Gods nabijheid in de benauwdheid.
»Welgelukzallg is het volk, welks üod de Heere is.« Deze uitspraak heeft in de praktijk wel iets tegenstrijdigs. Immers dat volk" heeft God tot zijn Heer en het gaat menigmaal gebukt onder den zwaren last en het lijden, dat hun van de zijde van wereld en duivel wordt aangedaan. Zij hebben het kindschap Gods en zij worden gedurig aangevochten en bestreden. Indien gij een kind van God zijt, is het dan zoo met u gesteld? Is zóó de weg van een kind van God'/ Is God uw Vader, hoe komt het dan, dat gij door allerlei nood en ellende gekweld wordt? Gü gelooft en meent daardoor voor God gerechtvaardigd te zijn, maar als gij niet uw best doet en vroom zijt, dan staat het niet goed met u. Zoo gij u niet toelegt op de volbrenging van de Wet, dan is er toch geen verwachting. De bestraffing houdt niet op bij een levend gemaakte ziel en allerlei nood, in- en uitwendig, maakt het dikwijls zoo bang. Kent gij er iets van? Dan moet gij getroost worden. Laat u niet verleiden. Als de zaligheid uwer ziel u lief is, ga dan niet van Christus af. Blijf in Hem gelooven! Houd u aan Zijn Woord, aan Zijn belofteI Dit geldt ouden en jongen, allen te gader. Zoekt met heel uw hart wat tot uw eeuwigen vrede dient, opdat gij moogt genieten de zaligheid van het volk, welks God de Heere is. Waarin die zaligheid gelegen is? In een paar woorden wordt dit uitgesproken in:
Psalm XCI VS. 156:
itin de benauwdheid zal Ik hij hem zijn A
Het is een vreeselijke tijd, dien wij beleven. De oordeeJen en gerichten Gods gaan over den aardbodem. Hard zijn de slagen, welke op het menschdom neerkomen. Was het aanvankelijk zwaar voor de volken, die in oorlog zijn, thans neemt dagelijks de ellende toe over heel de wereld. Millioenen ziju den wreeden dood op het slagveld gestorven, nog eens millioenen zijn voor hun leven geknakt, zware rouw is overal. Gebrek en honger zyn Uiet allerlei vreeselijke ziekten en kwalen in hun gevolg de nasleep van den meest gruwzamen oorlog, die -ooit heeft gewoed. Aller gedachten worden door al deze dingen beheerscht en vormen 't onderwerp van de dagelijksche gesprekkeu. Benauwd is hel leven van talloos velen, die nog niet zoover zijn weggeslagen als da massa, welke zich troost met de leus: »laat ons eten en drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven wij.cc Zal God Zijn roede wegnemen? Zal God Zyu gerichten doen ophouden? Wij weten het uiet. Wij bidden erom. Wij klagen onzon nood aan Hem, wij roepen Zijn Naam aan. God is de groote Hoorder des «-ebeds. De troost daarvan kan niet uitblijven. Maar mag zich iedereen dezen troost toeéigenen? Gewis, daar is een onderscheid. Een groote Hoorder des gebeds is de Heere, maar dat kan slechts ervaren worden door degenefi, di^e klein en arm in zichzelf tot den rijken grooten God zich wenden. Zij, die als verloren zondaren Hem aanroepen zonder aanmatiging, omdat zij geen aanspraak hebben, zijn gelukkig Ie noemen, want voor hen geldt de belofte Gods. De anderen hebben er niets aan.
Wij houden rekening met de werkelijkheid. De nood breidt zich gaandeweg uit. De benauwdheid neemt toe. Maar zij, die niet tot bekeering komen, zullen in hua benauwdheid blijven en zij zullen eeuwig hongeren en dorsten in shet vuur, dat niet uitgebluscht wordl.a Maar de anderen, die zich onder de krachtige hand Gods vernederen, die luisteren naar de roepslem: «bekeert u en leeft!» zullen heerlijk ondervinden wat het is:
De Heer betoont Zijn welbehagen aan hen, die needrig naar Hem vragen.
aan hen, die needrig naar Hem vragen.
