Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Melanchthon (1497-1560) en Artikel 36 -1-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Melanchthon (1497-1560) en Artikel 36 -1-

Zijn afkomst, levensweg en invloed in de Nederlanden

32 minuten leestijd

Als nalezing op het 500-jarige herdenkingsjaar van de Reformatie en in aansluiting op de twee artikelen over Luthers (1483-1546) tweerijkenleer 1 hopen we in drie artikelen aandacht te besteden aan de onder ons veel minder bekende medestrijder van Luther Philippus Melanchthon. In dit eerste artikel zal bij zijn levensweg en zijn betekenis voor ons land alsook voor sommige oudvaders stilgestaan worden. Hoewel er nauwelijks literatuur over Melanchthons visie op het ambt van de overheid is verschenen, willen we in de volgende artikelen ingaan op zijn gedachten hierover. Zoals in het tweede artikel over Luthers tweerijkenleer diens gedachten over het ambt van de overheid kort naast artikel 36 NGB zijn gelegd, hopen we dat ook in het laatste artikel over Melanchthon te doen.

Bekend is dat Melanchthon meer een theocraat was dan Luther. Minder bekend is dat hij de geestelijke vader is van de term en Bijbelse gedachte dat de overheid de bewaakster van beide Tafelen van de Wet is (custos utriusque tabulae). Een gedachte die bij Calvijn (1509-1564) is uitgewerkt en onder andere haar neerslag heeft gevonden in artikel 36 NGB.

Duidelijk zal worden dat Melanchthon geen aanhanger van het SGP-hoofdbestuur zou zijn. Ondenkbaar zou het voor hem zijn aan welke overheid dan ook het recht te verlenen om een andere godsdienst dan de zuivere in het openbare leven voor te staan. De overheid had de zorg voor de godsdienst (cura religionis), maar dan wel alleen voor de zuivere leer in de zin van de Reformatie. Zonder meer zou hij tegen een moskee stemmen, afgezien van haar omvang of de aanwezigheid van een geluidsinstallatie op het dak.

Afkomst en jeugd

Philippus Melanchthon werd op 16 februari 1497 als zoon van de wapensmid van de keurvorst van de Palts, Georg Schwarzerdt (zwarterd!), in Bretten geboren. Bretten ligt iets meer dan 50 kilometer ten zuiden van Heidelberg en behoort tegenwoordig tot de deelstaat Baden-Württemberg. Zijn moeder Barbara Reuter was een nicht van de humanist en taalgeleerde Johannes Reuchlin (1455-1522), die niet alleen de studie van het Grieks en Hebreeuws zeer heeft bevorderd, maar ook die van zijn achterneef Philippus vanwege zijn opvallende talenten. Ter ere van zijn landsheer kreeg Melanchthon diens voornaam Philippus, terwijl hij zijn achternaam van Reuchlin gekregen zou hebben. Deze vatte zijn naam op als ‘zwarte aarde’ (schwarze Erde) en vertaalde dat in het Grieks met Melanchthon, wat ‘zwarte aarde’ betekent. Zijn moeder kwam uit een welgestelde koopmansfamilie en haar vader zorgde ervoor dat Philippus al heel vroeg in het Latijn onderwezen werd. Op school in Pforzheim was hij een opvallend goede leerling. Leed bleef hem echter niet bespaard; toen hij elf jaar oud was, verloor hij zowel zijn vader als grootvader. Als briljant student mocht hij zich ook in het Grieks bekwamen. Nog maar twaalf en een half jaar oud werd hij met behulp van Reuchlin als student ingeschreven aan de universiteit van Heidelberg. Twee jaar later, op 10 juni 1511, rondde hij zijn studie af om weer twee jaar later, op zestienjarige leeftijd, aan de universiteit van Tübingen in de filosofie af te studeren. Hier werd hij docent in de retorica (welsprekendheid) en dialectica (redeneerkunde) en later ook in geschiedenis. In 1518 verscheen onder andere een Griekse grammatica van zijn hand. Weer met hulp van Reuchlin werd hij in hetzelfde jaar door de beschermheer van Luther, keurvorst Frederik de Wijze (Friedrich III von Sachsen: 1463-1525), aan de universiteit van Wittenberg als hoogleraar Grieks benoemd. Hier zou hij zijn verdere leven blijven en kwam het tot een nauwe vriendschap en samenwerking met Luther.

Wittenberg

Op 21-jarige leeftijd houdt hij in Wittenberg zijn inaugurele rede, waarin hij het belang van goed onderwijs aan de orde stelt en vernieuwingen daarvoor voorstelt. Het gaat om een goede kennis van de grondtalen om de Bijbel goed te verstaan en misverstanden te voorkomen. Als humanist wil hij terug naar de bronnen en de jeugd opvoeden door het bestuderen van de kerkvaders alsook de klassieke Griekse en Latijnse schrijvers, door middel van de studie van de bonae litterae (goede letteren), waartoe ook de Bijbel behoorde, naar de bonae mores (goede zeden). Hier komt hij echter onder de invloed van Luther, van wie hij volgens eigen zeggen het verschil tussen Wet en Evangelie geleerd heeft. Maar ook leert hij door hem steeds meer inzien dat andere wetenschappen dan de theologie hulpwetenschappen van de theologie (ancillae theologiae, dat is: dienstmaagden van de theologie) behoren te zijn. De meester van de methodiek, Aristoteles (384-322 v.Chr.), krijgt na aanvankelijke gehele afwijzing voor bepaalde terreinen de nodige waarde ter bevordering van de helderheid vooral met het oog op het onderzoek van de Bijbel. Hij zuivert Aristoteles en gebruikt diens begrippenapparaat en logica. Dat had de middeleeuwse scholastiek veelal verkeerd gedaan. Het belang van wetenschappen zoals kennis van het Latijn, de Bijbelse talen Grieks en Hebreeuws, de redeneerkunde (dialectica) en de welsprekendheid (retorica) is hij altijd blijven beklemtonen. Maar zeker voor de opleiding van aanstaande predikanten acht hij deze vakken zonder meer hoogstnoodzakelijk.

