Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De wachters omgekocht.*)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De wachters omgekocht.*)

24 minuten leestijd

Text: Matth.28 : 11—15.

Gemeente des Heeren!

Ziehier ook een boodschap aangaande de dingen, die op de opstandingsmorgen geschied zijn in de hof van Jozef van Arimathea. Maar de gang van déze boodschap is een heel andere dan die van de boodschap der vrouwen, welke van het graf van de Heere Jezus terugkeerden in de stad. Hetgeen hier vóór ons ligt staat in meer dan één opzicht in tegenstelling met de slof, waarbij gewoonlijk op het Paasfeest onze aandacht bepaald wordt. Wij hebben hier met heel andere boodschappers te doen : het zijn geen discipelinnen des Heeren, maar mensen, die niet het geringste belang hebben bij Jezus. Zij richten zich ook tot een heel andere kring dan Maria Magdalena en de andere vrouwen : niet tot vrienden, maar tot de bitterste vijanden van de Heiland. Zij komen niet met een blijde boodschap tot vertroosting van verslagen harten, maar met een mededeling, die hun lastgevers in de grootste verlegenheid brengt. — En wat de boodschap zelf aangaat, deze wordt niet verbreid zoals zij het eerst gebracht is, maar omgezet in een bericht, dat met de feiten geheel in strijd is.

Hebben de vrouwen het eerste bericht van de verrijzenis van onze Heiland onder de discipelen verbreid, — hier vernemen wij de geschiedenis van het ontstaan en de verbreiding van de eerste loochening der opstanding onzes Heeren. Wij zullen nu eerst deze geschiedenis nagaan, zoals Mattheüs die beschrijft, en er daarna nog een paar opmerkingen aan toevoegen.

I.

Het was onverwacht bezoek, dat de Overpriesters op de vroege morgen van de eerste dag der week ontvingen : daar stonden plotseling „enigen van de wacht" vóór hen.

Ge herinnert u deze wacht wel. Het was de wacht, die de Overpriesters en Parizeen van Pilatus hadden begeerd om het graf van de Heere Jezus te bewaken. Hij was nu wel dood, maar zij waren toch niet helemaal gerust. Weliswaar hadden zij Zijn woorden verre van zich geworpen, maar er was één woord, dat zij niet kwijt konden raken : „Na drie dagen zal Ik opstaan". Hoe dit woord hun bekend geworden is, weten wij niet. Maar zij zaten er mee verlegen. Het was hun een waar schrikbeeld. Hij was wel dood en goed dood ook .... doch Hij had discipelen achtergelaten, en dezen zouden naar hun gedachten al het mogelijke doen om de secte in stand te houden. Zij konden weleens komen en het lichaam huns Heeren stilletjes wegnemen en dan het gerucht verbreiden, dat Hij uit de doden herrezen is. Daartegen moest worden gewaakt, en daarom verzochten zij de stadhouder om de nodige manschappen : als daar Romeinse soldaten bij het graf stonden, zouden de discipelen zeker niets durven ondernemen ! — Hun verzoek werd door de stadhouder geredelijk toegestaan. Zij mochten de zaak naar hun eigen inzicht regelen. Zo hebben zij dan voor een flink aantal wachters gezorgd. Nu waren zij gerust. Maar daar staan nu eensklaps enigen van deze wacht in de vroege morgen vóór hun deur. Wat zou er aan de hand zijn ? Zeker iets bizonders, want welke soldaat >vaagt het, zijn post te verlaten?. ... Het is hnn ook wel aan te zien, dat er iets bizonders gebeurd is. Ze zijn bepaald van streek. Ze hebben beslist niet veel goeds te vertellen. Zouden de discipelen van de Nazarener. .. ? Neen, zeker niet ! die discipelen hebben het graf wei met rust gelaten. Die hebben aan geen wegnemen van het lichaam gedacht. Er zijn veel erger dingen gebeurd. Hadden zij met discipelen van Jezus te doen gehad, dan waren zij niet zó hier gekomen; dan waien zij óf op hun post gevallen óf met gevangenen hier verschenen. Zij 81


Dat was voor die vrome mannen een echte onheilsboodschap. Daar was de ellende dus al begonnen. Hun voorgevoel is dus weluitgekomen. Zij hadden het einde nog niet, al waren zij er in geslaagd, die gehate Nazarener onder de aarde te krijgen.

