De Geschiedenis van de Armenzorg in Nederland -1-
Van de late middeleeuwen tot circa 1800
In een eerder artikel is ingegaan op de wijze waarop dr. Thomas Chalmers tussen 1819 en 1837 de armenzorg in Schotland wilde transformeren. In dit artikel willen we doorgaan op dat thema en ingaan op de geschiedenis van de armenzorg in Nederland vanaf de late middeleeuwen tot circa 1800.
In het Glasgow van 1819 deed dr. Thomas Chalmers met veel succes een poging om de zorg voor armen uit handen van de overheid te houden. Het leidde tot een drastische verlaging van uitkeringsgelden en tot minder armoede. In de plaats van een eindeloze en uitzichtloze bedeling werd er omgezien naar elkaar en werden de armen maatschappelijk verbeterd door opleiding, werk en hulp van (de meer directe) naasten. 1 Dit artikel staat los daarvan, maar gaat wel door op hetzelfde thema.
In dit artikel willen we ingaan op de geschiedenis van de armenzorg in Nederland, vanaf ongeveer de late middeleeuwen. Maar voordat we dat doen, beginnen we met de vraag wat armoede eigenlijk is (§1) en een terugblik naar een artikel uit 2004, waar ingegaan is op wat de Bijbel zegt over armenzorg (§2). Daarna wordt een overzicht gegeven van hoe die armenzorg er in Nederland uitzag in de (late) middeleeuwen tot circa 1500 (§3). De armenzorg veranderde na de middeleeuwen: die veranderingen tussen circa 1500 en 1800 worden kort toegelicht (§4). Dit artikel sluit af met een korte samenvatting en een opstapje naar een volgend artikel (§5). In dat volgende artikel zal Deo volente worden ingegaan op de wijze waarop die armenzorg zich na circa 1800 ontwikkelde.
1. Armoede en behoeftigheid
De begrippen arm en armoede zijn algemene uitdrukkingen. Wanneer is iemand arm? Bijvoorbeeld: is iemand die niet met vakantie kan, arm? Het begrip ‘arm’ leidt tot onduidelijkheid en om die reden wordt in dit artikel bij voorkeur de term behoeftigheid gebruikt. Met behoeftigheid wordt aangegeven dat er een tekort bestaat aan de minimale levensbehoeften van een mens. Het gaat dan primair om voeding, kleding en huisvesting. 2 Het gaat hier dus niet direct om zieken- of gehandicaptenzorg, maar de zorg voor de behoeftige naaste in het algemeen.
2. De armenzorg in het licht van Gods Woord
In 2004 verscheen van de hand van de heer A. Verwijs in dit blad een artikel over armenzorg, waarbij centraal stond wat Gods Woord daarover zegt. 3 Enkele belangrijke ankerpunten daaruit zullen op deze plaats opnieuw voor het voetlicht worden gebracht.
Hulp aan behoeftigen: een liefdesdienst
In het genoemde artikel wijst de heer Verwijs erop dat de armenzorg in het licht van Gods Woord een liefdesdienst is, gelegen in de tweede tafel van de Wet, die samengevat luidt: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven (Matth. 22:39). Dit is de plicht van een Christen: om de behoeftige naaste naar vermogen en uit liefde te voorzien van het noodzakelijke dat ontbreekt. 4 Op de vraag hoe een dergelijke zorg voor behoeftigen vorm moet krijgen, grijpt Verwijs terug op 1 Timotheüs 5:3. Hij onderbouwt met Bijbelse voorbeelden (en concludeert daaruit) dat de zorg voor de behoeftige in de eerste plaats vorm moet krijgen door de directe bloedverwanten. Ouders aan hun kinderen, maar ook, in overeenstemming met het vijfde gebod, kinderen en kleinkinderen aan hun ouders en grootouders. Zijn er geen kinderen of kleinkinderen, of blijven zij in gebreke door ontoereikendheid of hardnekkigheid, dan komt in de tweede plaats een wijdere kring van betrekkingen in beeld. Dit zijn familieleden buiten de eerste lijn, maar ook nauwe vrienden en (oud-)werkgevers. Deze hulpplicht vloeit voort uit een nauwe relatie die zij in Gods voorzienigheid met de behoeftige hebben. Blijkt ook die wijdere kring van (familie)betrekkingen afwezig of ontoereikend om in de nood te voorzien, pas dán komt de diaconie aan de orde en niet eerder, [op]dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge (1 Tim. 5:16b; zie voor een schematisch overzicht van het bovenstaande figuur 1). Verwijs onderbouwt met Bijbelse voorbeelden hoe de diaconie na het ontstaan van de eerste Christengemeenten snel vorm kreeg en tot zegen was. Daarbij is het niet alleen de taak van de diaconie om gelden te innen en te verdelen, maar evenzo om ook met troostelijke redenen uit het Woord Gods, aan de armen en ellendigen hulp te bewijzen. 5 Tevens moet de diaconie erop toezien dat de hulp niet wordt misbruikt voor niet-noodzakelijke kosten van het bestaan en moet de diaconie primair de behoeftige opwekken om te werken. Als er sprake is van aantoonbare luiheid, dan moeten de diakenen na overleg met de ouderlingen de hulp staken, want zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete (2 Thess. 