Psalmen in de nacht.*
Text: Mand. 16 : 25: i>En omtrent middernaclit baden Paulas en Silas en zongen O ode lofzangen, en de gevangenen tioorden naar fieno..
Ons textwoord is u zeker niet vreemd. Het zijn bekende klanken, die u onmiddellijk het verblijf van Paulus in Filippi, de toebrenging van Lydia de purperverkocpster, maar inzonderheid de geschiedenis van de stokbewaarder voor de geest roepen.
De geschiedenis van de stokbewaarder is een treffende geschiedenis. Wat 'n ontroerende dingen worden ons niet medegedeeld in de weinige regels, waarin zij is vervat! Hoe heerlijk blinkthier weer de macht der ontferming des Heren uit, die zich groot maakt bij een ellendig mensenkind, door hem als een brandhout uit het vuur te rukken. Dat is het oogpunt, waaruit wij gewoonlijk deze geschiedenis beschouwen. En dat ligt ook voor de hand, want dat is het meest sprekende uit heel dit tafereel.
Hiermede is echter niet uitgeput wat Lukas' verhaal ons te lezen geeft. Door het verhaal van Paulus' en Silas' verblijf in Filippi, waartoe ook hun vertoef in de kerker behoort, lopen verschillende draden. Zulk een draad komt ook in ons textvers aan de dag. Het is de draad, die onze aandacht op Paulus en Silas vestigt. Uitgaande van die beide personen willen wij nu een blik slaan in de bekende historie. Paulus en Silas, Gode lofzangen zingend in de kerker, — dat liefelijk tafereel toont ons de rust des geloofs. Terwijl wij hierover spreken, overdenken wij I waarin deze rust uitkomt; 11 waar zij vandaan komt; III waartoe zij strekt; en IV wat dit alles ons te zeggen heeft.
I.
Het is een merkwaardig ogenblik, waarop wij door onze text in de gevangenis te Filippi worden binnengeleid : daar klinken ons lofzangen tegen uit de mond van Paulus en Silas, die daar liggen met de voeten in de stok.
Wonderlijk zijn de wegen des Heren ! Op kennelijke manier had Hij Paulus de weg gewezen, die hij te gaan had. Ge herinnert u wel, hoe Paulus en zijn metgezellen door de Geest verhinderd werden, het Woord des Heren bekend te maken in Asia en Bithynië. Ge herinnert u verder het gezicht, dat Paulus in Troas ontving, van de Macedonische man, die van de overzijde der zee hem toeriep: „Kom over in Macedonië, en help ons \" Door dat gezicht geleid, was Paulus in gezelschap van Silas en Timotheüs, waarbij zich ook Lukas gevoegd had, naar Europa overgestoken. En ziet, in de eerste stad de beste, waar zij verblijf gingen houden, werden Paulus en Silas in de kerker geworpen. Dat was heel iets anders dan de bede : „Kom overin Macedonië, en help ons !" in uitzicht had gesteld. Om des Evangelie's wil lagen zij in de kerker. Om de Naam van Jezus Christus die zij verkondigd hadden en die Zijn macht in Filippi getoond had. Daar was immers een dienstmaagd met een waarzeggende geest in die stad. Dag in dag uit liep zij Paulus en de zijnen na, roepende: „Deze mensen zijn dienstknechten Gods, des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen" (vs. 16, 17). Dat maakte Paulus ontevreden. En op zekere dag keerde hij zich om en zeide tot de geest: „Ik gebied u inde Naamvan JezusChristus, dat gij van haar uitgaat". En hij ging uit terzelfder ure.
Misschien is bij u wel eens de vraag opgekomen, waarom Paulus ontevreden werd over hetgeen die dienstmaagd door de waarzeggende geest sprak, en waarom hij die geest uitdreef, — waarom God Zelf ook Zijn zegel daaraan gehecht heeft. Wat die dienstmaagd uitriep was immers de waarheid! Waarom kon Paulus dat dan niet langer aanhoren ?
Gemeente ! die waarzeggende geest was een onreine geest, een onderhorige van Satan werkte in die dienstmaagd. Het was dus een getuigenis uit het huis en uit het hart van de duivel, dat dag voor dag achter de Apostelen aan door Filippi's straten klonk.
