Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat betekent de Heilige Doop?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat betekent de Heilige Doop?

^at betekent het voor mij, dat ik gedoopt ben ?

20 minuten leestijd

In de tijd der Kerkhervorming is ook over déze vraag een bange worsteling gestreden. De hoofdvraag was: Hoe zijt gij rechtvaardig

De hoofdvraag was: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ? En van het eerste begin — want dat is juist begin en wezen der Reformatie — luidde op die vraag het antwoord van è! de Reformatoren : „Rechtvaardig voor Ood ben ik alléén door een oprecht geloof in Jezus Christus" (vr. en antw. 60 Heidelb. Cat.).

Maar in verband met deze kern-vraag en dit kern-antwoord is een tweede geweldige worsteling ontstaan over de betekenis van Doop en Avondmaal. Dat het een geweldige worsteling geweest is, kunt ge nog duidelijk zien aan de uitvoerigheid en preciesheid, waarmee de leer der Sacramenten behandeld wordt in onze Catechismus. Wij bepalen ons nu tot de Doop. Unaniem verwierp de Reformatie Rome's doopleer.

Unaniem verwierp de Reformatie Rome's doopleer. Rome leerde en leert, dat de Doop automatisch alle zonde vóór de Doop bij den dopeling aanwezig, erfzonde en bedreven zonden, afwast, en den zondaar wederbaart. Vandaar de haast, waarmee een Rooms kindje desnoods door een leek, dokter of baker, wordt gedoopt. Want als het ongedoopt sterft, kan het nooit in de hemel komen. Ter andere zijde stelden volwassenen, die nog gedoopt moesten worden, hun Doop zolang mogelijk uit, omdat de Doop immers wèl de zonde van vóór de Doopsbediening afwies, maar niet het daarna bedreven kwaad. Daartegen hielp alleen biecht en absolutie.

Heel deze automatische afwassing der zonde door de Doop verwierp de Reformatie unaniem. Afwassing der zonde, en rechtvaardigverklaring door God, ontvangen wij alleen door genade, alleen uit hef geloof. En dat geldt vooralle zonde, erfzonde en dadelijke zonde, van heel ons leven.

Maar wat is dan de werking van de Doop daarbij ? Want de Schrift le^rt duidelijk, — dat moest Rome toegegeven worden —, dat de Doop met de vergeving der zonden en de rechtvaardiging om niet alles te maken heeft. Wij komen daar straks op terug.

Zwingli's kijk hierop was, dat de Doop vooral als een verplichtings-teken moest gezien worden hetzij God verplichtte, hetzij de dopeling zichzelf verplichtte tot nieuwe gehoorzaamheid, of de ouders voorlopig die verplichting overnamen. Deze zienswijze van Zwingli is wel als een stuk waarheid opgenomen in ons Doop-formulier,maar ziet toch maar de helft van de heerlijkheid van de Doop. En wel de kleinste helft, n.1. dat wij door de Doop „vermaand en verplicht worden tot een nieuwe gehoorzaamheid". Want, — en dit hebben pas Calvijn, en Bullinger,

Want, — en dit hebben pas Calvijn, en Bullinger, en in het algemeen heel de Gereformeerde Reformatie na Zwingli, mogen ontdekken en onder woorden brengen — • het eerste en voornaamste van de Doop is dit, dat Ood in de Doop ons belooft en verzegelt de volle vergeving der zonden en de rechtvaardiging en heiliging in Christus. Voor óns blijft dan over — naast de zoeven genoemde „verplichting" —: de roeping, ja de machtiging, om Gods belofte, en de bezegeling ervan in de Doop, te gelóven. God aan Zijn belofte en zegel te houden. Vandaar in ons Doopformulier de belofte van de ouders of van den volwassen dopeling, ook bij de „belijdenis des geloofs". Het geloof grijpt Gods belofte aan, zoals die in het Woord en in de Sacramenten tot ons komt.

Wat zijn Sacramenten ? Wat betekent de Doop voor ons ? — Vr. en antw. 66 van de Catechismus legt hef ons uit.

Het Sacrament — en voor heden dus de Doop — is een zichtbaar en tastbaar teken, waarteken,en zegel, een goddelijk onderpand, waardoor God ons de belofte van het Evangelie des te beter leert verstaan, en die belofte aan ons verzegelt, deze belofte n.l.: dat Hij ons de vergeving der zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt, alleen om het offer van Christus".

