Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Netelige Kwesties Inzake Homoseksualiteit

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Netelige Kwesties Inzake Homoseksualiteit

30 minuten leestijd

Ten aanzien van de inwoners van Jeruzalem en Juda merkt de profeet Jesaja in veroordelende zin op: hun zonden spreken zij (Kanttekening: roemen zij, Hebr.: verkondigen zij) vrijuit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel, want zij doen zichzelven kwaad (Jes. 3:9). Het behoeft geen betoog dat deze veroordelende woorden ook ten volle van toepassing zijn op de zo goddeloze Gay Pride, die jaarlijks in Amsterdam wordt gehouden. De deelnemers aan onder meer de botenparade tonen vol trots, al dan niet in combinatie met exhibitionistisch gedrag, dat ze ‘homo’ zijn. Zij komen er openlijk voor uit dat ze behept zijn met deze gruwelijke zonde. Wanneer deze zonde en deze homoparade publiekelijk veroordeeld wordt, reageren velen daarop als door een wesp gestoken. Homoseksualiteit is een netelige kwestie geworden.

Dat ondervond onlangs ook de Groningse rechercheur De Jong. Met betrekking tot de homoparade van 2 augustus jongstleden kopte Elsevier: ‘Gay Pride: vrolijk vertoon van Hollands glorie met mooie boodschap’. 1 Kennelijk naar aanleiding van deze kop zond De Jong de volgende Twitterboodschap via zijn privé- Twitteraccount de ether in: “Ik blijf het een smerige vertoning vinden, die Gay Pride. Jammer dat @Elsevier spreekt van ‘Hollands glorie’. Beter past ‘Hollands goorie’.” Toen men ontdekte dat De Jong rechercheur van beroep was, waren de rapen gaar. De media buitelden over hem heen. Deze man zou niet onpartijdig en onbevooroordeeld ten opzichte van homo’s kunnen functioneren. Het politiekorps van Groningen wist niet hoe snel men van De Jongs heldere boodschap afstand moest nemen. Nog diezelfde dag twitterde het korps: “De tweet over de Gay Pride van 1 van onze medewerkers is op persoonlijke titel. De politie deelt deze mening niet. We gaan met hem in gesprek.” En: “Als korps zijn we voor diversiteit. Daarom nemen wij ook deel aan de Canal Parade vandaag.” Van onpartijdigheid gesproken! Beschamend zo’n boodschap van de politie, die er juist behoort te zijn om de misdaad te bestrijden en de zeden te handhaven. Maar niet minder beschamend waren de reacties van diverse Christelijke personen die in plaats van de woorden van de heer De Jong volmondig te beamen en te onderstrepen, zo nodig moesten opmerken iets in de zin van: ‘Nee, een smerige vertoning, dat zouden mijn woorden niet zijn.’ De Jong heeft immers met die woorden niets, maar dan ook niets te veel gezegd. Scherp wordt de vuile en gruwelijke onzedelijkheid van Sódom en Gomórra, die met name bestond in het nagaan van ander vlees, in de Schrift veroordeeld, zo hebben we in het vorige nummer gezien. 2 Het is van groot belang om dit steeds helder voor ogen te blijven houden, daar we anders gemakkelijk meegevoerd worden met de tijdgeest die deze zonde wil nuanceren, verzachten of zelfs goedpraten.

De vorige keer hebben we gezien dat men daarvoor tevergeefs naar allerlei argumenten in de Schrift gezocht heeft. Nu willen we bezien dat velen - ter vergoelijking van deze zonde - een (vermeende) lichamelijke of psychische aanleg voor homoseksualiteit of een in de jeugd meegemaakt psychisch trauma ten onrechte als hoofdoorzaak van de homoseksuele gerichtheid aanmerken.

Om in deze moeilijke materie zoveel mogelijk helderheid te verschaffen, willen we trachten antwoord te geven op een vijftal vragen, namelijk is een homoseksuele gerichtheid een lichamelijk persoonskenmerk, is een homoseksuele gerichtheid aangeboren, is een homoseksuele gerichtheid een psychische ziekte, is een homoseksuele gerichtheid te veranderen en is publiek ‘uit de kast komen’ juist?

1. Is een homoseksuele gerichtheid een lichamelijk persoonskenmerk?

Aanhangers van de evolutietheorie doen het vanuit een ideologische gedrevenheid vaak voorkomen alsof de evolutietheorie wetenschappelijk bewezen zou zijn, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval is. Wanneer men daarop wijst, reageert men vaak als door een wesp gestoken en op denigrerende toon. In wezen hetzelfde doet zich voor als het gaat over een homoseksuele gerichtheid als lichamelijk persoonskernmerk. Dat een homoseksuele gerichtheid een aangeboren lichaamskenmerk van iemand is, staat wetenschappelijk helemaal niet vast. Toch zijn er velen die vanuit een ideologische gedrevenheid dit voor bewezen achten of daar voetstoots van uitgaan. Zij zien de homoseksuele gerichtheid als een onschuldig en normaal lichamelijk persoonskenmerk zoals bijvoorbeeld ras, geslacht en haarkleur. De Bijbel karakteriseert echter homoseksuele gevoelens als zondige gevoelens, en zondige gevoelens zijn geen lichamelijk persoonskenmerk, althans zeker niet in een positieve of zedelijk onschuldige zin zoals ras en haarkleur dat zijn. Zondige gevoelens komen bovendien niet of niet zozeer uit het lichaam, maar geheel of hoofdzakelijk uit het hart van de mens voort. Christus zei: …uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen (Matth. 15:19; zie ook: Mark. 7:21-23). En ook Paulus omschrijft de homoseksuele verlangens van de heidenen als begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkander te onteren (Rom. 1:24). Het verdorven hart van de mens, dat is: zijn ziel of geest, is de hoofdbron, niet zijn lichaam. Van homoseksualiteit als lichamelijk persoonskenmerk kan dus in Bijbels licht geen sprake zijn. Wie dit wel in hoofdzaak een lichamelijk persoonskenmerk noemt, gaat tegen de Schrift in en zegt - bij wijze spreken - dat een appel een peer is. Tegelijk is hiermee verworpen de theorie van het biologisch essentialisme dat leert dat de homoseksuele gevoelens uit het lichaam van de mens en niet uit zijn ziel of geest voortkomen. 4

