Bedrijfsvoorlichting besprak Suikerbieten- en Aaraappelteelt
Forum van aesKunaigeii Leantwoorclae tal van vragen
De Landbouw Bedrijfsvoorlichting Goeree 'Overflakkee heeft vrijdag j.1. in hotel Spee te Sommelsdijk twee belangrijke teelten deskundig onder de loupe genomen, n.1. des voormddags die van de suikerbieten en des middags de aardappelteelt. Voor deze onderwerpen was enorme belangstelling; des middags was de grote zaal van hotel Spee zelfs tot de laatste plaats bezet. Het viel ons op, dat er vooral zeer veel jonge boeren aanwezig waren. Het bestuur heeft deze dag een geheel nieuwe vergadermethode toegepast; niet zoals gewoonlijk eerst een lezing en dan vragen stellen, maar na een korte probleemstelling werd de vergadering direct gelegenheid gegeven voor diskussie. Voor iedere teelt zat een forum van deskundigen aan de bestuurstafel, die de vele vragen beantwoordde. Deze methode werkte uitstekend en bleek goed te zijn voorbereid. Van de uiteenzetting van de specialisten zowel op gebied van de suikerbieten, als de aardappelteelt werd veel opgestoken. Het bestuur van de bedrijfsvoorlichting mag op een zeer geslaagde dag terugzien.
Voorzitter Mol opende de dag met een. verwelkoming namens het bestuur, speciaal tot de sprekers Jorritsma, Den Otter en van Kempen.
De'heer Hartman was verhinderd. Spr attendeerde op de bijzondere methode die men in deze vergadering zou volgen. Het bestuur verwachtte daar meer van dan van een .gewone" spreker-inleider die meestal vele vragen laat. Ditmaal wenste het bestuur ook het geluid van de praktijk te horen. Spr. kondigde aan dat de heer Jorritsma enige zaken vooraf zou behandelen. Als diskussieleider werd aangewezen ir. van Gaaien, de iijkslandbouwconsulent.
Algemene situatie
Ir. Jorritsma wenste een situatieschets te geven van de bietenteelt enz. een kapstok, waaraan men vragen zou kunnen ophangen.
Voor de bietenteelt toont men een vrij groot enthousiasme, mede omdat andere teelten minder gunstige resultaten ga* fen. Door dit enthousiasme moet men TCl eens remmen, om gevaar van achter de markt aanlopen enz. te vermijden.
De teelt heeft twee aspekten: landtouwtechnisch en fabriekstechnisch. Afgaande op zo goed mogeUjke resultaten dient men vooral te letten op de afwatering der percelen. De toestand van de grond tussen maaiveld en drains moet pnma zijn. Dat kan bereikt door goede kalkvoorziening en voldoende organische stof .
Het ras is ook een vraagstuk. Thans 55% van de teelt gericht op polyploïde rassen. Een vijftal rassen loopt leer weinig uiteen, zodat rooibaarheid enz. een grotere rol zijn gaan spelen, (owel voor uitspitten als met mechanisch rooien. Het resultaat daarvan is leslissend voor het afgeleverd produkt.
De gehalte daling meende spr. te kunnen verklaren uit het kiezen van meer laaggehaltige rassen, uit de gewijzigde liemesting — meest ongelooflijk veel itikstof, weinig organische bemesting m bovendien nog groenbemesting — en üit de betere doorlichting van de grond, nog weer de kunstmest stimuleert. Dok is er veel land gescheurd en de lawerking van de zode kan groot zijn. tenslotte is er de plantdichtheid. Daarmede mag men de hand niet lichten. Een verhoging van 55.000 tot 65.000 [lanten gaf aanzienlijk meer gehalte.
Wat mechanisatie betreft loopt men net bieten achter bij andere produkten. Er zijn nog te weinig bietendun of rijennedmachines. Deze machines zullen een optimum effect geven bij een kiemig . Met de bietenrooimachines zijn [Tote vorderingen gemaakt, maar op de ware gronden heeft men nog wel eens weilijlSieden met de kwaliteit.