Let op de uitdrukking: „waarteken en zegel". Het geheim, de schoonheid, de heerlijkheid van dit antwoord op de vraag : Wat betekent de Doop voor ons ?, ligt in de uitdrukking „zegel". Het woord is ontleend aan Rom. 4:11, waar

Het woord is ontleend aan Rom. 4:11, waar Paulus zegt, dat „Abraham het teken der besnijdenis ontvangen heeft als een zegel van de rechtvaardigheid des geloofs". Dat wordt dan verder op deze plaats in de Romeinen-brief niet nader uitgewerkt. Maar het heeft toch Calvijn en den zijnen de weg gewezen om in de Doop te zien teken en zegel van Oods belofte.

De Catechismus zegt: „wddr-iek&n en zegel". Dat zegt nog iets meer. Een teken is op zichzelf nog geen waarfeken, geen waarborg. Een teken kan mij wat léren, mij iets in herinnering brengen. Een gedenkteken b.v. of een tekening op het schoolbord tot aanschouwelijk onderwijs. Het is een grondfout in Earth's brochure over de Kinderdoop, dat hij stelt: de Doop is „slechts" een teken, een beeld, en dan later, veel later, als terloops aanvult: ja, zeker, natuurlijk ook een zegel. Neen, het moet precies andersom : zeker, de Doop is ook een afbeelding, een symbool. Maar dit is de heerlijkheid van de Doop, dat hij wddrtéken, d. w. z. waarborg, onderpand, zegel is van Gods genade jegens ons. In de Doop spreekt God : „Zo zeker als Ik u met dit doopwater was, zo zeker wast het Bloed en de Geest van Christus u rein van alle zonde".

Wat verstaat de gemeente van hier en van thans hier nog van ? Hoe denkt het overgrote deel onzer kerkse mensen over de Doop ? 1. Dat de jonge kinderen moeten gedoopt worden.

1. Dat de jonge kinderen moeten gedoopt worden. Dat is de leer der vaderen. Die zullen het wel goed geweten hebben. 2. Is de Doop in de prille jeugd achterwege gebleven, door ziekte, door onverschilligheid en slofheid der ouders, dan moet bij de belijdenis alsnog gedoopt worden. Want elk lid der Christelijke gemeente behoort gedoopt te wezen. Anders ben je een heiden. 3. En bij de Doopsbediening moet het Doopformulier gelezen worden. Wee den dominee, die dat zou nalaten.

Over die drie dingen zijn we het van harte allen eens. Maar zodra gevraagd wordt: Wat hebt ge aan uw Doop ? Wat doet ge met uw Doop ? als gij gaarne zeker zoudt zijn van uw eeuwig behoud? — dan verbaast bijna iedereen zich over zo'n vraag. Want immers, dat weet toch ieder gereformeerd mensenkind : voer je zaligheid heb je aan je Doop niets!

En als jonge kinderen sterven, en ge vraagt aan de ouders: is het geen machtige troost voor u, dat uw kind gedoopt was?, — of dat uw kind, al was het nog niet gedoopt, tot het genadeverbond behoorde, — dan kijkt zo'n ouder u verbaasd aan, en zegt of denkt: ik derk er niet zo licht over als de mensen van de gereformeerde kerk, die in de krant laten drukken, dat ze op grond van de Doop en van het Verbond het behoud van hun kind geloven. Neen, de Doop is geen grond voor de zaligheid. Een dominee die dat leert, heeft meteen afgedaan. Neen, dit alleen zou mij zekerheid geven, als Ood mij door een woord of gezicht aan mijzelf of een .ander wilde verzekeren. Als een vader of moeder in Israël een goed, hoopgevend woord te mijnen opzichte zou ontvangen hebben, dan pas zou ik getroost zijn. „Aan mijn Doop heb ik niets". Dus: 1 een Christenmens moet gedoopt zijn, jong of oud, 2 maar tot zaligheid lieb je er niets aan, en tot zekerheid des geloofs kan je er niets mee beginnen.