Wat nu te doen ? — Allereerst de Raad bijeenroepen, want deze moet het weten. In allerijl worden dus boden rondgezonden .... Van alle kanten komen de Ouderlingen aangesneld. Er was immers haast bij. Spoedig weten nu allen, wat er aan de hand is. En ze zijn ontsteld. Daar lag nu alles in duigen. Al hun arbeid tevergeefs. Al hun overleg verijdeld. Nu kunnen ze dus weer van voren af aan beginnen. Als nu het volk zich maar niet tegen hen keert,.... want als de menigte deze dingen hoort... . ' Er is geen twijfel aan: die soldaten van de wacht hebben de dingen verhaald precies zoals ze gebeurd zijn; dat is hun niet uit het hoofd te praten ; en wanneer zij dat alles gaan rondbazuinen, ja, dan is de zaak zeker verloren ; dan zullen Zijn discipelen er munt uit slaan om te vertellen, dat Hij opgestaan is uit de doden . . . . en zij zullen geloof vinden .... Wat zullen zij er tegen doen ? Straks loopt heel Jerusalem nog uit om dat open graf en die afgewentelde steen te gaan zien, en zij vinden het graf ledig. Het staat te duchten, dat de oude liefde voor die Nazarener weer bovenkomt en zij zich gaan inbeelden, dat Hij toch de Koning der Joden was .... en dan zullen ze Zijn dood aan ons wijten en op ons wreken . . .. !

Het is opmerkelijk. Gemeente ! dat er geen woord van bestrijding ingebracht wordt tegen het verhaal van de wachters. Nog opmerkelijker, dat er niet één bode uitgezonden wordt om de waarheid ervan te onderzoeken. De oorzaak hiervan 82 ligt m het kwade geweten van de Óverpriesters en Ouderlingen. Er was een stem in hun binnenste, die zei: Daar hebt ge 't al! Hij heeft het immers gezegd : „Na drie dagen zal Ik opstaan" ; het baat u niets, of gij 't ontkent; Hij is toch de Christus. — De waarheid heeft nagelen geslagen in hun binnenste. Het doet pijn, maar zij willen er niet aan. Zij zinnen op middelen om er van af te komen. Veel tijd hebben ze niet, ja, er is geen ogenblik te verliezen, want als die krijgsknechten straks aan het praten komen Gelukkig, dat zij hen hebben laten wachten. Tot elke prijs moet hun de mond gesnoerd worden. Ze zijn het er spoedig over eens : die krijgsknechten moeten een zilveren slot op de mond hebben. Voor geld is er wel wat met hen te beginnen. Wat voor belang hebben die heidenen bij Jezus van Nazareth ? ! Of Hij nu dood is of leeft, het is hun enerlei.

Maar hoe moet dan het gebeurde in de hof worden verklaard ? Van die aardbeving heeft niemand in Jerusalem iets bemerkt, daar behoeven zij zich dus niet druk over te maken. Over die engel evenmin, want dat het een engel geweest moet zijn, is duidelijk. Engelen vertoeven gewoonlijk niet lang op de aarde ; het kan verbeelding geweest zijn van die soldaten ; heidenen — zeggen de Sadduceën — zijn toch zo bijgelovig. Maar de afwenteling van de steen en het verdwijnen van de wacht.... dat moet toch op één of andere wijze opgehelderd worden. Daar komt iemand in de vergadering op een gedachte, die zij voor hun doel gebruiken kunnen. Hoe gelukkig, dat zij een Romeinse wacht hebben gehad, die zij van de stadhouder zelf verkregen hadden ! Toen zij om deze wacht vroegen, hebben zij immers als reden voor hun verzoek genoemd de vrees, die zij koesterden, dat de discipelen van die Nazarener wel eens konden komen en Hem stelen. „Welnu, dan zijn wij immers uit de brand. Laat ons het gerucht verbreiden, dat Zijn discipelen inderdaad gekomen zijn en Hem weggenomen hebhen. Laat die soldaten dat maar ronddragen in de stad, dan zijn wij het gevaar te boven. Laat hen vertellen, dat zij in slaap gevallen zijn en dat de discipelen hiervan gebruik gemaakt hebben.... dat zullen ze zeker doen, als wij er hun een goede som voor betalen."