2. Is een homoseksuele gerichtheid aangeboren?

Zij die homoseksualiteit voor een (lichamelijk) persoonskenmerk houden, zien de homoseksualiteit als aangeboren. De ene mens wordt als ‘hetero’, de andere als ‘homo’ geboren; dat zijn gewoon twee gelijkwaardige natuurvarianten, zo stelt men, vergelijkbaar met dat de ene mens blauwe en de andere bruine ogen heeft. Deze zienswijze heeft onder en door de seculiere homobewegingen breed ingang gevonden. Hoewel er in deze bewegingen ook zijn die stellen dat een seksuele voorkeur hoofdzakelijk een gevolg is van historische en culturele factoren (constructivisme), pleit het merendeel er hartstochtelijk voor dat homoseksualiteit een aangeboren normale natuurvariant is. Zij spreken daarom over een homoseksuele geaardheid en een onveranderbare homo-identiteit die we vooral als gelijkwaardig moeten zien aan de hetero-identiteit. Zij stimuleren jong en oud dan ook om openlijk voor hun geaardheid c.q. homo-identiteit uit te komen.

Vooral op grond van deze zienswijze of veronderstelling zijn door een intensieve lobby van seculiere homobewegingen onbijbelse en goddeloze wetten als de Algemene Wet Gelijke Behandeling (1994), het ge- registreerd partnerschap (1998) en het zogenaamde homohuwelijk (2001) ingevoerd, is een stelsel van ‘homorechten’ in ons land opgebouwd en werden de kerndoelen 38 voor het basisonderwijs en 43 voor het voortgezet onderwijs zodanig aangepast dat scholen nu verplicht zijn om leerlingen te leren “respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit.” En dat, terwijl de veronderstelling dat de homoseksuele gerichtheid een normale natuurvariant is, nog steeds niet bewezen is. Al sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft de wetenschap actief naar concrete biologische factoren gezocht die volledig of in grote mate bepalend zouden zijn voor het al of niet ontwikkelen of hebben van een homoseksuele gerichtheid, maar tot op heden is geen homo-gen gevonden 6 noch een andere biologische factor die een meer dan marginale invloed hierop heeft. 7

Er kan tot op zekere hoogte wel van een bepaalde aangeboren lichamelijke aanleg voor homoseksualiteit sprake zijn. Dat willen we niet ontkennen. En meer nog dan van een lichamelijke, zou er in een aantal gevallen tot op zekere hoogte van een bepaalde aangeboren psychische aanleg voor homoseksualiteit sprake kunnen zijn, evenals men voor bepaalde psychische ziektes in de gebrokenheid na Adams val een al dan niet erfelijke aanleg kan hebben. Maar dit betekent nog niet dat die personen ook daadwerkelijk die psychische ziekte zullen krijgen of een homoseksuele gerichtheid zullen ontwikkelen. Men acht dat mede afhankelijk te zijn van diverse omgevingsfactoren (waaronder ook de aan- of afwezigheid van gewetensvorming). En vooral ons boze hart speelt daarbij een heel belangrijke rol.

Kortom, het is een feit dat tot op heden geen allesbepalende biologische factor is gevonden die bij aanwezigheid de knop van de homoseksuele gerichtheid aanzet en bij afwezigheid uit. Dat verwondert ons ook niet, want een homoseksuele gerichtheid is, zoals gezegd, niet in hoofdzaak een genegenheid die voortkomt uit het lichaam. En indien een aangeboren psychische aanleg allesbepalend zou zijn, dan zou wedergeboorte geen verandering van de mens in al zijn zondige genegenheden kunnen zijn.

Er zijn dus goede redenen om homoseksualiteit als niet-aangeboren te beschouwen en daarom de term ‘geaardheid’ alsook de term ‘homo-identiteit’ niet te gebruiken, maar in de plaats daarvan consequent te spreken van een gerichtheid, daar deze term niet verwijst naar een aangeboren aanleg en tevens de mogelijkheid van verandering openlaat.

Maar… de Heidelbergse Catechismus spreekt toch in vraag en antwoord 56 van onze ‘zondige aard’. Is het daarom niet beter om van een ‘geaardheid’ te spreken? Nee, want dat zijn twee verschillende termen waarmee niet hetzelfde bedoeld wordt. De Heidelbergse Catechismus verstaat onder ‘zondige aard’ de algehele verdorvenheid die wij allen van nature zonder onderscheid deelachtig zijn; wij zijn allen van dezelfde lap gescheurd. Maar met een homoseksuele ‘geaardheid’ wordt in seculiere kringen bedoeld dat een persoon de homoseksuele gerichtheid als een onschuldig en onveranderbaar persoonskenmerk, als een normale natuurvariant, aangeboren is, in onderscheid van anderen die als heteroseksueel geboren zijn. Daarin kunnen en mogen we niet meegaan.