3:10). Het omzien naar behoeftigen is echter niet de enige taak van de diakenen: een net zo belangrijke taak van de diakenen is het om gemeenteleden vrijwillig en zonder dwang op te roepen om de diaconie van de nodige middelen te voorzien. Verwijs benadrukt sterk de kenmerken ‘vrijwillig en zonder dwang’, omdat juist die de kerkelijke armenzorg zo typeren. Zowel het innen van de gelden als het uitdelen aan de behoeftigen is geen plicht of dwang: bij beide is sprake van een liefdesdienst en dat moet het innen als het uitdelen blijvend kenmerken, aldus de onderbouwing van Verwijs. De kern van deze gedachte vinden we ook terug bij de armenzorg, zoals Thomas Chalmers daaraan vorm gaf. 6
Taak van de overheid
Maar als de armenzorg primair bij die drie ‘schillen’ ligt (zie figuur 1), wat is dan de taak van de overheid? Verwijs haalt aan dat de SGP in artikel 26 van het Beginselprogramma het volgende stelt:
“De Christelijke naastenliefde gebiedt de hulp aan de behoeftige medemens. De overheid behoort de hulpverlening in de eerste plaats over te laten aan kerkelijke en particuliere instanties. Zij is wel geroepen hulpverlening aan burgers die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien, te stimuleren. In het uiterste geval moet zij rechtstreeks hulp verlenen. Verplichte verzekeringen en sociale verzekeringswetten met een dwangmatig karakter worden afgewezen.”
De overheid heeft daarmee dus een erg terughoudende taak in de armenzorg, hoewel er in bijzondere situaties wel uitzonderingen denkbaar zijn. Verwijs schetst daarbij voorbeelden als werkverschaffing bij extreme omvang van werkloosheid of tijdelijk aanvullend optreden bij ernstige of grootschalige rampen die het gezamenlijke draagvermogen van familie, particulier initiatief en diaconie te boven gaan.
De huidige situatie van de armenzorg
Verwijs beëindigt zijn artikel met de volgende constateringen over hoe de armenzorg anno 2004 is vormgegeven (en anno 2015 niet substantieel is veranderd), en zegt daarover:
“De praktijk van de armenzorg is helaas in onze dagen vrijwel geheel het tegenovergestelde van wat deze volgens de Schrift behoort te zijn. De Bijbelse armenzorg, verleend door de kinderen, door de verdere familie, vrienden enz., en door de diaconie is voor het overgrote deel vervangen door een onbijbels stelsel van verzekeringszorg en staatszorg.” 7
Dit heeft volgens Verwijs tot het volgende geleid:
“Mede door de genoemde massale toevlucht tot de verzekerings- en staatszorg is de samenleving versteend, is de kerkverlating toegenomen (omdat men de kerk financieel niet meer nodig had), viert het individualisme hoogtij en nemen thans niet weinigen in de maatschappij een Kaïns houding aan van: ‘ben ik mijns broeders hoeder?’ (Gen. 4:9b). De koning Sálomo zegt zo: ‘Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt’ (Spr. 22:2). Maar thans ontmoeten de rijken de armen niet veel meer, zij hebben niet veel meer met de armen van doen om hen uit liefde te helpen, want veruit het merendeel van de armen is toch in de verzekering en/of wordt via de bijstand door de staat onderhouden. Of anders gezegd: de bron van medelijden van de rijken met de armen houdt voor een belangrijk deel op te vloeien, ja, deze is versteend, omdat de rijken weten dat de armen zich tegen ongeval en ziekte verzekerd hebben en de armen zich bij het dalen van hun inkomsten tot onder het bestaansminimum kunnen verlaten op de staat. Ditzelfde geldt in het algemeen ook voor de financiële hulpverlening, te verstrekken door kinderen, familie, buren en goede vrienden. Wanneer een in nood geraakt persoon geen uitzicht heeft op verzekeringsgeld en/of staatsgeld, dan openbaart zich de medelijdende hulp van hen die op de een of andere wijze met hem in betrekking staan. Dan vindt men in praktijk gebracht het ‘tezamen dragen van elkaars lasten’, wat tevens de band onder elkaar nog meer versterkt. Neemt echter de betreffende persoon zijn toevlucht tot de verzekering en/of staatszorg, dan openbaart zich juist het tegenovergestelde van het ‘tezamen dragen van elkaars lasten’: omdat men dan elkaar (financieel) niet meer nodig heeft, stokt de medelijdende (financiële) hulp en wordt de band onder elkaar losser, met als gevolg dat ‘heel de maatschappij’, aldus ds. Zandt, ‘hoe langer hoe meer door kille ongevoeligheid en heldeloosheid versteent’ en dat men liefdeloos als losse individuen langs elkaar heen leeft. Is dat in het algemeen niet de praktijk in de maatschappij van onze dagen?” 8
Tot zover een korte synopsis van het artikel van de heer Verwijs uit 2004.