Dat wordt ons duidelijk, als wij antwoord trachten te geven op de volgende vragen: ,
I. Van wiens benauwdheid is hier sprake?
II. Wie is mee in de benauwdheid?
lil. Welk heil geeft Zijn nabijheid aan hem, die benauwd is? I.
Wij vei'staan onder benauwdheid allerlei nood en dat niet oppervlakkig, maar druk kende aangrijpende nood. Willen we hel ons onder een beeld voorstellen, dan behoeven we niet terug tot de vroegere lijden, waarvan ons de geschiedenis verhaalt, neen, 't lijden van de laatste drie jaren is zoo groot, dat de herinnering aan 't een of ander ons telkens iets voor oogen stelt, dat ons een begrip van benauwdheid geeft. De (lichter spreekt 'tin een paar woorden uit: 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Züüdal mijn dood voor handen scheen. En alle hoop mij gansch ontviel. Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Lichamelijk hebben we allen wel eens een benauwd oogenblik gehad. En het is uiet altoos precies uit elkaar te houden wat 't lichaam lijdt, als de ziel in de benauwdheid komt. In tal van Psalmen krijgen we een klaar inzicht, hoe het met een benauwde ziel gesteld is. Psalm 38 is heel duidelijk.
Niet slechts de goddeloozen, van welke gezegd wordt, dat zij zijn als een voorlgedrevene zee en dat zij in hun radeloosheid en angst zullen zeggen: ïbergen valt op ons en heuvelen bedekt ons,(r neen ook de rechtvaardigen kennen de benauwdheid. In Psalm 91 wordt gesproken van hen, die God liefhebben, ïdewijl hy Mij zeer bemint, spreekt God, zoo zal Ik hem uit helpen.» Hij bemint God zeer en kent Zijn naam en nochtans heeft zulk een benauwdheid. Maar had dan de vrouw van Job niet gelijk, toen zij zeide: sWat hebt gij eraan, dat gij aan God vasthoudt?» God is toch een harde heer. Hij doet onrecht, dat Hij zich zoo weinig gelegen laat zijn aan het lijden desgenen, die Hem zeer bemint. Men spreke echter niet alzoo! Immers het is waar wat we in Ps. 10 lezen: »Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het U in handen geven zou.»
Wat in het Woord waarachtig is, wordt in het leven ondervonden door allen, die God liefhebben, Zijn Naam kennen. Hij kent de Zijnen, Hij weet wal zij behoeven. Zijn zij tot het geloof gekomen, dan moet dat geloof beproefd worden.
God laat Zijn heil en genade komen, maar op een ietwat andere manier dan wij ons dal voorstellen.
Volgens on/e voorstelling: geen benauwdheid, geen gevaar! Volgens Gods Woord: wel benauwdheid, wel gevaar, maar met het doel dat aan den dag zal treden wie Zijn kinderen zijn, wie Hem liefhebben. Wie heeft God lief? Huivering mag on bevangen, als wij op ons zelf zien en dan Psalm 116 zullen zingen.
