Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Open Brief

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Open Brief

(31 OKTOBER 1967)

22 minuten leestijd

Tien jaar is het geleden, dat de Open Brief verscheen, gericht aan predikanten, ouderlingen. Hakenen en gemeenteleden van de Nederlandse lervormde Kerk. Hij vond grote weerklank. Ongeveer 60.000 exemplaren ervan vonden hun weg mder het kerkvolk. De weerstand ertegen was chter niet minder groot. In de Synode-vergalering van november 1967 maakte de Open -iriej een punt van uitvoerige discussie uit. Wij il alen hier een gedeelte aan van het verslag er- >ver in het dagblad Trouw van 23-11-1967. Op- 'Tierkelijk daarin is wat prof. G. C. van Niftrik ^ei, omdat (zoals de lezers van het Kerkhlaadje ongetwijfeld weten!) na enkele jaren zijn verontrusting over de gang van zaken in de Kerk even groot was als die van de schrijvers van de Open Brief, en er op zijn initiatief een samenspreking plaats vond van de opstellers van de Open Brief met het hoofdbestuur van de Confessionele Vereniging en de Gereformeerde Bond en de Vrienden van Kohlbrugge, met het doel om gezamenlijk te komen tot een nieuwe oproep aan de Hervormde Kerk. Daaruit is toen het Getuigenis geboren. En nu het verslag van de Synode-vergadering:

„Ze moeten natuurlijk behoorlijk op hun kop hebben vanwege dit snertstuk", zei op de hervormde synode prof. dr. Van Niftrik, en die „ze" waren de 24 verontruste hervormde dominees van de inmiddels al veel besproken Open Brief. Aan de andere kant voelde de Amsterdamse dogmaticus zich zéér verbonden met de briefschrijvers, omdat hij bij hen onderkende een grote liefde voor de „gewone gemeente". De synode besloot na een uitvoerige discussie, dat er een brief teruggeschreven zal worden. De briefschrijvers zullen te verstaan krijgen, waarom bepaalde van hun uitdrukkingen en voorstelling van zaken onhoudbaar zijn. Het wordt een thetische brief, zei synode-praeses dr. G. de Ru, die overigens te kennen gaf, dat als het aan hem gelegen had, de brief minder aardig zou uitvallen dan de meerderheid der synode blijkbaar begeerde.

Het debat overziende kan men zeggen, dat er naast veel critiek ook veel begrip naar voren kwam. Prof. dr. P. J. Roscam Abbing vond dat de synodale commissie van rapport veel te vriendelijk was geweest, want ze schrijft dat het „een onhoudbare bewering" is, dat de gemeente door tal van synodale geschriften wordt ondermijnd, zoals te lezen is in de Open Brief. „Ze had moeten zeggen, dat het een infame leugen isl" Ook ds. J. A. G. van Zanten uit Wassenaar spaarde zijn critiek op de Brief niet. Ds. P. Kikstra uit Opperdoes zei: hier wordt op een vooroorlogse wijze tegen Barth aangeschopt. Ds. J. H. Jansen uit Vorden sprak van een misselijke Brief. Ds. M. Groenenberg vond de Brief ook theologisch zeer zwak. Prof. Van Niftrik vond het een onbeschrijflijk schandaal zoals er in de Brief over dr. A. Th. van Leeuwen geschreven is. Hij zou willen, dat dr. Van Leeuwen openlijk gerehabiliteerd werd. Anderzijds gaf de hoogleraar nog eens nadrukkelijk uiting aan zijn verbondenheid met de briefschrijvers en verdedigde hij hen. Introvertie bergt altijd extravertie in zich, terwijl het omgekeerde niet het geval is. Ds. L. Roetman merkte op, dat men de onrust in de kerk niet moet bagatelliseren. In zijn slotwoord zei ds. Landsman, dat het hem vooral veel verdriet had gedaan, dat in de Brief oude tegenstellingen weer opgehaald werden. Hij had ernstige bezwaren tegen het stuk, dat dingen die krachtens Gods Woord bij elkaar horen, uit elkaar haalt. Hij zou in een antwoord de dingen recht willen zetten, die hier scheef getrokken worden". Tot zover het verslag van Trouw.