3. Is een homoseksuele gerichtheid een psychische ziekte?

In 1973 werd homoseksualiteit uit het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM), het Amerikaanse handboek voor psychische aandoeningen, geschrapt, omdat het merendeel homoseksualiteit niet langer zag als een psychische stoornis of ziekte. Een minderheid was en is het hiermee niet eens. Volgens hen moet de oorzaak dat iemand tijdens zijn of haar leven een homoseksuele gerichtheid ontwikkelt, gezocht worden in een vaak al op jonge leeftijd begonnen scheefgroei of ontwikkelingsstoornis in de psyche van die persoon. Dit als gevolg van het feit dat men bijvoorbeeld als kind getraumatiseerd is geraakt door omgevingsfactoren als (langdurig) seksueel misbruik, psychische verwaarlozing, problemen in de ouderkindrelatie van gelijk geslacht, het gemis van echte vrienden of vriendinnen of door het vaak gepest en buiten de groep gesloten zijn, wat geresulteerd heeft in zelfmedelijden en gevoelens van minderwaardigheid.

Anderen zien als oorzaak van de homoseksuele gerichtheid meer in een mix van aanleg en omgevingsfactoren.

Deze beide laatste zienswijzen worden echter door de bank genomen fel bekritiseerd door de huidige seculiere homolobbygroepen. Toch valt het niet te loochenen dat er een verband bestaat tussen bepaalde negatieve of traumatische psychosociale omstandigheden tijdens de kinderjaren en het ontwikkelen van een homoseksuele gerichtheid op latere leeftijd. 8 In de praktijk blijkt namelijk dat mensen met overheersende homoseksuele gevoelens relatief vaak reeds voor hun twaalfde het slachtoffer zijn geworden van seksueel overschrijdend gedrag of misbruik, of om andere redenen een minderwaardigheidscomplex hebben ontwikkeld. Bijvoorbeeld omdat men zich in zijn jeugd niet gewaardeerd heeft gevoeld door de ouder van het eigen geslacht. Zo is een veel voorkomende klacht in de hulpverlening aan mensen met een homoseksuele gerichtheid: ‘Ik kan me niet herinneren dat mijn vader ooit gezegd heeft dat hij van me houdt.’ 9

Een en ander wijst in de richting dat overheersende homoseksuele gevoelens zich pas na de geboorte in de psyche van een persoon ontwikkelen. Dit strookt ook beter met wat de Bijbel over homoseksualiteit leert. Onder meer met Paulus’ woorden dat zij die de waarheid in ongerechtigheid ten onder hielden, gedurende hun leven aan die gruwelijke zonde van homoseksualiteit werden overgegeven (Rom. 1:24).

Toch moeten we ook ten aanzien van een psychische aanleg en psychosociale factoren bedenken dat die wel kunnen zorgen voor een voedzame bodem voor het ontwikkelen van een homoseksuele gerichtheid, maar dat de hoofdoorzaak van een homoseksuele gerichtheid ons verdorven hart is en blijft. Terecht wijst ds. M.H. Creech, een baptistenpredikant in de Verenigde Staten, daarop. Hij ontkent niet dat psychosociale factoren invloed kunnen hebben op het ontwikkelen van een homoseksuele gerichtheid, maar ze zijn niet de belangrijkste oorzaak van homoseksualiteit. Homoseksualiteit wordt “niet veroorzaakt door een verstoorde relatie met de ouder van hetzelfde geslacht of door andere invloeden van buitenaf. Het wordt veroorzaakt door een radicaal fout beginsel in het menselijke hart!”, zo betoogt hij. En even later:

“De Schrift zegt overduidelijk dat niet wat ons beïnvloedt, ons ‘onrein’ maakt, het is het kwaad dat in onze verdorven natuur schuilt. 10 (…) Sommige mensen lijken vatbaar voor een slecht humeur en bepaalde invloeden kunnen die aanleg doen ontwikkelen. Anderen lijken vatbaar voor hebzucht of jaloezie. En bepaalde invloeden of omstandigheden in het leven kunnen ervoor zorgen dat een dergelijk gedrag heel diep in ons verschanst raakt. Maar ze zijn nietméérde oorzaak van het gedrag dan invloeden van buitenaf de oorzaak zijn van de homoseksualiteit van een persoon. (…) Externe invloeden op de menselijke psyche zijn niet de hoofdreden voor homoseksualiteit”, maar de “zonde. De werkelijke oorzaak van homoseksuele verlangens of praktijken is het afgodische instinct van het menselijke hart.” 11

Van wezenlijk belang is dat we deze hoofdoorzaak van de homoseksualiteit steeds goed in het oog houden. Want als die uit het zicht raakt, is het gevaar groot dat we gaan redeneren en nuanceren en zo langzaam maar zeker, stapje voor stapje, van het Bijbelse spoor afraken. Dat is geen angstaanjagerij, maar de praktijk die we om ons heen en onder ons zien gebeuren.

4. Is een homoseksuele gerichtheid te veranderen?

Zij die een homoseksuele gerichtheid zien als een normale natuurvariant, zijn van mening dat men niet van gerichtheid kan veranderen. Wat aangeboren is, is eigen aan een persoon. In hun ogen verloochent daarom een homoseksueel zichzelf als hij zijn homo-identiteit ontkent of probeert te veranderen, en doet hij zichzelf tekort wanneer hij zich in de praktijk onthoudt van elke vorm van homoseks. 12 Pogingen van psychologen of van wie dan ook om de homoseksuele gerichtheid in een heteroseksuele gerichtheid te veranderen vat men eveneens als discriminatie en belediging van de homo-identiteit op. Seculiere homobewegingen verzetten zich dan ook fel tegen consulten of therapieën die verandering tot doel hebben. Men ziet een homoseksuele en heteroseksuele gerichtheid als volstrekt gelijkwaardig aan elkaar en eist dat anderen dit ook zo zien.

