Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vijf jaren ambtsbediening in de tropen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vijf jaren ambtsbediening in de tropen

Het leven van ds. W.C.H. toe Water in Indië

20 minuten leestijd

Zij, die naar Oost-Indië gingen om daar als predikant werkzaam te zijn, hadden doorgaans geen al te beste reputatie. Veelal waren het gelukzoekers of mannen die schulden gemaakt hadden in het vaderland, anderen kregen vanwege geringe gaven of kandidatenoverschot geen beroep en vertrokken daarom maar. Toch zijn er ook geweest die het als een roeping zagen om het Woord in Indië getrouw en rechtzinnig te verkondigen. Een van hen was Willem Carel Herman toe Water.

Willem Carel Herman toe Water werd op 1 mei 1813 in Harderwijk geboren. Zijn ouders waren Jan Herman toe Water en Isabelle Charlotte toe Water.

Na het lager onderwijs genoten te hebben, werd hij voorbereid voor een studie aan de Universiteit. Het bleek al spoedig dat hij heel gemakkelijk talen kon aanleren: Latijn, Grieks en de Oosterse talen leverden hem niet al te veel problemen op. Hij werd ingeschreven als student theologie in Leiden.

Studenten te Leiden hadden in de eerste helft van de negentiende eeuw geen al te beste reputatie; onder hen was sprake van nachtbraken, vechten met de stadsbewakers, ruiten ingooien bij impopulaire hoogleraars en docenten, dronkenschap en bordeelbezoek. Toe Water deed er niet aan mee. Hij hield een dagboek bij waarin hij zich telkens rekenschap gaf van wat hij die dag had gedaan. Hij sloot zich niet af voor de serieuze medestudenten en hield van gezelschappen waarin de wetenschap op gezamenlijke wijze beoefend werd, maar ‘geheiligd door de vreze des Heeren als het beginsel van wijsheid’.

Studie en huwelijk

Toe Water bereidde zich met de studie voor op het ambt van predikant, tegelijk werkte hij aan een proefschrift over Theodorus van Mopsuestia (ca. 350-428), een bestrijder van het arianisme, dat de Goddelijke Drie-eenheid loochende, en een vriend en geestverwant van de door Calvijn bijzonder gewaardeerde Johannes Chrysostomus en evenals deze een orthodox Christelijk denker. Hij promoveerde op 27 juni 1837; zes weken later, op 2 augustus, werd hij tot het predikambt toegelaten.

Toe Water verzocht om als predikant in Oost-Indië geplaatst te worden. Hoewel er door het kandidatenoverschot meerdere gegadigden waren, gelukte het hem al spoedig om toestemming te krijgen. De commissie voor de zaken van de protestantse kerken in Indië te ‘s-Gravenhage zag in hem een heel geschikte kandidaat, temeer omdat hij aanleg voor talen had – zo was hij ook in het Arabisch onderwezen – en daarvan zou hij in het verre Oosten veel gemak kunnen hebben. Het was mede daarom dat hij voor Indië werd benoemd.

Zorgvuldig bereidde hij zich voor op het ambt van predikant en het leven in de kolonie waar hij heen zou gaan. Daarnaast trad hij op 17 augustus 1838 te Wageningen in het huwelijk met Annette van den Ende, geboren op 31 maart 1816 in Rotterdam en een dochter van Paulus Johannes van den Ende en Aletta Lamberta Ledeboer. Zij zou hem overleven.

Reis naar Indië

De tocht naar Oost-Indië werd toen nog per zeilschip ondernomen. Doorgaans vervoerde het vaartuig ook tientallen soldaten voor de Oost, een wonderlijke mengeling van vooral deserteurs en misdadigers die er zo in slaagden om een rechterlijk vonnis te ontlopen; anderen zochten het avontuur zo ver mogelijk van huis. Idealisten zaten er maar heel zelden bij en wat voor officier moest doorgaan, handhaafde nauwelijks de tucht. Die militairen hadden hun verblijf in het tussendek met heel weinig comfort en nog minder hygiëne. Het was er in die ruimte krap, benauwd, vochtig, donker en deprimerend. Vooral bij stormen was de lucht er niet te harden. ‘Walgelijke zoetzure geuren’ maakten dan het leven daar beneden ondraaglijk. In de tijd dat Toe Water de overtocht maakte, schreef een scheepsarts eens dat door de hitte, de stank van het bedorven water in het ruim, maar ook de reuk uit de proviandkamers, vol van zwaar gezouten vlees dat al vijf jaren oud was, het verblijf tot ‘een gruwel’ gemaakt werd.