Er is maar één Mensch geweest, die werkelijk God liefhad, wat blijkt uit Zijn woord: >Mijn spi.ize is, datikdoe den wil Desgenen, die Mij gezonden heeft.« Deze Mensch was Christus Jezus. Is er ooit een lijden geweest, dat het Zijne heeft geevenaard'? Was er ooit een mensch benauwd zooals Hij? Wij kennen de bittere klacht Ps. 22: nWant benauwdheid is nabij en er is geen Hel{)er.« En Geth?eroané dan, waar Hij geperst werd totdat afles zou zijn volbracht, waar Hij betuigde: »Mijn ziel is geheel bedroefd tot d«n dood toe.« ïVader, indien 't mogelijk is, dat deze drinkbeker van Mij voorbij ga, maar niet gelijk Ik wil, Uw wil geschiede.« En Gabbatha, dat ons Hem laat zien met doornen gekroond en met geeselen gekastijd en met purper omhangen, om Hem in Zijn koningsheerlijkheid te krenken. En Golgotha dat Hem deed uitroepen: »Mij dorst!c en: »Mijn God Mijn God waarom hebt Gij Mij verlaten!«
Neen, zóó heeft nooit iemand geleden. Zulke benausvdheid heeft niemand gelrofïen. En Hij behoefde zoo niet te lijden, want Hij heeft geen zonde gedaan en geen bedrog is er in Zijn mond gevonden. Maar dat lijden was voor ons, om onze zonden, opdat Hij ons volkomen verlossen zou uit alle benauwdheid. Zullen we hot woord van Ps. 91 toepassen, dan zeggen wij: 't geldt in de eerste plaats Christus, maar dan heeft Hij het door Zijn benauwdheid verworven, dat de belofte van onzen tekst: »In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn,8 volle kracht en beteekenis krijgt. Hij was in onze plaats benauwd. ))De s.traf, welke ons den vrede aanbrengt, was op Hem.« Maar Hij is het Hooftl, de Aanvoerder in den strijd. Wie achter Hem aangaat, heeft niet andera te wachten. Wat over 't Hoofd gaat, komt ook over de leden. Diezelfde benauwdheid is het deel van allen, die Christus liefhebben. sWie den Zoon liefheeft, heeft den Vader lief.« En wedorkeerig is 't waar: »de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt.« Hoe komt die liefde tot uiting? Als gij u van harte verblijdt, dat God u Christus tot een Zaligmaker heeft geschonken, wanneer gij daarover verheugd zijt, dat God u om Christus wil al uw zonden beeft vergeven en u tot Zijn kind en erfgenaam heeft aangenomen, dan hebt gij God lief, dan kent gii Zijn Naam.
Maar dan kan het niet uitblijven, dat gij in uw geloof en liefde beproefd wcirdt. De satan zou u zoo gaarne ten val brengen. Hij bestrijdt met alle macht Christus en Zijn hemelsch koninkrijk. Hij wil u bedriegen, als hij n zegt: ziet gij wel, dat God geen welgevallen in u heeft, want dan zou het er wel anders bij u uitzien. Maar in 's Heeren Naam prediken wij u: als jfij geen vrees, geen angst, geen benauwdheid hadt, dan zou uw weg een andere zijn dan van uw Koning, die de Eerstgeborene is onder vele broederen. En gij, die zooveel door moet maken, die zwaar wordt aangevochten of God wel uw Vader is, Hij geeft u Zijn Woord en dat Woord is vol van de heerlijkste beloften en van den rijksten troost, opdat gij u in Zijn gemeenschap gelukkig zoudt gevoelen. n.
In Zijn gemeenschap. Hoe komt deze tot uiting? »In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.« Letten wij op den grondtekst, dan vinden we het daar zoo: »Met hem Ik in de benauwdheid.4 In 't hebreeuwpch is het in drie woordjes uitgedrukt. ï>Met hem« is hei eerste, »lk« het tweede en: »in de benauwdheidc; hert derde. Het Dlk« van God staat dus in het niiddeu tusschen den persoon en de benauwdheid. Wonderlijk leidt de Heere de Zijnen. Hij voert hen in een donkeren weg, ja zelfs in een dal der sehaduwe des doods, maar Hij laat hen daar niet alleen. Neen, Hij trekt Zelf mee. De stad wordt belegerd, maar. Hij is Zelf in de belegerde stad. Wie Hem kent, Hem vreest, bij Zijn genade blijft, gaat in de gevangenis, dücb de Heere gaat mee in de gevangenis. Hij is dus de Leidsman .op den weg, de Medegevangene. Van Hem is 't waar wat de profeet zegt: ïln al hun benauwdheden is Hij benauwd.« Daarin ligt opgesloten wat Hij voor de Zijnen is. 't Kan soms zoo donker wezen en alles kan ons beangstigen, duch, als de Heere Zijn licht niet inhield, zouden wij in eeuwig donker rondtasten. Hij geeft echter Psalmen in den nacht. En welgelukzalig wij, als 't van ons waar is: j)'j£ Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.« Dat komt echter pas na 't lijden, na de ervaring, dat wij ons op den Heere kunnen verlaten, dat Hij helpt en redt en dat wij alles aan Hem kunnen overgeven.