Van Luther, die in deze ontwikkeling zo’n grote rol speelde en met wie hij in Wittenberg direct op vertrouwelijke voet stond, getuigt hij aan een vriend in een brief van 17 april 1520: “Ik zou liever sterven dan van deze man gescheiden worden.” 2 Wanneer zijn oudoom Reuchlin hem onder andere vanwege een beter salaris en vanwege Luthers invloed naar Ingolstadt, de universiteit van Johannes Eck (1486-1543), wil weglokken, gaat hij hierop niet in omdat hij in de band met Luther de bijzondere leiding van de Heilige Geest ziet. Wel heeft hij het altijd moeilijk gehad met Luthers impulsieve en soms barbaarse benadering van andersdenkenden. Luther zelf zegt over Melanchthon: “Onze Philippus Melanchthon is een geweldig mens, bijna alles aan hem is bovenmenselijk en toch zijn wij heel vertrouwd en bevriend met elkaar.” 3 Een andere keer heet het: “God heeft in dit zwakke vat, dat Eck zo verachtelijk vindt, grote Goddelijke gaven gelegd, waarvoor wij Hem hartelijk dankbaar zijn. Toch prijs ik Philippus niet, want hij is een schepsel Gods en in zichzelf is hij niets. Ik eer in hem het werk van mijn God.” 4

Onder leiding van Luther rondt hij in 1519 zijn studie in de theologie af met enkele stellingen over het gezag van de Heilige Schrift en met kritiek op de transsubstantiatieleer waarmee hij eerder kwam dan Luther. Doctor in de theologie werd hij niet en een eredoctoraat wees hij uit bescheidenheid af, zodat hij ‘magister Philippus’ bleef. Luther zelf volgt les in het Grieks bij hem. In 1519 tijdens het dispuut van Leipzig tussen Luther en Eck staat hij Luther al terzijde in het theologische debat. Luther zegt van hem: “Deze kleine Griek overtreft mij zelfs in de theologie!” 5 Aan deze uitspraak van Luther is zijn bijnaam ontleend: ‘de kleine Griek’.

Het is Melanchthon die Luther in december 1521 bij zijn incognito bezoek aan Wittenberg ook aanzet om het Nieuwe Testament te vertalen, waarbij Luther van Melanchthons kennis van het Grieks gebruikmaakt. Onschatbaar is het belang van Luthers Bijbelvertaling geweest! Over Melanchthons bijdrage aan dit zegenrijke werk stelt Selderhuis: “De Luther-bijbel is derhalve op een bepaalde wijze ook de bijbel van Melanchthon.” 6

‘Loci communes’

Van groot belang is ook het werk Loci communes rerum theologicarum (‘gewone plaatsen’ in de zin van hoofdbegrippen of algemene grondbeginselen ‘van theologische zaken’) geweest, waarvan in 1521 de eerste uitgave met een beperkte omvang verscheen. Het was de eerste protestantse dogmatiek en werd een belangrijke handleiding bij de studie van de Bijbel. De eerste druk is vooral gericht op het verschil tussen Wet en Evangelie. De Zwitserse reformator Heinrich Bullinger (1504-1575) is vooral door het lezen van dit geschrift in de winter van 1521/22 voor de Reformatie gewonnen. Een tweede zeer uitgebreide en herziene druk verscheen in 1535, terwijl de laatste nieuwe druk in 1543/44 het licht zag. In 1555 verzorgde Melanchthon zelf een Duitse uitgave, terwijl de laatste uitgave van zijn hand in 1559 gepubliceerd werd. Tussendoor verschenen er ook nog vele, soms iets gewijzigde uitgaven. In de eerste druk verwierp hij volledig de vrije wil, waarvoor Luther hem prees. In latere uitgaven was hij terughoudender hoewel hij Luthers opvatting van de slavernij van de wil ook toen volledig onderschreef. Van een noodzakelijke bijdrage aan de eigen zaligheid van de mens (synergisme) is bij Melanchthon dan ook echt geen sprake. Zijn opvatting over het Avondmaal benaderde steeds meer die van Calvijn, terwijl hij de predestinatie alsook de vrije wil iets anders beschouwde. Ook kwam er steeds meer nadruk te liggen op het doen van goede werken door het geloof, echter niet als een voorwaarde voor de zaligheid. Melanchthon kwam in dit verband ook tot het drieërlei gebruik van de wet, waarvan het derde gebruik nieuw was, namelijk de wet voor de ware gelovigen als regel der dankbaarheid (tertius usus legis). Hierin onderscheidde hij duidelijker dan Luther. Dit punt alsook zijn latere opvatting over het Avondmaal maakten hem met name verdacht bij latere lutheranen (strenge of gnesio-lutheranen). De Loci communes werd het theologische handboek voor de lutheranen en het lutherse onderwijs. Calvijn heeft het boek gebruikt bij het schrijven van zijn Institutie.

‘Loci communes’ en Calvijn

In dit verband is zeer interessant wat Calvijn in zijn ‘Woord vooraf’ van de Franse vertaling van de Loci communes 7 schreef. Hij liet dit werk in het jaar van Luthers dood 1546 vertalen en bezorgde in 1551 een herdruk, die in Genève uitkwam. Sommigen denken overigens dat Calvijn zelf de vertaling heeft verzorgd. Het zou de enige keer geweest zijn dat iemand van het ene kamp een werk aanbevolen zou hebben van iemand uit het andere kamp.

Uit het ‘Woord vooraf’ blijkt dat hij Melanchthon en dit werk waardeerde. Kort, maar krachtig spreekt hij zijn waardering voor Melanchthon uit: “Ik laat hier na te spreken over de man en over de bijzondere gaven waarmede hij gesierd is, waarvoor hij wel waard is geëerd te worden door al diegenen die prijzen wat van God komt.” 8 Vervolgens gaat hij op drie verschillen met zijn eigen opvattingen in, die betreffen de vrije wil, de predestinatie en de absolutie als sacrament. Vanwege deze verschillen moet de lezer echter het boek niet verwerpen.