Wellicht denkt ge: wat doet dat er toe ? Als de duivel aan de waarheid getuigenis geeft, mag dat getuigenis toch wel gehoord worden, want zo kan het nog nut doen ! Dat moet ge echter niet te snel zeggen. Of zoudt ge werkelijk menen, dat de duivel behagen schept in de weg der zaligheid, dat hij graag de mensen daarop ziet wandelen en dus graag medehelpt om hen op die weg der zaligheid ie brengen ? Immers neen 1 De duivel is veel te scherpzinnig om zijn eigen rijk te gronde te richten. Hij strijdt enkel voor zijn eigen heerschappij, om die te behouden of te herkrijgen. Dat heeft Paulus helder voor de geest gestaan, toen hij zich omkeerde en de waarzeggende geest gebood uit te gaan.
Ogenschijnlijk was het heel mooi, dat die dienstmaagd zulk een vererend getuigenis gaf aan de verkondigers van het Evangelie. Want iemand met een waarzeggende geest was altijd een persoon van betekenis en van invloed. Het was dus een uitnemende hulp om aan de prediking van het Evangelie „succes" te bezorgen, zoals wij hedentendage zouden zeggen. Het zou misschien niet zo heel lang duren, of de gehele stad Filippi lag aan de voeten van Jezus, tenminste een groot deel der stad. Paulus is daardoor echter niet verblind. Hoewel het hem zeker wel niet aangenaam geweest is, door een vrouw te worden nageschreeuwd op de straten, heeft hij het „vele dagen" laten begaan. Langzamerhand werd het hem duidelijk, waarmede hij te doen had en uit welke hoek de wind woei. En toen klonk het zeker in zijn oren als een terging en bespotting van het Evangelie, want in die „vele dagen" kwam er niet één, die het Evangelie gehoorzaam werd. En zo heeft hij daarin ook gehoord de stem der verzoeking, die hem er toe poogde te brengen, van de hulp des duivels gebruik te maken om het Evangelie ingang te doen vinden in de harten ; een verzoeking, die vrijwel gelijk is aan die, waarmede de duivel tot de Here Jezus kwam, toen hij zeide: „Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid der koninkrijken geven ; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil. Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uwe zijn" (Lukas 4 : 6, 7). En toen was het uit. Toen verbrak hij de heerschappij des duivels, door de waarzeggende geest te gebieden, van deze dienstmaagd uit te gaan, in de Naam van Jezus Christus.
De duivel had het dus moeten afleggen. Maar dat vergaf hij de Apostel des Heren nooit. Die zou het ondervinden. Die dienstmaagd bracht haar heren groot gewin toe met 122
„waarzeggen". Zij had door haar gemeenschap met de duivel het vermogen om blikken te werpen in de onzichtbare wereld, die achter de zichtbare ligt, en kon daarom op velerlei vragen antwoord geven. Daarmede verdiende zij grof geld. En dat geld vloeide in de kas harer heren ; want zij was een slavin, die met lijf en goed aan andeien toebehoorde. Die hadden voor die slavin hun geld betaald en waren gewend daarvan schitterende rente te trekken. Dat hield nu op. Zij was weer geworden als een gewoon mens. Zij verstond de kunst van waarzeggen niet meer ! Dat deed haar heren in woede ontbranden. Zij draafden de stad door om die vreemde predikers te zoeken. En toen zij Paulus en Silas gevonden hadden, grepen zij hen „en trokken hen naarde markt voor de oversten". Zij schreeuwden het uit: „Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn ; en zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen of te doen, alzo wij Romeinen zijn". Het was weer het oude lied, dat vroeger ook al door de Joden in Jeruzalem was gezongen, eeist t. a. v. de Here Jezus Zelf, daarna van Zijn Apostelen. De predikers van het Evangelie, die niet anders deden dan de waarheid Gods verkondigen, werden voor oproermakers uitgekreten, die alles in de war brachten. Zo is het ten allen tijde geweest, zo is het heden nog. Het was een geschikt middel om de hele stad ineens in 't harnas te jagen. Dat geschiedde ook werkelijk, want „de schare stond gezamenlijk tegen hen op". Zelfs de oversten verloren hun bezinning. Met eigen hand scheurden zij