smeekte maar steeds: ‘Heere, wijs mij toch Uwe wegen, en is het niet in Uwe gunst, verbreek dan al onze voornemens’. Het ging wel waaien en regenen, o wat een reis! Maar dicht bij de kerk in Stad, was een boerenhof en mijn man vroeg of we daar de paarden mochten stallen. Dat was goed. Er kwam een jongen aanlopen en die vroeg: ‘Bent u niet Kleijnenberg?’ ‘Ja’, zei mijn man. ‘Dan moet u maar meegaan’, zei de jongen. Hij bracht ons bij zijn moeder en die liet een paar stoelen in de tuin (de ruimte voor het preekgestoelte) van de kerk zetten. Ik zat naast een oud moedertje en die zag, dat ik de nieuwe psalmen had. Ze zei: ‘Hier heb je mijn boekje. Ik kan toch niet meezingen’. En daar komt ds. D. Bakker (een gewezen boer, die zich in 1851 wist geroepen tot predikant) uit ’s-Gravenpolder op de stoel. Hij liet het eerst zingen Psalm 25 vers 2:

‘Heer! wijs mij toch Uwe wegen,

Die Gij wilt dat ik zal gaan;

Tot dezelve maak genegen

Mij, en doe mij die verstaan.

Leer en stier mij naar Uw woord,

In Uwe waarheid geprezen,

Gij zijt mijn hulp; dies nu voort

Wacht ik op U in dit wezen.

Ik wist niet dat er oude psalmen bestonden en het viel zo wonderlijk in mijn harte omdat ik dat daags te voren zo woordelijk had mogen vragen aan de Heere. De dominee leerde over Zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Waarom wordt gij een christen genaamd?’ Hij haalde zo aan, hoe Jakob worstelde en overwon en die nieuwe naam kreeg. Ik had een aangename middag daar, want Gods Woord deed zijn kracht en ik had het overal goed. Dat schonk de Heere. Een poosje later waren wij eens een hele dag onder ds. Bakker. Hij leerde uit Romeinen 5 vers 1: ‘Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus’. O, wat leerde hij dat bevindelijk.

Nu reden wij de andere zondag naar Nieuwe-Tonge en toen had de hervormde dominee dezelfde tekstwoorden. Ik had er toen niets aan. Toen kon ik het daar niet meer uithouden. Ik kon daar niet meer kerken. Dat baarde weer veel strijd. Mijn man ging ’s zondags met onze oudste zoon en de meid naar Nieuwe-Tonge. Hij ging dan ook nog bij moeder langs. Die zei in haar blindheid: ‘Jan, houd ze van dat volk vandaan’. Ook mocht Gods volk niet op mijn hof komen. Ik hoorde wel van de meid, dat ik de groeten kreeg van C. Koert en Neeltje de Bree en anderen, ware bekeer-de zielen, uit Middelharnis. Ze vroegen ook: ‘Waarom zien we de vrouw niet?’ Ze zei: ‘Ze kan het onder deze leer niet uithouden’. Zij zeiden dan: ‘O, dan heeft ze wel toe te zien’. O, dan viel die boodschap zo op mijn ziel, ik kan het niet beschrijven, want ik keek zo groot op tegen Gods volk. En ik vluchtte dan gauw stil naar de zolder en viel voor God op mijn knieën, Hem smekend om licht. Dan kwam er in mijn hart: ‘Die het tot zonde geworden is, die is het zonde en die kan er geen zegen meer op hebben’. En dat de Heere Jezus als de goede Herder wel wist welke weide een ieder nodig heeft.