In Hervormd Utrecht van 17-11-1967 schreef ds. M. Groenenberg als volgt: „Neem en lees. Graag zeg ik er nog een enkel ding van. De stijl van de Brief is uitstekend. Zo een Brief kan makkelijk in de toon van eigengereidheid vervallen: wij ondergetekenden weten het! Maar niet alzo deze Brief. De stijl is vloeiend en bescheiden. Het is de juiste toon om een gesprek in te leiden. Het bezwaar dat men tegen de hedendaagse prediking aanvoert, is dat deze wezenlijke elementen mist. Rechte prediking is waarachtige genade-prediking, omdat zij niet alleen Evangelie, maar ook Wet is; niet alleen liefde, maar ook toorn; niet alleen verkiezing, maar ook verwerping; niet alleen het Koninkrijk, maar ook de eeuwige dood. Juist om die reden is de rechte prediking werkelijke troost, betoon van geest en kracht. Al wordt hiermee niets nieuws gezegd (en dat bedoelt men ook niet), — toch zijn deze dingen de moeite waard om te overwegen en er de prediking aan te toetsen. Een verschraling van de prediking heeft naar mijn gevoelen ongetwijfeld plaats. Maar het lijkt me onjuist om te zeggen, dat de gemeente eerst in de volle en rechte zin Gemeente moet zijn vóór ze aan apostolaat kan doen. .. Daarmee zijn we niet zomaar van deze Brief af. Daarom zou het goed zijn, als er een gesprek ontstaat. In dezelfde goede en bescheiden toon ...". En dan van dezelfde scribent in een ander

En dan van dezelfde scribent in een ander 174 nummer van Hervormd Utrecht: ,,Ik kan in de verontrusting, die de Briefschrijvers hebben, inkomen. Ik ben misschien nog verontruster dan zij. Ik ben ook verontrust over het feit, dat mensen als deze ondertekenaars elkaar kerkelijk niet aanvaarden op tal van plaatsen, elkaar het kerkelijk leven onmogelijk maken, maar rustig gezamenlijk een bezwaarschrift indienen. Is dat niet wat onzindelijk? Dat mag ik wel vrijmoedig vragen, meen ik. Het zou juist zo een geweldige indruk maken, als deze ondertekenaars elkanders prediking erkenden. Als b.v. dr Aalders in Dirksland en ds. Boer in Schipluiden de dienst mochten leiden. Zo iets zou een beweging in de kerk in gang zetten ...".

Naar aanleiding van deze opmerking kan ik niet nalaten hier te vermelden, dat zowel ds Boer (toen nog in Katwijk aan Zee) als ds Geluk (toen nog in Dirksland) mij hebben uitgenodigd om op hun kansel voor te gaan in de dienst des Woords, nog voordat deze regels uit de pen van ds. Groenenberg v/aren gevloeid Maar dat de Open Brief en het voorgaan in diensten van Gereformeerde Bondspredikanten oorzaak zijn geweest, dat tal van hervormde gemeenten van midden-orthodoxe signatuur mij van hun kansels hebben geweerd. Ik mag dan wel vrijmoedig vragen, waar de kerkelijke on verdraagzaamheid het grootst is.

Natuurlijk mengde aanstonds na de verschijning van de Open Brief ook dr. J. J. Buskes zich in de discussie. Weer citeer ik het dagblad Trouw. „In een bijzondere kerkdienst, zondagavond in de Amsterdamse Westerkerk, heeft dr J. J. Buskes gesproken over de Open Brief. Heel veel van wat in deze Brief staat, was dr. Buskes uit het hart gegrepen. „Stonden die namen er nu maar niet onder, dan zei ik voor 99 procent Ja! Maar met die namen eronder zeg ik vooi 100 procent: Nee!" Hij vreesde namelijk, dat de schrijvers, gelet hun ,,ligging", in hun ongerustheid over de tegenwoordige eenzijdigheid, waarbij de hemel voor de aarde wordt vergeten, de oplossing zoeken bij een andere, vroegere eenzijdigheid en voor de hemel de aarde vergeten Wat ik, aldus nog steeds dr. Buskes, de brief schrijvers kwalijk neem, is dat zij wat ze zeggen geheel buiten de wereld om zeggen, tijdloos, in een luchtledig. Veel is mij uit het hart gegrepen Maar die namen eronder! Bij de ondertekenaars bevinden zich gereformeerde bonders: onder hen zijn voortreffelijke mensen, maar in de praktijk van het leven zijn ze in sociaal en politiek opzicht oerconservatief. Van een man als ds Gijmink geldt, dat hij de zuidafrikaanse apartheidspolitiek op bijbelse motieven verdedigt. En ds. Van Heyst is een Kohlbruggiaan. Wat dit aangaat, Kohlbrugge is van meer gewicht dan de 24 ondertekenaars samen met mij erbij, zei dr. Buskes. Maar in 1870 verdedigde Kohlbrugge grif op bijbelse gronden de oorlog van Duits- ^and tegen Frankrijk. Neen, stonden die namen >r maar niet onder!"

