Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hoe de Levensvorst Zich aan twee van Zijn jongeren openbaart

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe de Levensvorst Zich aan twee van Zijn jongeren openbaart

24 minuten leestijd

Text: Lukas 24 : 16, 31.


Hel zijn merkwaardige dingen, die in onzen text worden medegedeeld. Hoe vaak hebben wij ze al onder het oog gehad ! De geschiedenis der Emmaüsgangers kunnen wij immers wel droomen. Maar of de beteekenis van deze dingen ons ook duidelijk voor oogen staat, dat is nog zeer de vraag. Wij willen er vanmorgen onze aanaacht aan schenken. Zij geven ons een bijzonderen blik op deze bladzijde van het Paaschevangelie, met name op de hemelsche wijsheid, die ons hieruit tegenstraalt.

Welk een verrassing werd aan die beide discipelen bereid, die in den namiddag van den dag der opstanding Jerusalem verlieten om zich naar het. vlek Emmaus te begeven, op een paar uur afstand van de Heilige Stad! Zij hadden 't druk onderweg. Natuurlijk over hetgeen hun hart in beroering bracht: wat er geschied was met hun Meester. Het was één en al verwarring in hun binnenste. Zeer tegenstrijdige gedachten doorkruisten hun brein en hielden hun hart in onrust. Twee dingen wisten ze zéker: dat hun Meester aan het kruis géS^orven was en dat Hij begraven was. Overigens wandelden zij temidden van raadselen. De ons welbekende vrouwen hadden gesproken van een ledig graf, waarin het lichaam van den Heere Jezus niet meer te vinden was ; en verder van engelen, die zij gezien hadden en die haar verzekerd hadden, dat Hij leeft. Op die tijding waren enkelen uit den kring der discipelen naar het graf gesneld en teruggekomen met de boodschap, dat er inderdaad niets anders te vinden was dan de doeken, waarin Jezus'lichaam gewikkeld was geweest. Daarmede was wel het eerste stuk van de boodschap der vrouwen be-vestigd, maar wat hadden zij daaraan ? Het voornaamste ontbrak, want ook die discipelen hadden Jezus niet te zien gekregen. Er bleven vragen genoeg over.

Daarom hadden zij het juist zoo druk op den weg. Zij „ondervraagden elkander", zooals Lukas zegt (vs. 15). Zij waren druk aan het dispuleeren. De één voerde dit, de ander dat aan. Maar met al hun disputeeren kwamen ze geen stap verder. Op geen enkele vraag vonden zij een afdoend antwoord. Ja, de vragen werden hoe langpr hoe talrijker en maakten het groote vraagstuk hoe langer hoe ingewiKkeider, n.i. hoe hei toch wel met hun Meester mocht zijn.

Daar komt nu Jezus Zelf bij hen. Welk een verrassing !

Ja, dat kunnen wij zeggen. Maar dat zeiden de Emmaüsgangers niet. Zij hadden er geen fiauw begrip van. Zij wisten niet, wien zij daar opeens bij zich kregen. Zij zagen een vreemdeling, meer niet. Want „hun oogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden" (vs. 16). Met deze woorden geeft de Evangelist te kennen, dat hun oogen onder beslag lagen, zoodat zij niet in staat waren, te onderscheiden wien zij vóór zich hadden. En deze eigenaardige omstandigheid duurde voort tot in het huis in Emmaus, totdat zij daar aan tafel zaten. Toen werden hun oogen „geopend, en zij kenden Hem" (vs. 31). Het is wel duidelijk, dat hier de macht Gods werkzaam was, al kunnen wij niet nader aangeven, op welke manier. God heeft een tijdlang niet gewild, dat zij den Heere Jezus zouden herkennen. Eerst op een bepaald oogenblik werd het hun vergund.

En dan volgt er nog iets eigenaardigs : op hetzelfde oogenblik, waarop zij weten, wien zij bij zich hebben, is Jezus aan hun oog onttrokken. „Hij kwam weg uit hun gezicht," d. w. z. Hij werd voor hen onzichtbaar.