Tarra en losse grond vormen ook nog m probleem, vooral voor de fabrieken «aar veel te veel grond aankomt. De Mimachines moeten schoner kunnen loien terwijl trekker en transport ook )g problemen vormen. Spr. meende, k nEireiniging van de bieten wenselijk
Het bietenaaltje vormt nog de groot- Ie bedreiging voor de teelt. De zonden er vaderen worden bezocht aan de kinferen tot in het derde en vierde geslach i men kan alleen door grondonderzoek uit komen.
'oorts moet men naar bestrijdingsmidde a zoeken o.a. met lokplanten. Tenslotte tliandelde spr. nog de vergelingsziekte. Tijdige bespuiting heeft gunstige resultaten gehad (van 10 ton per ha). Men lette dus wel op de spuitadviezen.
ZieJktebestr^ding
Het woord was dan aan de vergadering. De heer D. C. Slis, Oude Tonge, deelde mede op tijd gespoten te hebben, de luizen gingen absoluut dood, maar toch trad vergelingsziekte op..
Ir. Jorritsma antwoordde, dat de spuitwaarschuwing midden juni is gekomen, dan moet men niet een paar weken wachten. Als de schade veroorzaakt wordt ziet men niets, dat komt eerst enige weken later. Na de waarschuwing moet men zich direct in het eigen gewas oriënteren op aanwezigheid van luis en bladkrul. Het middel Vestox — dat de vraagsteller gebruikte — heeft niet het vermogen het gewas groen te houden, maar in zijn totaliteit werkt het wel goed.
Ir. van Gaaien als diskussieleider, stelde voor bij het ploegen enz. te beginnen.
De heer Otter deelde mede dat in de proefboerderij gebleken is, dat „moren" weinig of geen effect geeft, wel op diep ploegen. Bij 35 cm diep had men de hoogste opbengst. Met 25 tot 35 cm zit men wel goed.
Uit de vergadering werd gevraagd naar vertakken, waarop ir. Jorritsma mededeelde, dat elke onregelmatigheid in de voor aanleiding tot schade kan zijn. Geen plotselinge overgangen dus tussen losse en vaste grond, tussen kunstmest en organische bemesting. Men doet ook goed de grond een vlakke ligging te geven. Men dient een vlotte kieming te bevorderen. Kluitige grond behoort men niet te zien.
Over „woelen"' van de grond had de voorzitter een opmerking. Deze geloofde dat men hiervoor zijn grond goed moet beoordelen. De Plakkee grond geeft de verharding op de scheiding van zand en klei als men door die scheiding heen is, is men diep genoeg.
Met dieper gaan bereikt men niets. In ijzerhoudende of leemachtige grond ligt het misschien iets anders. Overigens stelde spr. zich achter de stelling van vlakke ligging. Maar de grond moet behoorlijk open liggen Met de Cambrid» gerol had spr. niet veel op.
Men loopt ksms op te veel losse zaden Spr. gaf de voorkeur aan de bekende gladde rol.
Dhr. Jorritsma deelde dan nog een en ander mee over de hgging van de grond. Voor lichtere gronden heeft vlakke ligging inderdaad bezwaren. Zij bezinken gemakkelijk, krijgen luchtgebrek en moeten dus los gemaakt. Vlakploegen geldt dus voor de zwaardere gronden.
Spitten of ploegen
Over spitten of ploegen zei de heer Strooker de spitploeg bezig gezien te hebben. Op zware grond krijgt men goede dekking, op lichte minder. Dhr. den Otter wees er op dat men nog niet klaar is met die machine. Spr. meende, dat de machine de grond te los neerlegt.
Ir. van Gaaien zei ook de machine bezig gezien te hebben. Zij maakt een aardige indruk, maar het groen wordt nog niet ondergespit. Men diskussieerde dan nog verder of
Men diskussieerde dan nog verder of moren, waarbij gewaarschuwd werd tegen bovenhalen van zand. Dhr. van Kempen noemde het een kwestie van persoonlijke smaak. Men moet vroeg en droog ploegen ,raadde spr. aan.