Een heel ander geluid komen wij tegen in Hervormd Gooi van vrijdag 10-11-1967. Ds. W. Dijckmeester schrijft daarin als volgt: „Het is Tujn beurt om een meditatie te schrijven. Er alt op maandagmorgen heel wat te mediteren, ^eker wanneer de oohtendpost je een geschrift ^rengt, dat wordt aangekondigd als Open Brief. Deze Brief wordt ondertekend door een 24-tal predikanten van uiteenlopende theologische chtergrond, zó uiteenlopend dat je geneigd bent e af te vragen, of het niet veeleer eensgezindleid in het negatieve dan in het positieve is geveest, die hen tot dit gemeenschappelijke schrij- 'en heeft gedrongen. Hier en daar laat zich zelfs ^en eleiment van persoonlijke rancune en resseniment vermoeden. Een adaequate bespreking an deze Brief zou veel meer plaatsruimte in leslag nemen dan voor een „meditatie" is toe- .estaan. Een enkele kanttekening wil ik slechts naken. Het gehele schrijven wordt beheerst loor de visie, dat er in deze wereld een „Geneente Gods" zou zijn aan te wijzen. De grote raag, die zich echter bij mij opdringt, is, of leze Gemeente wel zó aanwijsbaar is als de chrijvers menen. Men krijgt uit de Brief de in- Iruk, dat die Gemeente vooral daar moet worlen gezocht waar men nog trouw ter kerke gaat n waar een prediking wordt gebracht, die beleerst wordt door de klassieke bewoordingen an de belijdenisgeschriften. Als ik de Brief ees, ontkom ik niet aan de vraag: Is die Geaeente niet op een veel breder front te vinden? k kom zo vaak mensen tegen die nooit een voet a de kerk zetten, of liever die uit de'kerk zijn >'eggepreekt, maar die zó intens bezig zijn met iet Evangelie van Christus, dat het menige rouwe kerkganger beschaamd moet maken. Is 'ie Gemeente Gods wel zo aanwezig in die secoren der Kerk, waar „Schrift en belijdenis" in iet centrum heten te staan? „Betoon van geest 'n kracht" zal niet zijn een van de kansel slingeren van oude waarheden, maar een moeizaam orstelen om midden in de wereld, met daad 11 woord, tekenen op te richten van Christus' enadige tegenwoordigheid".