3. In de late middeleeuwen tot circa 1500
Prof. dr. L. Noordegraaf zegt over de economische bloei in de Republiek van de Verenigde Nederlanden (1588-1795) het volgende:
“De Republiek van de Verenigde Nederlanden wordt doorgaans in één adem genoemd met grote economische bloei. Sinds een aantal decennia is er echter ook veel aandacht voor de schaduwzijde van de geschiedenis van de Republiek, want de rijkdom en voorspoed waren lang niet voor iedereen weggelegd. Ondanks de grote economische voorspoed balanceerde een groot deel van de bevolking in de zeventiende eeuw op de grens van het bestaansminimum. Geschat wordt dat zo’n 25 procent van de bevolking tijdens zijn leven in aanraking kwam met armenzorginstellingen. Het deel van de bevolking dat met armoede te maken kreeg, maar waarvan niet iedereen voor hulp bij de kerkelijke of burgerlijke instellingen aanklopte, zal dus nog groter zijn geweest.” 9
Armoede was iets waarmee velen te maken kregen, zo blijkt. Er is in de laatste jaren veel onderzoek gedaan naar (de historie van) de armenzorg in Nederland. Daarin is ingegaan op de relatie tussen publieke en private inzet, de rol van de kerk en de staat en op de gevers en hun motieven. Het komen tot een samenvattend en leesbaar artikel is om die reden niet eenvoudig en vergt veel weglaten. Met dat in het achterhoofd en zonder compleetheid na te streven, wordt op deze plaats een poging gedaan om hierin een beknopt overzicht te geven.
De kerk centraal
Het citaat van prof. dr. L. Noordegraaf betreft een periode van na-middeleeuwse economische groei in de Nederlanden. Als we dit citaat extrapoleren naar de middeleeuwen, dus vóór 1500, waarin die economische bloei nog niet aanwezig was, dan kan worden aangenomen dat de armoede onder de bevolking in die tijd nog veel groter was. Een voor de hand liggend, maar belangrijk aandachtspunt daarbij is dat in de middeleeuwen nog geen kerkelijke Reformatie had plaatsgevonden. Er was slechts één erkende kerk: de roomse kerk. Die kerk speelde een belangrijke rol in het dagelijks leven; de meeste mensen kwamen er vaak en de kerk was in deze tijd niet alleen een geloofsinstituut, maar ook de organisatie van het sociale leven. 10
Vanaf de veertiende eeuw was de zorg voor behoeftigen voornamelijk een taak van de zogenaamde roomse ‘Heilige Geestmeesters’, die de zogenoemde Pater Pauperum oprichtten (de ‘Tafels van de Heilige Geest’). De armste inwoners van de stad konden daar hulp krijgen voor voedsel, schoenen, kleding of turf, waarbij de bedeling onder toezicht van de Heilige Geestmeesters plaatsvond. Er was echter wel onderscheid tussen ‘eigen’ behoeftigen en de behoeftigen die van ‘buiten’ kwamen, zoals bedelaars en landlopers die op zoek waren naar werk en aalmoezen. Op die laatste categorie zaten dorpen en steden niet te wachten; vaak waren die bedelaars en landlopers onbetrouwbaar en pleegden zij misdrijven om aan geld en eten te komen.