Zoo ging het Jozef van wien 't heet, toen hij in de gevangenis ging: »maar God was met hem.ï En zijn vader Jakob heeft na al de wederwaardigheden en raoeit^n des levens gezegd : j>die God, die mij antwoord geett len da ga der benauwd h.eid.« Zoo is het ook waar geworden van het volk Israël. Hoe hoog de nood ook klimmen mocht, •altijd was de uitredding nabij en als hun geschrei van den ticheloven opklom tot God, werden zij verhoord. Ja, veelmeer ging het zoo: »eer zij roepen zal Ik antwoorden, t
Het gaat met Gods kinderen tegen vleesch en bloed in. David, de man naar Gods hart, wordt tot koning gezalfd en het is alsof • eerst nu recht zijn lijden begint. Maar wie was met hem en wie redde hem uit al zijn vreeze? Ja zelfs toen, loen alles verzondigd was en de naclit van zonde en schuld in dichte duisterfüs over hem -de zwarte vlerken uitbreidde, ^n geen lichtstraal meer te zien was, wie was toen met hem? In 't geloof van Gods liefde verzekerd, roept David uit: »dit weet ik, dat God met mij is.a Dan komt 't gejuich uit de diepte omhoog: De Heer' is bij mij, 'k zal niet vreezen;
De Heer' zal mij getrouw behoên; Daar God mijn schild en hulp wil wezen.
Wat zal een nietig mensch mij doen? De apostelen Petrus en jDhannos hebben God lief, omdat zij Christus liefhebben, maar toen ondervonden zij wat het is, dat zij, die van Christus zijn, 't vleesch gekruist hebben met de bewegingen en begeerlijkheden. Zij werden in de gevangenis geworpen, gesleenigd en gegeeseld. Maar in dat alles hebben zij ervaren, dat God met hen was en zij waren verblijd, dat zij om den Naam des Heeren smaadheid hadden mogen lijden.
Maar zulk uitwendig lijden komt toch niet meer voor? Dat kunnen wij niet zeggen, het zal niet iedereen treffen, doch het is best mogelijk, dat de gemeente des- Heerpn zware tijden tegemoet gaat en degenen, die God vreezen, om de belijdenis van den Heere Jezus Christus ook uitwendig in groote verdrukking zullen komen. Evenwel er is een benauwdheid, welke Gods kifideren alle kennen. Zij komt daaruit voort, dat men zondaar is, den strijd in zijn leden voelt, dat men, als men't goede wil doen, ervaart, dat 't kwade hem bijligt. Dat vleeschelijk gezind zijn deed Paulus de bange verzuchting slaken: »ik ellendig menscfi, wie zal my verlossen uit het lichaam dezes duodsU God is pchter bij hem en daardoor komt het toch weer tot de juichtoon: »ik dank God door onzen Heere Jezus Christus.*
Dat is Gods heerlijkheid, om te midden van den nood «u de benauwdheid verlossing en uilkonist te geven. Dat doet God, opdat de Zijnen door de beproeving gelouterd worden, opdat zij meer en meer het zalige zouden leeren kennen van de verlossing, waarmede Hij om niet verlost. En God doet het ook om de wille van de vijanden, die het niet kunnen begrijpen, dat er nog menschen zijn, die het met Gods Woord wagen en die dan zulk 'n weg moeien gaan. Het heerlijke van den weg Gods is, dat Hij juist daar in de benauwdheid ons laat hooren , Ï Vrees niet, gij klein kuddeke, het is uws Vaders welbehagen u het koninkrijk te geven « Juist, als de Heere u in den nood en benauwdheid ziet, dan is de nood geen nood meer, dan is de benauwdheid geweken, want God is daar, om Zijn heerlijkheid te openbaren. III.