Ten aanzien van Melanchthons opvatting over de vrije wil stelt Calvijn het volgende:

Gelijk in de zaak van de vrije wil; ik weet wel dat hij er geen volkomen oplossing van geeft om iedereen te voldoen. Want het schijnt wel dat hij iets voor de mens overhoudt. De reden is dat nadat hij het voornaamste aangetoond heeft, hij liever wil ophouden dan redetwisten over zaken die hem niet zozeer vereist schijnen voor het heil van de Christenen. (…) Wij zien dus dat al het geestelijk goede dat betrekking heeft op onze zaligheid, door hem wordt toegeschreven aan de genade van God alleen, zonder dat de mens zich op iets beroemen kan. Intussen staat hij aan de mens enige vrijheid toe in hetgeen het aardse leven niet te boven gaat, zoals opstaan en gaan slapen. (…) Hoewel hij ook aan die vrijheid die hij de burgerlijke noemt, een toom aanlegt om haar terug te houden, als hij zegt dat God altijd daar boven heerst. Daar blijft dus niet veel te wensen over. Maar toch is het goed geweest de lezers dienaangaande te onderrichten opdat niemand zich aan een kleinigheid zal stoten, gezien de bedoeling van de schrijver.9

Ook aangaande de predestinatie acht Calvijn het verschil met Melanchthon niet wezenlijk. Daarover zegt hij het volgende:

Evenzo is het met de predestinatie; omdat hij tegenwoordig zoveel lichtvaardige geesten ziet, die zich maar al te veel aan nieuwsgierigheid overgeven, en daarin geen maat houden; omdat hij dit gevaar wil voorkomen, heeft hij liever alleen maar willen aanroeren wat nodig was te weten, terwijl hij het overige als begraven laat, - dan bij het uiteenzetten van alles wat hij wel had kunnen zeggen, de teugel te laten vieren aan vele ontstelde en verwarde disputen, waarvan intussen geen vrucht van goede onderrichting komt. Ik belijd dat van alles wat het God behaagd heeft ons te openbaren door de Schrift, niets weggelaten moet worden, wat er ook van komt. Maar wie zoekt te onderwijzen ten voordele van de lezers, verdient wel verontschuldigd te worden als hij blijft staan bij hetgeen hij weet dat het meest dienstig is, terwijl hij licht heengaat over of achterwege laat datgene waarvan hij niet zulk een voordeel verwacht.10

Hoewel Calvijn dus iets anders dacht over het onderzoek van Gods openbaring en het onderwijs daarvan naar buiten - “Ik belijd dat van alles wat het God behaagd heeft ons te openbaren door de Schrift, niets weggelaten moet worden, wat er ook van komt.” -, is het duidelijk dat hij begrip heeft voor Melanchthons handelwijze. Deze wilde sommige dingen minder diep onderzoeken en niet in het openbaar belijden om nutteloze discussies en misbruik te voorkomen. Melanchthon had, volgens Calvijn, alles wat nodig was ter zaligheid gezegd, ook over de blindheid van het menselijk verstand en de geheel verdorven en zondige wil van de mens, en alleen weggelaten wat men zonder gevaar niet behoefde te weten. Hij wilde de mens vernederen en aantonen dat al het goede van de genade van God komt.

Wat het derde verschil betreft, zegt Calvijn dat Melanchthon uit bescheidenheid en ter voorkoming van twist de absolutie aan de sacramenten heeft toegevoegd, alleen niet op dezelfde hoogte als Doop en Avondmaal. Hij heeft die toevoeging alleen maar toegelaten en willen dulden.

Invloed in Nederland

Afgedacht van contacten met Wittenberg via studenten heeft Melanchthon vooral door zijn werken in het Latijn en Duits al vroeg invloed in ons land uitgeoefend. Omdat deze in het geheim gelezen en besproken worden, verschijnen er keizerlijke en plaatselijke plakkaten tegen. In 1553/1554 verschijnt een geschrift in Nederlandse vertaling over de taak van de overheid tegen kerkelijke misstanden. 11 In 1619 komt er in het kader van de remonstrantse twisten nog een vertaling van hetzelfde werk op de markt. We hopen op dit geschrift nog terug te komen. In 1559 wordt er in Emden een Nederlandse vertaling van Melanchthons commentaar op Kolossenzen uitgegeven. Een Nederlandse vertaling van de Loci communes volgt in 1563. Vanuit remonstrantse hoek wordt er in 1611 nog een vertaling van het hoofdstuk over de zonde uit de Loci gepubliceerd ter verdediging van de vrije wil. Zeker is ook dat de pastoor uit Garderen, Joannes Anastatius Veluanus (Jan Gerritsz. Versteghe; ± 1520-1570), als hervormer van de Veluwe door het werk van Melanchthon sterk beïnvloed is. Niet altijd met succes heeft Melanchthon zich verder ingezet voor de Nederlandse gereformeerde vluchtelingen in Duitsland. Hij had in tegenstelling tot vele lutherse predikanten geen bezwaar tegen zelfstandige gereformeerde vluchtelingengemeenten. Omdat het verschil tussen Melanchthon en Calvijn maar klein was, ging menig Nederlandse student uit Wittenberg in Nederland over tot het calvinisme.