Ongeveer in dezelfde geest schreef de heer A. an der Meiden in het blad Zie van november 967 over de Open Briej. Ook hij gebruikt de 5rief als een aanleiding om sentimenten van afkeer over het orthodoxe christendom te spuien. Op amicale en gewild grappige wijze richt hij ich tot de opstellers: „Beste dominees, Allererst bedankt voor uw brief. Het komt niet elke lag voor, dat ik een brief van een dominee of an een hele reeks dominees krijg. Maar ik heb Is gewoon gemeentelid wel een paar vragen, lisschien schrijft u eens terug. Ik vind, dat u 'urft. Met z'n twee maal twaalf in de roeiboot egen de stroom van de saecularisatie in roeien, 'at is een waagstuk. Maar roeit u allemaal met dezelfde slag? Onder u zijn Bonders. Bij hun theologie ben ik opgegroeid. Tot één van de ondertekenaars, in wiens wijk ik kwam wonen, me eruit haalde. We verhuisden. We kwamen te wonen in de wijk van een andere ondertekenaar. Hij blies op een andere bazuin, zijn klanken herinnerden me aan heel vroeger, toen ik als kind met moeder wel eens naar een door-deweekse kerkdienst van de Vrij-Evangelischen ging, en aan de groenteman, die bij ons Het Zoeklicht bracht. Het orgel van die dominee kende slechts enkele tonen: Jezus als zieleredder, de eindtijd, de wereld in het verderf, de anti-christ, leven uit de Geest. Kunt u begrijpen, dat uw Brief bij mij enige verwarring veroorzaakte? En dat ik me afvraag, of u wel met gelijke slag en met gelijk einddoel roeit? ... Ik vraag me met verbijstering af: is u dan ontgaan wat er precies gebeurd is, na de oorlog? Is het u werkelijk ontgaan, dat wij als gewone gemeenteleden tegenwoordig méér adressen hebben om pastoraat te halen: goede vrienden en de psychiater? Dat een overvloed van media ons die waarheid op een heel andere manier brengt dan 20 jaar geleden? Staat u wel eens stil bij het nuchtere feit, dat we de prediking zomaar thuis, op het beeld of via de radio, goed verpakt thuis krijgen? En dat we, omdat we overdag in andere opvretende verbanden leven, 's zondags bepaald geen zin hebben om plotseling in dat één-uur-per-weekse verband van de gemeente te gaan leven? Zou u toch niet wat meer naar de moderne sociologen moeten luisteren? Ten slotte: er komen in uw Brief termen voor, die bepaalde mensen zullen aanspreken. Zij zijn bij de oude waarheid opgevoed. Maar u hanteert ze als sjibboleths, een tikkeltje al te hoogmoedig en overtuigd. Is het u ontgaan, dat er meer dan een eeuw serieuze schriftstudie is gepleegd en dat u onder de resultaten daarvan niet uitkunt? Wordt het geen tijd, dat u gaat herijken? Ik zou zeggen: stap uit die boot en werk van harte mee aan de vernieuwing van denken, geloofsvisie en visie op de wereld. Uw gemeente zal er wel bij varen".

Na al deze stemmen van het hervormde erf nu ook nog enkele citaten uit artikelen van niethervormde bladen over de Open Brief. Ik begin met de woorden, die ds. J. H. Velema in het christelijk gereformeerd blad De Wekker eraan wijdde (25-11-1967):

„Dit stuk is een bewogen hartekreet. Er ligt een diepe ernst over deze brief. Er spreekt een profetische verontrusting uit deze missive. Er worden zóveel diep ontdekkende dingen gezegd, zóveel rake opmerkingen gemaakt, zó krachtig gesproken, dat de betekenis van dit stuk verder reikt dan de Hervormde Kerk. Ik geloof, dat de schrijvers een geestesgesteldheid hebben getypeerd, die hand over hand christelijk Nederland overmant; een mentaliteit, die vanuit de Hervormde Kerk de Geref. Kerken reeds diep heeft geïnfecteerd en geen halt houdt bij de muren van onze afgescheiden kerk. Zij zeggen dat niet; zij hebben daar geen behoefte aan, omdat zij genoeg hebben aan de situatie van de Hervormde Kerk. Wij, die niet tot de Hervormde Kerk behoren, hebben allerminst reden om met leedvermaak deze brief te lezen, die in feite een veroordeling is van de koers, die de Hervormde Kerk na de tweede wereldoorlog is gevaren. Veeleer hebben we reden om ons af te vragen of de in deze brief aan de orde gestelde zaken ook ons aangaan. De centrale vraag is de vraag naar de rechte, bijbelse prediking. Hier worden dingen over de prediking gezegd, die weerklank vinden bij allen, die de gereformeerde belijdenis liefhebben".

Ook willen wij nog plaats inruimen voor enkele citaten uit de voortreffelijke artikelen, die ds. E. J. Oomkes in de Friese Kerkbode van 10 en 17 november over de Open Brief schreef:

„Het is niet mijn bedoeling om alle ondertekenaars aan u voor te stellen. Voor één figuur maak ik een uitzondering. Dat zijn handtekening hieronder staat, is toch wel bijzonder tragisch. Ik bedoel dr. K. H. E. Gravemeijer. Hij heeft onmiskenbaar de hand gehad in het afstellen van het kompas voor de richting, waarin het schip van de Hervormde kerk zou koersen vanaf 1945. Hij behoorde met dr. W. Banning en dr. H. Kraemer tot het driemanschap, dat alle classesvergaderingen afreisde om ze warm te maken voor het ,,Gemeente-opbouw plan".