„De enige wet, die hier geldt is: niet knoeien", aldus ir Jorritsma. Spr. was het niet eens met diep ploegen. Dit is geen kwestie van toevallige omstandigheden (van weer, ontwatering b.v.)
Ir. van Gaaien verzette zich er tegen dat de voorlichting de Cambridgerol heeft aangepreiat. De boer moet het zelf uitmaken. De heer den Otter stemde met ir. Jorritsma in, dat men zo moet werken, dat geen rol meer nodig is. Men moet weten of we hem zullen gebruiken of niet. Ir. Jorritsma merkte op dat men met een snel werkende rol het gewas kan vernietigen. Op een gerolde grond ziet men de opkomst alleen maar beter. Maar met een rol drukt men de grond dicht. Dus zo klaar maken, dat rollen onnodig is. Een gladde rol is in natte jaren ook gevaarlijk. Meestal wordt ook te hard gereden.
Bassen
Ir. van Gaaien wenste dan over te stappen op het rassenvraagstuk. Dhr. Breeman zei Swannessezaad gekregen te hebben zo groot als schokkers. Hij wenste voortaan eenkiemig zaad op een filmstrook, op 35 cm afstand. „Er is nog geen eenkiemig zaad!"
„Er is nog geen eenkiemig zaad!" stelde de heer Jorritsma teleur. „Zo'n filmstrook gebruikt men al in de tuinbouw. In Nederland moet men nog lang veel zaad blijven gebruiken om behoorlijke opkomst te krijgen. Het systeem is niet toe te passen in de landbouw, ook vanwege de duurte".
De heer den Eerzamen roerde de gemakkelijke verwerkbaarheid van bieten in de fabriek aan. Ir. Jorritsma deelde mede dat dit degelijk in de gaten wordt gehouden.
Zaaien
Op een vraag van de heer van Rossum (Opl.) deelde de heer van Kempen een en ander mee aver het zaaien, over vochtgehalte, vroeg zaaien, dichtslaan enz. Zo vroeg mogelijk, (half maart) in droge grond is het mooist. De heer den Otter merkte op, dat vroeg zaaien niet altijd de beste opbrengst geeft.
„De grond moet bewerking toestaan", aldus ir. Jorritsma, die voorts over de schieters sprak,, die men met goede rassenkeuze en zaaitijd kan tegen gaan. En als men vroeger zaait gaat het gehalte iets — weinig — terug.
De fabriek wenst geen schieters, want daar gaan de messen van de snijmolens door stuk.
Dhr. Mol maakte enige opmerkingen over het gehalte. Hij meende dat door meer stikstof het gehalte niet van noemens gestegen is, integendeel. Ieder spant zich in om uit het laag gehalte te komen. Volgens spr. zijn er andere oorzaken in het geding dan door de heer Jorritsma aangevoerd.
Ir. Jorritsma zei moeilijk met individuele gevallen te kunnen werken. Vast stEiat dat men sinds 1930 met plm. 1.2% gehalte is terug gelopen, terwijl het wortelgewicht meer gestegen is. De situatie is, dat wij 0.3 é. 0.4% zijn teruggesukkeld door rassenkeuze, idem door te hoge stikstofbemesting en voorts ook door te weinig organische mest totaal plm. 1%. Het instituut verbaast zich over het kiezen van meer laaggehaltige rassen en op het spekuleren op hoog gewicht en op hoog loof. De fabrieken zijn daar ook niet onschuldig aan door hun honorering. Ook de omstandigheden waaronder men teelt spelen een rol, want er komen toch heus nog hoge gehalten voor. De kultuurtechniek is uiterst belangrijk. Vast staat, dat men met minder stikstof meer gehalte krijgt. Spr. tartte de aanwezigen te bewijzen dat zij zo weinig stikstof geven dat optimaal gehalte wordt bereikt. Spr. verwachtte, dat de poljrploïde rassen tot beter gehalte zullen leiden.