Melanchthons invloed in Nederland is beperkt gebleven en vooral van betekenis geweest in de zestiende eeuw, de tijd vóór de remonstrantse twisten. Hoewel minder bekend, was zijn invloed er later echter wel, ook op verscheidene bekende oudvaders. Dit heeft zeker te maken met het feit dat Melanchthon meer systematicus dan Luther was en minder ver van Calvijn afstond dan Luther. Dat zijn invloed het grootst in de zestiende eeuw was, hangt wellicht samen met het feit dat de remonstranten zich graag op Melanchthons ‘voorzichtige en verstandige’ behandeling van de verkiezing en de vrije wil beriepen. Zij spraken van de visie van Melanchthon en die van Calvijn, waarbij zij de visie van Melanchthon zouden vertegenwoordigen. Maar de contraremonstranten onderkenden dit als een verdraaiing van feiten en beschouwden, net als Calvijn, Melanchthon niet als onzuiver. De provinciale synode van Gelre en Zutphen sprak dit in 1618, een half jaar vóór de Dordtse synode, officieel uit en de particuliere synode van Noord- Holland volgde iets later. 12

Trigland

Boeiend is in dit verband dat Jacobus Trigland (1583- 1654) in zijn Kerckelycke Geschiedenissen 13 met uitvoerige citaten de voorstelling van de remonstranten Johannes Wtenbogaert (1557-1644) en Hugo de Groot (1583-1645) weerlegt dat Melanchthon een arminiaan zou zijn geweest. Melanchthon heeft in een brief aan Calvijn in het jaar 1543 over de predestinatie geschreven dat hij niet over alles “subtieler” wilde redetwisten, en verklaarde: “Ik weet ook dat dit mijne met het uwe wel overeenkomt; maar dit mijne is wat grover en gericht op het gebruik.” 14 Trigland stelt vast dat Melanchthon dus zelf verklaard heeft dat er op dit punt geen meningsverschil met Calvijn was, maar Melanchthon ging minder ver in het onderscheiden dan Calvijn.

Het verschil tussen Melanchthon en Calvijn aangaande de vrije wil en de predestinatie ligt, aldus Trig land, alleen in de manier van voorstellen en dit verandert de mening en de leer niet. Trigland verklaart het verschil als volgt: Melanchthons voorstelling van de leer van de verkiezing gebeurt “van achteren” en die van Calvijn “van voren”. 15 Trigland bedoelt hiermee dat Melanchthon de verkiezing vanuit de mens en de tijd (vanuit het geloof; van beneden op; a posteriori) beschouwt, terwijl Calvijn dit meer doet vanuit God en de eeuwigheid (van boven af; a priori). Melanchthon klimt vanuit het geloof en de vrucht op tot de verkiezing als de oorzaak, terwijl Calvijn meer afdaalt vanuit de verkiezing tot het geloof en de goede werken als vrucht. Luther en Melanchthon hebben over de predestinatie ‘wat zachter’ gesproken, wat niet verwonderlijk is omdat de mensen net uit de roomse bijgelovigheid waren uitgeleid en nog ‘klein’ en ‘teer’ in de kennis van de waarheid waren. Eerst de melk en dan de vaste spijs. Luther heeft zijn mening over de verkiezing en de vrije wil nooit gewijzigd, zoals ook enkele voorname lutheranen erkend hebben. 16 Melanchthon wil voorkomen dat God als de oorzaak van de zonde wordt gezien en dat mensen verkeerd met de predestinatie omgaan, maar leerde geen algemene genade en vrije wil zoals Jacobus Arminius (1560-1609) en Wtenbogaert dat deden. 17

Sopingius

Verder wijst Trigland nog op een werk van de Friese predikant Godefridus Sopingius (1573-1615), die zijn leermeester de hoogleraar Sibrandus Lubbertus (±1556-1625) verdedigde tegen lasteringen van Hugo de Groot. Deze had Lubbertus verweten de Staten van Holland en West-Friesland beledigd te hebben. Tevens had hij daarbij gesteld dat Melanchthon verklaard had het met de vijf artikelen van de remonstranten eens te zijn. Lubbertus had zich in een geschrift verdedigd en het laatste weersproken, waarop een anonieme remonstrant weer gereageerd had. Sopingius had daarop Lubbertus verdedigd in een geschrift Apologetica responsio 18 en uitvoerig de zogenaamde bewijzen van de remonstrant dat Melanchthon het gevoelen van de remonstranten deelde, weerlegt. Dit werk werd in 1616 te Franeker kort na het overlijden van Sopingius door zijn collega te Bolsward Godschalcus Altius (Aeltius; ±1575-1649) uitgegeven. 19

Wat de invloed van Melanchthon betreft, moet nog gewezen worden op die via de Heidelbergse Catechismus, die voor het grootste gedeelte door zijn leerling Zacharias Ursinus (1534-1583) is samengesteld.

In 1970 verscheen er nog een Nederlandse vertaling van de Loci in Stemmen uit Wittenberg 20 .

Verdere levensweg en de Augsburgse Confessie

Melanchthon trad in 1520 in het huwelijk met Katharina Krapp (1497-1557), dochter van een burgemeester. Het was het eerste huwelijk van een belangrijke reformator, dat hem overigens als niet-geestelijke niet verboden was. Zij was een toegewijde vrouw en goede moeder voor hun vier kinderen.

Voor de Rijksdag van Augsburg (1530) werkte Melanchthon koortsachtig alleen aan de verwoording van de leer als een laatste poging tot verzoening met rome. Luther verbleef als vogelvrijverklaarde op de Veste Coburg zodat hij met hem gedurig overleg kon plegen. Voorzichtig verdedigde Melanchthon de ‘nieuwe’ leer in zijn Confessio Augusta (de Augsburgse Confessie). Deze belijdenis maakte veel indruk en is van heel grote betekenis voor de lutheranen geworden. Zij draagt overigens duidelijk het stempel van compromisformules en bewuste wegla-tingen. Luther kreeg het daarmee achteraf moeilijk. Zij werd aan keizer Karel V (1500-1558) voorgelezen en aangeboden, maar vervolgens na een uiterst zwak verdedigingsgeschrift van Eck en de zijnen door hem afgewezen. De protestanten werden door de Rijksdag veroordeeld.

Toch bleef Melanchthon zich nog lange tijd via de keizer inzetten voor verzoening. Maar het concilie van Trente dat in 1545 begon, maakte met zijn anathema’s (banvloeken) de breuk echt definitief. Toen moest zelfs Melanchthon het opgeven.