In de late middeleeuwen waren in Nederland bewegingen in de roomse kerk merkbaar. Zo kenmerk-ten Geert Grote (1340-1384), Florens Radewijns (1350-1400) en Thomas van Kempen (1380-1472) de stroming van de Moderne Devotie, een beweging binnen de roomse kerk die ontstond vanwege de ontevredenheid over (en misstanden in) de kerkelijke leiding. Het bekende boek De navolging van Christus, ondanks de nog vele roomse elementen een zeer gerespecteerd boek in reformatorische kring, was een veel gedrukt en veel gelezen resultaat. De Moderne Devotie gaf een impuls aan naastenliefde en humaniteit, aan het verbeteren van de armenzorg. Maar deze hervorming van de roomse kerk zette niet door in een (inter)nationale Reformatie.
In de late middeleeuwen begonnen ook leken zich met armenzorg te bemoeien en stichtten zij liefdadigheidsinstellingen. Zo konden behoeftigen bij gasthuizen, kerken en kloosters terecht voor een bijdrage uit de armenkas. 11
Hulp aan behoeftigen uit eigenbelang
Historica dr. N.M. Teeuwen wijst erop dat de zorg voor behoeftigen in de middeleeuwen vooral religieus gedreven was. Omdat de overheid zich niet met de zorg voor behoeftigen bemoeide, waren de behoeftigen aangewezen op het erbarmen van naasten en kerkelijke instellingen. Het ging dan vaak om weduwen, wezen, ouden van dagen of gehandicapten. Voornamelijk kerken en kloosters waren uitvoerende partijen als het ging om de zorg voor behoeftigen: de zieken werden daar opgenomen, zwervers kregen daar tijdelijk onderdak en op kerkelijke feestdagen werd voedsel aan behoeftigen verstrekt. Ook konden behoeftigen vaak bij parochiekerken terecht voor voedsel of een aalmoes. Het was enerzijds een daad van naastenliefde, maar anderzijds viel er voor de roomse gulle gevers eigen voordeel te behalen, of zoals Teeuwen het omschrijft:
“door het voeden van hongerigen, het kleden van naakten, het laven van dorstigen, het bezoeken van gevangenen en zieken en het herbergen van vreemdelingen kon een plek in het Koninkrijk Gods verworven worden.” 12
Zorg voor de naaste gaf in roomse visie dus voordeel voor zowel gever als behoeftige: ze hadden elkaar nodig. Daardoor was armenzorg in de middeleeuwen niet zozeer gericht op het opheffen van behoeftigheid, maar vooral op verzachting van de ergste noden. Ongelijkheid tussen arm en rijk werd niet als ‘onrechtvaardigheid’ beschouwd: het was een door God gegeven orde die in stand gehouden moest worden. En behoeftigheid werd daardoor in de middeleeuwen niet als een op te lossen sociaal probleem gezien. Er waren zelfs roomse monnikenorden die armoede nastreefden om zo los te komen van alle aardse verleidingen.
4. Na de middeleeuwen tot circa 1800
De overheid beschouwde tot na de middeleeuwen de zorg voor behoeftigen niet als haar taak. Voor zover de directe familie niet in de zorg kon (of wilde) voorzien, was de liefdadigheid voor behoeftigen uitsluitend voorbehouden aan de kerken.
Wel kreeg de overheid steeds meer oog voor nietbetrouwbare behoeftigen en zag zij meer en meer toe op landloperij. Het genoemde overheidsingrijpen had dus niet zozeer te maken met de directe zorg voor de armen, maar veel meer met crimineel gedrag en misbruik.
Eerste publicaties over bedelarij en armenzorg
Zo verscheen in Duitsland in 1510 van onbekende hand een traktaat met de titel Liber Vagatorum. Der Betler orden (de bedelorden). 13 Het traktaat is een boeiend en toegankelijk werkje dat een duidelijk beeld schept van de verschillende voorkomende orden van behoeftigen en bedelaars ten tijde van de middeleeuwen.
Dit traktaat geeft adviezen over hoe met hen moet worden omgegaan. Ook hier is duidelijk onderscheid tussen de ‘eerlijke’ en de ‘oneerlijke’ behoeftigen. Het voert te ver om dit traktaat en de verschillende bedelorden op deze plaats uit te diepen. Om die reden wordt op deze plaats uitsluitend verwezen naar het bestaan van dit werk. 14 Zo werkten de kerk en het stadsbestuur samen om de allerarmsten uit de samenleving te beschermen: de staat door toe te zien op bedelarij en landloperij, de kerk door de daadwerkelijke operationele hulp aan de armen.
Meer invloedrijk was Juan Luis Vives (1493-1540), die in 1526 met het werk De subventione pauperum een grondslag legde voor de zorg van behoeftigen. Dit boek werd in 1533 vertaald onder de titel Secours van den aermen (Bijstand voor de armen). In dit werk bepleitte Vives zowel een lokaal als een centraal armenbeleid, waarbij efficiënte aanpak van de armenzorg centraal stond. Dat zou vorm moeten krijgen door een precieze omschrijving van wie bijstand verdiende, en door grondig onderzoek te doen naar de leefsituatie en leefstijl van de behoeftige. Scholing van behoeftigen die geen ambacht beheersten, stond daarin centraal.