Er is echter nog één moeilijkheid : hoe moeten zij met de stadhouder aan ? Als deze toch hoort, dat het lichaam gestolen is, terwijl de wachters sliepen, dan zal hij niet best te spreken zijn. Romeinse soldaten in slaap op hun post! Dat kon hun het leven kosten .... Daar kon het bij die wachters weleens op afstuiten Doch geen nood, daar zullen ze ook wel wat oo vinden. Ze zullen er Pilatus wel op wijzen, dat als zij niet dieper op de zaak ingingen, hij dat nog minder behoefde te doen, omdat die wachters toch ten behoeve van hen bij het graf waren geplaatst. Ze zullen hem ook wel iets anders voorhouden, al weten zij nu nog niet precies wat.

Komt tijd, komt raad! Als zij nu maar eerst van die soldaten verzekerd zijn.

Aldus wordt dan besloten, en de krijgslieden worden binnengeroepen. Natuurlijk komen zij niet regelrecht met hun voorstel aan. Dat doet nooit iemand, die een ander tot leugen gebruiken wil. Ze willen zich ook niet in de kaart laten kijken. Die wachters hebben niet nodig te weten, dat zij dodelijk ongerust zijn over hetgeen zij gehoord hebben .... De Overpriesters zullen de soldaten wel gewezen hebben op het gevaar, dat aan het mededelen van deze dingen verbonden was : de hele stad zou in rep en roer komen. Misschien zou er zelfs oproer ontstaan. En daar was de stadhouder erg bang voor. Daarom had hij hen immers ter beschikking van de Overpriesters gesteld om het graf te bewaken. Met het oog op orde en rust was het beter, dat deze dingen bedekt bleven ... Ze zouden zichzelf ook bespottelijk maken met het verhaal van hun vlucht en van die engel.... Het was het allerbeste om maar te zeggen, dat Zijn discipelen Hem toch gestolen hadden, en wel op een ogenblik, dat zij juist in slaap waren gevallen .... „Er was immers niemand in de hof, toen het gebeurde? Welnu, dan kan ook niemand iets van die wonderlijke dingen mededelen : gij zijt de enigen, die er van afweet. En als ge die verklaring geeft, die wij u voorstellen, kan ook niemand u tegenspreken. Het is voor u een kleine moeite, en ... . wij zullen u er goed voor betalen".

Onderwijl wordt een goedgevulde buidel op tafel gelegd — .... en de krijgslieden werpen er begerige blikken op ... . Maar .... „Ge denkt zeker aan de stadhouder ? Die kon u weleens in verhoor nemen, meent ge ? — Nu, laat dat u niet bekommeren. Laat dat maar aan ons over. Wij zullen zijn toorn wel weten te bezweren : „wij zullen hem tevreden stellen en maken, dat gij zonder zorg zijt".

De wachters gaan op dit voorstel in. Klinkende munt was hun altijd welkom : dan konden ze onder een stevige dronk de teerling nog eens werpen. Van de stadhouder zouden ze dus geen last hebben, daar zou de Raad wet voor zorgen. Nu, dan was er ook geen enkel gevaar voor hen aan verbonden. Ja, eigenlijk kon het niet beter: als zij dat vertellen, behoeven ze ook niet te vrezen, dat ze van lafheid beschuldigd en ter verantwoording geroepen zullen worden wegens het verlaten van hun post. Als de stadhouder het hoort, wordt hij misschien nog goed geluimd bovendien, omdat die Overpriesters en Ouderlingen, die hem gedreven hebben waar hij toch eigenlijk niet wilde zijn, zo bedrogen zijn uitgekomen. Zij nemen hef geld en doen „gelijk zij geleerd

Zij nemen hef geld en doen „gelijk zij geleerd waren". Zij vertellen aan ieder, die het horen wil, dat de discipelen van de Nazarener in de nacht Zijn dood lichaam gestolen hebben, terwijl zijsliepen — misschien wel met allerlei kwinkslagen aan het adres van de Raad er nog bij.

„En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag", zo voegt Mattheüs aan zijn verhaal toe. In zijn dagen was dit dus onder de Joden de gangbare verklaring van het ledig gevonden worden van het graf op die eerste dag der week.