De predikant en zijn vrouw hadden het iets beter getroffen: ze hadden een kajuit toegewezen gekregen. Natuurlijk merkte hij de spanningen op die er onder de soldaten en de bemanning waren. Er werd gevloekt, gevochten; de dagen werden doorgebracht met kaartspelen om geld, veel werd er gestolen. Soms keerden de militairen zich tegen de matrozen maar die waren ook voor geen kleintje vervaard en dat leverde dan hachelijke taferelen op. Niet onmogelijk heeft Toe Water tijdens de bootreis ook gepreekt, maar dat was niet omdat de aanwezigen zo geïnteresseerd waren; doorgaans zongen de soldaten schunnige liedjes door de voordracht heen en maakten zo de dienst onmogelijk.

In Batavia

Na maanden zetten beide echtelieden op 1 januari 1839 de voet op het eiland Java. Ze kwamen er terecht in de hoofdstad Batavia. Onderdak werd hun geboden door een mededominee en aan Toe Water werd gevraagd om in de Willemskerk te preken. Dat heeft hij gedaan, eens over Kolossenzen 3:4, de woorden: ‘Christus… Die ons Leven is.’ Toe Water riep tijdens deze zijn preek de hoorders op om de Bijbel zorgvuldig te lezen en te verklaren. In verband daarmee zei hij: ‘Hoe juist gekozen is bijvoorbeeld de zeer gewone spreekwijze “in Christus te zijn”, dus “in Hem”, en niet slechts “door Hem” de vergeving der zonden te ontvangen om de aard van onze betrekking tot de Verlosser aan te duiden.’ Hoeveel ook, vervolgde hij, ‘ligt opgesloten in de uitdrukkingen “het vlees te kruisigen of de zonde af te sterven”.’ Deze Bijbelse termen overtroffen volgens hem vooral ‘het flauwe’ en (in zijn tijd populaire) onbepaalde woord ‘verbetering’.

Op zich was dit andere taal dan men doorgaans in Batavia van de kansel hoorde. Daar waren begrippen als ‘braafheid’ en ‘menselijke deugd’ schering en inslag. Toe Water had er geen hoge dunk van, ook wat men in zijn dagen voor wijsheid hield, wees hij af met de woorden: ‘Vermeet zich onze hoogmoed buiten Christus een eigen weg te zoeken, hoe bitter wreekt zich dit bestaan aan ons reeds in deze wereld! Een lang omzwerven op de doolpaden van menselijke wijsheid doet ons niet zelden ten laatste in onze drogredenen geheel verward geraken, of alle nadenken als ijdelheid en kwelling des geestes beschouwen…’ Hij vroeg het de gemeente af: ‘Wat laat de vreugde der wereld en het einde anders na dan walging, verstomping, verdriet of wroeging? En nadert eindelijk het uur der scheiding van deze aarde, waar blijft dan enige hoop voor de zelfminnende, op zichzelf steunende sterveling over?’

Aan het einde van de preek is nog te lezen: ‘Christus, Die ons Leven is! ziet daar, wat het Evangelie ons op elke bladzijde toeroept en de ondervinding van duizenden ons bevestigt. Zouden wij dan alleen om het belang onzer zielen bij Hem hulp en kracht zoeken, maar niet tevens Hem boven alles hoogschatten, liefhebben en eren? Hoezeer plegen wij hier op aarde met ons hart te hangen aan alles wat ons slechts een zweem van voldoening of genot verschaft, en zouden wij dan niet met de vurigste ingenomenheid op Christus staren, in Wie alle schatten der wijsheid en der liefde Gods ons geopenbaard worden?’