Paulus en Silas de klederen van het lijf en gaven bevel, hen te geselen. Zonder enig nader onderzoek! Weldra snerpten de gesels door de lucht, die beiden ten bloede toe verwondend. De woede was niet spoedig gekoeld, want Paulus en Silas kregen „vele slagen". De oversten zijn klaarblijkelijk onder de invloed van de menigte geweest en hebben dat alles gedaan om aan de menigte voldoening te geven — volstrekt niet, omdat zij zo diep overtuigd waren van het gewicht der beschuldigingen. Want de volgende morgen geven zij uit eigen beweging last om Paulus en Silas los te laten. „Los te laten", want Paulus en Silas worden naar de kerker gebracht. Door een grote menigte omstuwd. De cipier krijgt bevel om hen „zekerlijk te bewaren" Er scheen dus veel aan deze gevangenen gelegen te zijn Hij doet dan ook wat hij kan. Hij stelt hen in de zekerste bewaring, die hij kent. Als gevaarlijke misdadigers worden zij in de binnenste kerker geworpen. En nog meer dan dat: hij „verzekerde hun voeten in de stok", d. w. z. zij werden met de voeten besloten fn een blok, zodat zij niet eens konden opstaan. Welk een marteling voor Paulus en Silas! Het was wel geschikt om hun alle lust en alle moed te benemen. Het was geen wonder geweest, als zij — voorzover zij nog kracht hadden overgehouden — in jammerklachten waren uitgebarsten, in hartstochtelijke uitroepen over het gruwelijk on-recht, hun aangedaan. Het was geen wonder geweest, wanneer zij — voorzover zij nog spreken konden — elkander bezorgd hadden gemaak voor het lot, dat hun te wachten stond ; waar zou het toch op uitlopen!...
Maar hoe geheel anders ziet het er uit: zij zingen Ood^ lofzangen. Met hun doorwonde ruggen met hun afgetobde lichamen. Hun oog is op God gericht. Zij verheugen zich in Hem. Zij prijzenZijn Naam temidden van alle smart. Zij roepen het uit dat Hij goed is en Zijn goedertierenheid tot in eeuwigheid duurt. Het staat er niet bij, wat zi gezongen hebben. Wij kunnen ons echter voorstellen, dat zij gegrepen hebben naar de lofzangen die onder het Oude Verbond zo menigmaal in de Tempel hebben weerklonken, waarnaar de Gemeente van de Nieuwe Dag nog altijd zo gaarne grijpt, naar de Psalmen ! Wij kunnen ons voorstellen, dat de duistere kerker weergalmde van hel loflied :
en van dat andere loflied :
en van het bekende : „Geloofd zij God met diepst ontzag". Want zij hebben het niet bij één lofzang gelaten Neen, hun hart was zó vol van de Here, da zij de éne lofzang na de andere aanhieven. — Dat waren in de volle zin des woords „psalmen in de nacht". Temidden van alle smarten, temidden van al het tegenstrijdige Gode lofzangen zingen — daarin wordt de rust des geloofs openbaar
II.
Waar komt die rust vandaan ? Dat is de belangrijke vraag, waaraan wij nu in de tweede plaats de aandacht gaan wijden. De weg voor de beantwoording daarvan word ons door Lukas zelf gewezen. Hij schrijft : „En omtrent middernacht baden Paulus en Silas en zongen Oode lofzangen". In de grondtext komt de zin dier woorden nog duidelijker uit daar staat: „En omtrent middernacht Paulus en Silas biddende zongen Gode lofzangen". Daar is dus sprake van een doorlopende werkzaamheid zij begonnen met bidden en eindigden me lofzangen.
Paulus en Silas zullen aanvankelijk wel niet geweten hebben, hoe zij het hadden. Alles was zo snel in zijn werk gegaan. Op het onverwachtst vreedzaam door de straten gaande, waren ze gegrepen, naar de markt gesleurd tot de oversten, gegeseld en in de kerker geworpen. Daar in het blok liggend, kwamen zij tot zichzelf. Voelden de schrijnende wonden op hun rug, voelden de brandende pijnen. Zo lagen zij daar geruime tijd, vol lichaamssmart. Rust konden zij niet krijgen, de slaap konden zij met vallen, want zij konden zich niet eens een gemakkelijke houding verschaffen; het blok hinderde hen in al hun bewegingen. Daarbij kwam dan nog de zielesmart : opgebracht als misdadigers, in het openbaar gegeseld, terwijl zij toch niets anders hadden gedaan dan wat de Naam des Heren en het hun toevertrouwde werk meebracht!