Ziedaar, Gemeente! het doen van de vijanden des Heeren ten aanzien van het grote feit der opstanding.

Allereerst het doen van de leidslieden van het volk : zij verzinnen een weefsel van leugens om zich van het opstandingsfeit te ontdoen. En waarom willen zij zich er van ontdoen ? Omdat zij niet willen buigen voor Jezus. Daar moest het toch toe komen, zo zij zouden aanvaarden wat hun door die mannen van de wacht werd medegedeeld. Dat verkozen zij echter in geen geval te doen. Dan liever de toevlucht genomen tot de leugen en anderen daarin meegesleept — En dat zijn nu dezelfde mannen, die zo diep verontwaardigd waren, toen de Heere Jezus naar hun gedachten ten onrechte beleed, dat Hij de Christus is, de Zoon des levenden Gods. Dat zijn nu dezelfde mannen, die Hem als een volksverleider aan het kruis hebben gebracht. Nu zien zij er volstrekt niet tegen op om met volle bewustzijn een leugen de wereld in te sturen en met deze leugen het gemoed der krijgslieden te belasten en hun eigen volk te misleiden zo kras als het maar kan. Is het niet gruwelijk? Zijn zij dan helemaal vergeten, dat niets bedekt is voor het aangezicht van de Alwetende? Sidderen zij dan geen ogenblik voor het getuigenis van de door hen zo goed gekende Schriften, dat de Heere de leugensprekers verderven zal? (Ps. 5 : 7).

Ach, Gemeente! wat denkt een mens aan de alwetende God, wat bekommert hij zich om de uitspraken van Diens Woord, als het er om gaat, zichzelf te handhaven in zaken, die hij eenmaal op touw gezet heeft? Keer tot uzelf in, ga uw levensweg eens na van uw jeugd af aan en vraag uzelf eens af, aan hoeveel leugens gij u schuldig gemaakt hebt, om u te redden uit moeilijkheden, waarin gij door uw eigen zonden geraakt waart; hoeveel valse uitleggingen gij met volle bewustzijn gegeven hebt van feiten, die tegen u getuigden ! — Keer nogmaals tot uzelf in en vraag uzelf eens af, hoeveel draaien gij gegeven hebt aan de waarheid Gods, die u voor ogen gesteld werd, omdat gij u niet gewonnen wilde geven, niet wilde vallen voor Christus, maar in uw eigen gerechtigheid u trachtte te handhaven. Dan zult gij wel het doen van de leidslieden van het Joodse volk op die eerste dag der week veroordelen, maar tegelijk voor de heilige God in het stof bukken vanwege uw eigen verkeerdheid.

En nu de mannen van de wacht. Die doen voor geld alles wat men van hen vraagt. Die bazuinen hun eigen schande uit: het is toch waarlijk geen eer, te vertellen, dat men op zijn post geslapen heeft. Ook zij zondigen tegen beter weten in. Zij stellen terwille van het geld zich zelfs bloot aan het gevaar van de doodstraf. Zij bouwen hierbij op het woord van mannen, die hun zelf een leugen in de mond hebben gelegd. Zij liegen er maar op los omtrent Jezus, omtrent Zijn discipelen, omtrent zichzelf. Wat kan het hun schelen ? Als er maar geld te verdienen is ! — Daar hebt ge de wereld, voorzover zij God niet kent en zich voor Christus niet warm maakt. Daar ziet ge, waar de neutraliteit inzake de Heere Jezus op uitloopt, als aards gewin in 't spel is.

Doch ook hier geldt: tot uzelf ingekeerd, o mens ! Ook in uw boezem klopt eenzelfde hart. Wat een leugens worden er bedacht of aanvaard, als er voordeel te behalen is. En dat niet alleen door mensen, die evenals deze heidense krijgslieden van God noch Zijn gebod afweten, maar ook door mannen en vrouwen, die met de mond de Naam des Heeren belijden. Denk niet, dat gij vrij uitgaat, wanneer gij aan zulke zonden niet schuldig staat in verband met de Christus. Op welk terrein het ook geschied moge zijn, — zo gij ook maar eenmaal in uw leven de leugen te baat genomen hebt terwille van aards gewin, zijt gij verdoemelijk voor God. Het strekt niet tot onze eer, maar zeg eens. Gemeente ! wie gaat hier volkomen vrij uit?