De veranderende rol van de staat
De roomse keizer Karel V nam de ideeën van Juan Luis Vives over en vaardigde in 1531 een edict uit dat voorzag in een verbod op bedelarij, in arbeidsplicht voor gezonde behoeftigen en in het beteugelen van drankmisbruik. Wie geen vaardigheden beheerste, moest scholing krijgen. 15 Daarmee bracht deze (op de ideeën van Vives gebaseerde) regeling een gedeelte van de armenzorg vanuit het kerkelijke- en particuliere initiatief voor rekening van de staat. In Engeland lijkt dit edict de basis te zijn geweest voor de Poor Law, die eerder in dit blad aan de orde is geweest. 16 Het kan in Engeland en delen van Schotland worden beschouwd als een voorloper van de eerste Armenwet, die de zorg voor behoeftigen (deels) bij de overheid neerlegde. 17 Er is echter (te) weinig over bekend op welke wijze het edict in Nederland precies heeft gefunctioneerd. 18 Wel is duidelijk dat er in de periode tussen 1520 en 1550 vijftig steden in Europa waren die overgingen op een meer centraal gecoördineerde armenzorg. Daaraan lagen de bovengenoemde drie principes ten grondslag: controle, steunverlening en arbeidsdwang. De geldelijke middelen daarvoor kwamen terecht bij het stadsbestuur, genaamd de Gemene Beurs of Armenkamer. 19 Wie voor bedeling in aanmerking wilde komen, moest zich laten registreren, waardoor het stadsbestuur beschikte over de namen van mensen die verplicht te werk gesteld konden worden. Onderzoek heeft aan- getoond dat deze vorm van armenzorg echter alléén werd gegeven als er in de betreffende stad sprake was van een industriële opleving. Kortom, als er geld voor was. 20 Omdat de plaatselijke overheden in de meeste kleine steden en dorpen over onvoldoende financiële middelen beschikten, bleef deze regeling daardoor vaak een dode letter. Ook legden plaatselijke overheden van sommige (middel)grote steden het keizerlijke bevel, waarschijnlijk om die reden, naast zich neer. 21
De gevolgen van de Reformatie
Na de middeleeuwen werden mede door de Reformatie, maar ook vanwege de misstanden en de grote, opgepotte rijkdommen in de roomse kerk, door burgers liefdadigheidsinstellingen opgericht en namen regenten in steden meer taken op het gebied van de armenzorg op zich. Er ontstonden zogenaamde vrijwoningen waar armlastige ouderen kosteloos onderdak kregen en voorzien werden van voedsel, brandstof en kleding. 22
Na 1517 veranderde er door de Reformatie veel in Europa en langzamerhand zou ook de visie op- en de omgang met behoeftigen veranderen. Dit was vanzelfsprekend nog niet direct merkbaar, maar door de Reformatie zouden meer en meer mensen hun roomse geloof laten varen en daarmee werd de verhouding tussen de behoeftigen en de gevers aan het wanke-len gebracht. Immers, zij hadden met Luther geleerd (Rom. 1:17b): de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en niet meer uit verdiensten. Waar rome immers uitging van het egoïstische idee dat de gever zélf voordeel had van hulp aan behoeftigen (door die goede werken zou hij zijn eigen zaligheid ‘verdienen’), daar werd dat idee door de Reformatie losgelaten en vervangen door Christenplicht en naastenliefde. Niet om daarmee de eigen zaligheid te ‘verdienen’, maar om daarmee de opdracht Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven (Matth. 22:39) te eerbiedigen en om de behoeftige naaste zo naar vermogen en uit liefde te voorzien van het noodzakelijke.