Als wij over deze dingen nadenken, rijzen er twee vragen bij ons op, waarop wij vanmorgen het antwoord willen zoeken :

I Waarom mochten zij Hem niet aanstonds hp---kennen ?, en II waarom is Hij na de herkenning terstond verdwenen ?

I.

Waarom mochten de Emmaüsgangers den Heere Jezus niet aanstonds herkennen, toen Hij Zich bij hen gevoegd had ?

Deze vraag komt onwillekeurig bij ons op. Gods doen schijnt ons zoo vreemd. Hier waren een paar arme menschen, die zoo echt leefden in de stemming van den psalm, waaruit wij zooeven hebben gezongen ; menschen, in wier hart groote nood is geweest, zoodat er wel menige bittere klacht aan hun lippen ontperst is, menig „waarom toch ?" en „waartoe toch ?", eerst met betrekking tot den dood van hun Heer, en nu inzonderheid met betrekking tot de boodschap, dat Hij leeft, waardoor zij aan pijnlijke onzekerheid ten prooi waren. We zouden zoo zeggen : welk een schoon werk, welkeen Qode-waardige daad was het geweest, als Ood dien menschen vergund had, Jezus dadelijk te herkennen. Dan waren zij immers onmiddellijk uit hun nood verlost. En toch bewandelt de hooge God niet dezen koristen weg, maar geeft Hij aan een langeren, voor de Emmaüsgangers zelfs zeer langen weg, de voorkeur.

Waarom toch ?

Hoe heerlijk komt ook hier uit, wat wij zooeven zongen : „Heilig zijn, o God ! Uw wegen ! Niemand spreek' Uw hoogheid tegen. Wie, wie is een God als Gij?" Stel u eens voor, dat de Emmaüsgangers den

Stel u eens voor, dat de Emmaüsgangers den Heere Jezus onmiddellijk hadden herkend. Hoe had het er dan met hen voorgestaan ? Misschien hadden zij het van blijdschap nog niet geloofd, evenmin als de discipelen het aanvankelijk geloofden, toen Hij aan den avond van denzelfden dag plotseling in hun midden verscheen ! Maar laat ons het gunstigste geval veronderstellen. Dan waren zij ineens uit den nood geweest, dan waren zij uitgebroken in jubelklanken en opgesprongen van blijdschap. — Doch, waren zij dan op dezelfde wijze geholpen geweest als zij nu geholpen werden ? Waren zij dan op de juiste wijze geholpen geweest ? Zeker, dan was hun hartewensch vervuld, dan hadden zij hun Meester teruggehad. Maar hoe ? in denzelfden zin, waarin zij Hem tot nog toe hadden gekend. Dan waren zij niet wijzer geworden, niet dieper ingeleid in de kennis van Hem, niet doorgedrongen tot de eigenlijke beteekenis van Zijn verschijning. Want, al hadden zij al hun verwachting op Hem gebouwd, omdat zij Hem als den Christus beleden, toch hebben zij nog niet verstaan wat het inhield, dat Hij de Christus was. Dat blijkt wel uit de uitdrukkingen, die zij in bun gesprek met dien geheimzinnigen vreemdeling aangaande hun geliefden Meester bezigen.

Hoe geheel anders worden zij geholpen op de wijze, die ons aanvankelijk zoo vreemd aandoet. Met welk een wijsheid gaat de Heere Jezus te werk: wijsheid, door liefde bestuurd ! 82