In 1539 ontmoetten Melanchthon en Calvijn elkaar in Frankfurt. Er was wederzijds niet alleen een erkennen, maar ook goed verstaan van elkaar. Verschillen bleken er te zijn over de tradities van de kerk en de tucht, maar niet zozeer over het Avondmaal en de vrije wil. Calvijn schreef over hem aan een vriend: ”Wie een keer met deze man gesproken heeft, weet dat dit een volkomen betrouwbaar mens is, hij moet elke gedachte dat deze man met twee tongen zou spreken, laten varen.” 21 Toen Melanchthon korte tijd later in 1540 het Avondmaalsartikel van deze belijdenis herschreef, de Confessio Augustana variata (de Augsburgse Confessie veranderd), deed hij dat zo dat Calvijn er geen bezwaar meer tegen had. Calvijn ondertekende deze met de kanttekening: “in de geest waarin de opsteller (Philippus Melanchthon) haar bedoeld heeft” 22 . De Godvruchtige keurvorst Frederik III van de Palts 23 beriep zich vrijmoedig op deze belijdenis. 24 Opmerkelijk is het dat Luther ook met deze belijdenis instemde, maar sommige lutheranen (gnesio-lutheranen) verwierpen Melanchthon als verborgen calvinist (crypto-calvinist) en daarmee ook deze belijdenis.

Na Luthers dood heeft hij veel geleden onder de theologische ruzies van de lutheranen en de vaak onrechtvaardige kritiek die hem daarbij ten deel viel. Wel is het zo dat hij als man van de vrede soms (veel) te ver ging in het toegeven omwille van de vrede. Hij kwam tot compromissen die zeker te betreuren waren, maar aan zijn oprechtheid valt niet te twijfelen. Calvijn noemde hem ondanks zijn waardering tegenover de Geneefse Raad wat bang uitgevallen. Toch kon hij ook aan hemzelf schrijven: “Ik ben overtuigd, dat doodsgevaar u nooit ertoe zal kunnen brengen uw houding te wijzigen, om ook maar een haarbreed van de rechte weg af te wijken. Maar ik weet, hoezeer gij het verwijt van onmenselijke starheid vreest.” 25 Volgens de Lutherkenner professor Kooiman, die een mooie biografie over Melanchthon schreef 26 , was hij niet zozeer bang als wel onzeker van aard. Ondanks dit verschil met Calvijn waardeerde Calvijn hem zeer. Hij schreef in zijn laatste brief aan Melanchthon (19 november 1558) over zijn vriendschap met hem:

Dit echter moet geen plaatselijke verwijdering ons ontroven, dat wij tevreden met de verbinding die Christus door Zijn bloed heeft ingewijd en door Zijn Geest in onze harten gesloten, zolang wij op aarde leven, ons aan de schone hoop staande houden, waaraan ook jouw brief ons herinnert, dat wij in de hemel eenmaal eeuwig met elkaar leven zullen en daar ons eeuwig in onze liefde en vriendschap verheugen kunnen.27

Anderhalf jaar later werd Melanchthon op 19 april 1560 ruim 63 jaar oud van alle aardse beslommeringen en de ‘razernij der theologen’ (rabies theologorum) verlost en mocht hij ingaan in de heerlijkheid zijns Vaders. Hij werd naast Luther in de Slotkapel bijgezet. Zijn levensdevies was: Ist Gott für uns, wer mag wider uns sein (Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?; Rom. 8:31).

Leraar van Duitsland

Melanchthon bewoog zich op het gebied van bijna alle vakken. Volgens een vergelijking van hemzelf moesten alle wetenschappen stemmen zijn in het koor dat tot lof van God zingt. Zo hield hij zich bezig met bijvoorbeeld geschiedenis, rechten, natuurwetenschappen en medicijnen. Zelfs met astrologie waarbij hij als kind van zijn tijd nogal wat geloof hechtte aan de invloed van sterren en planeten en verklaringen zocht voor visioenen en dromen. Luther ging met deze laatste dingen veel minder serieus om.

Melanchthon bedreef geen wetenschap omwille van de wetenschap, maar wilde zijn tijdgenoten opvoeden. Veel heeft hij gedaan voor verbetering van het onderwijs en dat niet alleen voor het theologische onderwijs. In zijn eigen woning begon hij al vroeg met een huisschool. Leerprogramma’s en schoolplannen voor verscheidene takken van onderwijs heeft hij geschreven. Zijn invloed bleef niet beperkt tot Wittenberg. Zijn leerlingen verspreidden zich bijna over heel Duitsland en delen van Europa. Een invloedrijke kerkorde en een handboek voor kerk visitatie werden door hem opgesteld, waarbij hij door kerkvisitaties de soms indroevige geestelijke toestand leerde kennen. Verder handboeken voor de ethiek en politicologie. Intensief hield hij zich ook bezig met de geschiedenis. Vanaf 1532 tot aan 1560 verschenen bewerkingen van een boek van Johann Carion (1499-1537) over de wereldgeschiedenis. Op Melanchthon gaat ook het onderscheid tussen de kerk- en de wereldgeschiedenis terug, waarbij hij de geschiedenis bepaald zag door de heilsgeschiedenis. Op theologisch gebied zijn nog belangrijk te noemen zijn commentaren op de brief aan de Kolossenzen (1527) en de Romeinen (1556).

Kortom, hij wordt enerzijds terecht de leraar van Duitsland (praeceptor Germaniae) genoemd, maar kan anderzijds ook in zekere zin een leraar van de gereformeerde gemeenschap genoemd worden. Hij bezat in bijzondere zin het talent van de begrijpelijkheid; hij kon zijn opvattingen op heldere wijze overbrengen ter bevordering van de Reformatie. Zijn invloed is groter geweest dan men over het algemeen vermoedt. Hij streefde naar vrede en verzoening en is daarom wel als bruggenbouwer gekarakteriseerd. “Hij was een brug tussen lutheranisme en calvinisme, tussen kerk en onderwijs, tussen humanisme en reformatie, tussen reformatie en scholastiek.” 28