Ten slotte nog even de blik op de Joden gevestigd. Matfheüs zegt: „Dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag". Dus jaren na de eerste verbreiding van deze leugen heeft Mattheüs haar nog onder de Joden gekend. Is dit niet verschrikkelijk? Bedenk toch eens even, hoeveel daar tussen ligt: in de eerste plaats de indrukwekkende prediking van Petrus op de bekende Pinksterdag, dus slechts zeven weken na 't eerste optreden van deze leugen ; een prediking, die ais hamerslagen in de oren derjodendeed dreunen deveelzeggendewoorden : „Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn !" .... en dan verder de prediking van al de apostelen, Paulus incluis. Hoevelen zijn er door deze prediking tot erkentenis der waarheid gebracht, ook onder de Joden zelf. En toch wordt de leugen, door de wachters op aanstichten van de Overpriesters en Ouderlingen verbreid, vastgehouden. Hoe is het mogelijk ? Er is wel iets ter verklaring van deze dingen aan te voeren. In de eerste plaats het feit, dat juist de grafwacht de verbreider van dit woord geweest is. En vervolgens het feit, dat de Heere Jezus Zich na Zijn opstanding niet aan de Joden vertoond heeft. Dat hebben zij in hun afkeer van de Gekruisigde gretig aangegrepen om hetgeen hun van de kant van de discipelen werd medegedeeld en met de meeste ernst, zelfs onder tekenen en wonderen, betuigd werd, te logenstraffen. Het is een verklaring, doch geenszins een verontschuldiging: God heeft immers het feit der opstanding van Jezus niet verborgen gehouden. Hij heeft het integendeel van de daken laten prediken. Niemand behoefde in onwetend- 84heid te blijven : de blijmare der opstanding is heinde en ver uitgedragen door het ganse land en ook buiten de grenzen. Het is niet dan hardnekkig ongeloof, dat de Joden aan de leugen deed vasthouden in plaats van voor de waarheid te zwichten. Gemeente! het behoeft ons niet te verwonderen, wanneer wij maar weer aan onszelf denken. Al worden wij voor nog zoveel feiten gesteld, toch houden wij met hand en tand vast aan hetgeen in onze kraam te pas komt en nemen ook alles te baat om een eens gevestigde mening niet op te geven. Dat wordt in natuurlijke dingen telkens openbaar. Het wordt echter ook meer dan eens openbaar, waar het geestelijke dingen geldt, inzonderheid de mening, die wij omtrent de Christus koesteren. Zodat wij ook hier ons niet boven de Joden kunnen verheffen. Het is genade alleen, wanneer wij voor de Christus Gods in waarheid de knieën buigen, voor Hem, Die als een vloek aan het hout is geklonken, maar ook uit de doden is opgewekt.

Had het afgehangen van het Christus-vijandige vlees, dan was de opstanding van Christus verborgen gebleven. Maar ook toen de leugen zo listig werd gesponnen en verbreid, zat God op de Troon. En Hij heeft er voor gezorgd, dat de waarheid ook in deze bekend gemaakt werd. Terwijl de Overpriesters bezig waren, de opstanding van Jezus te loochenen en te doen loochenen, bereidde de Heere Zich reeds de eerste getuigen toe, die het de bedroefde discipelen gingen boodschappen : Hij is opgestaan. En dit, getuigenis is tot op de huidige dag niet verstomd. De hoogtijd, die wij heden vieren, is hiervan een sprekend bewijs, want hij predikt ons, tot troost van allen, die op de gekruisigde Christus hun hoop gevestigd hebben : God heeft Hem opgewekt uit de doden. Hij leeft in eeuwigheid.

11.