Hij begint met bij die mannen vertrouwen te wekken. Hij toont belangstelling in hetgeen hun harten vervult. Hoort, hoe Hij hen aanspreekt: „Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt,en waarom ziet gij droevig?" Met deze deelnemende vraag poogt Hij hun hart te ontsluiten. En Hij slaagt hierin onmiddellijk, al openbaart het zich aanvankelijk niet op aangename wijze. Vrij scherp, al te scherp naar den maatstaf der beleefdheid, luidt immers het antwoord : „Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jerusalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn ?" Op het scherpe in dit antwoord slaat de Vreemdeling echter geen acht. Hij let alleen op de verontwaardiging, die er in gloeit, omdat het dingen zijn, die hun zoo na aan het hart liggen en voor hen een levenskwestie zijn. Met verhoogde belangstelling vraagt Hij verder: „Welke ?" En dan barst de stroom los. Zonder omwegen spreken zij hun hart uit. AI weten zij niet, hoe die Vreemdeling tegenover de dingen staat, toch zeggen zij onmiddellijk, dat hun gedachten zich bewegen rondom „Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en wooraen, voor God en al het volk". Laat ons dit even onthouden : zij kennen Jezus als Profeet, als Tolk Gods, en wel als een onvergelijkelijk Profeet, want zulke werken als Hij deed, en zulke woorden als Hij sprak, hebben huns gelijken niet! Dezen Profeet hebben de Overpriesters en Oversten schandelijk behandeld, jegens Hem hebben zij zich vreeselijk misdragen, door Hem over te leveren aan het oordeel des doods en Hem te kruisigen. O, hoe bloedt hun hart, als zij hieraan denken: dat hebben „onze" Overpriesters en Oversten gedaan ; zij voelen het als een misdrijf, waarvan de smaad op henzelf terugvalt. Vreeselijk is het voor hun gevoel, want: „wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou!" Hier komen zij er rondweg voor uit, wat zij in dien Nazarener gezien hebben, n.I. den Messias, den beloofden Koning Israels, Die in eeuwigheid op Davids troon zou zitten. Ook dit willen wij vasthouden : zij hebben Jezus gekend als den Koning Israels. Natuurlijk in den zin, dien de Joden hieraan hechtten: als den Koning, Die Israël van alle vj^nden zou verlossen en tot heerlijkheid brengen aan de spits van alle natiën. — Maar ach, hoe jammerlijk was hun hoop vergaan ! 't Was nu al de derde dag sedert de vreeselijke ontknooping op Golgotha. Zij konden het maar niet begrijpen, dat God niet op de één of andere wijze tusschenbeiden gekomen was. Hij had echter niets van Zich laten merken. Het was uit! Doch vandaag was het eigenlijk nog erger geworden. De droeve zekerheid was toch nog zékerheid. Nu was echter alles weer onzeker geworden om hen heen. Een straal van hoop scheen geworpen in hun duisteren nacht door een bericht van vrouwen, die aan het graf waren geweest en uit engelenmond hadden gehoord : „Hij leeft!" Ook was dit berichtten deele bevestigd door een paar discipelen, die het graf werkelijk ledig bevonden. „Maar Hem zagen zij niet!" Wat was er nu van die ééne lichtstraal overgebleven, die scheen door te breken ? Het geval was nu nog veel pijnlijker geworden. O, die pijnlijke onzekerheid !

Zoo klagen die Emmaüsgangers zich uit tegenover dien belangstellenden Vreemdeling. Zij leggen hun gansche hart voor Hem bloot. We kunnen het ons voorstellen, hoe zij Hem hierbij hebben aangezien met een blik, die zeide : Verstaat Oe nu, waarom droefheid ons hart vervult ? Waar is hier hulp en raad ? Waar een smart als onze smart ? Wonderlijk is de uitwerking van hun woorden. Die Vreemdeling gaat niét met hen meeklagen, zooals zij allicht verwacht hebben. Hij staat ook niet sprakeloos tegenover hen, zooals de vrienden van Job bij het aanschouwen van diens lijden, omdat zij daar machteloos tegenover stonden. Neen, er komt een woord voor den dag, dat op het eerste gehoor wel wat hard klinkt, maar dat openbaring is van hartelijke liefde : „O, onverstandigen en tragen van hart om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben!' Hier wordt hun in ronde taal gezegd, waaraan het te wijten is, dat zij in zoo'n sombere en droevige zielsgesteldheid verkeeren. Wij kunnen ons voorstellen, hoe het oog van dien Vreemdelinggetinteld heeft van blijdschap, toen Hij hun hiermede zeide : „Het is uw eigen schuld, het komt voort uit uw gebrek aan inzicht, daaruit dat gij zoo traag zijt in het gejooven vaj],^lles wat de profeten gesproken hebbenï'*"" "•'''"

