Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bij de Gratie Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bij de Gratie Gods

19 minuten leestijd

Begin dit jaar heeft D66 een initiatiefwet ingediend om de woorden ‘bij de gratie Gods’ uit de aanhef van de Nederlandse wetten te schrappen. D66 meent namelijk dat de soevereiniteit niet bij God ligt, maar via het parlement bij alle burgers. 1 Dit is de leer van de volkssoevereiniteit. Maar Romeinen 13 vers 1 leert het ons wel anders: er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd. 2 Aan deze zaken willen we in dit artikel aandacht schenken door enkele, met het oog daarop heldere en leerzame gedeeltes uit een preek van wijlen ds. A. Vergunst (1926- 1981) hieronder aan te halen.

Op 5 september 1973 herdacht onze toenmalige koningin Juliana dat zij 25 jaar op de Nederlandse troon zat. Ter gelegenheid van dit 25-jarig regeringsjubileum heeft ds. A. Vergunst, destijds predikant van de Gereformeerde Gemeente te Veen, een preek gehouden over de woorden: ‘Door Mij regeren de koningen’ (Spr. 8:15a). Boven deze preek zette hij als toepasselijk thema: ‘Bij de gratie Gods’, en hij verdeelde zijn overdenking in de volgende drie punten: 1) De Goddelijke instelling (van de overheid), 2) De historische leiding (van Nederland en Oranje) en 3) De nationale opdracht (om ons als vorst, overheid en onderdaan in alles te richten naar Gods Woord). Ds. Vergunst wees in deze preek onder meer op de betekenis en waarde van de in de aanhef van de Nederlandse wetten vermelde woorden ‘bij de gratie Gods’. Met name die gedeeltes uit zijn preek hebben we hieronder ter lering en opscherping aangehaald, te beginnen met zijn voorafspraak. 3 Voor het leesgemak hebben we tussenkopjes toegevoegd. De inhoud hebben we uiteraard niet gewijzigd.

Redactie

Voorafspraak

Ds. A. Vergunst: “Het volk van Nederland is ver afgeweken van de God Die Zijn Naam in de geschiedenis tot een gedachtenis maakte. Hoe weinig wordt nog met Gods Woord gerekend. Toch zijn er nog overblijfselen van de publieke erkenning van Gods Naam. Zo vangt elke wet die in ons nationale leven tot stand komt, op deze wijze aan: “Wij, Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau.” Het is goed om daaraan te herinneren, wanneer we het vijfentwintigjarig regeringsjubileum van koningin Juliana gedenken. In dit gedenken moet toch op het ‘bij de gratie Gods’ de volle nadruk vallen. Dan immers zien we met dit voorrecht op tot Hem Die als de God van Nederland onze koningin met gezag heeft bekleed en haar schonk deze reeks van jaren dit te oefenen (1); dan ook staan we stil hij een genadige beschikking Gods, waardoor in onze nationale geschiedenis het huis van Oranje-Nassau en het volk van Nederland zo nauw verbonden zijn (2); dan willen we ook niet vergeten met welke dure verplichtingen het ‘bij de gratie Gods’ volk en vorstenhuis verbindt om deze woorden in een waarachtige vreze van Zijn Naam te bevestigen (3).

1. De Goddelijke instelling

Tot het werk van Gods voorzienigheid behoort ook de onderhouding en ordening van het aardse leven; zo God immers dat leven niet ordende, het zou tot de chaos vervallen. Daarop wijst onze tekst: Door Mij regeren de koningen. Dat betekent dat God in Zijn genade ons menselijk leven onder de band van een door Hem verordend gezag brengt. Dat is een genadige beschikking Gods. Hij immers had na de val van de mens de gehele wereld aan de vervloeking en de verderfenis kunnen prijsgeven. God heeft echter nog een bedoeling met deze wereld. En opdat Hij Zijn doel daarmee bereiken zal, houdt Hij in algemene genade de wereld nog in stand. En tot deze genade, deze gratie Gods, behoort ook dat wat in de Nederlandse Geloofsbelijdenis in artikel 36 aldus beleden wordt:

“Wij geloven dat onze goede God, uit oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen en overheden verordend heeft; wil-lende dat de wereld geregeerd worde door wetten en politiën [verordeningen; red.], opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega.”