Op een zondagmorgen stond ik bij de kamerdeur, toen ik een preekje wilde gaan lezen. Toen viel er zo met kracht in mijn hart: ‘Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks (….) Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse’. (Exodus 3 vers 7 en 8). O, het was of ik de Heere Zijn oog op mij zag. Nu had Gods volk op Herkingen al eens naar mij gevraagd. Maar mijn man had me steeds tegengehouden om hen te bezoeken. Op een morgen, we lagen nog op bed, begon mijn man daar over. Hij wilde dat ik met hem mee trok naar de kerk. Maar ik zei: ‘Nu kan je met me doen wat je wilt, maar dat volk is mijn volk en daar kan ik nu in eeuwigheid niet meer af.’ Hij liep in zijn woede uit bed en bedreigde mij met de pook te slaan. Hij gooide toch de pook neer en trok zijn goed aan en vluchtte naar de schuur. Dan zei de vijand: ‘Nu zal hij zich tekort doen, en dan is alles jouw schuld!’ O, die benauwde banden, die ik daar onder geslaakt heb. En dat roepen tot de Heere, dat Hij mij bewaren mocht. En dan die blijdschap, dat ik hem weer onder mijn ogen zag!

De dinsdag daarna viel ik in een zo moedeloze toestand en ik kwam ook zo in opstand tegen het hoge Wezen. Ik sloot de kamerdeur dicht en gooide de stoelen door elkaar en zei: ‘Wel God, wat een weg is dat toch; ik ben nooit hard tegen mijn ouders geweest en dan nu zo’n weg!’ Toen was het of een stem uit de hemel tot mij riep: ‘Ik beproef u, om te weten wat in je is’. Mijn hart brak en ik zei: ‘Wel Heere, dat hebt U in eeuwigheid wel geweten, maar ik zou er nooit zo goed achter gekomen zijn’. Ik viel in zo’n zielsdroefheid voor God, dat ik zo’n voorwerp was, lieve lezer. Later heb ik wel verstaan, dat ik nog zo blind was voor het lijden. Ik wist mijn droefheid niet te verbergen voor mijn man en huisgenoten. We zaten koffie te drinken en de hond buiten ging zo te keer. Er ging wellicht iemand voorbij. Ik werd er zo op gewezen, dat ook mijn man ‘aan de ketting lag’, de ketting van Gods almacht. Dat hij geen schrede verder kon, dan dat God hem toeliet!

Nu zaten wij ’s middags te eten en daar zei mijn man: ‘Vrouw zou u vanmiddag niet naar dat volk willen?’ Ik zei: ‘Alsjeblieft’. Hij zei: ‘Dan moet je nu maar aankleden, dan zal ik je weg brengen’ Hij zette het paard voor het rijtuig en bracht mij op Herkingen bij Dionysius Dale en zijn vrouw, twee lieve kinderen Gods. Mijn man ging even mee naar binnen en vroeg hoe laat hij me weer op zou halen. We spraken af, dat hij om half 7 ’s avonds weer om mij zou komen. Dale zei: ‘Nu moeten we eerst een versje zingen, Psalm 118 vers 4, wij zongen toen nog nieuwe rijm:

De HEER’ is aan de spits getreden

Dergenen, die mij hulpe biên;

Ik zal, gered uit zwarigheden.

Mijn lust aan mijne haat’ren zien.

’t Is beter, als w’ om redding wensen,

Te vluchten tot des HEEREN macht,

HEEREN macht, Dan dat men ooit

Dan dat men ooit vertrouwt op mensen,

Of zelfs van prinsen hulp verwacht.

O, wat hadden wij een aangename middag. Ik moest maar overdenken, dat de Heere zo ongedacht en onverwacht uitkomst had gegeven. ’s Avonds kwam mijn man met het rijtuig mij weer halen. Zo had de Heere voor mij, gans onwaardige, de weg geopend om bij Dale en de weduwe Soeteman te komen op Herkingen.


Geraadpleegde literatuur en bronnen

1. Adriana Overdorp, Ter gedachtenis aan mijn kinderen en kleinkinderen’, juni 1913. (handschrift in het bezit van dhr. A.J. Goedegebuur te Sliedrecht.)

2. P. Kieviet, Geen blijvende stad. Geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente te Stad aan ’t Haringvliet (1836-2015), Middelharnis. 2016

3. H. Florijn, ‘Pieter Ingelse’. In: A. Bel e.a., Predikanten en oefenaars, deel 1, Houten 1988.

4. J.H. Kalle, Naar Beth-El. Geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente in Herkingen, Herkingen 1984

5. Informatie van www.digibron.nl

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's

De prediking van ds. D. Bakker werd haar tot zegen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juni 2017

Oude Paden | 64 Pagina's