Met nadruk wees hij er de toehoorders op – en dat waren er wat meer als er een nieuwe dominee voorging – dat ze ernst moesten maken met het Evangelie: ‘Wee degene, die alleen met een koud gemoed, wegens de overtuiging van zijn verstand, van Christus vergeving van zonden en een eeuwig leven verwacht, maar voorts niet dulden kan, dat men hem ook in het dagelijkse leven van die Verlosser spreekt, of het gedurig denken aan Hem zo iemand aanprijst! Wee degene, die alleen bij het nijpen van de nood zich tot Christus wendt, in de hoop van door Hem en om zijnen eigen wil het gevreesde onheil nog te zien afgewend, maar die daarna de Redder uit de benauwdheid vergeet of althans de zorgvuldigheden en beslommeringen dezer wereld meer acht dan het eren en openlijk loven van Christus en het gedurig vestigen der aandacht op Hem.’ IJverig legde Toe Water zich verder in deze tijd te Batavia toe op de kennis van het Maleis en daarin maakte hij zo snel vorderingen dat hij binnen een paar weken ook in die taal kon preken. Hij had inderdaad een bijzondere begaafdheid voor het leren van talen.

Godsdienstig Makassar

Het was in Oost-Indië de gewoonte dat nieuw aangekomen predikanten een gemeente toegewezen kregen. Toe Water kreeg Makassar als eerste standplaats. Liever was hij op Java gebleven, maar hij protesteerde niet en op 19 mei deed hij zijn intrede.

Het is goed om eerst iets te zeggen over de kerkelijke situatie in Indië in het algemeen. Daarover moet men zich geen illusies maken. Er waren ruwe zeden, dronkenschap, criminaliteit en veel zedeloosheid. Militairen en veel ambtenaren leefden ongehuwd samen met Inlandse huishoudsters. Er was veel onverschilligheid en die uitte zich onder meer in een heel matige tot slechte kerkgang. Er was wel een Maleise Bijbelvertaling maar veel Inlanders waren analfabeet. Daarbij waren ze over het algemeen moslim en vereerden ze

ook de plaatselijke afgoden. In Makassar, waar Toe Water heen zou gaan, verstonden verreweg de meesten het Nederlands niet. Hij heeft hierop proberen in te spelen door één dienst in het Nederlands te houden, een tweede in het Maleis. Tegelijkertijd verdiepte hij zich in de twee belangrijkste landstalen, het Boeginees en het Makassars.

Ds. Toe Water legde huisbezoek af bij de leden van de gemeente en ‘trachtte nader met hen bekend te worden, en op hun maatschappelijk, huiselijk, zedelijk leven weldadig te werken’. Het catechetisch onderwijs nam hij met hernieuwde moed voor zijn rekening, daar was enorm de klad in gekomen als gevolg van een gebrek aan catechiseermeesters en plichtgetrouwe dominees. Maar zoals overal in Indië werden de lessen door de jeugd niet begrepen, ook beschikten ze niet over hulpmiddelen zoals catechisatieboekjes. Toe Water zag zich genoodzaakt om zelf een leidraad samen te stellen, die hij dan weer zowel in het Maleis als in het Nederlands aan de leerlingen dicteerde.

Reizen en bezoeken

Vaak moest ds. Toe Water op reis naar allerlei buitenposten. Die vielen onder het gebied van Makassar en vandaar dat hij ook op die plaatsen onderwijs moest geven en preken. Het waren tochten vol gevaren en ontberingen. Roversbenden maakten de wegen onveilig en tijgers, waarvan er toen nog veel in de bossen waren, vielen soms mensen aan. Zoals blijkt uit de verslagen die Toe Water bij de subcommissie van onderwijs indiende, trof hij op bijna alle plaatsen waar hij kwam een ‘diep verwaarloosde toestand’ aan.