Het is een belijdenis die met de heersende opvattingen van deze tijd op zeer gespannen voet staat. God heeft “koningen, prinsen en overheden” verordend. De overheid heeft als instelling een Goddelijke oorsprong. Haar gezag is een gezag dat zij heeft van Godswege. De opvattingen die als vrucht van de ideeën in de Franse Revolutie belichaamd zo krachtig baan gebroken hebben in onze West-Europese samenleving, funderen het overheidsgezag in de wil van het volk; leveren het dan ook uit aan het ‘soevereine volk’. Dan mag dat ‘gezag’ ook geen inhoud hebben die met de wil van dat volk in strijd is.

Wij belijden echter naar Gods Woord het Goddelijke karakter van het ambt van de overheid, zoals Romeinen 13 ons zegt: want er is geen macht dan van God, en de machten die er zijn, die zijn van God geordineerd. Een gelegenheid als deze, waarbij we een regeringsjubileum gedenken, is een uitnemende gelegenheid om hierop eens de volle nadruk te leggen. Vooral nu de krachten van de revolutie zich zo sterk maken en de fundamenten van onze nationale samenleving worden aangetast.

Regeringsvorm

Er zijn in de loop van de eeuwen, aangepast aan maatschappelijke en historische ontwikkelingen, verschillende vormen waarin het overheidsgezag zich heeft voorgedaan. Sommige volken kennen de republikeinse staatsvorm; andere volken de monarchale. In dezen hebben onze gereformeerde vaderen geen principiële keus gemaakt, al kan het niet ontkend worden dat zekere voorkeur van Calvijn, en met hem van onze gereformeerde vaderen, uitging naar de republiek, waarin ook aan het volk enige invloed op het beleid zou worden toegekend. In wezen maakt dit ook geen verschil. Onze geloofsbelijdenis zegt: “koningen, prinsen en overheden”, waaronder men zeer beslist ruimte wilde laten voor de verschillen die onder de volken bestaan. Ook is in de loop der tijden een verschillende mate van volksinvloed waar te nemen geweest. Hoe veelvormig ook de staatsvormen zijn en hoe verscheiden de verhouding van de machten die binnen het raam van de ene staat bestaan, voor ons blijft vaststaan dat de machten die er zijn, van God verordineerd zijn.

Niet meegaan met revolutionaire stromingen

De geest van de revolutie zij ons verre. In de wijze waarop we over onze regering spreken, kome dat steeds tot uitdrukking. In het diepe verval, waarvan we in onze tijd getuigen zijn, kan nooit een rechtvaardiging zijn om over onze overheid te spreken alsof ze niet de van God geordineerde macht zou zijn. Toen Paulus deze woorden in zijn brief aan de Romeinen schreef, was de ‘geordineerde macht’ belichaamd in de Romeinse keizer; en wat heeft de Christelijke kerk van de zijde van de Romeinse overheid niet te lijden gehad. Toen de opsteller van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis in het 36e artikel over de overheid sprak, brandden de brandstapels en zuchtte Gods gemeente onder de druk van een overheid die aan haar roeping en taak niet getrouw was. Toch heeft dat onze gereformeerde vaderen niet verleid om met revolutionaire stromingen van die tijd die de opstand predikten, zich te verbinden. En daarom sprak diezelfde belijdenis uit:

“En hierin verwerpen wij de wederdopers en andere oproerige mensen, en in het gemeen al degenen die de overheden en magistraten verwerpen en de justitie omstoten willen, invoerende de gemeenschap der goederen, en verwarren de eerbaarheid, die God onder mensen gesteld heeft.”

Een ‘ledige’ zin geworden

Nu we dit regeringsjubileum gedenken, mogen we op ‘de gratie Gods’ in het onderhouden van ons staatsbestel nadrukkelijk wijzen. In dit staatsbestel neemt onze geliefde vorstin een geheel eigen plaats in. Al zijn in onze grondwet de rechten van de vorst zeer beperkt en dienovereenkomstig ook de persoonlijke invloed van onze vorstin, onze koningin symboliseert op een bijzondere wijze onze nationale vrijheid, en ondanks vele diepgaande verschillen, toch ook onze nationale eenheid. Dit zijn voorrechten die wel mogen opgemerkt worden. (…)

Maar toch kunnen we bij dit jubileum niet alleen over de vele goede dingen spreken die ons nog gelaten werden. Past ons niet veel eer verootmoediging? Heeft de overheid zelf het ‘bij de gratie Gods’ verstaan? Moeten we niet opmerken dat het vrijwel een ‘ledige’ zin geworden is? Sommigen stelden zelfs voor deze bewoordingen uit de wetgeving te bannen en zo de laatste resten van de erkenning Gods in ons publieke leven op te ruimen.

