Rondom de kansel van Leiden
Deel 54 van een serie over kerkendienaars en hun spreekplaatsen
Horen we de datum 3 oktober noemen, dan komt bij de echte Hollander: ‘Haring en wittebrood, Leiden uit de nood’ voor de geest. Op 3 oktober 1574 werd immers Leiden op een heel bijzondere wijze verlost van de Spaanse overheersing. De hongerige Leidenaren werden voorzien van haring en wittebrood door de Watergeuzen die de stad binnen kwamen varen. Deze gebeurtenis heeft niet alles, maar wel veel met de kansel van Leiden te maken. Was de Hooglandse Kerk bij het beleg zelfs niet de voorraadschuur van graan? (Zij het dat bij het aanhoudend beleg de voorraad opraakte.)
De geschiedenis van de stad Leiden gaat terug tot het jaar 860. Dan wordt in de oude boeken melding gemaakt van het dorp Leithon, gelegen op de plek waar de Oude Rijn en de Nieuwe Rijn samenkomen. Er werd door de bisschop van Utrecht een burcht gebouwd, die later in handen kwam van de graven van Holland. In 1266 kreeg het steeds groter wordende dorp stadsrechten. Leiden maakte vooral een geweldige bloei door vanwege de lakenindustrie. In verband met de uitbreiding van de stad kwam er behoefte aan een grote kerk, omdat de uit 1100 daterende kapel - Floris V is er nog in gedoopt - te klein werd. Rond het jaar 1350 kwam er een grote kerk met toren, die ‘Coningh der zee’ genoemd werd, omdat de zeventig meter hoge toren ook gold als baken voor de zeelieden. Toen deze kerk te klein werd, is de huidige Pieterskerk gebouwd, gedeeltelijk over het oude gebouw heen, zodat de kerkdiensten gewoon doorgang konden vinden. In het jaar 1390 begon men met de klus. Voortdurend vonden er uitbreidingen plaats, totdat er in 1565 een punt achter werd gezet. Ondertussen viel de bouw niet mee, want in 1512 stortte de hoge toren in. Deze is niet meer herbouwd. In 1565 is de bouw van de kerk in de huidige vorm beëindigd.
De Pieterskerk fungeerde als hoofdkerk. Petrus werd daarmee de beschermheilige van de stad. Volgens de roomse traditie is Petrus de sleuteldrager van het Koninkrijk der hemelen omdat in Mattheüs 16:19 staat: ‘En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn’. Vandaar dat Leiden de toenaam ‘Sleutelstad’ kreeg. Het wapen van de stad bevat twee gekruiste sleutels.
Naast de Pieterskerk verrees in verband met de toenemende groei van Leiden de Hooglandse Kerk, die gewijd is aan de heilige Pancratius, evenals de Onze Lieve Vrouwekerk. Ook deze twee kerken werden na 1572 voor de gereformeerde eredienst ingericht. De laatstgenoemde kerk bestaat niet meer, omdat deze aan het begin van de negentiende eeuw vanwege bouwvalligheid is gesloopt. Een keurig gerestaureerde ruïne brengt het bedehuis in herinnering.
Hoewel de stedelijke overheid na de beeldenstorm op 25 augustus 1566 wist te voorkomen dat de kerken in handen van de gereformeerden kwamen, werd het reformatorische geluid wel gehoord. In 1567 werd al toestemming gegeven om gereformeerde diensten te houden. Een van de voorgangers was de hagenprediker Wouter Simonsz., die ook in Monster werkzaam was. Hij werd in 1570 te Den Haag samen met de pastoors van De Lier, Schagen en IJsselmonde, die ook de ‘nije leer’ brachten, om zijn geloof verbrand.
Toen in 1572 Leiden, na de inname van Den Briel, de zijde van de prins van Oranje koos, werden de drie kerken alle ingericht voor de protestantse eredienst. Betreffende de Pieterskerk valt te melden dat de kansel, die uit 1532 dateert, zowel door priesters als predikanten is beklommen, hoewel de kerk sedert veertig jaar niet meer gebruikt wordt voor de erediensten.