Wat zullen zij vreemd hebben opgezien, toen Hij hun zoo zonder eenige verschooning de kwaal van hun hart blootlegde. Hij gaat het hun echter OMmiddellijk onweerlegbaar aantoonen. „Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzoo in Zijn heerlijkheid ingaan ?" Gij hebt duidelijk te kennen gegeven, dat die Jezus van Nazareth de Christus is, dat gij dit van harte gelooft. Welnu, hoe kunt gij dan zoo uit het veld geslagen zijn door de dingen, die deze dagen in Jerusalem zijn geschied ? Dat zijn juist de kenteekenen van den Christus. Dat hebben de profeten lang tevoren reeds verkondigd. De Christus moet lijden. Maar Hij moet ook nog iets anders, n.1. in Zijn heerlijkheid ingaan: in de heerlijkheid, die Hem is weggelegd als het loon op Zijn strijd. Hadt gij geloofd wat de profeten gesproken hebben, zonder iets daarvan te laten liggen, dan zoudt gij nu niet zoo droevig gestemd zijn, want dan zoudt gij weten, dat het niet anders kan, of die Jezus leeft. Het lijden "is immers volbracht. Hoe kan het dan anders dan dat Hij nu de heerlijkheid heeft ontvangen, die Hem is toegezegd ?

Eerst het lijden, dan de heerlijkheid. Zoo luidt de Raad Gods. Om hun dit duidelijk

Zoo luidt de Raad Gods. Om hun dit duidelijk te maken, loopt die Vreemdeling met die beide discipelen „A'Jozes" en de „profeten" en de „Schriften" door, d. w. z. het Oude Testament. Overal haalt Hij getuigenissen vandaan, die den weg van den Christus teekenen als een weg door lijden tot heerlijkheid. Wat zouden wij graag willen weten, bij welke plaatsen de Heere Jezus den vinger heeft gelegd : menige strijdvraag onder de mannen der wetenschap zou onmiddellijk beslecht zijn. Lukas bevredigt onze weetgierigheid niet. Tenminste hier niet. Elders in zijn Evangelie zien wij ons wel eenig licht ontstoken. Zoo in het 20ste Hoofdstuk, waar hij zelf de gelijkenis van de wijngaardeniers vermeldt, die den geliefden zoon van den eigenaar dooden, om de erfenis aan zich te trekken. In deze gelijkenis heeft de Heere Jezus geteekend wat de leidslieden des volks met Hém zouden doen en ook met ronde woorden gezegd, dat alzoo het bekende psalmwoord vervuld zou worden : „De Steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden". Daar hebt ge het: de verworpen steen wordt de hoeksteen van het gebouw, dus: eerst lijden, dan heerlijkheid, door lijden heen tot heerlijkheid !

Voor ons doel kunnen wij het heden wel bij dit eene voorbeeld laten. Die geheimzinnige Vreemdeling heeft door al wat Hij uit het Profetische Woord tevoorschijn bracht, de aandacht van de Emmaüsgangers hierbij bepaald : hoe de Christus van den Raad Gods, dus de waarachtige Christus, er uitziet. En Hij heeft hierbij het voile licht laten vallen op het lijden : dat de Christus moest lijden en alzoo in Zijn heerlijkheid ingaan. Dit was geheel in overeenstemming met de behoeften van die arme menschen, die Hij op den weg naar Emmaus vergezelde.

Daar zaten zij juist mee in de geschiedenis van hun Meester. Dat „lijden" had hen geheel in de war gebracht: zij verstonden niet, hoe menschen het in hun vijandschap zóóver konden krijgen, dat zij Hem ter dood brachten ; het was hun een raadsel, hoe de heilige God dat kon toelaten. Met deze feiten voor oogen konden zij geen andere conclusie trekken dan deze, dat Jezus de Christus niet kon zijn — en toch wilde hun hart aan deze conclusie niet aan. Al zeggen zij: „wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou", al geven zij hiermede te kennen, dat hun hoop in rook vervloog, het is duidelijk, dat zij toch van die hoop nog niet los waren, want in dit getuigenis — hoe hopeloos het ook luidt — klinkt nog de nagalm der belijdenis: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods".