Tot zijn werkzaamheden behoorde ook het bezoeken van Indische hoogwaardigheidsbekleders. Hoe het er daar aan toeging, blijkt uit een verslag, nagelaten door zijn collega S. Roorda van Eysinga, dat in 1830 gepubliceerd werd. Roorda moest een keer de koning van Goa bezoeken. Daar zou een feest gehouden worden omdat de tanden van een aantal prinsessen plechtig geschuurd werden (een handeling te vergelijken met wat de tandarts tegenwoordig noemt ‘het tandsteen verwijderen’). Die tanden waren zwart omdat vrouwen in Indië gewoonlijk betelpeper of sirih pruimden en dit gaf zwarte tanden en dito tandvlees. De predikant bezocht dit feest samen met zijn tolk dus min of meer noodgedwongen en beschreef zijn indrukken later. Zo is te lezen dat hij bij aankomst plechtig ontvangen werd door de eerste rijksbestuurder en door de mohammedaanse opperpriester. Met die laatste kon Roorda trouwens een ‘aangenaam gesprek’ voeren waarin de ander hem vertelde dat er al sinds lange tijd geen dominee in Makassar gekomen was en dat terwijl dat wel nodig was, ‘want,’ voegde hij eraan toe, ‘de Christenen doen hun plicht niet, en mijn gelovigen doen die ook niet.’ Daar kon Roorda Van Eysinga het wel mee eens zijn.

Even later raakte hij in gesprek met de oude koningin van Goa, bepaald een gezellige vrouw. De predikant nam haar kleinkinderen op zijn knie en kuste ze ‘waarmede grootje zeer in haar schik was’. Zelf had hij vooral medelijden met de kleinen ‘omdat ze zo zwaar behangen waren’ met gouden kettingen, ringen, medailles en platen, zodat daarvan de striemen in hals, armen en benen stonden. De dominee en zijn tolk hadden veel bekijks: tijdens het gesprek ‘zweefden des konings staatsjuffers gedurig door de galerijen voor, achter en bezijden mij en waren zichtbaar nieuwsgierig om die vreemde pandita (geestelijke) eens recht te begluren, ofschoon zij dit uit zedigheid steelsgewijze deden’. Keek hij op, dan ‘sloegen zij de ogen neer en gingen ijlings huppelend weg’. Roorda beschreef hun kleding als ‘een grote sarong, om het lijf geslagen en tot de voeten afhangende’.

Een menigte mensen kwam binnen, onder hen ten minste tien prinsen, Roorda: ‘Ik zag de gehele talrijke vergadering eens over en was er de enige Europaan, ja, buiten mijn tolk, de enige Christen.’ Hem werd een plaats toegewezen tussen de toen regerende koning en de vorige oude koning en hij verbaasde zich over alle pracht, praal en kostbaarheden. Al met al was er volgens hem een gezelschap van wel duizend mensen tegenwoordig en ‘behalve de weinige vorsten, aan onze tafel geplaatst, zaten allen, de vorstinnen zelf en de koninginnen, op de hurken, dat is met de benen gekruist onder zich, evenals een Hollandse kleermaker’.

Aan het einde van de plechtigheid werden er nog wat geschenken uitgewisseld en vertrok ds. Roorda, zoals hij zelf schreef ‘vol van medelijden met de volken onder het bestuur van de koningen die mij vereerd hadden’. Zeker, de ontvangst was eervol geweest, maar – zo vervolgde hij – ‘voor mijzelf stelde ik er geen belang in, daar ik de beide koningen reeds als deugnieten kende’. Immers, de oudste koning was zonder meer schatrijk, echter, vatte hij enige haat tegen iemand op, ‘dan peinst zijn nu 86-jarige en grijze hoofd op de wreedste straffen’. Bij dergelijke wraakoefeningen liet hij een mens, met de handen op de rug gebonden, in een liggende houding in de zon dood hongeren, of beval hij hem een zak met stenen gevuld om de hals te knopen en in zee te laten zinken. En dit – aldus Roorda – ‘zijn zo van die kleinigheden waarbij hij genadig is; anderen geselt men ter dood of nog erger.’