Welk heil geeft de nabijheid des Heeren? Z'jolang iemand ver van ons af is, kunnen wij niet juist zijn beeld onderscheiden, dus niet goed bepalen wie hij is. Naarmale hij nader komt, gaan wij hem kennen. Zoo is hel nu ook met den Heere onzen God. Neen, wij weten niet wie Hij is, als Hij up zoo oneindig verren afstand'van ons yerwijderd is, als wij niets meer weten dan dat Hij het Opperwezen is. Hij moet dicht bij ons komen. Nooit zou een mensch God in Zijn goedertierenheid en trouw. Zijn barmhartigheid en genade kunnen lecren kennen, als Hij Zich niet tot hem neerboog. De nood en benauwdheid zijn ons zeer noodig, om ona het genot van Zijn nabijheid te doen smaken. Daardoor komt het, dat de dichter zegt: shet is mij goed verdrukt te zijn geweest.« En Asaf spreekt het aldus uit: ïhet is mij goed nabij God te zijn« en de zaligheid daarvan drukt hij uit in de woorden: »Wien heb ik neven» U in de hemelen'.' Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt naijn vleesch en mijn hart, zoo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid.* De Heere maakt het duidelijk aan Zijn volk wat het aan Hem heeft en hoe Hij machtiger is dan de nood en benauwdheid, want Hij zegt: »lk zal er hem uittrekken.* Zoo ging het Jakob, waarom de Kerk van alle eeuwen zingt:
Zalig hij, die in dit leven,
Jakobs God ter hulpe heeft,
Hij, die door den nood gedreven.
Zich tot Hem om troost begeeft.
Die zijn hoop in 't hachlijkst lot
Vestigt op den Heer zijn God.
Daar komt een einde aan den nood en benauwdheid. Daar is Zijn Woord borg voor, de redding van Christus is er borg voor, dat de uitreddiiig van de Zijnen zeker is en vast staat.
»Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken.* Zoo is de weg des Heeren. Hij helpt en verlost niet slechts, maar Hy zet ook in de ruimte en brengt ook in de heerlijkheid. Het is niet alleen een verlossing van 't verderf en van den toekomenden toorn, maar ook een ingaan in de heerlijkheid. Wanneer zal dit zijn? Op 's Heeren tijd. De uitwendige verlossing, waarvan de Schrift verhaalt, is het beeld en onderpand van de geestelijke en eeuwige verlossing. Jakob zegt: jmet dezen staf ben ik over de Jordaan gegaan en ziet, ik ben tot twee heiren geworden.» En Jozef wordt uil de gevangenis geleid, om onderkoning van Egypte te worden. David wordt uit de hand van Saul en van al zijn vijanden bevrijd en heeft rust van rondom. Daniel komt levend uil den kuil omhoog, want God heeft hem uit den muil der leeuwen verlost. En aan de drie jongelingen in den vurigen oven wordt geen haar gezengd.
»In de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.t Daarin staat de verlossing vast. Hot leven kan toch door den dood niet gehouden worden. Wat opstijgen zal met vleugelen gelijk de arenden, dat kan niet door den geest uit den afgrond worden vastgehouden. Gods kinderen komen vrij uit de gevangenis. Hun groole Heer en Koning, Jezus Christus, was in de grootste benauwdheid, ja Hij naderde lol de poorten des doods, maar Hij hield vol: »'k Zal ^ door 's vijands zwaard niet sterven* en God heeft den derden morgen doen aanbreken en Jezus verrees in heerlijkheid uit het graf. Met eeuwige eer en heerlijkheid is Hij gekroond, nu Hij gezeten is aan 's Vaders rechterhand.
Hebben wij des Heeren Woord, dan moeten wij niet naar iets anders vragen, maar erbij blijven: het komt wat God belooft. Maar wij hebben lijdzaamheid van noode en indien Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen.