Verandering en continuïteit in de armenzorg na de middeleeuwen
In de middeleeuwen lag de zorg voor de behoeftigen, zoals we hierboven zagen, primair bij de plaatselijke kerken en het particuliere initiatief. Met behulp van de dissertatie van dr. Kort willen we ingaan op drie algemene kenmerken van de armenzorg in en na de middeleeuwen, waarbij enkele reeds genoemde zaken nog eens worden onderstreept 23 :
Het eerste kenmerk was het plaatselijk karakter van de armenzorg. In zijn dissertatie bevestigt Kort dat de armenzorg in Nederland tot in de twintigste eeuw vooral een lokale aangelegenheid was: steden en dor-pen droegen zelf de zorg voor het onderhoud van hun ‘eigen’ behoeftigen. We zagen dat hierboven reeds. Er begonnen problemen te ontstaan toen er in de steden grote immigratie ontstond van ‘gelukszoekers’ die zich bij economische neergang vervolgens massaal meldden bij de diaconieën en armenzorginstellingen van die stad. De vraag was, wie nu voor de kosten van hun zorg moest opdraaien: waren dat de armenzorginstellingen in hun oorspronkelijke woonplaats of moest hun nieuwe vestigingsplaats dat doen? Om te voorkomen dat de steden overspoeld werden met dergelijke behoeftigen, werd van de nieuwkomers een schriftelijke garantie gevraagd dat de armeninstellingen in hun oorspronkelijke woonplaats borg zouden staan wanneer er in de toekomst sprake zou zijn van noodzakelijke zorg. Die garanties stonden bekend onder de naam akten van indemniteit. 24 Ander onderzoek laat iets dergelijks zien: veel particuliere instellingen zorgden namelijk wel voor ‘eigen’ inwoners, maar niet of nauwelijks voor personen die uit andere steden of dorpen afkomstig waren. 25 Een akte van indemniteit moest voorkomen dat deze buitenstaanders ooit als behoeftigen een beroep op steunverlening zouden doen in hun nieuwe woonplaats. Dergelijke akten van indemniteit werden tussen 1660 en 1820 gebruikt. In de praktijk bleek dat deze akten relatief weinig waarde hadden: de verschillende steden en dorpen probeerden constant de zorg voor behoeftigen op elkaar af te schuiven, met als resultaat dat veel behoeftigen tussen wal en schip vielen. 26
Het tweede kenmerk dat Kort noemt, is de overheersende positie van de kerken en particuliere organisaties. Binnen de Nederlandse armenzorg hadden de kerken en particuliere organisaties een overheersende rol. Als de kerken hun behoeftigen niet meer konden onderhouden, kon een beroep worden gedaan op de zogenaamde ‘openbare’ armenzorg. Dit betekende overigens niet dat de kerken volstrekt onafhankelijk van de overheid optraden: in de achttiende eeuw besloot de landelijke overheid reeds tot regelgeving voor beheer van godshuizen, armenzorginstellingen, armenverpleging en de bijstand van de behoeftigen.
Als derde kenmerk benoemt Kort de betrekkelijke onveranderlijkheid in denkbeelden over de armoede en de armen. Hij zegt daarover dat de armoede tot ver in de twintigste eeuw als “een moreel en individueel probleem gold”: het zou een gevolg zijn van eigen schuld of een Goddelijke voorzienigheid, dat door gebrek aan spaarzaamheid, vroege huwelijken, sterke drank, luiheid en slordigheid armoede werd veroorzaakt. Dat armoede ook veroorzaakt kon zijn door sociale- en economische omstandigheden die buiten de directe aansprakelijkheid van de arme vielen, drong pas heel langzaam door vanaf het einde van de negentiende eeuw. Verder schetst Kort dat in de (politieke) bovenlaag botsende ideeën bleven bestaan over de oorzaken van armoede en de manieren waarop dat opgelost diende te worden. Daarbuiten hadden ook de kerken enerzijds en de overheid ander zijds daar verschillende inzichten over.
Bekostiging van armenzorg
Historica drs. M.J. Overmeer schetst helder hoe, ondanks de particuliere initiatieven en de Reformatie, de bekostiging van de armenzorg in Nederland na de middeleeuwen niet fundamenteel veranderde. Het bleef, linksom of rechtsom, veelal kerkelijk of particulier initiatief. Liefdadigheidsinstellingen werden door particuliere gelden opgericht. De stadsbestuurders stelden vaak een stuk grond ter beschikking en de inwoners betaalden de rest. Om in de inkomsten te voorzien werden onder andere wedstrijden georganiseerd, zoals een loterij voor het Oudemannenhuis in Haarlem. Deze loten vonden in heel Holland grif aftrek. Een klein deel van de winst werd gebruikt als prijzengeld, de rest van de opbrengst ging op aan de bouw van de instelling. Daarnaast waren er de kerkelijke collectes op de zondag en in Amsterdam gingen viermaal per jaar gereformeerde collectanten langs de deur. 27
Onderzoek naar vrijgevigheid onder gereformeerden in Nederland bevestigt dat de gereformeerde liefdadigheid tijdens de Gouden Eeuw groeide van niets aan het begin van de Reformatie tot ongeveer 300.000 gulden per jaar rond 1650 (zie figuur 2).