Zij zoeken hun sterkte in het gebed. Zij storten hun harten uit voor 's Heren aangezicht. Zij zeggen Hem al wat hen deert naar lichaam en ziel. Zij vragen er niet naar, of er ook anderen zijn, die het kunnen horen. Och, daar hebben zij niet eens aan gedacht. Hun hart was vol. En dat volle hart storten zij uit bij Hem, bij Wie zij het alleen kunnen uitstorten. Die het geroep der ellendigen hoort. Zij waren in de kerker met hun God alleen. En zeggen Hem alles vrij uit .... En het wordt hun wonderlijk temoede. Schuilende bij Hem, is het hun goed, bij Hem te wezen. En het wordt hun hoe langer hoe beter. Het wordt hun ruim om het hart. Zij gevoelen zich in de tegenwoordigheid van God, van de God der heerlijkheid. Hun zielsoog wordt verhelderd. Het komt te rusten op het heil, dat Hij gewrocht heeft in Christus. Op de verlossing, die hun in Christus is geschonken ; de verlossing uit de macht van zonde, duivel en dood. Op de heerlijkheid der erfenis, die Christus hun verworven heeft. Zij zijn bezig met de dingen, die boven zijn, waar Christus is. En hun ziel wordt er zó van vervuld, dat ze helemaal niet meer denken aan de kerker, waarin zij zich bevinden. Zij vergeten de stok en de striemen. Zij voelen de wonden niet meer, ofschoon die schrijnen en gloeien als tevoren. Zij loven en prijzen hun God. Het is hemel in hun ziel. Daarom zijn zij ook niet spoedig uitgeput. Hun mond ontsluit zich telkens opnieuw. Nu komt hun het ene, dan weer het andere in de gedachte. En waar het hart vol van is, daar vloeit hun mond van over. De kerker is veranderd in een huis Gods, waar lofzang op lofzang weerklinkt. Ja, die kerker wordt vervuld met de lof des Heren, want zij kunnen niet zwijgen. Zie, Gemeente! zó is die rust gekomen. Het is waarlijk rust des gelcofs, rust die door het geloof wordt verkregen. Het is niet te danken geweest aan de geestkracht dier mannen, hoe krachtig hun geest ook geweest moge zijn. Het is immers duidelijk, dat het gebed de weg is geweest voor Paulus en Silas, om tot die rust te komen. Wie bidt in de ware zin des woords, die voelt zich niet krachtig, maar dodelijk zwak. Wie bidt, die vermag zelf niets en die heeft zelf niets, maar die zoekt het alles bij God en bij Hem alleen. En Hij heeft Zich niet onbe-tuigd gelaten. Hij heeft Zijn knechten versterkt, zodat zij met hun lofzangen in de kerker, ja in de stok, daar stonden rustig temidden der kokende en bruisende golven. Vervuld van Zijn heil waren zij zó goedsmoeds, dat zij de ene psalm voor, de andere na aanhieven. Zij hidden het goed temidden van alle ellende en alle smart. Zij zongen de lof des Heren, alsof zij reeds stonden voor de Troon van God en het Lam.
III.
Waartoe strekte nu deze rust des geloofs ? Het antwoord kunnen wij in weinig woorden samenvatten : tot Gods eer en totheil vandenaaste. Tot Gods eer. — Hierover kunnen wij kort zijn, want het ligt eigenlijk al opgesloten in hetgeen wij gezegd hebben. Gode lofzangen zingende, verkondigden zij, welkeen God zij hadden, zodat elk die hen hoorde het vernam. Ja, zij stonden daar — want waar de ziel zo is opgericht, kunnen we eigenlijk van liggen niet meer spreken — alstoonbeelden van de goedheid Gods, als levende bewijzen van de zaligheid, die Hij schenkt. Immers een zaligheid, die zich temidden van ellende en smart uit, dat is in waarheid zaligheid. Die rust strekte ook tot heil van de naaste. Lukas schrijft immers: „en de gevangenen hoorden naar hen". Dat betekent niet alleen, dat het gezang van Paulus en Silas hun in de oren drong, maar dat zij er ook de aandacht aan schonken. Zij zetten zich om te horen. Zij luisterden met ingehouden adem. Het maakte indruk op hen. Zo iets hadden zij nog nooit gehoord. Klagen en morren, vuisten ballen, razen en tieren, dat kwam meer voor in de kerker, evengoed als het uiten van wanhoopskreten ; maar lofzangen, — neen, dat was iets ongewoons ; lofzangen, Gode ter ere, met bebloede ruggen en de voeten in de stok .... het maakt zoveel indruk op hen, dat straks, als bij de aardbeving de banden los worden en de deuren der gevangenis opengaan, geen hunner aan ontvluchten denkt. Zij blijven bij die mannen, die hun God zo prezen. Wat er van deze gevangenen geworden is, is