Geven wij onszelf wel genoeg rekenschap wat de oorzaak is, als wij benauwd zijn. Hoe komt het, dat we zoo in de engte zijn? Is het ons wezenlijk om Goden Zijn Woord te doen? Laai hemel en aarde voorbijgaan, dat Woord kan niet liegen. En wie in dit leven om den naam des Heeren gesmaad wordt en vervolgd en verdrukt, de Heere zal hem uithelpen. »Zoo gij om den Naam des Heeren huizen of akkers of vrouw of kinderen verliest, honderdvoudig zal de Heere u vergelden.* Maar let wel: »om den Naam des Heeren «
In onze dagen zijn er ook veel menschen benauwd. Zeer velen maken zich ongerust met het oog op hetgeen aanslaande kan zijn en nu wil de mensch wel gaarne zijn hand leggen op de een of andere belofte. Maar heeft men er recht toe? Hier staat: »in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn.* Dat Ik Gods staat in 't midden, zeiden wij straks. Denken we 't ons eens in. Om ons uil de benauwdheid te redden, moet de Heere heel dicht bij ons komen. Zullen we dat aandurven? Mag van ons gezegd worden: »dewijl hij Mij zeer bemint*? Onderzoeken we onszelf nauw, of we Zijn Woord, Zijn Christus boven alles stellen. Het is niet genoeg, om, zooals dat tegenwoordig gebruikelijk is, een gelegenheidsgodsdien^ aan te nemen en verder ons om den levenden God niet te bekommeren.
Wanneer wij God willen dienen om Zijn gaven, onszelf voor vroom houden en dan meenen, dat God ons wel uit de benauwdheid verlossen zal, dan leggen we een verkeerden grond.
De beloften Gods zijn voor de oprechten, dif» zich in waarheid verootmoedigen en zich bekeereu van de afgoden tot God, die leeft en recht doet. En dan maakt de Heere Zich juist aan dezulken bekend in de benauwdheid. Wanneer iemand tot God bekeerd wordt, krijgt hij niet op eenmaal alles te zien van de wonderen des Heeren, maar ali hij voortgeleid wordt op den weg, wordt het hem al meer duidelijk, d.it de Heere een God van getiade is, Wien hel volle ernst is, als Hij zegt, »Roep Mij aan in den dag der benauwdheid en Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren.*
Zoolang wij in dit leven zijn, komen wij in allerlei benauwdheid. Maar Gode zij datik, als wij van hier gaan, komt aan dal alles een einde. Hij trekt ons uit d^ze tegenwoordige booze wereld en dat naar den wil van God, opdat zij zouden zijn tot prijs der heerlijkheid Zijner genade Dan geen ronw, geen i;ekrijt, geen nood meer! Dan eeuwige blijdschap op het hoofd van alle verlosten.
Die kostelijke belofte van Psaloi 91 geldt niet overal, waar benauwdheid is. Er is in den weg der ongehoorzaamheid yeel benauwdheid, maar daar is de Heere niet nabij. Waar Zijn Aangezicht niet gezocht wordt, men Zijn gunst niet deelachtig is, daar is de vermaning van volle krachten beteekenis: bekeert u van uw ongerechtigheid, van uw geldgierigheid, van al uw booze werken, zoekt met ernst Gods Aangezicht, terwijl het nog heden genaamd wordt! Wie zich niet van harle bekeert, zal voor eeuwig in de benauwdheid versmachten.
Zijt gij werkelijk Gods kind, hebt gij genade bij God gevonden, dan zult gij nog dikwijls in de benauwdheid komen. Valt 'l u zwaar, dat hel zoo lang duurt, o bedenkt dan, »gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan.* En dan in de benauwdheid rust de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u en gij voelt het, ïhel lijden van dezen legenwoordigen tijd is niet te waardeeren legen de heerlijkheid, welke aan ons geopenbaard zal worden.* De verkwikking blijft niet uit, want het is waar: »met hem Ik in de benauwdheid « Gods Ik tusschen ons en de benauwdheid. Dan komen wij niet om, dan kunnen we niet omkomen, maar worden uit alle vreeze gered. Wij zijn kinderen Gods, dus erfgenamen en dan mede-erfgenamen van Christus. Dan is de erfenis zeker. Deze is in de hemelen bewaard.
Nog een weinig lijden, nog een weinig benauwdheid. Zoo moet het gaan, opdat wij straks met alle zaligen en verlosten eeuv^ig jubelen en zingen: halleluja, door lijden tot heerlijkheid! 's Gr. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 16 december 1917
Kerkblaadje | 4 Pagina's