Wat de rijksbestuurder betrof, had deze iemand ontdekt die enig vermogen had, dan liet deze ‘aartsgauwdief’ in het holst van de nacht een van zijn eigen karbouwen onder het huis van de onschuldige vastbinden. Werd het dier ’s morgens zogenaamd gevonden, dan hield men de diefstal voor bewezen. De goederen van de ongelukkige werden verbeurd verklaard en de man mocht blij zijn als hij er het leven vanaf bracht. Reizigers waren een nog gemakkelijker prooi, die werden bestolen en het was bekend dat een van de kleinzoons van de koning voor de grootste zeerover gehouden werd.

Aan een dergelijke samenleving van Inlanders, Europeanen, Chinezen en Christenen – die trouwens ver in de minderheid waren – verkondigde Toe Water het Evangelie.

Vertrek

Ds. Toe Water verzuimde de studie niet. Zijn levensbeschrijver Van Hoëvell vond in zijn nalatenschap onder meer een uitgewerkt commentaar op de Brief van Paulus aan de Kolossenzen. Zoals gezegd werden er op het eiland Celebes, waarvan Makassar een belangrijke stad was, vooral twee talen gesproken, het Makassaars en het Boeginees, hierin liet de predikant zich bijscholen door een zekere J.G. Vetter, die beide volledig beheerste, en een Inlander. Verder werkte hij aan artikelen, waarvan er een paar gepubliceerd zijn. Vier jaren heeft het verblijf van Toe Water in Makassar geduurd, in het begin van 1843 werd hij naar Semarang verplaatst.

In mei 1843 verliet hij zijn eerste gemeente en reisde hij met zijn gezin naar Batavia. Hier bleef hij een paar weken, waarbij hij ook nu weer voorging in de Wil-lemskerk. Van Hoëvell, die – zoals gezegd – zijn leven heeft beschreven, hoorde en typeerde het kanselwerk van zijn collega met de woorden: ‘Wat hij van die heilige plaats in het huis Gods verkondigde, dat geloofde hij met geheel zijn ziel. Wanneer hij Christus predikte als de Zoon van God, als de Redder der Mensheid; als het leven van ons leven; wanneer hij tot eerbied voor God en liefde voor de Verlosser, en hartelijke broederliefde zijn toehoorders opwekte; wanneer hij de zonde met de krachtige wapenen van het christendoms bestreed en tot reine zeden en een heilige wandel vermaande, dan was het vuur, dat in zijn rede schitterde, geen geleende gloed maar een vlam, die hem geheel doorgloeide. Hij geloofde, daarom sprak hij: innige overtuiging legde hem de woorden in de mond, daarom was hij welsprekend.’

Semarang

In Semarang was al een predikant, namelijk P. Lammers van Toorenburg. Deze verleende het gezin Toe Water gastvrijheid. De relatie tussen beiden is goed geweest in de korte tijd dat ze samen de gemeente dienden.

Naast de vele werkzaamheden die hij hier had, legde Toe Water zich ook toe op verdere studie van het Javaans aangezien hem door het Bijbelgenootschap gevraagd was of hij wilde helpen met een verbeterde vertaling van Gods Woord in deze taal. Toen hij later