Diep verval

De laatste vijfentwintig jaren zijn in een geestelijk opzicht ‘kommervolle’ jaren geweest. Na een opleving van godsdienstig besef onder de zware druk van de benauwende oorlogsjaren, is er een droevig verval ingetreden dat zich in een versneld tempo voortzet. Een geestelijk verval dat ontstellende vormen aangenomen heeft en waarmee een schrikkelijke achteruitgang in het zedelijk leven gepaard gaat. Dingen die voor vijfentwintig jaar geleden onvoorstelbaar waren, zijn nu voor velen heel gewoon. De uitspattingen welke zich in het volksleven voordoen, doen ons denken aan het diep verval van het Romeinse rijk, dat in zedelijke verwording onderging. Daarom kunnen we niet dit regeringsjubileum gedenken zonder een oproep tot waarachtige bekering. Juist tegen de achtergrond van geestelijke achteruitgang en zedelijke verwording wordt het ‘bij de gratie Gods’ ons een prediking van Gods lankmoedigheid over volk en vorstenhuis. Dan zouden we met Jesaja wel moeten uitroepen: Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen; zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts (Jes. 1:4). Hierin hebben volk, vorstenhuis en overheid werkelijk samengespannen tegen de HEERE.

We zeggen dit niet om slechts een beschuldigende vinger naar de overheid te richten. Nee, we moeten niet vergeten dat het verval van land en volk voorafgegaan is door het verval van de kerk. Was de kerk in het midden van het volksleven het schijnend licht dat zij behoort te zijn? Predikte zij telkens het ‘bij de gratie Gods’, zodat zij de overheid het feit van haar Goddelijke instelling voorhield en in de profetische verkondiging van het Woord Gods de overheid een richtsnoer om naar te handelen voorhield? Heeft de kerk van Nederland in het prediken van het ‘bij de gratie Gods’ ook het volk de betamelijke gehoorzaamheid jegens de door God geordineerde overheid op het geweten gebonden? Dan moet helaas worden vastgesteld dat de kerk in haar roeping tegenover de overheid en de natie ernstig tekortgeschoten is. Een kerk die in het nationale leven ook zo droevig verscheurd en verbroken is, is zo weinig nationaal-profetisch. Ook hier begint het oordeel bij het huis Gods (1 Petr. 4:17a). Als de kerk de zonden geen zonden meer noemt, wie zal dan het geweten van het volk onderrichten; hoe zal de overheid dan gebonden worden aan de Wet van God? We mochten ons vandaag wel met rouw over nationale zonden voor God verootmoedigen. Zou de zaak van de natie ons niet meer moeten ter harte gaan? In openbare en verborgen gebeden zoudt ook gij de Heere wel mogen aanlopen om bij Hem om een wederkeer tot de Heere verlegen te zijn, opdat het ‘bij de gratie Gods’ weer wezenlijk inhoud krijgen zou in ons nationale leven.

En zouden we dan bij dit herdenken niet terugzien op de bijzondere bemoeienissen die de Heere met het volk van Nederland heeft gemaakt, juist ook in de samenbinding van Nederland en Oranje? (…)

2. De historische leiding

(…) Nog steeds is de band tussen ons koningshuis en ons volk bewaard gebleven. De hand Gods heeft in de geschiedenis deze band gelegd. We mogen dat niet vergeten! Koningin Juliana draagt de naam van de edele stamvrouwe van Nassau, de Godvruchtige Juliana van Stolberg. Het was een blijk van historisch besef, waarvan onze onvergetelijke koningin Wilhelmina bij verschillende gelegenheden blijk heeft gegeven, dat in deze naamgeving de lichtende gestalte van deze vrome vrouw weer in de herinnering van de natie werd teruggebracht. Is de bedoeling van deze naamgeving geweest om voor de op 30 april 1909 geboren prinses de wens uit te spreken dat de Godsvrucht en offerzin van de stamvrouwe van Nassau in haar leven zou gevonden worden? Want dat de genade Gods in het leven van Juliana van Stolberg in rijke mate aan te treffen viel, daarvan getuigen de brieven die ons van haar zijn nagelaten (…).