In 1940 trad hij op als nieuwe secretaris van de Generale Synode van de Hervormde kerk. Éen aantal mannen vond elkaar rondom deze figuur in de gezamenlijke overtuiging dat de kerk paraat moest zijn om de strijd aan te binden met de geestelijke dictatuur van het nationaalsocialisme, dat ons overrompeld had. Hiervoor heeft dr. Gravemeijer moeten boeten eerst met gevangenschap en later met internering in het gijzelaarskamp te St. Michielsgestel. Hij wilde niet weten van enig compromis met de bezetter.

Maar er was nog iets anders.

Deze mannen waren de overtuiging toegedaan, dat achter de steeds weer mislukte reorganisatieplannen van de Herv. kerk grote nood woelde, waaraan alle aandacht besteed moest worden. Duidelijk zagen zij in, dat reorganisatie zonder meer geen vernieuwing brengt; dat ook een nieuwe kerkorde geen zin heeft, wanneer de levenskernen van de concrete kerk, nl. de gemeenten, niet waarachtig-levende en belijdende, d.w.z. in het geloof, de liefde en de hoop levende gemeenschappen zijn. En de Enige, die dat kan en doen moet, is de Heilige Geest. Dit was uitgangspunt van de „nieuwe koers" die haar belichaming kreeg in Gemeente-opbouw, een werkgroep die in de vernieuwings- 176beweging der Nederlandse Hervormde kerk een heel belangrijke rol gespeeld heeft.

Dr. Gravemeijer was één van de motorische krachten ervan. Hij is wel eens de „aartsbisschop" van de Hervormde kerk genoemd. Hij heeft een belangrijk aandeel gehad in de ferzijdestelling van de reglementenbundel van 1816, een staatscreatuur, en bij de totstandkoming eerst van de werkorde en later van de nieuwe kerkorde van zijn kerk. Dat deze kerkorde na zoveel mislukte pogingen door de kerk in haar ambtelijke vergaderingen werd aanvaard, zag hij als „een wonder Gods, van Zijn genade en trouw. Het is Zijn genade, dat Hij onze kranke Kerk niet heeft verlaten. Het blijkt, dat zij, die nog het Woord en de Sacramenten heeft, ook de mogelijkheid heeft van herstel". Zó schreef hij destijds na de aanvaarding van de nieuwe kerkorde. In deze verwachting is dr. Gravemeijei diep teleurgesteld. Reeds meerdere malen heef1 hij publiekelijk daarvan getuigenis afgelegd. De reformatie, waardoor de reorganisatie gedragen moest worden, bleef uit.

En nu treffen we zijn naam aan onder de Open Brief, waarmee deze 24 predikanten zich richten tot hun kerk.

Ja, is het te veel verondersteld als we hel vermoeden uitspreken, dat hij het concentratiepunt is geworden van deze 24 verontrusten ir de Hervormde kerk?

De eigenlijke grond voor de ongerustheid var de opstellers van de Open Brief is de gevaarlijke en fatale richting, waarin het apostolaat zioh in de kerk heeft ontwikkeld.

Zij klagen erover, dat de kerk niet meer als kerk functioneert, maar louter functie van het apostolaat is geworden. En dan nog een apostolaat, dat zich op gevaarlijke wijze aanpast aan het moderne, mens-middelpuntige denken er wereldbeeld en aan een verwereldlijkte cultuur Bovendien is dit apostolaat oorzaak, dat de primaire ambtelijke taak, het weiden van de schapen, in prediking en catechese, in de zielszorg verwaarloosd wordt. Tegelijk vervreemden dt werkers in het apostolaat en de kerkelijke theo logie van het geloof der gemeente.

In het tweede deel gaan de 24 nader in op de oorzaken van dit verval. Hoe is het mogelijk geweest, dat het geestelijke klimaat in de na-oorlogse jaren zo'n vruchtbare voedingsbodem is gebleken voor een dergelijke theologische verwording? ,,Zijn wij in de wereld uitgegaan zonder geroepen en gezonden te zijn; zijn wij met een te lichtvaardig optimisme de wereld ingetrokken? Hebben wij de macht van de overste der wereld onderschat?"

Hier is een kerkelijk-theologische schuld.

Zonder zichzelf van schuld vrij te pleiten wijzen zij met nadruk op de middenorthodoxie als de schuldige.