Aan den anderen kant zaten zij ook in de war met de boodschap, dat Hij leeft. Deze tijding konden zij niet aanvaarden, omdat zij het lijden niet verstonden als de voorwaarde en de voorbode van de heerlijkheid. Zij zagen dat lijden geheel apart, en meenden dat met het lijden en den dood de loopbaan van Jezus voorgoed was geëindigd. Dat dit een dwaling is, laat hun Reisgezel hun aan de hand van het Profetische Woord zien. Het lijden behoort bij den Christus, als bestanddeel van den Raad Gods. Zóó leidt Hij hun aandacht af van de menschen, die Jezus aan het 83 kruis sloegen. Hij wijst hen hooger op. Die m^nschen hebben door hun eigen goddeloosheid heen, niets anders gedaan dan den Raad Gods uitvoeren. Zóó heeft Hij hun het licht ontstoken, dat straks op het Pinksterfeest zoo heerlijk straalt uit het bekende woord van Petrus tot de schare : „Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Oods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood" (Hand. 2 : 23). Hij heeft hen gewezen op den onverbrekelijken samenhang tusschen het lijden en de heerlijkheid van den Christus: zonder lijden geen heerlijkheid ! Herinner u nu eens. Gemeente ! wat wij u straks verzocht hebben te onthouden, n.1. dat de Emmaüsgangers den Heere Jezus wel kenden als den Profeet en ook als den Koning Israels, hoeveel dwaling hierbij ook hun voorstelling daarvan aankleefde. Dan gevoelt gij wel, wat aan hun kennis van Jezus als den Christus ontbrak : zij hadden er geen begrip van, dat de Christus ook Hoogepriester is en dat dit Hoogepriesterschap Zijn zelfofferande inhoudt. Daarop juist legt de Vreemdeling den nadruk, als Hij spreekt van het lijden, dat aan de heerlijkheid voorafgaat. Want dat lijden is het lijden van den Knecht des Heeren uit Jesaja 53, Die Zijn eigen ziel tot een schuldoffer stelt en daarmede de vervulling brengt van hetgeen in de offeranden der Wet was afgeschaduwd: Die met Zijn eigen leven de schuld betaalt van het arme verloren volk, dat de Heere Hem gegeven had. Als de Heere Jezus dat voor Zijn reisgezellen duidelijk heeft gemaakt, dan staat hun het beeld van den Christus Oods volledig voor oogen.

Welk een ander licht wordt hierdoor nu geworpen op het lot van dien Jezus, aan Wien hun ziel hing ondanks al hun hopeloosheid. Wat hen in de war bracht, had hen dus niet in de war behoeven te brengen. Neen, het lijden, dat over Jezus gekomen is, maakt Zijn Messiasschap niet twijfelachtig. Integendeel, het is hiermede in volmaakte overeenstemming. Het heeft voor hun oogen op Hem het stempel van den Gezalfde Gods gedrukt. Is het wonder, dat zij straks betuigen : „Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende ?" (vs. 32), Het werd zoo wonderlijk warm in hun binnenste, het begon er zoo wonderlijk te gloeien. Naast de overtuiging, dat Jezus dan toch de Messias was, de Verlosser Israels, kwam ook de gewaarwording, dat dan ook dat bericht, waarmede de vrouwen gekomen waren, waarheid moest zijn, n.1. dat Hij leeft I En daar begon hun hart te branden van verlangen om Hem nu ook levend te mogen zien !