En men acht dat ook onweersprekelijk op grond van de Schrift. Christus heeft toch nadrukkelijk verklaard en herhaald : „Tenzij iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Qods niet zien en er niet ingaan (Joh. 3). En Johannes „predikte wel de doop der bekering tot vergeving der zonde" (Mc. 1 : 4), maar dat was de doop der bekering, en daarom vergeving van zonde. Zietdaar de grond om hoop te hebben voor de eeuwigheid. De bekering, de wedergeboorte. En nog dieper: de uitverkiezing. Als ik daar zeker van mocht zijn, voor mijzelf, voor mijn kind, dan was ik geholpen.

Wat moet ik met de waterdoop beginnen ? Johannes de Doper sprak reeds: „Ik doop u wel met water, maar Christus, die na mij komt, is sterker dan ik. Die zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur".

Al wat hier ingebracht wordt over de noodzakelijkheid van door God verkoren te zijn,


zullen wij in z'n volle kracht laten gelden.

Maar we zullen er toch ook met alle ernst naar luisteren, a/s Göii 2^^/, als Jezus en Zijn apostelen zeggen, dat de waterdoop onlosmakelijk aan bekering, wedergeboorte en zekerheid des geloofs verbonden is^ en dus behoudende zaligmakende kracht heeft.

En dat zégt God toch in Zijn Woord, telkens weer. Johannes doopte toch „tot vergeving der zonden" (Lees ook Hand. 2 : 38). En de Heere Christus verklaarde die Doop zelfs voor Hem Zelf, voor den Zaligmaker, noodzakelijk. „Aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen". En gedoopt zijnde, ontving Hij den Heiligen Geest, in de gedaante ener duive, als teken en zegel van het welbehagen des Vaders. Merk op : „aldus betaamt óns!" Christus gaat staan in onze rij, de rij der zondaren, die tot de Doop, de waterdoop komen. En later verbindt Hij de zaligheid aan het geloof, maar tegelijk aan de Doop : „Die geloofd zal hebben èn gedoopt zal zijn, die zal zalig worden". Daarom zeide de Heere Jezus ook tot Nicodemus, ja, dat hij moest wedergeboren worden uit den Geest, maar ook uit water, het water van de Doop : „Tenzij iemand wederom geboren wordt uit waiter en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien, en er niet ingaan". Waarom verdonkeremanen wij in Christus' leer van de wedergeboorte altoos het water ? Want dat doen wij geregeld. Zelfs de kanttekenaren doen dat een beetje. Maar de Schnft niet. Ananias zegt tot den aarzelenden Saulus van Tarsen: „En nu, wat draalt ge nog langer, sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen (Hand. 22: 16). En deze Paulus schrijft later aan Titus: „God heeft ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hebben, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des Heiligen Geestes". Onze Catechismus zegt dan ook, dat de Schrift de Doop noemt: „het bad der wedergeboorte" (Zondag 27).

Neen, Paulus zwijgt de waterdoop niet dood, als hij volle nadruk legt op geloof en bekering en wedergeboorte uit den Heiligen Geest. In Ef. 5 : 26 schrijft hij, dat „Christus Zichzelf voor de gemeente heeft overgegeven, opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het woord". Ook de Hebreën-brief wijst ons op de betekenis van de waterdoop, als het gaat om de volle verzekerdheid des geloofs. Want in Hebr. 10: 22 worden wij opgeroepen om toe te treden tot in het Heilige der heiligen, met deze woorden : „Laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwade geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water". Zo alleen kunnen wij komen tot volle geloofszekerheid. — En Johannes, die in zijn Evangelie de wedergeboorte toeschreef aan water en Geest, en niet aan den Geest alleen (Joh. 3), schrijft in zijn eerste brief (5 : 8): „Drie zijn er, die getuigen op de aarde: de Geest, en het water en het bloed, en die drie zijn tot één". Waarom scheuren wij dan die drie, die volgens Gods Woord onlosmakelijk bij-een horen, toch eigenmachtig uit-een ? En dat doen wij, als wij wèl aan het bloed van Christus en aan den Heiligen Oeest ons behoud toeschrijven, maar het water van de Doop dood-zwijgen en verloochenen.

Christus, Zijn bloed en Zijn Geest en Zijn Doop behoren bijeen. En Christus Zelf zal die éénheid handhaven.

Merkt ge nu wel, dat de Heilige Schrift, datjezus en Zijn apostelen een veel groter waarde toekennen aan de Doop met water dan wij plegen te doen.