Toen in 1572 de gereformeerde kerk werd geïnstitueerd, werd als eerste Claes Jansz. Verstroot aan de gemeente verbonden. Kort daarna werd het predikantencorps uitgebreid met twee predikanten: Adriaen Jansz. Taling en Petrus Cornelii. Deze predikanten hebben ook het beleg van de Spanjaarden meegemaakt en overleefd. Velen stierven bij dat beleg de hongerdood. Bekend is dat er inwoners waren die de burgemeester vroegen om vanwege de honger de stad over te geven aan de Spanjaarden, waarop burgemeester Van der Werff zei dat men hem dan maar moest opeten. Een epitaaf van deze burgervader hangt aan een van de pilaren van de Hooglandse Kerk.
Waar God Zijn kerk heeft, bouwt de duivel een kapel. Dat was ook in Leiden het geval. In 1574 kwam Caspar Coolhaes (1536-1615) naar Leiden. Hij kwam op 3 oktober - de dag waarop Leiden bevrijd werd - de stad binnen, omdat hij weliswaar het beroep had aangenomen, maar vanwege de vijandelijke troepen rondom Leiden niet binnen had kunnen komen. Hij sprak in 1575 in de Pieterskerk de rede uit ter gelegenheid van de opening van de universiteit. De universiteit was een geschenk van Oranje vanwege de moed van de burgers tijdens het Spaanse beleg. De eerste colleges werden door Coolhaes gegeven over de Galatenbrief, totdat er een hoogleraar kwam. Al spoedig bleek dat Coolhaes niet zuiver gereformeerd was. Hij was er een tegenstander van dat alle roomse gebruiken, zoals ‘lijkredenen’, zouden worden afgeschaft, dit in tegenstelling tot zijn collega Cornelii. Coolhaes wilde ook dat niet de kerkenraad, maar de magistraat in kerkelijke zaken het hoogste gezag had, zoals dat later ook bij de remonstranten het geval was. Dit had alles te maken met een huiver om zich verbonden te weten aan de belijdenisgeschriften. Zo had hij moeite met artikel 16 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat handelt over de verwerping. Hoewel de stedelijke overheid hem de hand boven het hoofd hield, moest hij toch op aandrang van de synode van Middelburg zijn ambt neerleggen. Hij is daarna het beroep van destilleerder gaan uitoefenen. Zijn buurman, Johannes Heurnius, was professor in de medicijnen en had hem op dit spoor gezet. Hij vestigde zich later in Amsterdam. Zijn invloed liet wel wat na, want van de zes predikanten die Leiden dienden, werd na de synode van Dordrecht in 1618-1619 de helft uit het ambt ontheven vanwege remonstrantse gevoelens.
Rond 1585 zijn er veel vluchtelingen uit het Noorden van Frankrijk en uit het in de Zuidelijke Nederlanden gelegen Wallonië in Leiden terechtgekomen. Deze vluchtelingen waren grotendeels werkzaam in de weverij of in de lakenhandel. Zij hebben mede, nadat het aantal inwoners na het beleg van Leiden enorm teruggelopen was, gezorgd voor aanwas van de stedelijke bevolking, maar ook voor toenemende welvaart. Voor deze mensen werd een Waalse kerk beschikbaar gesteld. Ds. Izak de Tombe, die schrijver dezes gedoopt heeft in de Hervormde kerk te Jaarsveld - waar hij van 1952 tot 1960 stond - was uit Leiden afkomstig. Zijn voorouders zijn destijds ook uit Noord-Frankrijk naar Leiden gevlucht.
De Waalse gemeente van Leiden was de grootste van ons land. De bloeitijd was rond 1700, nadat in 1685 bij de herroeping van het edict van Nantes nog eens een flink aantal hugenoten naar Leiden vluchtte. Rond 1700 telde de gemeente 5000 leden, terwijl men zes predikanten had. Een van hun predikanten was Johannes Polyander, die tevens van 1611 tot 1646 hoogleraar was aan de universiteit als opvolger van Gomarus. Hij is het meest bekend geworden door het boekwerk Schijnbaar tegenstrijdige Schriftuurplaatsen verklaard. Aanvankelijk mocht men gebruikmaken van de Onze Lieve Vrouwekerk en de in 1639 nieuwgebouwde Marekerk, die de Walen vanwege de vorm ‘Le Temple Rond’ noemden. Toen in het begin van de negentiende eeuw het aantal leden drastisch verminderde, kreeg de gemeente de Gasthuiskapel ter beschikking. Daar komt men tot op de huidige dag bijeen.