De theologie van de middenorthodoxie draagt het kenmerk van te grote gemoedelijkheid. Zij spreekt veel over eenheid en samenwerking, maar weet niets en wil niets weten van de voortdurende spanning tussen de ware en de valse Kerk, van de strijd tussen Waarheid en leugen. Zij is niet bedacht op de dreiging van de vorst der duisternis, die de Gemeente Gods verwoesten wil en ons hart wil binnensluipen. ,,Het moet duidelijk zijn, dat in een theologisch klimaat, waar de genade zozeer haar uit- /onderingskarakter, haar wonderkarakter, haar karakter van souvereine verkiezingsdaad Gods verloren heeft, en tot goddelijke grond van alle zijn geworden is, — de weg helemaal openligt voor die naïef-optimistische visie op de mens, de wereld en de geschiedenis, die zo kenmerkend is voor het apostolaat".

Het verbaast ons niet, gelet op de visie die de opstellers van deze Open Brief op de middenorthodoxie hebben, dat zij geen goed woord over hebben voor de middenorthodoxe prediking. Zij Kan nauwelijks meer een gebeuren genoemd worden. Zij kan geen verkondiging, geen aanspraak, geen belofte, geen troost meer zijn, ook al tracht men het gemis aan werkzame genade te comijenseren door soms zeer vreemde pogingen tot eigentijdse vormgeving of door „meeslepende woorden van wijsheid" (1 Cor. 2:4). Van zulk een prediking gaat niets uit. Zii voert niet tot bekering en geloof.

Rechte prediking is niet alleen Evangelie, maar óók Wet; niet alleen liefde, maar óók toorn; niet alleen redding, maar óók verlorenheid; niet alleen vergeving, maar óók gericht; liet alleen verkiezing, maar óók verwerping; niet alleen hemel, maar óók hel; niet alleen het Koninkrijk, maar óók de eeuwige dood!

,,Juist om die reden is de rechte prediking \verkelijke troost, betoon van geest en kracht, reddend handelen Gods, omdat hier de vergeving, de genade, de verkiezing, de liefde Gods verkondigd v/orden tegen de donkere, diepe, ernstige achtergrond van de realiteit van de Wet, van de toorn Gods, van het gericht en van de verwerping. Doch om diezelfde reden is deze prediking ook een dwaasheid en ergernis voor de natuurlijke mens, die wèl het Evangelie, maar niet de Wet; wèl de liefde, maar niet de loorn Gods; wèl de genade, maar niet het oordeel; wèl de verkiezing, maar niet de verwermg waar wil laten zijn. Dat de prediking het Lvende Heden van Jezus Christus zou zijn, die )ns gesteld is tot een val en opstanding (Luc. 2 : 34), kan die mens niet geloven".

Deze prediking zal dan ook op fel verzet stuiten bij de moderne mens. Vooral als het apostolaat met deze ergernisgevende prediking in de wereld van de mondige, atheïstische mens ingaat, zal het op diepe weerstand en vijandschap stoten.

En toch, — dit zal een prediking zijn, die geen intellectueel woordenspel is, maar een gebeuren vol van „betoon van geest en kracht"; een prediking, die machtig heen zal breken door de redeneringen van het mondige atheïsme en die als leugens zal ontmaskeren.

Zou zulk een prediking niet het grootste geschenk Gods zijn aan Kerk en wereld in deze donkere eeuw? Die rechte prediking is de kerk als belofte toegezegd op de Pinksterdag.

Moet zij niet vurig worden afgebeden?

Daarmee eindigt de Open Brief:

„Is het niet meer dan tijd, om in nieuw besefte afhankelijkheid vurig te bidden om de vervulling van de Pinksterbelofte? Is er niet een zuchtende Gemeente, die zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn door de toenemende druk van de wereld, en die hunkerend uitziet naar een troostend réveil van de ware prediking? Zijn er bovendien in de wereld niet velen, die met de handen tasten langs de gesloten muren van hun bestaan, om ergens een uitweg, ergens een open deur te vinden? En bovenal, is het tijdsgewricht der geschiedenis, waarin wij leven, niet van dien aard, dat het behoud van de zielen der mensen ons dringender dan ooit op het hart gebonden is, omdat de dag des Heren zich verhaast en het komende oordeel niet ver meer kan zijn?""