Wat er van deze gevangenen geworden is, is ons niet bekend. Of het te eniger tijd nog geleid heeft tot hun bekering, weten wij niet. In gissingen zullen wij ons niet verdiepen, terwijl de Schrift er van zwijgt. Maar dit éne weten wij, dat de geloofsrust van Paulus en Silas een grote rol gespeeld heeft in de zielsgeschiedenis van de stokbewaarder, de cipier der gevangenis. Die man is in doodsangst, als die aardbeving geschied is. Hij wordt er door opgeschrikt uit de slaap. En als hij de deuren der gevangenis ziet openstaan, dan is hij radeloos. Hij denkt natuurlijk niet anders dan dat de gevangenen ontvlucht zijn. En hij knoopt daar onmiddellijk allerlei aan vast. Bijzondere nauwlettendheid in de bewaking van die beide gevangenen, die gisterenavond pas gekomen waren, was hem bevolen. Het zal aan hem geweten worden, dat zij ontsnapt zijn. Hij ziet zichzelf al voor de rechter, hij ziet zich al ge-vonnisd.... en hij trekt het zwaard om zichzelf te doden : dan blijft hem tenminste de schande bespaard en velerlei marteling.... Daar klinkt opeens Paulus' stem : „Doe uzelven geen kwaad, want wij zijn allen hier!" De stokbewaarder laat licht brengen en springt de kerker in. Ja, daar zijn zij allen ! Hij voelt geen grond meer onder de voeten. Hij beeft als een riet. Hij brengt Paulus en Silas naar buiten en smeekt hun : „Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?" Dat is dezelfde man, die hen de vorige avond nog in de stok had gelegd. Het steenharde hart is gebroken, en voorgoed gebroken ook. Want het is open voor de prediking van de Apostel: „Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis". Hij drinkt de woorden des levens in als water. Hij neemt onmiddellijk Paulus en Silas in zijn huis, wast hen van de striemen, wordt gedoopt met al de zijnen, zet Paulus en Silas de tafel voor, en verheugt zich, „dat hij met al zijn huis aan God gelovig is geworden". Het is zeker waar, dat de Geest des Heren de stokbewaarder in het hart gegrepen en tot bekering gebracht heeft, maar een middel daartoe is zonder enige twijfel de rust geweest, die Paulus en Silas bij hun lofzangen en daarna tentoon spreidden. Hij zag hun zaligheid voor zijn ogen en werd er door tot jaloersheid verwekt ; hij verlangde er naar met een onuitsprekelijk verlangen, dat niet afliet vóór en aleer het bevrediging had gevonden.
IV. Wij hebben nu de rust des geloofs gadegeslagen
Wij hebben nu de rust des geloofs gadegeslagen in haar openbaring, haar bron en haar uitwerking. Laat ons nu met het gehoorde tot onszelf inkeren en overdenken wat dit alles ons te zeggen heeft. Kent gij die rust ? — Dat is nu de vraag, waar ieder onzer zich voor geplaatst ziet. En nu is de bedoeling niet, of gij die rust wel eens bij anderen hebt waargenomen ; ook niet, of gij er over weet te spreken door hetgeen ge waargenomen of van anderen gehoord hebt, — maar: kent gij die rust ook voor uw eigen persoon ? is het dus waarheid in het diepst uwer ziel wat wij zingen in Ps. 33 :