De heer Mol zag nog een factor voor laag gehalte, in grote gebieden waar men meer prijs stelt op grote koppen en veel loof. Spr. nodigde dhr. Jorritsma uit om eens een proefveld op Flakkee aan te leggen, daar grond en gewoonten hier anders zijn dan elders.
Booibaarheid
Over de rooibaarheid stelde de heer Kr. van Es een vraag, waarop ir. Jorritsma wees op het verschil in hoedanigheid van de grond, tussen hand en mechanisch rooien en verschil tussen de rassen.
„Bij laten doorgroeien van gelichte bieten komt men tot meer gehalte. Er is meestal suikerwinst", antwoordde de heer Jorritsma nog op een vraag van de heer Koese uit Stellendam. De heer Strooker deelde mede, dat er
De heer Strooker deelde mede, dat er op het gebied van bietenrooimachines op het moment weinig nieuws is. Men zoekt nog een oplossing voor het teveel aan tarra.
Iieveren met kop
Ir. van Gaaien tenslotte stipte de mogelijkheid van afleveren van bieten met kop aan. Ir. Jorritsma deelde mede, dat dit in onderzoek is, maar dat het kopvoorschrift nog steeds geldt. Men moet afwachten wat het onderzoek oplevert. Spr. bleek sceptisch te staan tegenover deze aangelegenheid te staan.
In de middagvergadering werd „De Aardappelteelt" behandeld. De zaal m Hotel Spee was toen stampvol. Voor dit oiiderwerp bestond het forum uit de heren ir. H. J. de Bruin, Rijkslandbouwconsulent voor plantenziekten te Wageriingen; dr. ir. D. E. van der Zaag, Onderzoeker bij het Proefstation voor Akker en Weidebouw te Wageningen; D. Hofstra, medewerker van het instituut voor onderzoek, bewerking en verwerking van plantaardige landbouwproducten; H. Zmgstra, medewerker van het Instituut voor Rassenonderzoek en B. Zinkweg, landbouwer te Numansdorp.
De voorzitter, de heer Mol, tevens discussieleider voor deze middag riep de vele aanwezigen, het forum en dr. de Jong met zijn medewerker dhr. Steyn van het instituut bewaring van landbouwprodukten een hartelijk welkom toe. Hij gaf daarna eerst het woord aan de heer Zinkweg, van Numansdorp, om enkele problemen betreffende de aardappelteelt aan de orde te stellen, waaruit vragen konden voortvloeien. De heer Zinkweg deed dit summier en in vogelvlucht en noemde voor een goede teelt een juiste beheersing van het water-polderpeil; de* rassenkeuze, waaraan hoge eisen dienen te worden gesteld, bewaring van pootgoed, tijd en manier van poten, verpleging, rij-afstand en hoogte van de ruggen en het grote probleem: de doorwas. Dan het spuiten — hoe vaak men dit moet doen en waarmee — de voorbehandeling, (loof klappen al dan niet) het rooien, het transport, bewaring aflevering en de afzet. Het laatste noemde spr. een zeer belangrijk punt. De consumptie was de laatste jaren SO'/o gedaald, zodat daaraan ook aandacht diende te worden geschonken.
De discussie leider de heer Mol gaf na deze korte opsomming van al deze problemen het woord aan de vergadering om eerst vragen te stellen over de
ziekten en ziektebestryding
De heer C. de Bonte Dirksland (keurmeester) vroeg naar de bestrijding van het stengel-aaltje. Ir. de Bruin gaf tot antwoord dat dit alleen te bestrijden is door vruchtwisseling. Bespuiting is erg duur. Bij aardappelen is het niet zo'n groot probleem, men vindt ze meer in de uien. De heer van Es sprak over de phythoftra bestrijding en stelde dat de bespuiting later moest beginnen en langer moest worden volgehouden. Ook over de rhizoctonia stelde hij vragen. Ir. de Bruin antwoordde op het eerste dat men moest beginnen als de gewassen elkaar gaan raken. De ziekte komt voort uit zieke poters, die een massale infectie teweeg brengen. Gebleken is dat vroege bespuiting het meest voldeed. Bij andere proeven kwam weer uit, dat dit niet zo nauw stak. Voor vatbare rassen als eigenheimers dienen de bespuitingen bij nat weer zeker om de 10 é. 14 dagen plaats te hebben. Het weer moet eigenlijk vooruit bekeken worden; de radio geeft inlichtingen zoals: „het is kritiek geweest," maar dan is het voorbij! zei spreker. Om de 12 dagen en 5 dagen afhankelijk van het weer, dient te worden gespoten, wat men om zo te zeggen moet aanvoelen. Wat de andere vraag betrof, moet men eigenheimers en furore tijdig dood spuiten, zodra men zieke blaadjes ziet.