Die beide gerichtheden zijn echter geenszins gelijkwaardig. Het tegennatuurlijke is niet gelijkwaardig aan het natuurlijke. Dat kan zelfs de lichaamsbouw van man en vrouw ons leren, alsook het feit dat alleen de gemeenschap tussen een man en een vrouw tot bevruchting en de kinderzegen kan leiden. Dat zijn aangeboren ofwel onveranderbare feiten!

Een algehele verandering

We hebben gezien dat biologische, psychische of psychosociale factoren niet de hoofdoorzaak zijn van overheersende homoseksuele gevoelens, maar dat ons zondig hart dat is. Zondige gevoelens, waaronder homoseksuele gevoelens, komen uit ons verdorven hart voort. Maar wanneer een mens door genade wedergeboren mag worden, vindt daar een algehele verandering van de mens plaats in al zijn genegenheden (Ef. 4:22-24). Een mens wordt dan een tweemens. Het nieuwe deel is volmaakt, het heeft geen zondige gevoelens, ook geen homoseksuele gevoelens! Daarvan wordt men in beginsel door wedergeboorte verlost. Maar het oude deel is in een wedergeboren mens niet dood. Geenszins! Hoewel de overheersende kracht van de zonde, ook van de homoseksuele gevoelens, gebroken is, ontbrandt er een bittere strijd tegen het nieuwe deel. Behalve de duivel en de wereld houdt zeker ook ons eigen vlees - het oude deel - niet op het nieuwe deel aan te vechten. De Heidelbergse Catechismus noemt ons eigen vlees niet voor niets een doodsvijand, een doodsvijand van het nieuwe deel! Wanneer het nieuwe deel onderligt, kunnen homoseksuele gevoelens in een wedergeboren mens weer sterk de kop op steken. Ja, zelfs kan het gebeuren dat men zich opnieuw laat verleiden tot een homoseksuele daad, evenals David, de man naar Gods hart, in heteroseksueel overspel viel met Bathseba. Maar op Gods tijd zal men daarover diep berouw krijgen, zoals ook David, toen Nathan hem onderwees, en zoals Petrus, toen Jezus hem aankeek, nadat hij zijn Meester driemaal had verloochend.

Ten diepste kan alleen door wedergeboorte iemands homoseksuele gerichtheid wezenlijk veranderd wor-den in een heteroseksuele gerichtheid. Maar zoals de Heere op een uitwendig leven naar Gods Woord nog zegen kan geven, zo kan ook een uitwendige schuldbelijdenis, afkeer en bekering van en strijd tegen homoseksuele gevoelens - al dan niet met behulp van therapie - door de Heere gezegend worden met een vermindering van de homoseksuele gevoelens of zelfs met het (nagenoeg) verdwijnen daarvan. Er zijn duizenden mensen die hun homoseksualiteit achter zich gelaten hebben. Alleen dit komt vaak niet in de publiciteit. .13

Onderzoeken die veranderingen aantonen

De Amerikaanse psychiater en hoogleraar R.L. Spitzer publiceerde in 2003 een artikel waarin hij verslag deed van 200 gehouden interviews met respectievelijk 143 behandelde mannen en 57 behandelde vrouwen die allen zelf aangaven dat zij na het volgen van een zogenaamde reparatieve therapie in meer of mindere mate een verandering van een homoseksuele naar een heteroseksuele oriëntatie bij zichzelf hadden waargenomen. Sommigen van hen gaven aan geheel veranderd te zijn. Spitzer trok toen uit deze interviews de (te) voorzichtige wetenschappelijke conclusie dat een gedeeltelijke verandering in een aantal gevallen kon worden aangetoond. 14

De ex-homoseksueel S. Rogers, die als hulpverlener mensen behandelt die worstelen met hun homoseksuele gevoelens, schrijft in een brochure van zijn hand: “Tot nu toe kunnen we vaststellen dat veel homoseksueel georiënteerde mannen en vrouwen veranderd zijn en bezig zijn te veranderen op een wijze die ze zelf nooit voor mogelijk hielden.” 15 Waarom niet? Voor de eigen waarneming van veel homoseksuelen zijn hun homoseksuele gevoelens zo diep verankerd in hun persoonlijkheid dat men denkt met die gerichtheid geboren te zijn, zodat men verandering daarvan niet voor mogelijk houdt. Onder Gods zegen is dit echter wel mogelijk. 16

Al is het wel zo dat het zich ontworstelen aan een seksuele verslaving, ongeacht of dat nu een heteroseksuele of homoseksuele verslaving is, in de meeste gevallen een zeer moeizaam en langdurig proces is met vallen en opstaan. Seksuele verslavingen zijn sterke boeien. Ds. M. Henry merkt naar aanleiding van Romeinen 1 vers 24 (Daarom heeft hen God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hun lichamen onder elkaar te onteren) op: “Iemand kan aan geen zwaarder slavernij overgegeven worden dan aan de heerschappij van zijn eigen begeerlijkheden.” 17 Kortom, op grond van de sterke boei die een homoseksuele verslaving of gerichtheid op zichzelf al is, concluderen dat die gerichtheid aangeboren en onveranderbaar is, is wel begrijpelijk en voor de hand liggend, maar toch niet juist. Want uit de aangehaalde en andere onderzoeken blijkt dat er tal van homoseksuelen zijn, zelfs zogenaamde ‘kernhomoseksuelen’, die van gerichtheid zijn veranderd.