Een strijd om de ware religie

In de geschiedenis van ons land hebben de Nassaus de spreuk van hun huis ‘Je Maintiendrai’ (Ik zal handhaven) op de zaak van onze nationale vrijheid toegepast. Daarvoor hebben zij zich ingezet op een wijze die de dank van de natie aan dit edel Huis de eeuwen door rechtvaardigt. Het was niet alleen de zaak van nationale vrijheid echter die hen bezielde. De worsteling om de vrijheid was immers ten nauwste verbonden aan de zaak van de religie. Geschiedschrijvers die dat zoeken te ontkennen en het verzet tegen de Spaanse dwingelandij slechts willen laten opkomen uit de afkeer van het betalen van de ‘tiende penning’, veronachtzamen de diepste drijfveer in de strijd van het verleden. We weten dat de liefde welke het gereformeerde volk het huis van Oranje-Nassau altijd toegedragen heeft, juist wortelt in deze strijd voor de ware religie. Het ontstaan van onze natie als een natie van protestants-Christelijk karakter is nauw verbonden aan de strijd van de vorsten en vorstinnen uit het huis van Oranje-Nassau. Voorwaar een bijzondere genade ons als natie in dat Huis gegeven. De verbondenheid van vorstenhuis en volk moeten we in dit licht bezien. Hier geldt wel in het bijzonder: ‘bij de gratie Gods’.

Een moeder des vaderlands

Wat is er veel geofferd voor de zaak van Gods kerk en voor het welzijn van ons volk. En dan wordt juist die naam Juliana, van de stammoeder der Nassaus, met nadruk genoemd. Zichzelf noemde zij “das betrübte Weib”, een bedrukte, bekommerde vrouw. Een vloed van leed en verdrukking is over haar heengegaan. En van haar zegt een geschiedschrijver:

“zou die vrijheid die ons volk heeft mogen genieten en die wij nog altijd kunnen genieten, zou die vrijheid tot stand zijn gekomen zonder de invloed van Juliana van Nassau op haren zoon, zonder de tranen en gebeden dier vrouw?” 4

(…) Te midden van haar eigen leed, drie zonen immers waren voor de zaak van de vrijheid reeds gevallen, is zij bekommerd over de losbandigheid van de soldaten (…); tevens draagt zij leed om de droeve verscheurdheid van de kerk. De tijd waarin zij leefde, was vol van felle twisten tussen de calvinisten en de luthersen. Daarom schrijft zij over het gebrek aan broederliefde. En (…) zij klaagt ook zichzelf aan: er is volstrekt geen verbetering bij ons allen. In [deze] geest (…) heeft Juliana van Stolberg haar kinderen opgevoed en heeft zij in alle zaken waarin zij hen raden mocht, gewezen op het heil dat alleen van God moet verwacht worden.

Het oordeel Gods over onze afwijkingen

Zo zijn Nederland en Oranje eenmaal door de gratie Gods verbonden in een gemeenschappelijke strijd. En deze band is een hechte gebleken. Door de eeuwen heen. Ruim 400 jaar reeds is dit vorstengeslacht met ons land zo nauw verbonden. Ook in de geschiedenis van deze bijzondere verhoudingen zijn er de tijden van opgang en neergang geweest, tijden van zware beproeving soms, maar de Heere liet die band nog bestaan. In het erkennen van die leiding Gods in de geschiedenis ligt de liefde voor het Oranjehuis hecht verankerd. Wanneer echter dit bestel des Heeren, deze gratie Gods, niet meer beleden wordt, dan wordt de grond van deze verbintenis ondermijnd. (…)