Voetius

De grote Voetius (1589-1676) waardeerde Melanchthon als ‘een zeer milde man en de vrede zeer toegedaan’. Hij noemde hem ook een ‘licht onder theologen’. Volgens prof. A.J. Beck beschouwde Voetius hem niet alleen als de leraar van Duitsland, maar ook “van de hele gereformeerde gemeenschap” 29 . Men kon zijn evenwichtige oordeel op prijs stellen. Voetius is ook min of meer in het spoor van Melanch thon getreden als bruggenbouwer tussen de gereformeerden en luthersen omdat hij zich verscheidene keren tevergeefs inzette voor een toenadering van beide groepen. Geen begrip toonde hij voor de tegenwerking van de tegenstanders van Melanchthon. Onder andere in zijn werk De praktijk der godzaligheid (1664) haalde hij de door Melanchthon gebezigde uitdrukking ‘de razernij der theologen’ aan met de kanttekening dat dit zag op de “veelal ondankbare leerlingen van hem, of mensen die gunsten van hem genoten hadden.” 30 In hetzelfde werk stelde hij hem in hoofdstuk 24 over ‘Het Christelijk huisbezoek’ naar aanleiding van ‘bijzondere vertroostingen’ tot een nastrevenswaardig voorbeeld:

Op vele plaatsen in zijn Algemene leerstukken, Kroniek, Brieven, Adviezen en andere werken heeft Melanchthon godzalige vertroostingen en vermaningen opgenomen, alsmede gebeden, geloften en godzalige verzuchtingen. Het ware wel zeer te wensen dat alle predikanten en theologen hem hierin zouden navolgen.31

Uit de lijsten bij de verkoop van zijn boeken blijkt dat hij de meeste werken van Melanchthon zelf bezat. Hij beval ze zijn studenten ook aan. Hij waardeerde niet alleen zijn theologische, maar ook zijn (onderwijs)- organisatorische en pedagogische werken. Beiden wensten ze gebruik te maken van het begrippenmateriaal van de scholastiek en van wetenschapsvakken als de wijsbegeerte, logica enz. als dienstmaagden van de theologie, waarbij ze ervoor waakten dat een en ander ging heersen over de Schrift zoals dat in de Middeleeuwen gebeurde.

Volgens professor Beck zijn bij Voetius in de Godsleer met name overeenkomsten met Melanchthon aan te treffen aangaande de natuurlijke godskennis, de leer van de Drie-eenheid en het wilsoordeel van de mens. In dit verband is het goed te bedenken dat wanneer directe beïnvloeding niet echt duidelijk aan te tonen is, we vlug op het gebied van de speculatie geraken.

Oomius

Professor F. van der Pol heeft de invloed van Melanchthon op het vierdelige theologische hoofdwerk van ds. Oomius (1630-1706) Institutiones theologiae practicae 32 aangetoond 33 . We vatten het belangrijkste hiervan samen.

In de ‘Inleiding’ op dit werk, dat als apart deel in 1672 verscheen (Dissertatie), beklemtoont ds. Oomius dat het gaat om leer en leven, om de praktijk van de Godzaligheid, en haalt hij Melanchthon verscheidene keren als voorbeeld aan. Hij spreekt daarbij onder andere van ‘onze’ (p. 304) leer en van ‘onze’ (p. 50) Melanchthon. Hij verwijst ook naar een uitspraak die Melanchthon tijdens een wandeling met de Straatsburgse reformator Martin Bucer (1491-1551) langs de Rijn profetisch met het oog op de nieuwigheden van de remonstranten gedaan zou hebben: “Wee Nederland, vanwege het gruwelijke bloedbad en de dartelheid van de verstanden” 34 . Iets verder in het boek betuigt Oomius zijn hartelijke instemming met een gezegde van Theodorus Beza (1519-1605), de opvolger van Calvijn, die stelde dat “de grote en nooit genoeg volprezen Philippus Melanchthon zich zeer voortreffelijk heeft ingezet” 35 om de toenmalige filosofie te reinigen door een toetsing ervan aan Gods Woord als de zuivere waarheid. Net als voor Melanch thon, naar wie hij daarbij herhaaldelijk verwijst, acht ds. Oomius het oude theologische begrippenmateriaal, het gebruik van syllogismen (sluitredes) en de welsprekendheid belangrijk ter verdediging van de waarheid en vanwege de helderheid.

Nadrukkelijk sluit hij zich voor zijn handboek over de praktische theologie aan bij de methode en structuur van Melanchthons Loci communes. We moeten daarbij denken aan de zogenaamde ‘natuurlijke’ theologie, waarbij uitgegaan wordt op grond van Romeinen 1 vers 19 van een algemeen Godsbesef in alle mensen. Tevens wordt de wetenschappelijke methode gebruikt (zie p. 396, 397) van een korte beschrijving van een waarheid (expositio), een verklaring daarvan (explicatio), de verwerping van de desbetreffende dwalingen (polemiek) en een toepassing (applicatio). Hij wil daarmee in het spoor gaan van de eerste reformatoren als gebruikers van deze methode. Allereerst noemt hij dan onder de belangrijkste gebruikers Melanchthon en verder Calvijn en Martyr Vermigli (1499-1562). In dit kader haalt hij een uitspraak van Zacharias Ursinus (1534-1583) aan die hij gewoonlijk in dit verband deed: “Philippus heeft mij de laarzen aangedaan, Calvinus heeft mij op het paard gezet, Martyr heeft de sporen eraan toegevoegd.” 36

In de drie delen van de Institutiones zijn tal van voorbeelden uit Melanchthons werken aan te treffen, aanhalingen, verwijzingen naar hem en aanbevelingen van hem. Onmiskenbaar is het dat Oomius het werk van Melanchthon goed gekend en benut heeft. Hij waardeerde hem zonder meer als reformator, uitstekend leraar en uitlegger van de Bijbel, maar ziet in hem ook een bevorderaar van een ware bevindelijke geloofspraktijk, die aandrong op een verantwoorde godsdienstige opvoeding door de ouders, persoonlijke Bijbelstudie en gebed. Het voert te ver om hier nu verder op in te gaan en we verwijzen voor de geïnteresseerde lezer naar het informatieve artikel van prof. Van der Pol (zie noot 33). Veel invloeds- en waarderingselementen die bij Voetius zijn aan te treffen, komen bij zijn leerling Oomius terug. En dit zal niet alleen voor deze ene leerling gelden.