Twee namen van predikanten die in de eerste helft van de zeventiende eeuw Leiden dienden, willen we noemen. Allereerst Franciscus Gomarus (1594-1611), die tevens les gaf aan de theologische faculteit. Gedurende 1603-1609 had hij de remonstrant Arminius tegenover zich in die faculteit. Daar staat tegenover dat hij vanaf 1602 tot aan zijn vertrek Festus Hommius naast zich had als predikant, die later scriba werd van de Nationale Synode te Dordrecht in 1618-1619 en als vertaler van het Nieuwe Testament een belangrijk aandeel had in de totstandkoming van de Statenvertaling. Van de Leidse predikanten die naam kregen onder de ‘oude schrijvers’ noemen we Johannes Hoornbeeck (1654-1666), Petrus de Witte (1656-1669), Petrus van der Hagen (1664-1670) en David Knibbe (1668-1701).
Een bekend predikant die Leiden diende was ook Nicolaas Schotsman. Hij was aanvankelijk apotheker te Purmerend en ging daarna theologie studeren in Leiden. Daar werd hij later ook predikant, van 1793 tot 1796. Over die periode zei Schotsman: ‘Ik had mijn gemeente lief, arbeidde met zegen en werd van haar bemind, dan, op het onverwachts werd ik onverhoopt veroordeeld en politiek ontzet van mijn ambtsbediening.’ De reden was dat hij zijn liefde voor het Oranjehuis niet onder stoelen of banken stak, toen in 1795 het Oranjehuis moest wijken voor de patriotten. Reden voor de stedelijke overheid om Schotsman af te zetten. Gelukkig waren er andere gemeenten waar hij zijn ambtswerk wel kon en mocht verrichten. Zodoende is hij enige tijd predikant geweest te Molenaarsgraaf, Sloten (Fr.) en Sneek. Zijn hart bleef echter in Leiden. Hij zei bij zijn intrede te Sneek: ‘Zo ben ik dan tot u overgekomen om u te dienen in het Evangelie totdat het God behaage my aan de begeerte der Leydsche Gemeente weder te geeven, of naar elders te roepen, of door de dood weg te neemen’. In 1801 werd hij opnieuw beroepen te Leiden. Hij deed intrede in de Pieterskerk en bleef er tot zijn dood in 1822. Toen in 1816 het Algemeen Reglement van kracht werd, bracht hij daar namens de classis Leiden bezwaren tegen in. De Hervormde Synode wenste in 1818 en 1819 geen herdenking van de Dordtse Synode. Het zou maar oude twisten ophalen. Men ging voor broederliefde in de ruimste zin des woords. Nicolaas Schotsman hield bij die gelegenheid evenwel twee leerredenen, getiteld: Eerezuil ter nagedachtenis van de voor tweehonderd jaar te Dordrecht gehouden Nationale Synode, opgericht door Nicolaas Schotsman. Ook schreef hij een voorwoord in een boekje van Ami Bost over het kerkelijk leven in Genève. Ami Bost vermeldde in dat boekje dat sinds een reglement dat op 3 mei 1817 van kracht werd, de prediking van de gereformeerde leer in de kerk verboden werd. Ami Bost werd afgezet en werd predikant in de Herstelde Kerk van Genève. Schotsman merkte op: ‘Niemand denke, dat ik in deze voorrede de Nederlanders tracht op te wekken en aan te moedigen tot soortgelijke scheuring en afscheiding van de openbare kerk. Hiertoe is bij ons tot op heden geen reden. Wel is er reden om te waken en te bidden, dat het God gelieve alle gevreesde gevaren voor het verlies of de verbastering der waarheid af te wenden. (…) Onze leraren kunnen onverlet de leerstukken van de Gereformeerde kerk prediken en behoeven niet beducht te zijn dat men hen daarom uit hun ambt ontzetten en de gemeenten van hun dienst beroven zal. Men mag hen miskennen, haten, lasteren, en met mond en pen over de hekel halen, maar dit zal hen niet wezenlijk schaden noch hinderen’.