Individuele getuigenissen

Naast (wetenschappelijke) onderzoeken zijn er ook de individuele verslagen of verklaringen van mensen die - vaak na een lange periode van strijd - toch konden vertellen dat hun homoseksuele gerichtheid veranderd was naar een heteroseksuele gerichtheid. Het meest bekende voorbeeld daarvan in Nederland is wel het boekje over de heer J. van der Sluis: Ik ben niet meer ‘zo’ 18 , een ex-homoseksueel die als kernhomoseksueel gediagnosticeerd was 19 en inmiddels al jarenlang getrouwd is en twee kinderen heeft, en die nauw betrokken is bij de stichting ‘Different’ (dit is een Christelijke organisatie die onder meer actief is op het terrein van pastorale hulpverlening aan mensen met overheersende homoseksuele gevoelens). Een recent voorbeeld is hoogleraar R.C. Butterfield.

In een artikel noemt Van der Sluis als eerste te zetten stappen in het veranderingsproces: “proberen te stoppen met een homoseksuele leefwijze” en “het etiket ‘homofiel’ laten vallen”; zich niet meer homofiel noemen. “Ten diepste is namelijk iedereen als heterofiel geschapen, maar bij de persoon met overwegend homofiele gevoelens ligt die heterofiele identiteit diep weggeborgen in de persoonlijkheid. Dit is een feit, ook al is men zich daarvan niet bewust. Van homofiele gevoelens daarentegen is men zich wel bewust en dat is de reden waarom men ertoe komt te zeggen: ‘Ik ben homofiel/lesbienne’”, aldus Van der Sluis. Verder waarschuwt hij ervoor dat ‘zichzelf homofiel noemen’ de weg openen is naar een homoseksuele levensstijl. 20

Ook op grond van de individuele verslagen valt het moeilijk te ontkennen dat er tal van mensen zijn die van homoseksueel heteroseksueel zijn geworden. 21 Men moet daarom wel ideologisch verblind zijn wanneer men desondanks stug blijft volhouden dat veranderen van een homoseksuele naar heteroseksuele gerichtheid niet mogelijk is. Het is vaak verre van gemakkelijk en een lange weg, dat is waar, maar niet onmogelijk, niet hopeloos. In tegenstelling tot wat de Visienota (homo)seksualiteit (2008) van de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) hierover opmerkt 22 , dient dan ook verandering van gerichtheid het uiteindelijke doel van de eventueel geboden hulpverlening en begeleiding te zijn.

5. Is publiek ‘uit de kast komen’ juist?

Door de overheid en de homobewegingen wordt het zogenaamde ‘uit de kast komen’ van mensen met overheersende homoseksuele gevoelens sterk gestimuleerd. Het liefst ziet men dit al op zo jong mogelijke leeftijd gebeuren. Door middel van de verplichte (homo)seksuele voorlichting op de scholen wordt gepoogd een klimaat te scheppen dat daartoe uitnodigt en waarin dit ‘veilig’ kan.

Het publiek ‘uit de kast komen’ wordt in de Visienota (homo)seksualiteit van de VGS niet afgewezen. Daarin lezen we: “Leerlingen mogen binnen de kaders van het beleid van de school, uitkomen voor hun homoseksuele gerichtheid. Omdat hun persoonlijkheid nog in ontwikkeling is, raden we hen af dat te vroeg te doen. We adviseren in eerste instantie het individuele contact met een familielid of vertrouwenspersoon van school of kerk. Daarna kunnen, als de leerling dat wenst, meer personen (bijvoorbeeld de klas) op de hoogte worden gesteld.” 23

De problematiek van ‘uit de kast komen’ speelt met name in het voortgezet onderwijs, want een eventuele homoseksuele gerichtheid zal voor een leerling aan het einde van de basisschool nog niet of nog maar amper duidelijk zijn. 24 Uit onderzoek blijkt namelijk dat de gemiddelde leeftijd waarop leerlingen zich voor het eerst bewust worden van hun (vermeende) homoseksuele gerichtheid, pas rond hun dertiende jaar ligt. 25

Het publiek ‘uit de kast komen’ houdt feitelijk in dat iemand zijn heimelijke boezemzonde publiek maakt. Verplicht de Schrift ons daartoe? Roept de Schrift ons daartoe op? Nee, “zonden die in het verborgen bedreven werden, mogen ook in het verborgen beleden worden. Dat geldt ook voor onze bedorven aard”, merkt dr. R. van Kooten terecht in een pastoraal artikel over homofilie op. 26 De apostel Jakobus zegt wel: Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt (Jak. 5:16), maar dit houdt niet in, zo merken de kanttekenaren op, “dat de gelovigen al hun zonden zouden moeten openbaren en belijden”, maar alleen “die zonden die de ene gelovige tegen den anderen zou mogen gedaan hebben, waardoor de liefde tot den naaste verbroken en onvrede zou mogen ontstaan zijn”. En daarnaast, “zo iemand in enige zonde zou mogen gevallen zijn, waarover hij zo bezwaard is dat hij zichzelven alleen niet wel kan troosten, dat hij alsdan die zonde openbare aan een ander, hetzij kerkendienaar, of enigen anderen goeden vriend, om van denzelven getroost te worden uit Gods Woord, en om hem te helpen bidden dat die zonde hem van God mag vergeven worden”. Tot zover de kanttekenaren.