Ten besluite

Duidelijk mag zijn dat de betekenis voor en de waardering van Melanchthon door onze oudvaders groter is dan waarvan onder ons wordt uitgegaan. Dat dit ook geldt voor zijn opvatting over het ambt van de overheid als ‘bewaakster van beide Tafelen van de Wet’, hopen we in een volgend artikel aan te tonen. In dit opzicht kan hij ons en in het bijzonder het hoofdbestuur van de SGP nog veel leren.

We willen dit artikel besluiten met een passage uit een ander werk van ds. Oomius Cierlijke kroon en krans des grijsen en goeden ouderdoms waarin hij het sterfbed en de laatste woorden van Melanchthon aanhaalt na erop gewezen te hebben dat Melanchthon stierf op hetzelfde uur ’s avonds als hij geboren was. De in het citaat genoemde dr. Caspar Peucer (1515-1602) is de schoonzoon van Melanchthon. Het woord ‘zwager’ werd vroeger ook gebruikt voor schoonzoon. Deze dr. Peucer was jarenlang lijfarts bij keurvorst August van Saksen (1526-1586), maar werd na diens breuk met Heidelberg en ommezwaai tot de strenge lutheranen door hem als vertrouweling van Melanchthon en heimelijke calvinist (crypto-calvinist) zeer onrechtvaardig twaalf jaar lang in de gevangenis opgesloten. Hij zou op de achtergrond weinig bekende verdiensten voor de gereformeerde kerken in Duitsland en het buitenland hebben gehad. 37 Kort voor Melanchthons heengaan vroeg deze schoonzoon hem of hij nog iets verlangde, waarop Melanchthon antwoordde “de hemel”. In heel zijn leven hebben de Psalmen veel voor Melanchthon betekend, wat ook uit dit citaat blijkt:

Een weinig voor zijn dood gevraagd zijnde door zijn zwager Peucerus of hij nog iets begeerde antwoordde [hij]: niets anders dan de hemel. En tot het laatste toe gebruikte hij deze woorden: O God, ontferm u mijner, door Christus Uw Zoon. En dan deed hij daar wel bij uit Davids psalm: Op U Heere heb ik gehoopt; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.38


Noten:

1) Zie het oktobernummer van 2017 van In het spoor, p. 182-190 en het decembernummer van 2017, p. 259- 272

2) Corpus Reformatorum, I, k(olom) 160. Het Corpus Reformatorum (voortaan: CR) bestaat uit 101 delen die het verzameld werk bevatten van de drie grote reformatoren Johannes Calvijn, Philippus Melanchthon en Huldrych Zwingli (1484-1531). De eerste 28 delen betreffen het werk van Melanchthon: Philippus Melanchthon, Opera quae supersunt omnia, volumes 1-28, waarvan de eerste 15 delen bewerkt zijn door Karl Gottlieb Bretschneider (1776-1848). Deze zijn in het Latijn of Duits geschreven. De meeste delen zijn online te raadplegen: https://en.wikipedia.org/wiki/Corpus_Reformatorum. Voor de vertaling uit het Latijn ben ik mijn vriend drs. J. Verbaas, literatuurwetenschapper en classicus, zeer erkentelijk. De meeste onbekende citaten uit het Latijn heeft hij vertaald of gecontroleerd; voor de citaten uit het Duits ben ik zelf verantwoordelijk. Citaten in deze levensbeschrijving komen vaak terug in de verschillende handboeken. Zie bijvoorbeeld dit citaat: geciteerd bij: H.J. Selderhuis, Melanchthon. Zijn betekenis voor het protestantisme. Melanchthon en de Nederlanden in de 16 e en 17 e eeuw, Apeldoornse Studies no. 41, Apeldoorn 2001, p. 10 (voortaan: Selderhuis) en W.J. Kooiman, Philippus Melanchthon, Amsterdam 1963, p. 21 (voortaan; Kooiman). Ze worden door mij zoveel als mogelijk herleid tot het CR.

3) Geciteerd bij: Selderhuis, p. 10

4) Geciteerd bij: C.R. van den Berg, Philippus Melanchthon. De levensweg van Luthers vriend, Houten 1994, p. 28

5) Geciteerd bij: Selderhuis, p. 10. Zie ook: Kooiman, p. 22

6) Selderhuis, p. 11

7) We maken hier, en in het vervolg, gebruik van de Nederlandse vertaling uit de serie ‘Stemmen uit Wittenberg’, deel II: Ph. Melanchton, Loci communes of de voornaamste theologische bewijsgronden, Goudriaan 1970, 687 pagina’s (voortaan: Loci communes)

8) Loci communes, p. 5

9) Loci communes, p. 6 en 7

10) Loci communes, p. 7

11) Selderhuis noemt dit werk in zijn artikel ‘Melanchthon en de Nederlanden in de 16 e en 17 e eeuw’ op pagina 24 noot 17 (zie noot 2). Ik heb deze vertaling tot nu toe niet kunnen inzien. Overigens verscheen het artikel van Selderhuis in afgeslankte vorm zonder nieuwe gegevens ook in: F. van der Pol (red.), Philippus Melanchthon. Bruggenbouwer, Utrecht 2011, p. 270-290 (voortaan: Bruggenbouwer). Omdat het artikel in de ‘Apeldoornse studies’ uitgebreider en het notenmateriaal uitvoeriger is, gaan we van deze uitgave uit.

12) De gegevens over de invloed van Melanchthon in Nederland zijn ontleend aan Selderhuis. Zie: Selderhuis, p. 23-46

13) Zie hiervoor: J. Trigland: Kerckelycke Geschiedenissen, Begrypende de swaere en Bekommerlijcke Geschillen, in de Vereenigde Nederlanden voor-gevallen, met derselver Beslissinge, ende aenmerckingen op de kerckelycke historie van Johannes VVtenbogaert, Leiden 1650, p. 66-70 (voortaan: Trigland). Zie ook: Selderhuis, p. 38-40

14) Beide citaten geciteerd bij: Trigland, p. 66. De citaten zijn door mij uit het Oudnederlands herspeld, wat ook voor de overige citaten uit het Oudnederlands in dit artikel geldt.