En nu heb ik nog niet eens genoemd de machtige dooppreek van Paulus in Rom. 6, en Kol. 2, en die van onze vaderen in ons Doopformulier. Paulus pakt ons, met onze klein-achting van de

Paulus pakt ons, met onze klein-achting van de Doop, hard aan : „Weet gij dan niet", zegt hij in Rom. 6:3, — gij behoordet het toch te weten —, „dat, zovelen wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn ? Wij zijn dan met Christus begraven door de Doop in de dood, opdat, gelijk Christus opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwheid des levens wandelen zouden".

Dat is maar niet een losse text, die misschien nog wel een beetje anders zou kunnen uitgelegd worden. Neen, in heel dit hfdst. Rom. 6 — en ook in heel Kol. 2 en 3 — predikt, lééraart Paulus ons wat het inhoudt gedoopt te zijn. Gedoopt te zijn, dat betekent: met Christus gekruist, gestorven en begraven te zijn en met Christus opgewekt te zijn. God zegt in het Evangelie, en bezegelt in de Doop, dat Christus' dood de dood van onzen ouden mens, en dat Christus' opstanding de opstanding van onzen nieuwen mens is. Bij mijzelf kan ik die wedergeboorte niet vinden, zegt Paulus eerlijk. „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods" (het lichaam der zonde, den ouden mens) ? Dat is de „bevinding" van "ieder gelovige. Maar God verklaarde door mijn Doop, door mij te laten dopen : „Uw oude mens is met Christus gekruist, gestorven en begraven, en met Christus zijt gij opgestaan tot een nieuw leven". En omdat God dit betuigt in het Woord, en bovendien het bezegelt door de Doop, daarom mag ik het voor waarachtig houden, tegen al mijn bevinding in, dat het waar is: wat van Christus geldt, dat Hij der zonde gestorven is en dat Hij nu Gode leeft, dat geldt van u. Geloof Mij toch op Mijn Woord en Sacrament, zegt God. „Houd het ervoor, Iaat het waarachtig voor u zijn, omdat Ik het zeg, en bezegel, dat gij der zonde dood, en Gode levende zijt in Christus Jezus". Dat is volgens Paulus de waardij van de Doop. In de Doop verklaart God u met Christus gestorven en met Christus opgestaan, wedergeboren tot een nieuw leven. 124

Hetzelfde leert Paulus nog eens vol en klaar in Kol. 2 en 3. Hoort maar. Kol. 2 : 12 : „gij zijt met Christus

Hoort maar. Kol. 2 : 12 : „gij zijt met Christus begraven in de Doop, in welke Doop gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die Hem uit de doden opgewekt heeft".

— Wacht eens even —, zegt nu een scherpzinnig luisteraar — : Paulus zegt: „gij zijt met Christus opgewekt door het geloof der werking Oods". Dat moogt ge niet weglaten. — Dat hèb ik niet weggelaten. Ongetwijfeld — wie Oods belofte in het Woord en in de Doop niet gelooft, die gaat door ongeloof verloren. Als God getuigt in de Doop: Ik verklaar u met Christus gestorven en met Christus opgewekt, en gij gelooft het niet, dan staat gij met lege handen en met een veroordeeld hart. Want het geloof neemt uit Gods hand aan, wat God ook in de Doop gééft om niet. Wie het gelooft, die heeft het. Wie het niet gelooft, die heeft het niet, al is hij nog zo orthodox. Daarom zegt Paulus: „houdt het ervoor op grond van uw Doop, dat gij der zonde dood zijt en Gode levende in Christus Jezus onzen Heer".

Ik vrees, dat velen dit een overschatting van de Doop achten. Ze willen wel mee opkomen tegen de algemene onderschatting en kleinachting van de Doop. — Maar dit, dat wij op grond van onze Doop het er voor zouden mogen houden, dat wij der zonde dood en Gode levende zijn in Christus, dat is toch een „ön-gereformeerde" overschatting, zegt ge. Neen, vrienden, gij vergist u: dit is de leer van

Neen, vrienden, gij vergist u: dit is de leer van Qod, en Die overschat en overdrijft nooit. En dit is ook de leer van de Catechismus en van ons Doopformulier. Hebt ge wel eens goed geluisterd, als de dominee