In dit licht bezien is het dan ook niet af te keuren wanneer iemand zijn ‘worstelingen’ tegen zijn homoseksuele gevoelens aan een of meer vertrouwenspersonen in vertrouwen kenbaar maakt. Bijvoorbeeld aan zijn ouders, aan een ambtsdrager uit de kerk, aan een vertrouwenspersoon op school en/of aan zijn behandelende arts. Steeds met het doel om middel-lijkerwijs met behulp van hen te mogen komen tot een krachtiger tegengaan van die zondige gevoelens. Maar het openlijk openbaren dat men homofiel is, bijvoorbeeld via de media of in de klas (wat in de praktijk - mede door het veelvuldig gebruik van sociale media - zal betekenen dat een groot deel van de school dit ter ore komt en ook velen buiten de school), dat is een andere zaak, dat is wel degelijk af te keuren.

Want ten eerste sticht het niet om boezemzonden openlijk te vertellen, zeker niet als het gaat om zondige begeertes tegen het zevende gebod, hetzij heteroseksueel of homoseksueel. De wellust van een ander zou er door gaande gemaakt worden. Het zou meer de sensatie dan de Godsvrucht dienen. Anderen moet dit bij personen die vermoedelijk homofiel zijn, dan ook niet proberen uit te lokken. Dr. R. van Kooten vindt zelfs dat ook ambtsdragers “niet, zelfs met de beste bedoelingen niet, ineens zo ‘pastoraal’ mogen gaan optreden dat wij iemand van wie wij het gevoel hebben dat hij of zij ‘anders’ is, aansporen het hart maar eens uit te storten.” Hij wil hen daarin vrijlaten: “als zij in hun dagelijkse strijd zoveel kracht mogen ontvangen dat zij hun kruis mogen dragen en om die reden geen behoefte voelen” om door een ambtsdrager “ondersteund te worden, dan hebben zij het recht en misschien ook wel de plicht om alleen met de Heere dit geheim te bewaren”, aldus dr. Van Kooten in het boekje Homofilie en de Christelijke gemeente. 27

Ten tweede merken we op dat behalve dat het niet sticht, het ook niet de Bijbelse weg is om boezemzonden in het openbaar te belijden. Niet openlijk aan de mensen, maar aan God zijn verborgen zonden belijden, is de weg! ’k Bekend’, o HEER’, aan U oprecht mijn zonden; ’k verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden; maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg, zo horen we David zeggen bij monde van de dichter van Psalm 32. En elders riep hij met betrekking tot zijn verborgen zonden uit: O bron van ’t hoogste goed, was, reinig mijn gemoed, van mijn verborgen zonden (Ps. 19:6). Als het recht ligt, zal men voor Gods aangezicht met diepe schaamte en smart vervuld zijn over die zo zondige homoseksuele gevoelens in zijn hart. En dan zal er ook de lust niet zijn om die zondige gevoelens aan de grote klok te hangen, dat is publiek te maken.

Ten derde willen we erop wijzen dat het opheffen van de taboe op het openlijk ‘uit de kast komen’ van personen met een homoseksuele gerichtheid ongetwijfeld zal leiden tot het steeds meer gewoon gaan vinden van de gruwelijke zonde van homoseksualiteit en het steeds meer normaal gaan vinden dat iemand homoseksueel is. Dat hebben onze overheden en de homobewegingen ook wel door. Ze denken: ‘Als we kunnen bereiken dat homofiele personen in reformatorische kringen en scholen veilig ‘uit de kast kunnen en mogen komen’, dan heeft een verdere sociale acceptatie wel tijd nodig, maar die zal dan vanzelf wel komen’. Helaas zien we dit daadwerkelijk in de praktijk gebeuren.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat personen met een homoseksuele gerichtheid die de gelegenheid krijgen om openlijk ‘uit de kast te komen’, er des te meer voor openliggen dat ze hun homoseksuele gevoelens in zekere zin gaan koesteren, in de zin van: ‘Ik kan me toch niet veranderen, ik ben nu eenmaal zo, men moet mij maar accepteren zoals ik ben’. Als dan ook nog eens openlijk gezegd wordt dat de hun aangeboden begeleiding en hulpverlening er niet in de eerste plaats op gericht is om hun seksuele gerichtheid te veranderen, maar hun psychisch welbevinden te verbeteren, zoals de VGS-nota doet, dan wordt voor hen de stap tot het koesteren van hun homoseksuele gevoelens wel helemaal klein. Het gevaar is dan groot dat we hen zo eerder nog dieper in het moeras van hun lusten helpen dan eruit.

Al met al is het moeilijk vol te houden dat het openlijk ‘uit de kast komen’ en laten komen van personen met een homoseksuele gerichtheid een Bijbels juiste weg is. Wel is het goed dat bijvoorbeeld in het voorgezet onderwijs er voor leerlingen en personeelsleden de mogelijkheid bestaat om in vertrouwen met een vertrouwenspersoon of met de schooldirecteur over hun homoseksuele gerichtheid te spreken, maar het gaat echt te ver om die openbaar te maken of te laten maken richting team, ouders en/of leerlingen. Hetzelfde geldt als een homofiel die met zijn gevoelens worstelt, in het kader van kerndoel 43 van het voorgezet onderwijs uitgenodigd wordt om voor een of meer klassen over zijn ‘worstelingen’ te vertellen. Ook gaat het Bijbels gezien veel te ver als personen hun homofiele gerichtheid via de media publiek gaan maken. Helaas biedt bijvoorbeeld het RD hiervoor wel een podium. 28

Ten besluite

Op het punt van homoseksualiteit bevatten in Bijbels licht zowel de Visienota (homo)seksualiteit (2008) van de VGS, als de les over homoseksualiteit in de vernieuwde methode Wonderlijk gemaakt (een methode voor seksuele vorming in het basisonderwijs) van Driestar Onderwijsadvies (2013) ernstige hiaten en sporen van compromissen met de tijdgeest. Onder andere de aspecten dat de homoseksuele praxis een zeer ernstige zonde is, dat het om een de oordelen Gods oproepende zonde gaat en dat het een zonde is die - evenals overspel - door de overheid streng gestraft behoort te worden, worden in die documenten gemist.