Toch kwam ook in Leiden een afscheiding. Dat was een jaar na het overlijden van Lucas Egeling, door wie Abraham Capadose en Isaäc da Costa en zijn vrouw in de Pieterskerk werden gedoopt. We schrijven dan 28 januari 1836. Op die datum kwamen een dertiental mannen bij elkaar die een afgescheiden gemeente wilden vormen. De gemeente werd door ds. H.J. Budding geïnstitueerd in de schuur van een boer te Zoeterwoude. Budding had als tekst Esther 3:8: ‘Er is één volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijk; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken, ook doen zij des konings wetten niet. Daarom is het de koning niet oorbaar hen te laten blijven’. De gemeente kwam bij elkaar op diverse plaatsen binnen en buiten Leiden. Verscheidene malen leverde dat fikse boetes op. Men mocht nu eenmaal geen vergadering houden met een groter aantal dan twintig personen. Inmiddels ging het beroepingswerk van start, terwijl er ook een kerkzaal in gebruik werd genomen aan de Oude Vest. Beroepen werden ds. G.F. Gezelle Meerburg uit Almkerk en zijn zwager ds. C.C. Callenbach, die toen Hervormd predikant te Nijkerk was. Callenbach bedankte met de mededeling ‘dat hij niet afgescheiden is en meent daartoe ook niet te mogen overgaan’. Ook ds. H.P. Scholte prijkt op de lijst van beroepen predikanten. Inmiddels kreeg de gemeente bij Koninklijk Besluit op 6 oktober 1840 erkenning. Toen er een beroep werd uitgebracht op de 24-jarige ds. H.A. Leenmans te Schiedam, nam deze het beroep aan. Hij diende de gemeente van 1846 tot 1850. Hij en zijn kerkenraad kregen problemen, omdat de gemeente opereerde los van de andere afgescheiden gemeenten in Zuid-Holland. De oorzaak van die problemen had voornamelijk te maken met het feit dat Leenmans, in navolging van ds. A. Brummelkamp (vertegenwoordiger van de Gelderse richting), een ruim aanbod van genade voorstond in de prediking, terwijl bij de zogenoemde Drentse richting, waartoe de Zuid-Hollandse gemeenten behoorden, de separatie in de prediking benadrukt werd. Leenmans legde uiteindelijk zijn ambt neer en ging in Utrecht theologie studeren. Daarna werd hij Hervormd predikant, ‘omdat zijn beschouwing over de Afscheiding was veranderd’. Hij diende vervolgens onder meer de Hervormde Gemeenten Aalst en Genemuiden. Hij was de grootvader van de bekende ds. H.A. Leenmans van Delft en de overgrootvader van de vrouw van ds. H.G. Abma. Leenmans werd opgevolgd door ds. J.H. Donner uit Ommeren. Deze predikant heeft heel wat eenvoudige theologische geschriften nagelaten en is na zijn vertrek Tweede Kamerlid geworden voor de partij der antirevolutionairen. Nadat koninginregentes Emma in 1897 de Troonrede had uitgesproken, en samen met de zeventienjarige (minderjarige) koningin Wilhelmina, die voor het eerst aanwezig was, de Ridderzaal verliet, was de 74-jarige Donner zo geëmotioneerd, dat hij spontaan uitriep: ‘Leve de Koningin!’ Waarop de vergadering driemaal uitriep: ‘Hoera!’ Daarna mocht hij (tot 1901) ieder jaar die hulde op Prinsjesdag aanheffen. Later werd het de voorzitter van de Verenigde Vergadering die deze uitroep deed, zij het dat het tegenwoordig is: ‘Leve de koning!’
Gedurende de tijd waarin er strubbelingen waren tussen de Leidse afgescheiden gemeente en de afgescheiden gemeenten in Zuid-Holland, nam in maart 1848 een flink aantal leden afscheid van de Leidse gemeente. Men kwam voortaan samen in een theekoepel aan de Vliet. Spoedig groeide men daaruit en in 1852 kocht men een pand aan de Herengracht. In 1854 nam ds. H. Joffers uit Den Haag deze in gebruik. Het conservatieve deel van de Afgescheidenen werd dan ook wel de ‘Jofferpartij’ genoemd. In datzelfde jaar kreeg dit deel van de gemeente een eigen predikant in de persoon van Theeuwis de With, nadat eerder een vergeefse poging was ondernomen om ds. H.H. Middel te beroepen. Pogingen tot ineensmelten van de gemeenten onder leiding van ds. J.H. Donner liepen op niets uit, hoewel men op classicaal niveau elkaar wel ontmoette. Inmiddels had ds. Donner in 1859 een nieuwe kerk in gebruik mogen nemen aan de Hooigracht.