Het duurt nu niet lang meer, of ook dit verlangen wordt bevredigd. Onder het levendige gesprek, waarbij Jezus tenslotte alleen het woord had en zij maar met klimmende belangstelling luislerden, hebben zij Emmaus reeds bereikt. De Vreemdeling wil verder gaan. Doch hiervan willen zij niet hooren. e d s , t : s n t j Zij kunnen Hem eenvoudig niet missen. Hij is een stuk van hun leven geworden door alles wat Hij in hun nood aan hen heeft gedaan. Hij moet met hen mee. En Hij gaat met hen mee. Weldra zitten zij aan tafel. En daar keert die Vreemdeling de rollen om. Van gast wordt Hij gastheer. Hij neemt het brood ; Hij zegent het, d. w. z. Hij dankt God, Die het gegeven heeft; Hij geeft het hun — en dan gaan hun ineens de oogen open: 't Is Jezus Zelf, de opgestane Heer, Die Zich met hen aan tafel bevindt!

n ! s n l n n j k p e t Nu kennen zij Hem. Heel anders evenwel dan tevoren. Nu weten zij, wat zij vroeger niet verstonden. Zij kennen Hem als Dengene, Die met Zijn eigen bloed hun zonden verzoend heeft. Die door Zijn dood hun een oorzaak van eeuwige zaligheid is geworden. Daar ligt ook voor ons het zwaartepunt in het Evangelie van de verschijning van onzen Heere aan de Emmaüsgangers. Dien Jezus moeten wij hebben. Die de vervulling is van het Profetische Woord. Een andere Jezus baat ons niet. Alleen die Jezus, Die Zijn ziel tot een schuldoffer gesteld heeft. Het is in onze dagen noodig, hierap voortdurend

t t n n e r n g Het is in onze dagen noodig, hierap voortdurend den nadruk te leggen. Er zijn er immers al te veel, die dit over het hoofd zien of wegdoezelen. Het is niet voldoende, van een Jezus in heerlijkheid te spreken of op een Jezus in heerlijkheid te hopen. Het moet die Jezus, zijn. Die naar Zijn eigen getuigenis Zijn ziel gegeven heeft tot een losprijs voor velen. Een andere Jezus is er in de heerlijkheid niet. Geen andere zit daarboven aan de rechterhand des Vaders. Al schudt menigeen in onze dagen het hoofd

g r r t Al schudt menigeen in onze dagen het hoofd over het geloof in een Jezus, Die door Zijn dood onze zonden verzoend heeft, — dat deert ons niet. Dat is de Christus. Zóó is Hij beloofd in het Profetische Woord. Zóó is Hij gekomen in de volheid des tijds. Zóó leeft Hij daarboven in den hemel ten goede van allen, die op Hem betrouwen. Met Hem komt niemand bedrogen uit, maar weigelukzalig zijn allen, die zich door het Evangelie laten leiden en op Hem vertrouwden.

e II

, s o r , r En nu komen wij aan het tweede merkwaardige stuk, waarvan Lukas gewaagt, als hij in vs. 31 schrijft: „En hun oogen werden geopend, en zij kenden Hem ; en Hij kwam weg uit hun gezicht". Hij is dus op hetzelfde oogenblik, waarop zij Hem herkenden, verdwenen.

n Waarom is dat geschied? Onwillekeurig doen wij ook deze vraag.

I , , g . Het lijkt immers zoo vreemd ! Het lijkt zoo geheel in strijd met het belang der Emmaüsgangers. Hoe blij waren zij, toen zij hun Meester weer zagen ! Hoeveel hadden zij nog van hun Meester kunnen genieten! En juist op het oogenblik, waarop dat genot eerst recht begint, wordt er door Hemzelf een einde aan gemaakt. Hij trekt Zich terug uit de zichtbare wereld en verdwijnt in die wereld, die wij met onze zintuigen niet kunnen waarnemen, waarin geen sterveling ook maar één schrede kan doen. Stel u eens voor. Gemeente! dat de HeereJezus