Ook laat de VGS-nota het publiek ‘uit de kast komen’ toe en lijkt de verandering van de homoseksuele gerichtheid als doel uit het oog verloren te zijn. Een en ander leert ons dat helaas het standpunt inzake homoseksualiteit in de gereformeerde gezindte ten dele reeds aan het verschuiven is. Daarom willen we dit artikel beëindigen met een toepasselijk en waarschuwend citaat uit een preek van ds. F. Mallan over Lots behoudenis in Zoar (Gen. 19:21-23). In de toepassing van die preek merkte ds. Mallan op:

“‘Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden’ (Ps. 18:7 ber.), dat heeft voor Lot gegolden. Daarin zien we ook weer de genadige hand Gods die over hem was uitgestrekt, want hij zat midden in Sódom. Hij zag niet anders dan het bedrijven van de ongerechtigheden. Was hij dan beter dan die mensen? Nee! Hij kon Sódom ook wel bij zichzelf vinden. Hij heeft niet boven die mensen uit kunnen komen. Dat moet u echt niet denken. Maar de Heere stelde hem daar ook als een wonderteken van Zijn genadetrouw tot hem. Hij werd bewaard voor het kwaad waar die lieden in Sódom zich in uitleefden. Dat kan voor ons ook zo zijn, opdat de Heere daarin zal laten blijken dat Zijn zorg over Zijn Kerk is en dat Hij een mens bewaren wil onder de verschrikkelijkste uitleving van allerlei ontucht zoals die in Sódom was te vinden. Daarom zegt de apostel Petrus dat Lot zijn rechtvaardige ziel dag op dag gekweld heeft vanwege het horen en zien van die ongerechtige dingen. Kwellen wij onze ziel nog? Die vraag komt tot ons. We hebben het u al gezegd: we zijn er niet zomaar toe gekomen om over deze woorden te spreken. Hoe verschrikkelijk is het met ons land en volk gesteld, als men het homohuwelijk door laat gaan, waar andere landen zich nog voor wachten. Maar Nederland gaat voorop in het bedrijven van de ongerechtigheid. Is dat niet een verschrikkelijke zaak? We spreken over Sódomszonde. We houden ons aan Gods Woord. Tegenwoordig spreekt men over homoseksualiteit. Dat zijn mooie woorden die men eraan geeft. Dan wordt er gezegd: ‘Een mens kan zo geaard zijn, maar de daad nog niet bedrijven.’ Maar één ding willen we u zeggen: God heeft geen man-wijven geschapen en geen verwijfde mannen. Hij heeft man en vrouw geschapen. Daar moeten we ons toch werkelijk aan houden. En dan houden we ons ook aan Gods Woord, waar de apostel in de Romeinenbrief zegt dat de vrouwen het natuurlijk gebruik veranderd hebben in het gebruik tegen de natuur. En insgelijks ook de mannen. Dan ziet men ook dat het in bepaalde plaatsen of streken zo geschiedt zoals in Sódom en Gomórra.

De Sódomszonde is in het bijzonder een heidense zonde, maar ook onder Israël werd die zonde bedreven. Daar waren de schandjongens, die elkaar daarin ophitsten. Ook onder de godsdienst zijn er die elkaar vinden in het bedrijven van deze ongerechtigheid. Deze zonde is een zonde tegen de natuur. Een man moet man zijn en een vrouw moet vrouw zijn. Daar hebben we ons heel eenvoudig aan te houden. Als een man zoveel vrouwelijks over zich krijgt dat hij ten slotte van het een tot het ander komt en een vrouw zoveel mannelijks dat ze tot deze ongerechtigheid komt, dan gaat dat tegen de natuur in. Dan wordt die lust aangewakkerd bij zichzelf en bij anderen. Zo hebben we dat te zien. Houdt daar maar goed aan vast. Daarom is het dat Gods toorn daartegen zo verschrikkelijk ontstoken is. Dat zien we hier bij Sódom en Gomórra. Dat zal ook te zien zijn in ons land en onder ons volk. Als de Heere met Zijn oordelen door gaat trekken, dan zullen we weten wat we gedaan hebben. Dan zullen we weten waaraan we ons schuldig hebben gemaakt. O, er is niets gruwelijkers dan wat we in Sódom en Gomórra vinden en wat we nu ook in ons land vinden, en dat nog onder de godsdienst. Men kan ermee aan het Heilig Avondmaal. Het Heilig Avondmaal mag niet worden toegesloten voor degenen die aan deze zonde schuldig zijn. Zal dat niet zoveel te erger zijn? Zou daardoor de toorn des Heeren niet temeer ontstoken worden? We konden er niet vanaf om u daar nog even bij te bepalen. Och, dat ook wij toch bij u niet jokkende zullen zijn in uw ogen zoals Lot in de ogen van zijn aanstaande schoonzonen.” 30

Noten:

1) G. van der List, ‘Gay Pride: vrolijk vertoon van Hollands glorie met mooie boodschap’, in: Elsevier, 2 augustus 2014. Zie ook: ‘Politie Groningen valt over tweet rechercheur’, in: Dagblad van het Noorden, 2 augustus 2014 en ‘Rel om tweet rechercheur over Gay Pride’, in: RD, 2 augustus 2014

2) Zie: In het spoor, julinummer 2014, p. 148-158

3) Foto: Door JurgenNL (Eigen werk) [CC-BY-SA-3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], via Wikimedia Commons

4) H.L. van der Laan, Buitenkerkse theorieën over homoseksualiteit. Hun invloed op de kerkelijke meningsvorming, Amsterdam 2007, p. 12-14 (hierna: Buitenkerkse theorieën)

5) Foto: By Benjamin van Es from The Hague, The Netherlands [CC-BY-2.0 (http://creativecommons.org/licenses/by/2.0)], via Wikimedia Commons

6) Overigens is het een wijdverbreide misvatting dat als er wel een homo-gen gevonden zou worden, dit dan het bewijs zou zijn dat de homoseksuele gerichtheid een normale natuurlijke variant is, want een genetisch bepaalde ziekte is toch ook geen normale natuurvariant.