Op dit laatste valt alle nadruk. Want er zijn wel gesteldheden der ziel, waarbij naar het uitwendige grote gelijkenis bestaat met de rust des geloofs, terwijl toch de kern er aan ontbreekt. Er zijn mensen, die in hooghartigheid zich boven leed en smart verheffen, omdat ze niet willen weten, dat zij aan zulke dingen onderhevig zijn. Er zijn er ook, die in luchthartigheid zich er over heenzetten, omdat ze er liefst niet aan denken. Er zijn er ook, die zich met verstandelijke redeneringen helpen. Dan ziet het er naar het uitwendige heel rustig uit. Maar naar het inwendige? Ach, als men eens in de harten kon zien, wat een onrust zou men gewaar worden ! En al zou er geen onrust zijn, omdat men die door allerlei middelen heeft weten te onderdrukken, — van lofzangen, Gode gezongen, is geen sprake. Waarom niet? Omdat Qod niet in het middelpunt staat, omdat er geen oog is voor het goede, dat Hij schenkt, omdat het hart niet rust in Hem ? Rust gij in Hem ? — Gemeente! wij menen zo licht, hierop bevestigend antwoord te kunnen geven, omdat wij graag over God en goddelijke dingen spreken, en even graag Gode lofzangen aanheffen. Daarmede is echter nog niet bewezen, dat het werkelijkheid is. Het gaat zo gemakkelijk, Gode lofzangen te zingen, wanneer wij blijde en rustige dagen hebben, als geen krankheid ons aantast, als geen zorg ons kwelt, als geen ramp onze tenten nadert, als geen teleurstelling onze weg kruist, als het vermogen aanwast, als eer en aanzien ons deel zijn. Laat ons daarbij gedenken aan een woord, dat wij vinden bij Jeremia ^12 : 5): „Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan ?" De rust des geloofs is een rust, die niet enkel heerst in een land van vrede, maar die blijft ook in de verheffing van de Jordaan ! Welnu, hoe staat het daarmede ? Hoe maakt gij hef in nood en strijd, in droefenis en aanvechting, onder ramp en teleurstelling ? Hebt gij dan ook genoeg aan uw God, zingt gij Hem dan ook lofzangen, uitroepende dat Hij goed is en dat gij het bij Hem goed hebt ? Gemeente! als de muren eens een mond hadden,
Gemeente! als de muren eens een mond hadden, als onze huizen eens spreken konden, zowel de rijk-ingerichte woning van de aanzienlijke als de eenvoudige van de werkman I Zouden ze werkelijk van rust en lofzangen veelvuldig gewagen ? Zou niet veeleer het tegendeel het geval zijn ? Wij kunnen waarlijk niet veel lijden. Over kleine dingen kunnen wij nog heenkomen. Maar als ze enigszins gewichtiger zijn, gaat dat bitter slecht. Dan zijn wij vol onrust. Dan betrekt het gezicht. En dit alles wordt steeds erger, naarmate de bezwaren ernstiger worden. Dan neemt de onrust toe, dan lopen wij gejaagd heen en weer, nu hier zoekend, dan daar. Dan komen al spoedig de „waaroms" en „waartoe's". Dan doemen allerlei murmureringen op in ons binnenste. Dan zijn wij er allesbehalve aan toe, God goed te noemen en Zijn grote Naam te prijzen. Een ieder raadplege maar zijn eigen ervaring! Waaruit komt dat voort ? Is de oorzaak niet hier
in te zoeken, dat ons hart niet is bij onze God, dat wij Hem voorbijzien, dat wij Hem vergeten ? Moeten wij onszelf niet gedurig daarvan beschuldigen ?
En dat is waarlijk geen kleine zaak. Niet alleen, dat wij onszelf daarmede veel last bezorgen, maar wij doen ook onze God oneer aan. Is het dan niet, alsof wij een dode God hadden, aan Wie wij niets hebben, wanneer het er op aan komt ? En dan is er nog wat. Ons hele doen en laten is van grote betekenis voor- en van grote invloed op onze omgeving. Wat moeten degenen, die ons zo bij de pakken neer zien zitten, wel denken ? Moeten zij niet de indruk krijgen, dat het geloof, hetwelk wij belijden, toch eigenlijk niets waard is? En zijn wij dan niet onze naaste een aanstoot op de weg ; zijn wij dan niet oorzaak, dat hij van Christus vervreemd en van God verwijderd blijft ?
O, als wij daar recht inkomen, dan weten wij ons niet te bergen van schaamte ! Dan kunnen wij niet anders dan voor God in het stof zinken en uitroepen: „Betrek mij toch niet in Uw gericht, o God ! want hoe zou ik voor Uw aangezicht kunnen bestaan ? Op duizend vragen kan ik niet één bevredigend antwoord geven!" — Gelukkig, dat er ook voor deze zonden vergeving is in het bloed des Lams. Daar worde zij dan ook door een ieder onzer gezocht! Maar hoe kom ik dan tot die rust?
Maar hoe kom ik dan tot die rust?