Vergun mij nu nog een paar opmerkingen. Gemeente ! In de eerste plaats een opmerking omtrent de donkere achtergrond van de dingen, die de Evangelist ons hier verhaalt. Wij zien hier opnieuw, dat de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht. Zij zijn gewillige werktuigen geweest in de hand van de vorst der duisternis: hij heeft hun zinnen verblind. De verklaring, die de Overpriesters en Ouderlingen omtrent het ledige graf de wereld inzenden, is uit de school van satan. De duivel heeft alles op haren en snaren gezet om het feit der opstanding van Jezus Christus uit de doden weg te cijferen. Hij had eerst getracht de Heere Jezus uit de weg te ruimen. Hij wist immers wel, dat in Jezus de slangvertreder tegenover hem stond. Wiens komst de Heere God reeds in het Paradijs had aangekondigd. Hij wist, dat zijn vonnis er lag, maar wilde de uitvoering ervan verijdelen. Zijn pogen was echter tevergeefs. Het pleit was beslecht, het pleit tussen Jezus en satan. Had het op Golgotha de schijn, alsof satan de winnende partij was, scheen de grafspelonk in Jozefs hof zelfs zijn overwinning te bezegelen, de derde morgen had het hem wel anders geleerd : zijn prooi was ontkomen, hij had zijn Overwinnaar gevonden. Jezus van Nazareth had de victorie behaald en degene, die het geweld des doods had, van zijn macht beroofd. Daar kon satan met al zijn list niets meer aan veranderen. Hij wist echter zeer goed, dat er aan de opstanding van Jezus meer vastzat. Hij kende Hem zeer wel als de Eersteling uit de doden ; als Degene, Die opgestaan was om anderen het leven en de onverderfelijkheid te schenken. De vrucht der opstanding van Christus zou velen ten deel vallen. Zo luidde het welbehagen Gods. — Hierop is nu al de aandacht van satan gericht. Van het eerste ogenblik der opstanding af aan is hij er op uit om zo mogelijk dat verdere deel van het welbehagen Gods nog te verijdelen, door zo mogelijk de mensen van het geloof af te houden of ook af te brengen. Daarom mag niet bekend worden, dat Jezus verrezen is: voor de mensen moet Hij dood genoemd worden, moet Hij een dode geacht blijven. Dan is Hij uit hun gezichtskring weg. Dan zal wie bij Zijn leven verre van Hem stond, er niet aan denken. Hem te erkennen als de Christus Gods. Dan zullen degenen, die bij Zijn leven op Hem hoopten en in Hem hun heil aanschouwden, het spoor wel bijster worden. Daarom had satan het zó op de opstanding van Christus begrepen, dat hij van het eerste ogenblik af aan de loochening dezer opstanding in de wereld bracht.

En ge weet, dat hij in deze richting doorgewerkt heeft en hedentendage nog werkt. Het zijn niet alleen de hedendaagse Joden, die van de opstandi-ng van Jezus Christus uit de doden niet willen weten. Er zijn helaas ook velen, die de Christennaam dragen en daarop zelfs prat gaan en toch •de verrijzenis onzes Heeren ten derden dage loochenen. De lichamelijke opstanding van Christus is velen een ergernis en een dwaasheid. Wij weten, uit welke school deze loochening stamt: zij is niet uit God, maar uit de duivel. En wie zich hierdoor laat meeslepen, die staat zijn eigen heil in de weg en arbeidt aan zijn eigen verderf. Het is niet toevallig, Gemeente! dat de loochening der opstanding van Christus juist gevonden wordt bij allen, die van Zijn dood als voldoening aan Gods gerechtigheid niet willen weten, maar in Hem alleen een verheven voorbeeld zien, de ideale mens of hoe men Hem verder moge noemen. Het één staat met het ander onafscheidelijk in verband. Is Jezus niet in onze plaats gestorven om de vloek der Wet over onze zonden te dragen, dan is er ook geen noodzakelijkheid voor Zijn opstanding uit de doden ; dan zou het voldoende zijn te weten, dat Zijn ziel bij God is. — Het Evangelie leert ons echter iets anders. Ik herinner u het getuigenis van Paulus aan het slot van Romeinen 4 : „Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking". Juist omdat Hij om geen andere reden overgeleverd is aan het oordeel des doods dan omdat Hij onze zonden droeg en dit dragen onzer zonden Zijn dood noodzakelijk maakte, is ook de opstanding van Jezus een noodzakelijkheid geweest. Zijn opwekking kon niet uitblijven, omdat Hij aan de eis der Wet voldaan had. De dood kon in geen enkel opzicht meer recht op Hem doen gelden, dus ook niet naar het lichaam, toen Hij om de zonden van Zijn volk Zijn leven had afgelegd. Daarom moest de dood wijken en moest Hij in het eeuwig leven voor God staan.— Als Christus niet opgestaan is, dan heerst de dood nog heden over Hem ; dan is klaarblijkelijk de zonde nog niet verzoend en uitgedelgd. Met het oog hierop zegt Paulus in I Kor. 15 : „Indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof", en wederom: „Indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs ; zo zijt gij nog in uw zonden ; zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn". — Maar Gode zij dank, dat hij met alle recht de triomfkreet kan doen horen : „Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn". Dat mogen allen bedenken, die de waarheid der