Van Hoëvell weer ontmoette heeft hij hierover nog uitvoerig met hem van gedachten gewisseld. Ook een andere keer hebben beide mannen elkaar gezien en op 10 februari 1844 ontving Van Hoëvell een brief van hem. Toe Water toonde zich daarin opgetogen over zijn gezinsleven en zijn gezondheid; hij was verheugd dat hij vorderde met een geschrift over de taal van de Boeginezen en die van de mensen van Makassar. Echter, het zou het laatste contact zijn. Op zondag 11 februari preekte de dominee van Semarang weer, nu over Markus 3:31-35. Hij benadrukte toen onder meer de noodzakelijkheid van het geloof in Christus met de woorden: ‘Het geloof in Christus, als in de Zoon van God, onze Zaligmaker, doet ons onze eigen verdorvenheid door de zonde diep gevoelen, doet ons onze afval betreuren en de noodzakelijkheid van gehele heiligmaking duidelijk inzien. Het doet ons bij God vergeving zoeken door het bloed van Zijn Zoon. Het leert ons om alleen op de volmaakte gerechtigheid van die Zoon en niet langer op eigen zwakke deugd te bouwen. Het ontgloeit ons hart tot ware liefde, drijft alzo de vreze voor Gods straffen buiten en geeft ons de krachtigste aansporing tot gehoorzaamheid aan God, als zijnde dit het enige dat wij Hem voor Zijn nameloze liefde, waarmee Hij ons eerst heeft lief gehad, kunnen vergelden.’

Opnieuw keerde hij zich ook nu tegen de theologische stroming die de rede van het verstand plaatste boven het geloven met het hart: ‘Zo wordt dan allengs het zwaarste voor ons licht en tevens alle onreine zucht naar loon buiten gesloten. Ook, aan de andere zijde sterkt ons het geloof in Christus tot het volbrengen van Gods wil, daar het ons in elke uitspraak van de Heere en Zijn gezanten een uitspraak van God zelf doet eerbiedigen en dus alle spitsvondige vragen en bedenkingen van een door zonde verblinde of omgekochte rede afsnijdt.’

Kort erna werd hij ‘verraderlijk’ ziek en ds. Willem Carel Herman toe Water overleed op 16 februari 1844. Dat hij zich bemind gemaakt had in Semarang bleek uit de talrijke stoet die de baar volgde. Zijn collega Lammers van Toorenburg sprak bij het graf. In een advertentie in het Samarangsch advertentieblad van 24 februari 1844 staat nog: ‘De Protestantsche gemeente alhier heeft een groot verlies geleden door het overlijden op heden van haren tweeden Predikant, Ds. W. C. H. TOE WATER, Theol. Doct. Eene zware ziekte van acht dagen maakte een einde aan zijn nuttig werkzaam leven in den ouderdom van bijna 31 jaren. Hij was niet alleen een ijverig leeraar, kundig godgeleerde en welsprekend redenaar, maar ook maakte hij zich als mensch en christen, als vriend, echtgenoot en vader de algemeene achting en liefde waardig. De Indische taal- en letterkunde zoude weldra belangrijke proeve van zijne beoefening derzelve in het licht hebben zien verschijnen, en van zijne betrekking op het schoolwezen. Als lid der Subcommissie van onderwijs, hadden wij billijk veel goeds mogen verwachten. Nu kunnen wij met zijne dierbare betrekkingen hem slechts betreuren. Doch wij achten het eenen heiligen pligt om in naam van allen, die den braven en edelen TOE WATER gekend hebben, deze hulde toe te brengen aan zijne nagedachtenis: en deze zal, hoe kort zijn verblijf ook was, nog lang alhier in zegening zijn.’

Willem Carel Herman toe Water liet een weduwe en vier kinderen achter. Ze vertrokken nog hetzelfde jaar naar Nederland.

Dat hij niet tevergeefs gearbeid heeft kan blijken uit de handgeschreven preken die zijn vrouw Aletta Lamberta aan Van Hoevell heeft gegeven. Een aantal daarvan – waaronder de laatste door hem uitgesproken leerrede – is uitgegeven in de bundel Nagelaten Leerreden, die in totaal drie drukken zou krijgen.