Stel u eens voor. Gemeente! dat de HeereJezus bij Zijn discipelen gebleven was. Dan hadden zij genoten van Zijn lichamelijke tegenwoordigheid. Dan hadden zij nooit een oogenblik aan scheiden gedacht, maar gemeend, dat Hij op denzelfden voet onder Zijn jongeren zou verkeeren als vóór Zijn lijden. Dan hadden zij nieuwen steun gekregen voor verkeerde gedachten, waarin zij ten aanzien van Hem bevangen waren. Herinner u maar eens, wat zij Hem vóór Zijn hemelvaart nog hebben gevraagd — en dat waren nog wel apostelen, die Hem dat vroegen! —: „Heere! zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten ?" Zij droomden dus van een Koninkrijk van Christus hier op aarde. Was de Heere Jezus bij de Emmaüsgangers gebleven, dan waren zij aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid zóó gewend geworden, dat zij zouden zijn blijven hangen aan het „vleesch", waarvan de Heere Jezus eens gezegd had, dat het „niet nut" is. Jezus is onmiddellijk na de herkenning verdwenen om dezelfde reden, waarom Hij niet onmiddellijk na Zijn verrijzenis Zich levend aan Zijn jongeren heeft vertoond, maar eerst Zijn opstanding heeft laten boodschappen. Zijn jongeren moesten weten, dat Hij leeft, ook al konden zij Hem niet waarnemen met lichamelijke oogen ; zij moesten weten, dat de zekerheid van Zijn leven voor hen niet afhing van zinnelijke waarneming. Hieraan heeft Hij van het eerste oogenblik af Zijn jongeren gewend, omdat zij het straks zonder zinnelijke waarneming van Zijn Persoon moesten stellen. Als de Verrezene behoorde Jezus niet meer tot den kring der aarde, maar tot het rijk der heerlijkheid. Op de opstanding moest te zijner tijd de hemelvaart volgen, waardoor Hij voorgoed aan hun lichamelijk oog onttrokken zou zijn. M.a.w. zij moesten leeren leven door geloof, en niet door aanschouwen. Daarom werden al Zijn verschijningen altijd weer gevolgd door verdwijningen, totdat Hij op den Olijfberg voorgoed van deze aarde afscheid nam tot op Zijn wederkomst in heerlijkheid. Zoo hebben zoowel de herhaalde verschijningen als de daarop gevolgde verdwijningen haar eigenaardige beteekenis : de verschijningen, om Zijn discipelen de volkomen zekerheid van Zijn leven te geven ; de verdwijningen, om hen te leeren, dat zij Hem niet meer in de zichtbare wereld moeten zoeken, maar in de onzichtbare wereld, die daar achter ligt. Hij is echter eerst uit het gezicht der Emmaüs

Hij is echter eerst uit het gezicht der Emmaüsgangers verdwenen, nadat zij Hem hebben herkend als denzelfden Jezus, Die in den dood was gegaan. Diep ingeprent in hun hart is Zijn beeld als de Christus Gods, door het onderricht, dat Hij hun gegeven heeft uit de Heilige Schriften. Dit laatste was voor hen van groote beteekenis. En niet alleen voor hen, maar ook voor de andere jongeren. Dat blijkt ook wel, als wij de Handelingen der Apostelen lezen en daarin de jongeren des Heeren als voor onze oogen zien handelen en wandelen. Hoe hebben zij in de Schriften des Ouden Verbonds gevorscht! Als zij aan Jood en Heiden den Christus teekenen en Jezus als den Christus prediken, dan maken zij veelvuldig gebruik van het Profetische Woord. Denk maar aan de bekende Pinksterrede van Petrus, waarin deze apostel in kort bestek tot tweemaal toe, n.l. als hij over de opstandingen de hemelvaart spreekt, zich beroept op het Oude Testament, en wel op psalm 16 en psalm 110. Als ik het zoo eens mag uitdrukken : in het Oude Testamerit, het Woord Gods van den toenmaiigen tijd, ging Petrus te gast, wanneer hij zijn hartvoorzichzelfen voor anderen weer eens moest ophalen aan zijn Heiland.

Hiermede is ook voor ons de weg gewezen. Wij verkeeren niet in het geval, dat wij tenminste een enkele maal den verrezen Heiland kunnen aanschouwen. Ons lichamelijk oog heeft Hem nooit gezien en zal Hem nooit zien in zichtbare verschijning. Want Hij vertoont Zich niet op de aarde. Wij hebben, evenals de jongeren in den tijd na de hemelvaart, enkel door geloof te leven. Maar ons hart heeft daarom wel degelijk behoefte aan contact met onzen Heiland. Hoe zullen wij dat vinden ?