Hoe ver zijn we (…) als volk en vorstenhuis van de Godsvrucht van de voorgeslachten afgeweken. Het land wordt met schuld beladen vanwege de roepende zonden van de natie tegen de God des hemels. We denken niet slechts aan het vloeken waarover Juliana van Stolbergs hart bezwaard was, maar aan de goddeloosheden die over het volk worden uitgegoten door godslasterlijke geschriften, Godonterende radio- en televisie-uitzendingen, schandelijke toneelstukken. O, hoe worden de inzettingen Gods vertreden in onze boze tijden. Wordt niet het tijdelijke

meer gezocht dan het eeuwige, het stoffelijke dan het geestelijke? Op de dag van ons gedenken [van het regeringsjubileum van koning Juliana] moest ons acht geven op de leiding Gods in de geschiedenis, ons juist bewegen om op te roepen tot waarachtige bekering: O land, land, land, hoor des HEEREN woord! (Jer. 22:29). Immers, zo de Heere niet erkend wordt, het ‘bij de gratie Gods’ meer en meer een loze, ledige zin wordt, zal het oordeel Gods niet achterblijven. Een oordeel waarin de Heere volk en vorstenhuis betrekken zal; een gericht dat niet dan vreselijk wezen kan. Het ‘bij de gratie Gods’ legt ons immers hoge verplichtingen op. (…)

3. De nationale opdracht

Hoge verplichtingen legt het ‘bij de gratie Gods’ op aan de natie. Immers als we belijden dat het de genade Gods is die de overheid heeft ingesteld, dan moet aan die belijdenis ook verbonden zijn het besef dat in de uitoefening van het overheidsambt met de wil Gods gerekend moet worden. Die wil Gods is uitgedrukt in de beide Tafelen van de heilige Wet Gods. Het is de roeping van de kerk om met grote ernst die beide Tafelen aan de overheid voor te houden, opdat naar het richtsnoer daarvan het volk geregeerd zal worden. O, hoe moet ons dan ook vandaag het verbroken zijn van Gods kerk ter harte gaan. Dat immers verzwakt haar getuigenis; knaagt aan haar nationaal-profetische kracht. Een waarachtig herstel van onze diep gezonken natie zal slechts een begin kunnen hebben in een herstel van de kerk des Heeren. Zo daar het herstel niet aanvangt, er is geen herstel voor de natie te verwachten. Die zaken zijn zo nauw aan elkaar verbonden. O, dat we dan om een verlevendiging van de kerk des Heeren zouden verlegen zijn; de Heere dele nog een ruime mate van Zijn Geest mee.

De voorbede voor vorstenhuis, land en volk kan nooit los zijn van een vurige voorbede voor de kerk Gods. We zouden samen ernstig en vurig tot God moeten roepen. De Heere Zelf binde het op onze harten; ook op de harten van Zijn kinderen, opdat we met deze zaken nog worstelingen aan de troon van Gods genade zouden hebben. Hoe donker de tijd ook is, God is nog de Machtige. Nog schittert ‘de gratie Gods’ (…). De Heere spaarde, ondanks vele roepende zonden, land en volk en vorstenhuis. Maar Zijn lankmoedigheid duurt niet altoos.

Maar, wil dit volk niet bukken

Voor God, ’t wordt ras vernêerd;

’t Raakt t’ onder door verdrukken;

Het wordt van ’t kwaad verteerd;

Daar Hij zelfs prinsen slaat,

Op wie Hij hoon doet dalen,

En die Hij tot een smaad

Doet in het woeste dwalen.

(Ps. 107:20 ber.)

De oordelen des Heeren hangen laag. Toch is het nog genadetijd, omdat nog steeds, ook ten aanzien van onze nationale monarchie, mag worden beleden dat deze ‘bij de gratie Gods’ gespaard is.

Taak en plicht van kerk, overheid, vorstenhuis en volk

De kerk predike de heilige wil Gods, stelle Gods rijke beloften voor die de Heere Zelf aan een leven in Zijn vrees verbindt, maar verberge ook niet Gods geduchte oordelen, zo men in de zonde verhardt.

De overheid regere naar de wil van God. Wat zou het een voorrecht zijn als onze overheid de woorden die ons in ons volkslied Wilhelmus van Nassouwe in de mond gelegd zijn, ook tot de hare zou maken:

In Godes vrees te leven

heb ik altijd betracht.

Wat zouden dan de nationale zonden worden afgebroken door gerechtigheid! De Heere roept de overheid tot een waarachtige gehoorzaamheid.

Ook ons vorstelijk huis. Dat [de leden van ons vorstenhuis] zich toch gedurig mochten herinneren de gebeden en smekingen die voor Gods troon zijn neergelegd door een vrouw die zichzelf eens vergeleek met een worm, kruipende over bevroren grond; een vrouw die in het slot Dillenburg met de Heere worstelde en de zaak van Nederland, ook de zaak van haar zonen, in de handen van God gelegd heeft. Op haar gebed heeft de Heere geantwoord naar Zijn eigen Woord: om het kermen der nooddruftigen zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten dien hij aanblaast (Ps. 12:6).