7) Buitenkerkse theorieën, p. 16; P.J. van Laar en H. Jochemsen, ‘Wetenschappelijke argumenten in de discussie over homoseksualiteit’, in: J. Dallas, Een antwoord op de homotheologie, Amsterdam 2007, p. 67 (hierna: Van Laar/Jochemsen); L. Vogelaar, ‘Vroege seks slecht voor ontwikkeling’ (interview met dr. R. Seldenrijk), in: RD, 23 april 2013; E. Stein, ‘Born that Way? Not a Choice? Problems with Biologica and Psychological Arguments for Gay Rights’, Cardozo Legal Studies Research Paper 223, 2008, http://ssrn.com/abstract-=1104538, p. 31-32; Visiedocument CGK, p. 11-12

8) S. Rogers, Meest gestelde vragen over homoseksualiteit, Amsterdam 2000, p. 9 (hierna te noemen: Rogers); R. Seldenrijk, Als je je anders voelt, Amsterdam 2004, p. 137 (hierna: Seldenrijk); G.J.M. van den Aardweg, Geaardheid of scheefgroei? Een psychologische kijk op homofilie, Brugge 1984, p. 78

9) Seldenrijk, p. 143

10) Dr. R. Seldenrijk verwijst de lezer ten bewijze hiervan naar de volgende Bijbelteksten: Matth. 15:11; 23:25; Luk. 11:39; Rom. 14:23; Ef. 5:5; Tit. 1:15 en 2 Petr. 2:10. Seldenrijk, p. 193.

11) M.H. Creech, ‘Echte oorzaak van homoseksualiteit vaak genegeerd’, in: RD, 21 juni 2003

12) Buitenkerkse theorieën, p. 13

13) Rogers, p. 21

14) Buitenkerkse theorieën, p. 16. R.L. Spitzer, ‘Can some gay men and lesbians change their sexual orientation?’, Archives of Sexual Behavior, 2003, 32 (5), p. 403-417. In 2012 heeft hij zijn conclusies teruggetrokken, omdat de geïnterviewde mensen hem bedrogen zouden hebben. We gaan hier verder aan voorbij, daar zijn reden van terugtrekking niet direct geloofwaardig overkomt. Zie voor andere onderzoeken die erop wijzen dat verandering mogelijk is, onder andere: Van Laar/Jochemsen, p. 71-75.

15) Rogers, p. 13

16) R. Siebesma, Homoseksualiteit en de Bijbel, Amsterdam 2010, p. 24

17) Ds. M. Henry, Verklaring van het Nieuwe Testament, dl. 3, Kampen 1995, p. 11 (herspeld)

18) J. Th. Bos, Ik ben niet meer ‘zo’. Ex-homoseksueel Johan van der Sluis vertelt, aangevulde en herziene druk, Hoornaar 1974

19) G.J.M. van den Aardweg en J. Bonda (red.), Een netelig vraagstuk. Homofilie, geloof en psychologie, Nijkerk 1981, p. 120

20) J. van der Sluis, ‘De praktijk van hulpverlening en begeleiding’, in: T.E. Molenaar en J. van der Wal, Homofilie en de Christelijke gemeente, Leiden 1990, p. 97-99

21) Dat er ook voorbeelden zijn van mensen die eerst verklaarden van homoseksueel heteroseksueel te zijn geworden en die later toch weer homoseksueel zijn gaan leven, onder wie Ralp Creemers wel het meest opzienbarende voorbeeld is, doet hieraan weinig toe of af.

22) Visienota (homo)seksualiteit, Ridderkerk 2008, p. 3

23) Visienota (homo)seksualiteit, Ridderkerk 2008, p. 5

24) Wonderlijk gemaakt, Driestar Onderwijsadvies, 2013, groep 8, les 6, p. 33

25) J. van Lisdonk en D. van Bergen, ‘Homojongeren en hun seksuele voorkeur: invulling en uiting’, in: S. Keuzenkamp (red.), Steeds gewoner, nooit gewoon, SCP, Den Haag 2010, p. 143

26) R. van Kooten, ‘Pastoraat aan homofielen’, in: T.E. Molenaar en J. van der Wal, Homofilie en de Christelijke gemeente, Leiden 1990, p. 53 (hierna: Van Kooten)

27) Van Kooten, p. 53

28) Een afkeurenswaardig voorbeeld daarvan vormt het opinieartikel ‘Zwijg niet langer over homoseksualiteit’ van ds. D. Burggraaf in het RD van 29 april 2014.

29) Foto: By Dirk Mallan (Wikiportrait) [CC-BY-3.0 (http:// creativecommons.org/licenses/by/3.0) or GFDL (http:// www.gnu.org/copyleft/fdl.html)], via Wikimedia Commons

30) F. Mallan, Het verbond met Abraham, Alblasserdam 2008, p. 130-132

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 2014

In het spoor | 56 Pagina's

Netelige Kwesties Inzake Homoseksualiteit

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 oktober 2014

In het spoor | 56 Pagina's