Door ons te verdiepen in het Woord vaji onzen God. Onwillekeurig gaan onze gedachten naar het Nieuwe Testament. Daar zien wij Hem onder de menschen vvandelen als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Daar hooren wij Zijn stem, die woorden spreekt, welke ook voor onszelf van de grootste beteekenis zijn. Maar onze gedachten mogen en moeten niet minder gaan naar het Oude Testament. Daar zien wij Hem geteekend zoowel in de beloften als in de schaduwen, waarin God Zijn heilsgedachten omtrent zondaren bekend heeft gemaakt. Al verschilt de vorm, in wezen staat het Evangelie zoowel in het Oude- als in het Nieuwe Testament. En als dat Evangelie tot ons komt, dan komt de Christus Zelf tot ons, want Hij is er de kern en het middelpunt van, zoowel in de taal der belofte als in die der vervulling.

De weg des geloofs in Jezus Christus is geen gemakkelijke weg. Het gaat hierop niet alles vanzelf. Wij hebben geen ding in eigen hand. Dit worden wij vaak genoeg gewaar.

Het gaat om het leven van onze ziel. En dit leven wordt alleen gevonden in de gemeenschap met den levenden Jezus. Maar ach, deze gemeenschap .wordt zoo dikwijls gemist. Door allerlei omstandigheden. Door het gewoel en de zorgen des levens. Door afwijking van den weg der gerechtigheid. Dan kan Jezus zoo ver van ons zijn, dat Hij ons haast als een vreemde is geworden, al weten wij ook verstandelijk met behulp van een goed geheugen heel Zijn levensgeschiedenis te verhalen. Wanneer wij hierover verslagen zijn en troosteloos voortloopen, hoe krijgen wij dan weer contact met Hem ? Al wat menschen ons met de beste bedoelingen voorhouden heeft geen vat op 85 ons. Maar hoe menigeen heeft het ondervonden, als hij met zijn bezwaarde hart naar zijn Bijbel greep, dat er verandering kwam. Soms in een oogenblik. Soms na lang, lang wachten, waarbij dat kostelijke boek wel eens weer in moedeloosheid werd gesloten, maar ook weer opengeslagen. Wat kan een enkel woord de ziel verkwikken, zoodat ineens gevoeld wordt, dat er contact is tusschen onzen Heiland en ons, wanneer wij de woorden indrinken als het dorstige land den malschen regen ! Als wij het Woord, dat Ood ons schonk in onzen

Als wij het Woord, dat Ood ons schonk in onzen Bijbel, laten liggen, dan verdort onze ziel. Het is niet alleen voor den Zondag, maar ook voor de week. Niet alleen voor den rustdag, maar ook voor den arbeidstijd. Want uit de aanraking met Jezus in Zijn Evangelie ontvangen wij moed en lust en kracht tot ons werk, dat zoo vaak allerlei moeite baart.

Gemeente ! laat het dan niet liggen, maar gebruik het altijd. Ook dan, wanneer gij geen invloed ervan op uw hart bespeurt. Laat u er niet van afhouden, alsof het voor u niets bevatte. Maar klaag uw nood aan dien God, Die het u gaf, niet opdat het u voorbij zou gaan, maar opdat het u nut zou doen. Hij zal door Zijn Geest uw hart openen, zoodat het Woord er toch ingaat en gij er uw Heiland in vindt naar de behoeften van uw ziel. En dan komt u vyeer met nieuwe kracht voor oogen te staan : Jezus leeft, niet alleen voor anderen, maar ook voor mij! En gij reist uw weg met blijdschap, ook al aanschouwt uw lichamelijk oog Hem niet. Amen. Gelezen : Lukas 24 : 13—35.

Gelezen : Lukas 24 : 13—35. Gezongen : Ps. 33 : 5, 6 ; Ps. 77 : 7, 8 ; Ps. 89 : 7 ; Gez. 137 : 5 (N.B. 62 : 3).

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Hoe de Levensvorst Zich aan twee van Zijn jongeren openbaart

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1947

Kerkblaadje | 8 Pagina's