Dit was dan een bloemlezing van al de reactie's, die losgekomen zijn na de publicatie van de Open Brief op 31 oktober 1967. Bij het doorlezen ervan zal het u ongetwijfeld zijn opgevallen, hoeveel critiek en verweer tegen de Brief door de verdere ontwikkeling der dingen eenvoudig is achterhaald en weersproken. De feiten, die na 1967 zich hebben voorgedaan, en de stroomversnelling, waarin het kerkelijk leven sindsdien is terechtgekomen, hebben aan het licht gebracht, dat de kerkelijke en theologische situatie in de Open Brief geenszins was mistekend. Eerder dat de werkelijkheid donkerder blijkt te zijn, dan toen werd beschreven. Vooral onder invloed van de nieuwe secreta

Vooral onder invloed van de nieuwe secretaris-generaal van de Hervormde Kerk dr. A. H. van den Heuvel heeft de appstolaatstheologie zich ontwikkeld tot progressieve, politieke theologie, die de Kerk en haar prediking hoe langer hoe meer de weg opdrijft van een marxistischingestelde betrokkenheid bij de huidige wereldproblemen. Wat dat betreft was het beruchte verkiezingsmanifest voor de P.v.d.A. op 21 mei een duidelijk teken aan de wand. Het was immers ondertekend door dr. Van den Heuvel, benevens door een groot aantal hervormde predikanten en hoogleraren. In dat manifest wordt gezegd, dat op het C.D.A. en andere christelijke politieke partijen geen staat te maken is wat betreft progressieve politiek. Zekerheid daarvoor is er volgens de ondertekenaars alleen bij de P.v.d.A. Daarom roepen zij de christenen op, hun stem te geven aan die partij.

Dat er bij het C.D.A. nog bekommerdheid is wat betreft het fundamentele ^/raagstuk van de abortus en het drug-gevaar, en dat de P.v.d.A. daar geen enkel probleem van maakt, deert deze manifest-ondertekenaars klaarblijkelijk niet. Zij beschouwen die problemen van zó ondergeschikt belang vergeleken met de wereldvragen van onrecht en onderdrukking in het verre Afrika en Zuid-Amerika, dat zij zich niet bekommeren om wat zich afspeelt in de Haagse, Haarlemse en Amsterdamse abortus-klinieken, drug-huizen en Eros-centra.

Wat in 1967 nog alleen maar vermoed kon worden, is thans voor iedereen, die niet ziende blind is, zichtbaar, namelijk dat de apostolaatstheologie gevoerd heeft tot een onvoorwaardelijke overgave van het christelijk geweten aan de progressieve politiek van het marxistische, ideologische denken. Hoe kortzichtig, oppervlakkig en luchthartig doet in het licht van die 10- jarige voortgaande verbastering van de Kerk alle critiek aan, die in 1967 op de Open Brief in vaak zwaarwichtige woorden werd uitgebracht!

Toch is die Brief niet zonder uitwerking geweest. Wij mogen toch zeggen, dat hij de eerste stoot heeft gegeven voor een geestelijk proces, waarin verontruste christenen uit verschil-lende modaliteiten en zelfs uit verschillende kerken naar elkaar zijn toegegroeid en elkaar in het Evangelie hebben herkend. Wat dat betreft mag dus inderdaad gesproken worden van „een beweging, die in de Kerk in gang is gezet" (M. Groenenberg). Het Getuigenis, dat vier jaar na de Open Brief is verschenen, en dat door prof. Van Niftrik is opgesteld, is er het bewijs van. Velen uit de Gereformeerde Bond, uit de Confessionele Vereniging, uit de Kring van vrienden van Kohlbrugge, uit de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Gemeenten zeggen thans volmondig Wij zien elkaar met andere ogen aan dan voorheen! Er is een basis van onderling vertrouwen en onderlinge verbondenheid gegroeid, die een belofte inhoudt voor de oplossing en vereffening van veel oud zeer. En het is de nood van deze tijd, de nood van Kerk en volk, die ons naar elkaar toe heeft gedreven. Daarom is er naast zorg en verdriet over veel ontsporing en afval toch ook vreugde en dankbaarheid. De gebeden van velen, die met het uitgaan van de Open Brief tot God zijn opgezonden, zijn niet onverhoord gebleven. Maar wèl is er volop reden om in ons gebed en getuigenis niet te verslappen!

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 31 oktober 1977

Kerkblaadje | 16 Pagina's

De Open Brief

Bekijk de hele uitgave van maandag 31 oktober 1977

Kerkblaadje | 16 Pagina's