De rhizoctonia noemde spreker een ziekte die onrustbarend toeneemt. Aan de knolontsmetting is volgens spr. de laatste tijd veel te weinig aandacht besteedt. Jaarlijks ontsmetten met de bekende methoden is zeer noodzakelijk.
De heer Zinkweg haalde een uitdrukking aan van een Amerikaanse aardappelspecialist, die zei: „jullie beginnen te laat met spuiten en houden er te vroeg mee op!" Een „weerknobbel" had spr. niet, hij raadde aan om de 5 dagen te spuiten! Dan zit het altijd goed.
De heer Hertgens stelde de mogelijkheid stengelblaadjes met Afrikanen (bloemen) te bestrijden, waarmee volgens ir. de Bruin inderdaad resultaten waren verkregen. Toch durfde hij dit niet algeheel aan te bevelen. Dezelfde vrager sprak over opslag in naburige percelen door phytofothra waarvoor ir. de Bruin de noodzaak stelde om afvalhopen onschadelijk maken. Deze brengen de meeste infectie. Ir. v. d. Zaag vertelde dat de schimmel in de zieke knol zit. Blijft de schimmel in leven, (zoals dit in bewaarplaatsen het geval is) volgt er onvermijdelijk besmetting. Wanneer men bij het poten een zieke knol tegen komt, gooi die dan niet weg op het land maar verwijder hem elders, adviseerde spreker om besmetting tegen te gaan.
De heer Slob te Stad had grasland gescheurd waarop aardappels waren ge poot, die pokkig waren. Hij vroeg welke soort er het best tegen bestand is. De heer Zinkstra antwoordde hierop, dat er voor de kleigrond weinig keuze was wat de rassen betrof. Rassen als bintje en eigenheimer zijn erg vatbaar voor schurft. Beter vond hij om alpha's te poten. In de N.O. polder is veel IJsselster verbouwd, die niet zo vatbaar zijn voor schurft. Deze aardappel geeft echter geen goede naam wat kwaliteit betreft. De Furore heeft voor schurftpresistentie een 5, het was niet gemakkelijk een goed ras aan te bevelen.
Ir. de Bruin deelde mee dat er een bestrijdingsmiddel is uitgevonden, waar door de schurft aantasting tot de helft kan worden gereduceerd. Het kost echter ƒ 300.— per ha.
De heer Slob vroeg of gebruik van super en zwavelzure ammoniak, dus een wat zure bemesting, mogelijk verbetering zou brengen. Ir de Bruin antwoordde dat dit inderdaad gunstig werkte, maar niet de oplossing geeft van het probleem. Ir. de Bruin had meer op met bovengenoemde middel al gaf dat op de smaak enige invloed.
De voorz. de heer Mol merkte op, dat de waarschuwingen van de Bilt soms misleidend waren en dat dit voor de landbouw beslist anders moet. Spr. was het eens dat dikwijls gespoten moet worden; vroeger bleek het minder nodig dat tegenwoordig. Hij stelde de vraag waar dit in kon zitten, in het optreden van sterke stammen met phytophtra óf in de structuurverval van na de ramp. Het laatste vond hij het waarschijnlijkst. Spr. had de idee dat de sproeimiddelen intensiever moesten gebruikt en de aardappelen spoediger moest worden doodgespoten. Gebruik van koper en sodex vond hij het meest geschikte middel.