Dat mogen allen bedenken, die de waarheid der opstanding loochenen en liever allerlei mensenvonden aanvaarden, waarmee men in de loop der lijden het Evangelie der opstanding krachteloos heeft pogen te maken.

Wat hebben wij nu voor onszelf te doen tegenover de loochening der opstanding van Christus in onze dagen ? Het antwoord op deze vraag hangt ten nauwste samen met een tweede opmerking, die wij willen maken ; een opmerking omtrent het verband, waarin het verhaal van de eerste loochening der opstanding in het Evangelie voorkomt.

Mattheüs heeft het verhaal van de loochening zonder enige commentaar in zijn beschrijving van het Evangelie opgenomen. Hij heeft er geen critiek op geoefend, er geen woord van bestrijding aan gewijd. Hij heeft vooraf vermeld wat er na de opstanding des Heeren geschied is, wat de engelen aan de vrouwen medegedeeld hebben en ook hoe de boodschap der engelen aan die vrouwen bevestigd is door de verschijning van de Opgestane Zelf. Hierna vermeldt hij, wat er in de werkplaats van de duivel is uitgebroed, terwijl die vrouwen heengingen om het heerlijk feit aan Jezus' jongeren te berichten. En dan gaat hij voort met te beschrijven, hoe de jongeren in gehoorzaamheid aan Zijn bevel naar Galilea getogen zijn en Hem gezien en gehoord hebben op de berg, waar Hij hen bescheiden had. — Mattheüs plaatst dus in alle eenvoud de waarheid tegenover de leugen. De waarheid moge voor zichzelf spreken. Zij zal haar kracht bewijzen aan allen, wie het om de waarheid te doen is.

Hier ligt een vingerwijzing voor ons. Dat is de weg, die ook wij te bewandelen hebben. Ook wij hebben niets anders te doen dan de waarheid te stellen tegenover de leugen. Wij moeten niet redeneren over de mogelijkheid en de waarschijnlijkheid van de opstanding, maar eenvoudig blijven bij de waarheid, zoals Gods Evangelie ons die leert. De waarheid zal ook aan ons haar kracht bewijzen tot vertroosting onzer zielen. De duivel is er met zijn leugen wel vlug bij geweest. De mannen van de grafwacht waren feitelijk de eersten, die kennis droegen van het gebeurde in Jozefs hof. De duivel is er bij om door hen de leugen te laten verbreiden, nog voordat de waarheid verkondigd kan worden. Mattheüs maakt hierop opmerkzaam, als hij schrijft: „En als zij (de vrouwen) heengingen, zie ! enigen van de wacht kwamen in de stad en boodschapten de Overpriesters al de dingen, die geschied waren". De eerste berichten zullen dus, daar de Overpriesters met hun leugen grote haast maken, aldus luiden: „Zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, als wij sliepen". Wat zal dat voor die vrouwen, die uit engelenmond vernomen hebben, dat fiij leeft, een ontnuchtering zijn ! Maar de Heere heeft er voor gezorgd, dat zulke fabelen haar niet van het spoor brachten. Nog voordat de vrouwen in de stad komen, hebben zij de bevestiging van het woord van de engel ontvangen: de Meester Zelf is haar verschenen ! Dat mogen zij bovendien nog mededelen aan de Zijnen tot vertroosting hunner zielen. Geen nood dan, Gemeente! Jezus Christus is uit de doden opgewekt en Hij leeft in alle eeuwigheid. Zalig de mens, die op Hem zijn vertrouwen stelt. Hij zal niet beschaamd worden. Denk er maar aan, hoe Hij tot de bedroefde Martha gesproken heeft: „Ik ben de Opstanding en het Leven : die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven", d. w. z. ook als hij op Gods wenk de adem moet uitblazen. AMEN.


Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De wachters omgekocht.*)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1948

Kerkblaadje | 8 Pagina's