Ook in Oost-Indië traden natuurrampen zoals aardbevingen en overstromingen op. In zijn preken heeft Toe Water er aandacht aan besteed. Altijd was het voor hem een aanleiding om de hoorders te wijzen op de Goddelijke regering, ook in deze overwegend onchristelijke kolonie. Een voorbeeld daarvan is te vinden in een door hem nagelaten leerrede over Numeri 23:19 waarin hij zei:

Een geruime tijd hebben we droogte en hitte gehad, thans neemt het jaargetijde een andere gedaante aan, die spoedig geheel tegenovergesteld zal zijn aan die van het weer van de vorige maanden. Reeds kondigen hevige donderslagen en kletterende regenvlagen ons van tijd tot tijd aan dat het seizoen van het onweer, stormen en slagregens met rasse schreden nadert. Zo bevindt zich alles hier beneden in een gedurige wisseling, zo verandert de natuur telkens haar uiterlijk aanschijn. En niet alleen de levenloze natuur is aan die wisseling onderworpen, niet slechts ten dele ook de dieren, ook wij, mensen, die hier vaak beheersers van de geduchtste natuurkrachten schijnen te zijn, bevinden ons ten prooi aan wisseling en vergankelijkheid. Ons lichaam gehoorzaamt aan dezelfde wet van wisseling, verandering, versterking of verslapping zoals elk zichtbaar voorwerp rondom ons. Daarbij wordt onze geest, die zich menigmaal zo overmoedig boven het zinnelijke verheft, rondgeslingerd door allerlei verschillende gewaarwordingen, begeerten, overleggingen en bedoelingen, zodat hij veeleer een speelbal van vreemde invloed, dan zelf handelend en begerend schijnt te zijn. Vandaar reeds in overoude dagen deze uitroep van de dichters: ‘Vertrouwt niet op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.’ En echter, is niet al ons streven en woelen daarheen gericht om een onwankelbaar rustpunt voor onze zielen te vinden, waaraan wij te allen tijde die kracht kunnen ontlenen, die wij uit onszelf niet bezitten? Waar is dan een dergelijk een rustpunt te zoeken? Ach! voorzeker nergens hier beneden. Zolang wij ons streven daarnaar tot dit aardse toneel beperken, is het ijdel. Maar is het dan ook volstrekt onmogelijk om ooit tot aanschouwing van de bestendigheid te geraken? Ja! Maar alleen indien wij geraken tot Hem, Die in het ongenaakbaar licht zetelt en alle dingen bestuurt naar de raad van Zijn wil, daar Hij het middelpunt van alle kracht en leven is.


De meeste Europeanen gingen naar Oost-Indië om het vaderland achter zich te laten, in de Oost zo snel mogelijk carrière te maken, veel geld te verdienen en dan weer terug te keren. Verreweg de meesten zijn daar niet in geslaagd en velen verpauperden er. Toe Water heeft aandacht aan de levenswandel van zijn hoorders besteed en hen opgeroepen om hun beroep overeenkomstig Gods Woord waar te nemen en niet om allerlei aardse schatten te vergaderen. Hij wist dat daaraan bijna alles ondergeschikt gemaakt werd, ook de opvoeding van de Europese kinderen. De zorg voor deze laatsten werd uitbesteed aan Indische huishoudsters, terwijl de ouders zich er weinig aan gelegen lieten liggen. In de laatste door hem gehouden preek verwoordde hij dat als volgt:

Laat onze overleggingen in de eenzaamheid bij voorkeur op God en Zijn dienst zijn gericht. Laten wij onze aardse belangen behartigen, maar zo dat wij onze afhankelijkheid van God gevoelen en de zorg voor het hogere er niet door belemmerd wordt. Laten we deze wereld gebruiken als niet misbruikende. Behartigen wij als echtgenoten, huisvaders en huismoeders de opleiding van onze kinderen, als degenen die beseffen dat hun de opleiding van toekomstige leden van Gods koninkrijk is toevertrouwd. Nemen wij ons beroep of ambt met ijver, trouw, oprechtheid en belangeloosheid waar, als dienende daarin God en niet slechts de mensen. En wordt aan ons daarboven de gelegenheid geschonken om ook buiten onze dagelijkse kring tot bevordering van vooral de hogere belangen van de mensheid iets bij te kunnen dragen, laten we dan als medearbeiders van Christus zien te handelen.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2022

Oude Paden | 64 Pagina's

Vijf jaren ambtsbediening in de tropen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 2022

Oude Paden | 64 Pagina's