In de jaren 1687-1794 28 steeg dat bedrag (met twee uitschieters naar 1.000.000 gulden) zelfs naar circa 600.000 gulden. 29 Kijken we naar inwoneraantallen, dan telde Amsterdam in 1570 ongeveer 30.000 inwoners, in 1600 ongeveer 60.000 inwoners en in 1622 ongeveer 105.000 inwoners. 30 In hoeverre er een oorzakelijk verband ligt tussen de stijging van het jaarinkomen van de gereformeerde liefdadigheid in Amsterdam en de forse inwonersstijging van deze stad, is niet onderzocht. Het laat echter wel zien hoe het de overtuiging was dat het vooral de plicht van de samenleving was om voor de armen te zorgen: de rol van de overheid was minimaal. Zo droeg iedereen een steentje bij, zowel de armen als de rijken.
5. Terugblik
We zijn dit artikel begonnen met een terugblik op een eerder artikel over hoe de armenzorg moet worden bezien in het licht van Gods woord: dat de zorg voor behoeftigen een liefdesdienst is waarbij vrijwillig en zonder dwang gelden moeten worden geïnd en verdeeld. We hebben daarna in vogelvlucht gezien hoe de armenzorg in de middeleeuwen gestalte kreeg, wat de overheersende rol en visie van de roomse kerk daarin was en hoe de overheid zich beperkte tot het optreden tegen bedelarij en landloperij. Na de middeleeuwen verstevigde de grip van de overheid zich enigszins, maar bleef de zorg voor behoeftigen vooral in de samenleving liggen. Toch veranderde die: de roomse religieuze redenen voor zorg aan behoeftigen (namelijk: het ‘verdienen’ van de zaligheid door het doen van goede werken) werden in de eeuwen na 1517, het begin van de Reformatie, aan het wankelen gebracht. Daarmee veranderde de Reformatie wel de aard van de hulp: de grondslag voor die hulp was geen egoïsme (namelijk: zalig te worden door goede werken) meer, maar Christelijke naastenliefde. Maar in de uitvoering ervan veranderde de zorg voor behoeftigen niet wezenlijk: het initiatief bleef vooral bij de kerken en het particuliere initiatief liggen en de overheid hield zich grotendeels afzijdig.
In een volgend artikel zal Deo volente worden ingegaan op de wens en het streven van de patriotten tot verdere democratisering van het Nederlandse staatsbestel en een strikte(re) scheiding van kerk en staat rond het jaar 1800. Ook wordt dan ingegaan op de wijze waarop de overheid initiatieven startte om de zorg voor behoeftigen via wetgeving meer en meer zelf in de hand te nemen, om anno 2015 terug te keren naar een ‘participatiesamenleving’ waarin de hulp aan behoeftigen weer meer en meer in de samenleving wordt gelegd.
Noten:
1) J.H. de Boer, ‘Dr. Thomas Chalmers en de armenzorg in Glasgow tussen 1819 en 1837’, in: In het spoor, decembernummer 2014, jrg. 38, nr. 5, p. 242-253 (hierna: De Boer)
2) Uit: W. Blockmans & W. Prevenier, ‘Armoede in de Nederlanden van de 14e tot het midden van de 16e eeuw: bronnen en problemen’, in: Tijdschrift voor geschiedenis, 1975, 88, p. 501-538, aldaar: p. 501-502 (hierna: Blockmans & Prevenier)
3) A. Verwijs, ‘De armenzorg bezien in het licht van Gods Woord’, in: In het spoor, meinummer 2004, jrg. 28, nr. 2, p. 22-32 (hierna: Verwijs)
4) De Bijbel zélf laat in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan zien (1.) wie een naaste is en (2.) op welke milde wijze de noodzakelijke zorg voor een behoeftige vorm krijgt (Luk. 10:25-37).
5) Uit het formulier om ouderlingen en diakenen te bevestigen.
6) De Boer
7) Verwijs, p. 30
8) Ibidem, p. 31
9) L. Noordegraaf, ‘De arme’, in: H.M. Beliën, A.Th. van Deursen en G.J. van Setten, Gestalten van de Gouden Eeuw. Een Hollands groepsportret, Amsterdam 1995, p. 315-347, aldaar p. 344-345. En: D. Teeuwen. ‘Vande groote swaricheyt den armen deser Stadt’. De reorganisatie van de armenzorg in Utrecht in comparatief perspectief 1580-1674, Masterthesis, Utrecht 2007, Universiteit Utrecht (hierna: Teeuwen)
10) Rijksmuseum van Oudheden, http://www.rmo.nl/onderwijs/museumkennis/verhalen/naar-de-kerk-in-demiddeleeuwen [bezocht op 02-01-2015].