Hebt ge wel eens goed geluisterd, als de dominee na de bediening van de Doop dankt: „Almachtige, barmhartige Ood en Vader, wij danken en loven U, dat Oij ons en onzen kinderen, door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven hebt en ons door Uw Heiligen Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon en alzo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en dat Gij ons dit met de Heilige Doop bezegelt en bekrachtigt" ? En luistert de gemeente, ook de „goed-gereformeerde" gemeente, wel ooit goed naar de uitlegging, die ons Doop-formulier geeft van wat het zeggen wil gedoopt te zijn in de drie-vuldige Naam des Heeren ? Laten wij er in elk geval nu aandachtig naar luisteren, opdat wij nooit meer zeggen, dat het tot zaligheid niet helpt, gedoopt te zijn. Hoort: „Als wij gedoopt worden in de Naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons Ood de Vader, dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keren wil. En als wij in de Naam des Zoons gedoopt worden, zo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzo, dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in de Naam des Heiligen Oeestes, zo verzekert ons de Heilige OeestfdooT dit heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Jezus Christus hebben, namelijk de afwassing onzer zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".

Ja, dat is Evangelie, blijde, verlossende tijding, ja, hier is onze genadige, ontfermende, getrouwe Verbonds-Ood aan het woord, om aan de oudere of jongere dopelingen te beloven en te waarborgen — wèt ? Enkele kleine voorrechten ? Veel goede gaven ? Neen alles, wat Hij in Christus te geven heeft: Zichzelf met heel de eeuwige goddelijke erfenis. Zo royaal gaat het toe, als God aan het woord

Zo royaal gaat het toe, als God aan het woord is. Maar toen de theologen aan het woord kwamen om het Evangelie van Gods Verbonds-genade en -trouw in overeenstemming te gaan redeneren met de leer der verkiezing, toen hebben ze wel een prachtig-sluitend schools leersysleem opgebouwd over verbond en doop en kerk ter ene en het eeuwig besluit der verkiezing ter andere zijde. Maar heel dat hersen-bouwsel staat daar ten koste van de eer van God en van de zekerheid des geloofs. Laat ik het u kortelijk schetsen:

Daar lag dan dat eeuwig besluit, waarbij God een bepaald getal mensen had voorbestemd tot verdiende eeuwige verdoemenis, en een bepaald getal verkoren tot onverdiende zaligheid.

ik ga op dat eeuwig besluit der verkiezing en verwerping nu niet in. Dat is ons onderwerp niet. Alleen raad ik ernstig aan met Gods Woord als beslisser te luisteren naar wat Dr Woelderink juist in dit tijdstip over de Verkiezing schrijft, en er u.niet af te maken met een vrome Jeremiade: ach, die zakt ook al af van het gereformeerde fundament.

Daar lag dan dat onwrikbaar fundament van Gods eeuwig besluit, zoals de gereformeerde theologen het heel logisch hadden geformuleerd.

Van eeuwigheid lag dus bij God vast, wie wèl en wie niet zouden behouden worden. En dit stond ook wel vast: het zouden maar weinigen zijn, die zalig worden, in vergelijking met de massa der verworpenen ! Maar, als dat dan van eeuwigheid vaststond, hoe

Maar, als dat dan van eeuwigheid vaststond, hoe kon God dan in de Doop aan al die kinderen der gemeente zo grote en heerlijke beloften en verzekeringen geven, als waarvan wij straks Schrift en Belijdenis hoorden getuigen ? Hoe kon God in Verbond en Doop aan al die duizenden kinderen der gemeente vergeving der zonden, sterven en opstaan met Christus beloven ?

Eén ding was duidelijk: de Kerk kön niet schiften de niet- en de wèl-verkoren kinderen. Ja, als de Kerk met de Doop had mogen wachten tot het zou blijken of die kinderen gingen geloven of niet, dan was onze Kerk geworden als de Doops-gezinde Kerk, die niemand doopt, of hij moet eerst het geloof beleden hebben. Maar onze Kerk houdt tot heden vast aan de Kinderdoop. Zij kon niet uitmaken, welk kind niet, en welk kind wel uitverkoren was. De Kerk liet ze dus, practisch, allen toe tot de Doop. De vaderen voerden een ruime doop-practijk. Maar Qod weet wèl, wie de uitverkorenen zijn.