Ir. de Bruin wist dat in deze gebieden terecht veel waarde werd gehecht aan koper en sodex. Tegenover de nieuwere middelen is er wel verschil en het is ook beter, waarom hij die prefereerde. Spr. adviseerde eerst met Zineb te spuiten en daarna met koper. Inplaats van 12 tot 14 keer kan het dan b.v. met 7 keer. En het is voordeliger. Maar ieder moet dat naar eigen zienswijze doen. toevoeging van hechter aan Zineb geeft geen verbetering van resultaat. De knolaantasting bij gebruik van hechter was z.i. groter dan dat men dit niet deed. De stof hecht aan het blad en raakt de knol niet. Betreffende het intensiever optreden van de phytophtra zocht spr. dit niet in de structuur van de grond. Wel kan er door weinig doorlating van de grond meer rot ontstaan. Tijdig doodspuiten en zorgen voor een goed gewas is de beste methode tot verbetering bij deze ziekte. Het weer beïnvloed ongetwijfeld het phytophtra probleem al is het zo, dat het altijd nog wel bestreden kan worden.
Ir. V. d. Zaag meende dat door moderne bewaring de schimmels ook te veel in leven bleven. Men kwam daarmee op het punt van
de bewaring
De heer Ko van Strien sprak over het voorkomen van luizen en vroeg of er bezwaar bestond in de bewaarplaats de temperatuur meer op te warmen, b.v. tot op 15 graden.
De heer Hofstra vond dat enigszins bezwaarlijk, en voelde meer voor een bostrüHing met blauwzuur. Ir. de Bruin daarentegen vond dit gevaarlijk en zag meer in uitroken met lindaan.
De heer Vogelaar informeerde hoe de hoogste temperatuur moest zijn om door de pootaardappelen te blazen, waarop geantwoord werd dat met O graden nog kon worden geventileerd. Voor consumptie-aardappelen adviseerde men voorzichtiger zijn (2—3 gr.) en pootaardappelen vanaf O graden.
Kiemremmingsmiddelen
Dhr. Grootenboer sprak over het gebruik van kiemremingsmiddelen waardoor bruine plekjes op de aardappelen ontstaan. De heer Hofstra adviseerde niet eerder een kiemremingsmiddel te gebruiken, dan na 4 weken dat dfe aardappelen gerooid zijn. De jonge nuid is direct na het rooien nog niet voldoende afgehard. Of vochtiger aardappelen een sterkere huid-irritatie geven dan droge, daarover kon spr. zich nog geen juist oordeel vormen. Er wordt naar gestreefd dat de kiemremmingsmiddelen zó worden samen gesteld, dat deze geen schadelijke bestanddelen bevatten voor de consumptie. De Keuringsdienst van Waren heeft er wel geen verbod op, maar houdt deze zaak toch in het oog.
Algemeen gedeelte
Bij het algemeen gedeelte kwam het „glas" aan de orde, waarover de heer de Leeuw te Oude Tonge het eerst het •woord verkreeg. Hij zocht de oorzaak in de droogte en daarna veel regen, waardoor z.i. doorwas ontstond. Vóór 1944 waren er echter ook veel van die jaren; toen was het land niet door zout water bevloeid geweest. Hij meende ook dat de combines en de tractors er ook een rol in spelen t.o.v. van struktuurverslechtering.
Ir. V. d. Zaag was het daarmee eens. De struktuur van de grond was deze zomer niet best; eerst hadden we de droogte en daarna regen. Op de lichtere gronden waar de structuur beter is, is dan ook minder doorwas geconstateerd.
De voorz. informeerde of ondiep poten ook een reden kon zijn, wat ir. v. d. Zaag betwistte. Hij haalde proeven aan uit Friesland met de Rhamon-methode; een aardappel moet in vochtige grond komen om op gang te komen.
De heer Zinkweg merkte op, dat het ene jaar niet met het andere is te vergelijken. Men kan spreken .van een Khamond of andere methode, spreker hechtte daar weinig waarde aan. Ook combines en tractors hadden er niets mee te maken. Goed ontwateren, een flinke rug, aanbrengen een flinke rijenafstand op 75 cm en flink bespuiten met zink, desnoods met koper, waren z.i. de beste methoden.