11) Teeuwen, p.10-11
12) Ibidem, p.11
13) De originele titel luidt: Liber Vagatorum, of Der Bettler orden man mich nendt, durch mich ein jeder lert, merckt und erkent, was grossen btrugs ist uff erstanden
14) Liber Vagatorum. In het Engels uitgegeven (met een voorwoord van dr. Martin Luther) onder de titel The book of vagabonds and beggars, London (Piccadilly) 1860, John Camden Hotten. Digitaal beschikbaar op: https://archive.org/details/bookofvagabondsb00luthiala
15) Dit was een van de uitgangspunten van dr. Thomas Chalmers. Alleen wilde hij dat niet door middel van de overheid, maar via de diaconie bewerkstelligen. Zie hiervoor: De Boer, p. 247
16) De Boer, p. 244
17) J. Steyaert, ‘567 Concilie van Tours. Van armentafels tot voedselbank’, http://www.canonsociaalwerk.eu/nl/ details.php?cps=0 (2013). Ook: Blockmans & Prevenier, p. 528
18) Dat wil zeggen dat de auteur in het licht van dit artikel hierover onvoldoende betrouwbare informatie heeft kunnen vinden. Diepgaandere studie zou daarover mogelijk meer uitsluitsel kunnen geven; nader (wetenschappelijk) onderzoek hiernaar is gewenst.
19) A. Somers, De armenzorg in Gent sinds de middeleeuwen, Brussel 2011 (Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën)
20) A.J. Gelderblom & M. Meijer Drees, ‘Armoede en misdaad’, in: Dirck Volckertszoon Coornhert (1587). Boeventucht. Naar de editie van Arie-Jan Gelderblom, Marijke Meijer Drees en een werkgroep van Utrechtse neerlandici (1985), Muiderberg 1985, p. 29
21) ‘Recueil des Ordonnances de Pays-Bas’, 2de reeks, III, 1530-1536, p. 265-273, in: Armzalig? Percepties van armoede, 13de-18de eeuw. Algemeen rijksarchief en rijksarchief in de provinciën, Educatieve dienst Catalogi 183, p. 32
22) Teeuwen, p. 9-10
23) A.L. Kort, Geen cent te veel. Armoede en armenzorg op Zuid-Beveland, 1850-1940, Hilversum 2001, p. 65-66
24) Ook dr. Thomas Chalmers hield in Glasgow rekening met dit probleem. Hij streefde ernaar om de mensen die uit zijn wijk verhuisden, zelf te onderhouden, waar tegenover stond dat ook de mensen die naar ‘zijn’ wijk verhuisden, onderhouden werden door hun oude wijkgemeente. Dit mislukte echter. Zie hiervoor: De Boer, p. 251
25) J.W.G. Netelbeek, http://www.ngv.nl/Artikelen/homepage.php?action=ListItem&site=NGV&frams=y&ide nt=80 (geraadpleegd op 02-01-2015)
26) P.A.C.D. Douwes, Armenkerk. De Hervormde diaconie te Rotterdam in de negentiende eeuw, Schiedam 1977, p. 60-61. Ook: M.H.D. van Leeuwen, Armenzorg 1800-1912: erfenis van de republiek’, in: J. van Gerwen / M.H.D. van Leeuwen (red), Studies over zekerheidsarrangementen. Risico’s, risicobestrijding en verzekeringen in Nederland vanaf de Middeleeuwen, Amsterdam/Den Haag 1998, p. 276-316.
27) M.J. Overmeer, ‘Oneerlijke armen’, 2012, http://www. kennislink.nl/publicaties/oneerlijke-armen
28) Deze grafiek is niet afgedrukt.
29) M.H.D. van Leeuwen, ‘Giving in early modern history: philanthropy in Amsterdam in the Golden Age’, in: Continuity and Change, 27:2, Cambridge 2012, p. 306
30) B. Wouda, ‘Een Stijgende Stand Met Zinkend Land. Waterbeheersingssystemen’, in: Polder Nieuw-Reijerwaard 1441-1880, Hilversum 2009, p. 52
Afbeelding-/fotoverantwoording:
a) Foto depositphotos
b) Figuur 1: J.H. de Boer, 2014
c) Figuur 2: uit M.H.D. van Leeuwen, ‘Giving in early modern history: philanthropy in Amsterdam in the Golden Age’, in: Continuity and Change, 27:2, Cambridge 2012, p. 305
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 februari 2015
In het spoor | 68 Pagina's