Maar Qod weet wèl, wie de uitverkorenen zijn. Hoe kan Hij dan aan al die verbondskinderen Zijn genade verzegelen ? En nu komt ket reddend uitdenksel:

En nu komt ket reddend uitdenksel: God neemt ze wel allen op dezelfde zichtbare

God neemt ze wel allen op dezelfde zichtbare wijze op in Zijn Verbond, met dezelfde Doopformule. Maar in Zijn hart sluit Hij met het verworpen kind alleen maar een uitwendig verbond, en neemt ze op in de uitwendige, zichtbare kerk, met al de voorrechten van prediking en zielzorg daaraan verbonden. En dat bezegelt Hij met de uitwendige doop, zodat deze kinderen niet te verontschuldigen zijn. Maar God kent de Zijnen, en met die, met die alleen, sluit Hij een inwendig Verbond, en neemt ze op in Zijn onzichtbare, levende, Kerk, en geeft hun in de Doop de verzegeling van Zijn zaligmakende genade. Nu klopt alles voor het verstand, en kan de be

vindelijke, geestelijke prediking rustig haar gang gaan. Maar God is Zijn eer kwijt, dat Hij een eerlijk

Maar God is Zijn eer kwijt, dat Hij een eerlijk man is en dat Hij Zijn doopbeloften eerlijk meent. Wat in het Doopformulier wordt beloofd, is voor leugen verklaard.

En wij, gedoopten, kunnen met onze Doop niets meer beginnen, als wij naar een grond voor ons behoud zoeken. Want misschien, ja waarschijnlijk, was onze Doop geen eerlijk-gemeende belofte van behoud.

Daar komt het uit voort, dat er zo zeldzaam zekerheid des geloofs in de gemeente wordt gevonden, dat de Avondmaalstafel nagenoeg leeg blijft, en Gods genade niet wordt aangegrepen, noch bezongen. Laat staan dat men zou mogen en durven zingen, wat ze in de hemel dag en nacht zingen: „Het Lam voor ons op aard geslacht, is eeuwig waard t' ontvangen de wijsheid, rijkdom, eer en kracht, en dankb're lofgezangen". En ja — als dan Gods belofte van genade en liefde in Doop en Avondmaal en eigenlijk ook in de Evangelie-prediking — misschien, ja waarschijnlijk, als we op het klein getal der verkorenen letten, niet voor ons gelden —, dan moeten wij gaan zoeken naar andere gronden voor onze hoop der zaligheid. En daar komen dan de oude en nieuwe predikers en schrijvers ons in te hulp door ons heel nauwkeurig te beschrijven 1. de innerlijke roeping door roepstemmen Gods, 2. de kentekenen van genade en bekering. De Leerregels van Dordt waarschuwen ons nog,

De Leerregels van Dordt waarschuwen ons nog, met Calvijn, tegen dit steunen op de vruchten, dat slechts kleine hulp kan bieden tegen de aanvechtingen, die het geloof te verduren heeft. Calvijn zegt nadrukkelijk, dat dit steunen op de vruchten van het geloof slechts dan enige, kleine waarde heeft, als het geloof eerst en allermeest steunt op Oods belofte in Woord en Sacrament. En de Dordtse Leerregels waarschuwen in het 5e artikel tot tweemaal toe tegen de poging om verzekerd te worden van de zaligheid door een bijzondere openbaring of verzekering voor ons persoonlijk. Dat is een terugval in de Roomse dwaling, zegt Dordt, want juist de Roomse kerk wil van geen zekerheid des geloofs weten, dan door een bijzondere openbaring Oods (zie de Leerregels hfst. V § 9 en 10, verwerping der dwalingen § 5). Maar al deze waarschuwingen van Calvijn en

Maar al deze waarschuwingen van Calvijn en van Dordt ten spijt, volhardt een groot deel der gemeente bij zijn geringschatting van Woord en Sacrament en wil alleen weten van bijzondere openbaring des Qeestes, en lééft bij zielige woordjes, die van onszelf of van den duivel komen, en die men voor kentekenen van genade-werking houdt.

Nog altoos is, vooral in onze Kerk, van kracht, de waarschuwing van Wormser : „Leer onze natie zijn Doop verstaan en de natie is gered". (Wormser, de Kinderdoop).

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1952

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Wat betekent de Heilige Doop?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 9 augustus 1952

Kerkblaadje | 8 Pagina's