15) Trigland, p. 69

16) Zie: Trigland, vooral p. 63 (en volgende)

17) Zie: Trigland, p. 340

18) G. Sopingius, Apologetica responsio ad libellvm anonymvm qui vocatur Bona fides Sibrandi Lvbberti et ad Hvgonis Grotii pietatem: cui annexa est ipsa Bona fides anonymi & Vita auctoris, Franeker 1616. Zie ook: C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus. Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie, Kampen 1963, p. 300-302

19) Zie: Trigland, p. 69, 70

20) Zie noot 7

21) Geciteerd bij: Kooiman, p. 148

22) Idem. Zie ook: D. Heijkoop, ‘De onveranderde Augsburgse confessie’, in: De Waarheidsvriend, 5 september 1996, p. 571

23) Aan deze Godvruchtige keurvorst hebben wij in een reeks van 13 artikelen onder de titel ‘Frederik III van de Palts (1515- 1576). Een voedsterheer van de kerk’ in dit blad uitgebreid aandacht geschonken. Zie het oktobernummer (nr. 4, p. 211-219), het decembernummer (nr. 5, p. 236-247) van 2012, het februarinummer (nr. 1, p. 27- 37), het meinummer (nr. 2, p. 79-91), het julinummer (nr. 3, p. 120-130), het decembernummer (nr. 5, p. 241- 255) van 2013, het februarinummer (nr. 1, p. 30-41), het julinummer (nr. 3, p. 135-145), het decembernummer van 2014 (nr. 5, p. 258-277), het februarinummer (nr. 1, p. 9-21), het julinummer (nr. 3, p. 133-149), het oktobernummer van 2015 (nr. 4, p. 243-256) en ten slotte het februarinummer (nr. 1, p. 25-36) van 2016 van In het spoor.

24) Zie de vorige noot: februarinummer 2013, p. 28, 29, februarinummer 2014, p. 32, 33 en het decembernummer 2014, waarin de Rijksdag te Augsburg beschreven wordt. Hier beriep Frederik III zich voor de keizer op de Augsburgse Confessie, waaronder hij de Variata (1540) verstond.

25) Geciteerd bij: Kooiman, p. 158

26) Zie noot 2

27) Geciteerd bij: M.A. v. d. Berg, ‘Melanchthon en Calvijn: Twee pijlers van een brug die niet voltooid werd’, in: Bruggenbouwer, p. 139

28) F.A. van der Pol, “Inleiding. Portret van een bruggenbouwer’, in: Bruggenbouwer, p. 10

29) De drie citaten bij: A.J. Beck, ‘De doorwerking van Melanchthon in de gereformeerde orthodoxie, met name bij Gisbertus Voetius’, in: Bruggenbouwer, p. 297. Aan dit interessante opstel ontlenen we de meeste gegevens onder dit kopje.

30) G. Voetius, De praktijk der godzaligheid (TA AΣKHTIKA sive Exercitia pietatis - 1664), ingeleid, vertaald en toegelicht door dr. C.A. de Niet, Utrecht 2002 2 , p. 437 (voortaan: Voetius)

31) Voetius, p. 593

32) Dit werk bestaat eigenlijk uit vier delen van meer dan 2400 pagina’s. Het eerste is een inleiding op het eigenlijke werk, een handboek over de praktische theologie, waarvan drie delen verschenen en daarmee nog lang niet was afgerond. Inleiding: S. Oomius, Dissertatie van de Onderwijsingen in de Practycke der Godgeleerdheid. Waerin, na breeder beright van de Practijcke der Theologie der Pausgesinden, insonderheyt der Jesu-wijten, Remonstranten, Sociniaenen, Lutherschen, Enthusiasten, Libertinen, Geestdrijvers, en diergelijcke Fanatiquen, de Verdeelinge, en het geheele Beleydt gegeven wort van het Werck der Onderwijsingen in de Practijcke, Bolsward 1672, 499 pagina’s met een Bladwyser van 17 pagina’s (voortaan: Dissertatie) en vervolgens drie delen: Institutiones theologiae practicae. Ofte, onderwijsingen in de Practycke der Godgeleerdheid. Eerste deels eerste boeck, vervattende der theologia didactica, Bolsward 1672, 998 pagina’s met een Bladwyser van 21 pagina’s, een vervolg Institutiones enz., Eerste tractaet des tweeden boeck’s van het Eerste Deel, Bolsward 1676, 620 pagina’s en ten slotte: Institutiones enz., Vervolgh van het eerste tractaet des tweeden boecks van het Eerste Deel, Schiedam 1680, 260 pagina’s.

33) F. van der Pol, ‘Een Nederlandse gereformeerde piëtist over Melanchthon’, in: Bruggenbouwer, p. 311-322 (voortaan: Van der Pol)

34) Dissertatie, p. 403

35) Dissertatie, p. 408. We nemen hier de vertaling uit het Latijn van Van der Pol (p. 315) over.

36) Dissertatie, p. 430

37) Zie: P.H. op ’t Hof, ‘Frederik III van de Palts (1515-1576). Een voedsterheer van de kerk -9- ’, in: In het spoor, jrg. 38, nr. 5, december 2014, p. 272 en ‘Frederik III van de Palts (1515-1576). Een voedsterheer van de kerk -13- ’, in: In het spoor, jrg. 40, nr. 1, februari 2016, p. 27

38) S. Oomius, Cierlijke Kroon en Krans des grijsen en goeden Ouderdoms, so uit de Heilige Historien, als uit die der Hebreen, Grieken, Romeinen, Franse, Engelse, Hoogduitse, Nederlandse, en veele andere gevlogten, en seer kragtig toegepast tot betragtinge van een deftig leven, Leiden 1707, p. 162, 163

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2018

In het spoor | 64 Pagina's

Melanchthon (1497-1560) en Artikel 36 -1-

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2018

In het spoor | 64 Pagina's