Gemeente ! ons textwoord wijst ons zo duidelijk de weg. Biddend hebben Paulus en Silas lofzangen gezongen. De weg is dus het gebed. In wat nood gij ook zijt, wendt u tot God ! Maakt Hem uw nood bekend, spreekt die voor Hem uit, zegt Hem al wat u drukt en bezwaart — Ach, wij arme mensen, hoe jammerlijk maken wij het gewoonlijk met het gebed. Zeker, wij hebben als behoorlijke Christenen (zou ik haast zeggen) onze vaste dagelijkse gebedstijden. Maar daarmede is nog niet bewezen, dat wij ook werkelijk bidden. Hoeveel bloot vormelijks schuilt daar niet in. En dan — als wij in nood en moeite, in aanvechting en strijd zijn, is dan ons eerste het gebed ? Moeten wij niet bekennen, dat wij menigmaal zó in de put zitten, dat wij aan geen gebed deiken, en eerst ten langen leste daartoe komen ? Of ook, dat wij wel met gebed beginnen, maar dit gebed al spoedig verflauwt, als de nood enigszins lang duurt ?
Wat is het een genade, dat wij nog mogen bidden ! Dat is alleen te danken aan onze Here Jezus Christus, Die met Zijn lijden en sterven ons de toegang tot Gods Troon heeft ontsloten, die Troon voor ons tot een genadetroon heeft gemaakt. Daarheen dan met al uw nood en ellende, uw moeite en strijd, van welke aard die ook moge zijn ! Ai uw leed uitgeschud in 's Heren schoot, dan zingt ge weldra een lofgezang. Als toch een ellendige roept tot God, dan sluit Hij de oren niet. Neen, Zijn oor is dag en nacht geopend. En
Neen, Zijn oor is dag en nacht geopend. En dat niet alleen, maar Hij ontsluit ook Zijn hart voor zulk een ellendige. Hij laat u een blik werpen in dat hart vol liefde voor een verloren zondaar. Hij brengt u Zijn goede woorden voor de aandacht, die spreken van het heil, dat Hij in Christus gewrocht heeft. Hij verzekert u daarvan, dat Hij in Christus uw God is geworden en dat eeuwig blijft. En als gij dat te verstaan krijgt, dan vergeet gij al wal u drukt en bezwaart. Dan ziet ge daarover heen, want dan staat ge als op een hoge rots. Dan zingt gij ook een lofgezang, eer gij het zelf weet.
Uw hart uitstortend voor de Here, de God en Vader onzes Heren Jezus Christus, vindt gij rust om te staan tegen alle aanvechting, waarmede gij te kampen hebt vanwege uw zonde. Want gij vindt bij Hem het bloed der verzoening, dat van alle zonde reinigt. En gij heft de lofzang aan : „Bij U is vergeving, opdat Oij gevreesd wordt". Uw hart uitstortend voor de God en Vader onzes Heren Jezus Christus, vindt gij rust tegen alle zorgen van het tijdelijke leven, want gij ziet Hem, van Wien geschreven staat: „De Here is mijn Herder, mij zal niets ontbreken", en gij zingt hel David na: „Hij zal hen nimmer om doen komen in dure lijd en hongersnood". Zo leert gij ook zingen van Hem, Die
Uw hart uitstortend voor de God en Vader onzes Heren Jezus Christus, vindt gij rust tegen alle vijandschap, waaraan gij van de zijde der wereld blootstaat vanwege Zijn Naam. Want gij krijgt Hem in het oog. Die gesproken heeft : „In de wereld zult gij verdrukking hebben ; maar hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen" (Joh. 16 : 33), en gij zingt weldra: „ik ben verzekerd, dat.... niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here".
Uw hart uitstortend voor de God en Vader onzes Heren Jezus Christus, vindt gij ook rust tegen de verschrikkingen van de dood. Want van de Troon Gods klinkt u tegen de stem van Hem, Die speekt: „Ik leef, en gij zuil leven" — en gij heft hel weldra aan :
Te allen dage dan tot de Troon der genade heen ! Zo wordt gij vastgesteld. Zó, maar ook zó alleen, wordt gij vastgesteld, rustig temidden der onstuimige baren. En God alleen zal er de eer van hebben. AMEN.
Gelezen : Wel des Heren en Psalm 62. Gezongen: Ps. 46 : 1, 2; Ps. 138 : 1, 3, 4; Ps. 40 : 2 ; Gez. 58 : 7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juni 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's