Toen kwam in 1886 de Doleantie. Ook aan Leiden ging die niet voorbij. Men voegde zich niet bij de bestaande afgescheiden gemeenten, maar men kwam samen in een lokaal aan de Oude Vest. In 1888 kregen de Dolerenden een predikant in de persoon van ds. G. Vlug. Hij was tevoren predikant in Leiderdorp, waar hij de gemeente aanvankelijk als Hervormd predikant had gediend. De Dolerenden hadden overigens regelmatig samensprekingen met de predikanten van de Herengrachtkerk en de Hooigrachtkerk. Hoewel op landelijk niveau deze drie kerken sedert 1892 verenigd waren, was dit plaatselijk niet het geval.
Alleen de Gereformeerde kerk C, voortkomend uit de Doleantie, was voorstander. Bij de Gereformeerde Kerken A (Hooigrachtkerk) en B (Herengrachtkerk) lag het verdeeld. In 1904 kwam het tot een samensmelting. De bezwaarden uit de A- en B-kerken sloten zich toen echter aan bij de Christelijke Gereformeerde Kerken. In die dagen stond ds. G. Wisse in Leiden. Hij diende de gemeente aan de Herengracht. Hoewel hij later zelf overging tot de Christelijke Gereformeerde Kerken, was hij destijds verdediger van het samensmelten van de drie kerken van Leiden tot één gereformeerde kerk. In zijn Memoires verwoordde Wisse het als volgt: ‘Het verdroot mij zeer, dat zeker de helft der gemeente mij verliet. Dat verdroot mij zo zielsdiep, omdat mijn hart, eerlijk zij het beleden, het meest hing aan dat volk dat heenging. Er was in mij een conflict: Uit oogpunt van de eis Gods inzake kerkbesef en kerkleven was ik voor de plaatselijke ineensmelting, uit oogpunt van de leervraagstukken, de ligging, het meer innige geestelijke leven, was ik in mijn hart het meest toch verbonden aan hen die heengingen’. Saillant detail is dat Wisses naamgenoot J. Wisse uit Den Haag op 27 april 1904 de Christelijke Gereformeerde Kerk institueerde in een tot kerk verbouwd pand aan de Breestraat, waarin voorheen Maison Wijtenburg was gevestigd. Later werd een pand aan het Steenschuur betrokken, die ‘Opstandingskerk’ werd genoemd, terwijl tien jaar geleden de Gereformeerde Bevrijdingskerk werd gekocht. De gemeente is na de eerste predikant H. Janssen onder anderen gediend door de latere hoogleraren W.H. Velema (1961-1966) en G.C. den Hertog (1980-2002).
Naast de zojuist geschetste afgescheiden gemeenten was er in Leiden ook een gezelschap waarin ds. LG.C. Ledeboer voorging. Leiden was Ledeboer niet onbekend, hij had er gedurende 1843-1845 achter de tralies gezeten vanwege het voorgaan in verboden samenkomsten. Uit dit gezelschap rondom Ledeboer is een Kruisgemeente ontstaan, die sinds 1862 bijeenkwam in een kerkgebouw aan de Nieuwe Rijn. Een bekend predikant die deze gemeente heeft gediend was ds. P. Los, die in het verleden evangelist was voor de Vrienden der Waarheid en tevens boekhandelaar-uitgever. In 1870 nam hij het besluit om zich met de gemeente bij de Ledeboerianen aan te sluiten. Hij is toen opnieuw bevestigd in het ambt. Uit piëteit voor Ledeboer gebeurde dit niet in Leiden maar in Benthuizen! Een opmerkelijk feit is dat na het overlijden in 1888 van deze markante predikant, die ‘veelschrijver’ en oprichter van De Vriend van Oud en Jong was, de kerkelijke gemeente een grafkelder kocht op de begraafplaats aan de Groenesteeg. Behalve ds. P. Los en zijn achterneefje Sadrach Jacobus Los zijn later de predikanten W. den Hengst, G. van Reenen en W. de Wit aldaar ter aarde besteld.