Er werd een vraag gesteld over de rijenafstand op 75 cm, wat door de heer Zinkweg werd toegelicht, die daarmee beste resultaten had behaald.
De heer Heestermans, Melissant, zocht de oorzaak van het vele glas in de warme maand juli. Hierop antwoordde de heer Zinkweg, die de aardappelteelt in Amerika had bestudeerd, dat het te wijten was aan stilstand in de groei. Dit punt vatte ir. v. d. Zaag aan, die er op wees dat bij deze kiemrust hogere en dan weer lagere temperaturen zeker een rol spelen.
De heer Mol betoogde ervaring te hebben wanneer het gewas in groei stilstond, door te bespuiten met zink. Opmerkelijk is, dat het van 20 juni tot begin juli meestal vrij droog weer is. Door bespuiten met zink kon z.i. die moeilijke periode het best worden overbrugd. Koper remt de groei, zink bevordert de groei zei spr. die dit al enige jaren met goed gevolg beproefd. Ir. v. d. Zaal speet het dat hij daarvan niet in kennis was gesteld; hij zou het in het algemeen toch niet durven adviseren al betwijfelde hij het succes niet.
De heer v. Rossum (O.pl) informeerde of het niet goed zou zijn met gips te blijven werken. Ir. van Gaaien antwoordde hierop, dat bij struktuurverval het altijd goed was gips te blijven gebruiken.
Dhr. van Rossum informeerde verder wat de resultaten waren met een rolleesband om de glasaardappelen uit te zoeken. De heer Hofstra deelde mee dat er proeven mee waren genomen; het juiste resultaat was nog niet bekend. Het verschil tussen een sterk en lichtglazige aardappel is wel te zien; bij kleine partijen had het wel enig succes.
De heer den Eerzamen bracht hierover ook zijn mening naar voren; hij meende dat het met een lichtband beter ging dan met een zoutwaterbad.
Wasserij en verpakking
De heer A.' H. Mijs bracht naast het glasprobleem de wasserij van' aardappelen aan de orde. Zal dit doorwerking vinden vroeg spreker' Hij knoopte daaraan vast een e.v. verpakking in het klein en vreesde dat er dan geen verschil meer zou te zien zijn tussen klei- en zandaardappelen. De consumptie van de aardappelen in ons land loopt sterk terug; noodzaak was z.i. wanneer wassen en verpakken doorgang zou vinden, dat de boeren dan coöperatief zouden samenwerken om de consument van een goede aardappel te voorzien.
De heer Zinkweg haalde aan dat er te Barendrecht, Beijerland en Heenvliet reeds van deze coöperaties waren, die deze weg op gingen. Uit ervaring van de Propagandastichting voor aardappelen wist spr., dat volgens een enquête onder de huisvrouwen men voor goede kwaliteit graag een paar cent per kilo meer wil betalen.
De Nederlandse huisvrouw is de meest eisende van heel de wereld zei spr., ze wil een gelijkmatig product van goede kwaliteit. Spr. adviseerde een merkproduct in de handel te brengen en het merk op de zakjes te zetten. Het probleem is: hoe kunnen wij onze klanten van een bepaald merk voorzien, hij suggereerde merk Flakkee of merk Hoekse Waard, merk Zeeland o.i.d. Als men er mee begin zullen de kosten er zeker uit komen meende spreker. Dit dient in coöperatief verband te geschieden wil het slagen, want eenvoudig is het niet. Goed verpakt, evenredig gesorteerd en een beste aardappel, dan zou de huisvrouw het z.i. wel betalen. Te Barendrecht heeft men zich reeds een merk gekozen.
In Amerika wordt 99'/o van de aardappelen op deze wijze verkocht. Brussel is er ook mee bezig en in andere landen vindt het ook doorgang. Spr. was overtuigd dat men er in Nederland ook aan dienden te beginnen. Hij had berekend dat een aanlooptijd van 5 jaar nodig was om er een goed afzetgebied voor te krijgen.