Bovenal herinnere zich [ons vorstenhuis] de gedenkwaardige woorden die op de voorlaatste avond van het leven van Juliana van Stolberg door haar gesproken werden, namelijk deze: “dat God de nakomelingen van het huis Nassau-Oranje nooit zo diep zou willen laten zinken dat zij om het tijdelijke het eeuwige zouden prijsgeven.” Zo ons vorstenhuis zich niet keert tot de vreze des Heeren, we vrezen voorwaar dat God de door Zijn hand gelegde band weer teniet zal doen. Nog roept het heden ons toe de wondere gratie Gods die Oranje en Nederland bijeenbracht en hield. Maar deze ‘gratie Gods’ wordt erkend in de vrees van Gods heilige Naam:

Vorsten, ’t voegt u Hem, in ’t midden

Van Zijn heiligdom, t’ aanbidden;

’t Voegt u, met de Godgetrouwen,

’s HEEREN heerlijkheid t’ ontvouwen

(Ps. 29:1 ber.)

Het geldt ook het gehele volk. Door Gods genade nog als volk bewaard (…), wordt het nog geroepen tot onderwerping aan Zijn Woord; we halen opnieuw ons volkslied aan:

Tot God wilt u begeven,

Zijn heilzaam Woord neemt aan,

als vrome Christen leven,

’t zal hier haast zijn gedaan.

Ten slotte

Gedenken zonder danken is geen gedenken voor Gods aangezicht, maar danken zonder bekeren kan de Heere niet behagen. O, we haalden van Juliana van Stolberg de woorden aan: “er is volstrekt geen verbetering bij ons allen”. Moeten we die niet tot de onze maken? Immers deze woorden willen zeggen: “We brengen het er niet beter vanaf”. Daarom is ware bekering tot de Heere nodig: voor hart en huis, voor land en volk, voor overheid en vorstenhuis. Dan krijgt de Heere de hoogste plaats: Vreest God! Dan eren we de overheid: eert den koning. Dan zal het vorstenhuis en volk welgaan; dan zal beleden en gebeden kunnen worden in ware nationale eendracht:

Mijn schild ende betrouwen

zijt Gij, o God mijn Heer,

op U zo wil ik bouwen,

Verlaat mij nimmermeer.

Dat ik toch vroom mag blijven,

Uw dienaar t’ aller stond,

de tirannie verdrijven

die mij mijn hart doorwondt.

Noten:

1) Zie: ‘D66 wil af van ‘bij de gratie Gods’’, in: RD, 8 januari 2016

2) Zie ook: C.N. van Dis sr., ‘Bij de gratie Gods’, in: In het spoor, oktobernummer 2004, p. 44-45

3) A. Vergunst, Bij de gratie Gods. Predikatie ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig regeringsjubileum van H.M. koningin Juliana op 5 september 1973, uitgave: Hoekmans boekhandel en uitgeverij Goes, z.j., 19 pagina’s

4) W.G. Brill, Voorlezingen over de geschiedenis der Nederlanden, 1 e stuk, Leiden 1861, p. 54

Fotoverantwoording:

a) Foto Reformatorisch Dagblad

b) Foto RVD, dhr. K. Breukel


Door god gegeven

“Welke regeringsvorm overigens ook goed moge zijn, aan ons land is het constitutioneel koningschap, opgedragen aan het Huis van Oranje b , door God gegeven” (artikel 9 van het SGP-beginselprogram). Ds. G.H. Kersten: “Als het tegen de alle ordinantie Gods omstotende revolutie gaat, hebt gij één zaak slechts u voor ogen te stellen, namelijk dat onze koning(in) ons is van God gegeven, door God ons bleef bespaard en als vorst(inne) behouden en regeert bij de gratie Gods. Erken dát, gij gehele natie (…) Erken dát, gij beweldadigd vorstenhuis en volk”!

-Ds. G.H. Kersten, Een gewijde opwekking om God te eeren, Kampen 1923, p. 13 (herspeld)-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's

Bij de Gratie Gods

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's