Na allerlei kerkelijke zwerftochten ging de gemeente in 1907 over tot de toen ontstane Gereformeerde Gemeenten. Dat was gedurende de periode dat ds. G. van Reenen in Leiden predikant was. Na diens vertrek naar Opheusden werd de gemeente gediend door onder anderen ds. W. den Hengst (1918-1926). Deze predikant, die eerder de Gereformeerde Kerken had verlaten, had geringe gedachten van zichzelf. Eens riep hij uit tegen M. Heikoop, die toen nog student was: ‘O, Heikoop, noem mij eens op, wat het allerkleinste kenmerk van genade is; dat kan ik niet meer onderscheiden, veel minder nog bezien dat ik het deelachtig ben. Ik kan zo niet sterven en God ontmoeten. Heel mijn predikdienst zal nog tegen me getuigen’. De Heere liet Zich niet onbetuigd en zette hem toch in de ruimte. Verder noemen we ds. W.C. Lamain (1929-1932) en ds. R. Boogaard (1969-1999). Tijdens de ambtsperiode van ds. Boogaard werd vanwege de problemen rondom parkeren en de slechte bereikbaarheid de kerk aan de Nieuwe Rijn verkocht aan een projectontwikkelaar, onder de voorwaarde dat er geen moskee van zou worden gemaakt. De gemeente verhuisde in 1988 naar de fraaie Gereformeerde Kerk te Leiderdorp, die vóór de ingebruikneming eerst grondig gerestaureerd werd.
Ds. P. Los ontboezemde in de periode dat hij zich aansloot bij de Ledeboerianen eens: ‘Ik zag de vreeselijke verwarring in de Hervormde Kerk, die nog veel meer dan de Roomsche alle kenteekenen draagt van de valsche kerk’. Desondanks waren er toch ook in die kerk trouwe gezanten. We noemen allereerst Van Ronkel.
Philippus Samuel van Ronkel (1829-1890) was een zoon van een rabbijn te Groningen en aanvankelijk voorbestemd om in het voetspoor van zijn vader te gaan. Hij ging echter zijn studie wijden aan de klassieke letteren. Hij kwam daardoor in aanraking met het christelijk gedachtengoed. Hij was aanvankelijk geporteerd van de onder de studenten populaire dr. L.S.P. Meyboom, die ontkende dat Jezus de Zoon van God is, maar leerde dat Hij ons tot een voorbeeld was gegeven. In een gedicht uit die tijd noemde Van Ronkel Hem dan ook als ‘de Vroomste van de martelaren’. Met het evangelie van Johannes had hij niets, omdat daar toch het meest duidelijk Christus’ Zoonschap van God geopenbaard wordt. In deze periode ontmoette hij Da Costa. Over die ontmoeting, waarbij hij zijn bezwaar tegen het Johannesevangelie uitte, schreef Van Ronkel in zijn geschrift Uit het Jodendom: ‘Ik had hem gezegd wat in Johannes mij bovenal zeer deed. “O, die ‘goddelijke’ Johannes! ’t Is een engel! Veel te geestelijk en heilig verheven nog voor u”, zoo zeide hij bijna schreiend. En plotseling zijne stem latende dalen, vraagde hij mij, zoo smeltend zacht en roerend teeder: “Heeft Johannes de Dooper ook reeds tot u van den Christus gesproken als tot dezen Johannes: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt? Daar zit het geheim. Gij moet eerst zondaar worden, als zondaar behoefte gevoelen aan de Christus, Die is het Lam Gods. Zie dan wordt u die teedere Johannes alles; hij is een engel”.’ Via Da Costa kwam Van Ronkel in aanraking met ds. F.C. van den Ham te Utrecht. Het onderwijs werd gezegend en Van Ronkel mocht met mond en hart Christus ook gaan belijden als Gods Zoon en zijn Zaligmaker. Dit geschiedde op Tweede Kerstdag in de Domkerk te Utrecht. Bij de doop die toen plaatsvond was Da Costa ook aanwezig. De verhouding met zijn vader was door die ommekeer grondig verstoord. Van Ronkel ging theologie studeren en promoveerde magna cum laude. Hij werd predikant te Maasdam, alwaar hij bevestigd werd door ds. Van den Ham. Vervolgens diende hij IJlst, Zutphen, Haarlem en Amsterdam. In de laatsgenoemde gemeente was Abraham Kuyper zijn bevestiger. Met hem ijverde hij voor de totstandkoming van de Vrije Universiteit. Toen Van Ronkel een professoraat weigerde, bekoelde de verhouding. Ook speelde hierin mee het feit dat hij Kuyper niet volgde in diens doleantiestreven. Van Ronkel diende Leiden van 1883 tot aan zijn overlijden in 1890. Toen in 1886 de Doleantie plaatsvond, bleef hij de Hervormde Kerk trouw. Dat kostte hem wel heel wat kerkgangers.