De heer Hofstra gaf een uiteenzetting over de resultaten van het uitsorteren van glasaardappelen bij proeven met een zoutwaterbad. Gemiddeld werd IC/o uitgesorteerd, het was tenminste een methode om een constante partij aardappels te verkrijgen.
De heer de Leeuw Oude Tonge hield een betoog over het minder eten van aardappelen wat hij toeschreef aan de hoogconjunctuur. Er werd meer snoep, pudding enz. gebruikt. Zelfs bij de militairen en gevangenen!
De heer Zinkweg deelde mee dat in 1958 140 kg aardappelen per hoofd per jaar werden gebruikt en in 1956 90 kg per hoofd per jaar. Het peulvruchtenstudiecentrum is daar ook schuld aan en ook de reclame: „met melk meer mans!" Maar hij bleef er bij: voor een goede aardappel zal men graag een paar cent meer geven!
De rassen
De rassen kwamen ook nog ter sprake, waarbij de heer A. H. Mijs de Kwinta naar voren bracht. Hij vroeg of deze aardappel werkelijk goed is, ze waren wel zeer moeilijk vast te krijgen.
De heer Zinkstra noemde de Kwinta een prima merk, goed van opbrengst, prima kwaliteit en weinig vatbaar voor doorwas. Onder bepaalde omstandigheden is deze beter dan de eigenheimer. Ze kookt ook niet zo af; het is een van de goede rassen om ze uit te proberen. De kweker Mulder (van wie ze afkomstig zijn) is iemand die niet in de eerste plaats op verkoop uit is, waarom ze slecht te krijgen zijn. Spr. wees op de I.V.R.O. te Wageningen waar naar de de nieuwe rassen (20 soorten) kon worden geïnformeerd en waar men er voorlichting over kan krijgen. Z.i. werd in Zuid Holland te weinig aandacht aan nieuwe rassen geschonken. Op dit eiland worden alleen al 3400 ha aardappelen geteeld; waarvan de helft met eigenheimers. Spr. wist één boer (de heer van Loon aan de Kranendijk) die de 3 beste rassen er had uitgegrepen. Zulke boeren moeten er meer komen! riep spr. uit. Hij betoogde dat de eigenheimer er op de duur zal uit moeten wegens grote vatbaarheid van phytopthra. Blijf aktief op het gebied van nieuwe rassen betoogde deze adviseur. Het Is de vraag: wil de consument ze eten besloot spr.
Het laatste greep dhr. den Eerzamen aan om over de kwaliteit te spreken. Hij wilde niet in de richting van grotere opbrengst, maar meer daarheen, dat gewerkt werd op kwaliteit. Daardoor zal de consumptie zeker toenemen was zijn mening.
Dhr. de Bonte deed mededelingen over de Propaganda stichting, voor aardappelen; als explicateur was hij op verschillende beurzen geweest waarbij hij had ervaren dat er onder de consument grote onkunde bestond over soort en kwaliteit van aardappelen. Deze voorlichting diende z.i. nog intensiever te worden aangepakt en de boeren moeten er aan mede werken een prima produkt te leveren, aldus adviseerde hij.
Sluiting
De voorz. de heer Mol sloot daarna de discussie en vatte het besprokene van deze goed geslaagde voorlichtingsdag in enkele conclusies samen. T.o.v. van de aardappelteelt concludeerde hij, dat wat bespuiting betreft lang niet is gedaan, wat gedaan moest worden. Met de ten dienste staande middelen kan een behoorlijk eind produkt worden verkregen, al blijft het op de zwaardere gronden moeilijk. Over de bewaring zijn weinig vragen gesteld, hij meende dat de moeilijkheden grotendeels waren overwonnen en de achterstand was ingehaald. Het kweken van nieuwe rassen beval hij vooral bij de jonge boeren aan. Met een dankwoord aan de heren van het forum en de prettige diskussie sloot hij deze welgeslaagde dag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 7 januari 1958
Eilanden-Nieuws | 4 Pagina's