Van Ronkel werd in Leiden bevestigd door zijn plaatselijke collega, de voormalige priester Eugenius Cesar Segers (1834-1907). Bij hem willen we vervolgens stilstaan. Eugenius Cesar Segers kwam in Gent in aanraking met evangelist A. van Schelven. Deze mocht het middel zijn tot zijn bekering. Tevens hielp hij hem incognito kerk en vaderland te verlaten. Hij kreeg onderdak bij O.G. Heldring, werd hervormd lidmaat en ging in Utrecht theologie studeren, waarna hij predikant werd. Zijn eerste gemeente was Leersum. In Leiden stond hij van 1874 tot aan zijn emeritaat in 1894. Hij had nauwe contacten met Groen van Prinsterer en was een warm aanhanger van het Reveil. Hij zette zich in voor het christelijk onderwijs te Leiden, alsmede voor een tehuis voor gevallen vrouwen en meisjes. Abraham Kuyper had goede hoop dat Cesar Segers hem zou volgen bij de Doleantie. Dat was echter niet het geval. Toen hij zich tegen Kuyper stelde, beschuldigde Kuyper Cesar Segers mee te werken aan een ergerlijke procedurevorm waarvoor Rome zichzelf zou geschaamd hebben.
Een laatste naam die we willen noemen is die van Fokke Oberman (1851-1914). Hij volgde in 1883 de onverdacht gereformeerde en bevindelijke ds. J.D.B. Brouwer op. Toen Oberman in Leiden stond, waren er negen predikanten in de Hervormde Kerk die afwisselend in de Pieterskerk, de Hooglandse kerk en de Marekerk voorgingen. Hij had naast enkele moderne en ethische predikanten als collega’s de zojuist genoemde bekeerde Jood en ex-priester. Hij was een echte Kohlbruggiaan. Na de gemeenten Steenwijkerwold diende hij Ommen. Hij wist daar een herbergier ervan te overtuigen om op zondag de tent te sluiten. Op de vraag van de herbergier hoe het dan moest met de financiën, antwoordde Oberman: ‘Wat u er aan tekort komt, mag u bij mij in de pastorie komen halen’. Toen hij aldaar weigerde de doop te bedienen aan een echtpaar dat weigerde te geloven dat Jezus Christus de Zoon van God is, werd hij een half jaar geschorst. Het overgrote deel der gemeente kwam toen samen in een timmermanswerkplaats, waar een preek werd gelezen. Toen volgde Leiden. Hij had daar vanaf 1891 tot 1894 ds. J.H. Gunning naast zich. Deze ontboezemde over Oberman het volgende: ‘Hij liet nooit gezangen zingen. Dat was bij velen in de gemeente een zeer groot bewijs voor betrouwbaarheid. Toen hij eens om zijn nietgezangen-zingen geprezen werd, in tegenstelling tot andere collega’s die ze wel gebruikten, zei hij eenvoudig: ‘De volgende zondag begin ik gezangen op te geven, ik wil niet dat door mij deze zaak een kenmerk van rechtzinnigheid zal blijven’. Inderdaad liet hij de volgende zondag in de Pieterskerk zingen gezang 27 van de Evangelische Gezangen:
Leer ons, Vader, U verbeiden,
Volgen, waar Gij ons wilt leiden,
Steunen op uw trouw en macht,
Psalmen zingen in de nacht,
Horen, wat Gij ons wilt leren,
Uw bevel met daden eren,
En voor d’ uitkomst willig blind,
Stil zijn als ‘t vertrouwend kind.
Over Obermans begrafenis schreef ds. H.J. de Groot in Schaap en bok in één hok: ‘De dag der begrafenis kwam aan. De halve stad toog mee naar het kerkhof. Elk voelde: één der kerkvorsten van de nieuwe tijd werd uitgedragen. De Joodse rabbi stond in de deur zijner woning met zijn zoontje naast zich. Toen de stoet voorbij was keken zij hem na. De rabbi zei: Kind! die daar weggedragen wordt, was in waarheid een christen! Ik heb er maar weinigen zó gekend.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 september 2017
Oude Paden | 48 Pagina's