Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De doop van drie Israëlitische jongedochters

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De doop van drie Israëlitische jongedochters

20 minuten leestijd

Op 12 februari 1854 is er een bijzondere gebeurtenis in de dorpskerk van Oud-Alblas: drie Joodse jongedochters worden gedoopt door ds. Jan Jacob Knap. De kerk puilt uit met bezoekers en de gehouden preek van de predikant wordt uitgegeven, zodat kerkelijk Nederland er weet van kan hebben.

Het sacrament van de Heilige Doop wordt bediend aan Rebecca (38), Lea (33) en Belia (30) Harst. Het zijn drie dochters van Tobias Harst en Anna Hartog van der Graaf. Tobias, slager van beroep, is geboren in Giessen-Nieuwkerk en Anna in Bleskensgraaf. Zij trouwen in 1800 en gaan wonen in Hardinxveld. Hun eerste kind Rachel is geboren in 1803. Daarna worden Sara, Judik, Rebecca, Samuël, Lea en Beligje (Belia) en Antje geboren. Rebecca is geboren op 12 oktober 1815, Lea op 26 juli 1820 en Belia op 28 januari 1824. Het bevolkingsregister meldt dat zij Nederduits Israëliet zijn.

De brief van Belia

Van Belia is een brief bewaard gebleven waarin zij het heeft over de verandering die in haar leven en ook in die van haar twee zussen plaatsgevonden heeft. Ze schrijft op 2 januari 1857 aan een vriend: ‘Van de vroegste kindsheid af had ik indrukken van dood en eeuwigheid, zodat ik de zonde niet met vermaak kon doen. Toen ik 5 jaar was, stierf mijn grootmoeder van vaders zijde. Het staat mij nog zo levendig voor de geest dat ik toen al niet anders wachtte dan de dood en na de dood de eeuwige nacht. Dikwijls schreeuwde ik het in mijn kinderlijke eenvoudigheid uit.’

Er is sprake van onbegrip bij de ouders. Zij ‘verstonden er niets van en troostten mij in hun blindheid daarmee, dat zulke kleine kinderen niet kunnen sterven.’ Belia: ‘Een half jaar later zag ik zo helder, dat de Heere naar recht het ganse aardrijk om mijn zonden kon verdelgen. Daar liet ik iets van uit en dat is in mijn familie een spotwoord geweest.’

Belia wordt ouder, gaat onderwijs volgen: ‘Toen ik naar school ging, dacht ik dat geen der kinderen ongelukkiger was dan ik. Allen, dacht ik, hadden een vrije consciëntie, maar ik had een beschuldigend geweten.’ Daarna: ‘Zo leefde ik voort. Ik diende de wereld en de zonde met een geprangd gemoed. Ik geloofde dat niemand zoiets ondervond, daar ik er nooit over hoorde spreken. Ook had ik nooit gehoord dat iemand bekeerd moest of kon worden. Als ik op school van Jezus hoorde, dan klopte mijn hart en ik durfde er niet naar te luisteren.’

Het brengt haar tot nieuw zelfonderzoek: ‘Nu voel ik weleens (en ach, mocht het mij tot smart zijn) een ingekankerde en ingewortelde vijandschap tegen de gekruiste Christus in mij doortintelen, zodat ik geen steen op mijn ouders behoef te werpen, als zij er mij een afkeer van inprentten.’

Het is voor haar duidelijk dat ‘het woord bevestigd wordt, dat het woord des kruises de Jood een ergernis is.’ Ze vervolgt: ‘Ik kon en durfde niets van dat alles te zeggen, het was mij dikwijls bang en ik wist zelf niet wat mij scheelde, zodat mij de nood weleens op de knieën deed uitroepen: “O God, wat scheelt er toch, het is mij zo bang!” Ach, was ik maar ver van hier. Bidden kan ik niet. De gebeden die mijn ouders mij leerden waren in het Hebreeuws.’

Een weg van strijd

Het is het sterven van hun broer Samuël op 19 augustus 1845 dat ervoor zorgt dat de wereld voor de drie zussen al haar glans verliest. Belia: ‘Door onze uitwendige zaken kregen wij kennis aan een vrome vrouw waar wij dagelijks mee omgingen. Die vrouw sprak altijd over hetgeen zij ondervond. Eens, toen ik alleen bij haar was, zei ze dat zij zo bedroefd was, want de Heere had Zijn aangezicht voor haar verborgen. Het was of dat ik die vrouw verstond. Ik stortte de ganse dag tranen.’

Het is alsof het raadsel voor haar is opgelost: ‘Nu wist ik wat er scheelde. Ik moest het aangezicht Gods kennen en dat kende ik niet. Langs een wondere weg, te lang om mee te delen, kreeg ik Gods Woord in handen en werd gedrongen het te onderzoeken.’

Het eerste wat Belia leest, is Jesaja 53 en daarna Deuteronomium 32 vers 21. Het meisje ontvangt een verder inzicht en ziet op iedere bladzijde die zij in het Oude Testament openslaat Jezus, van Genesis tot Maleachi: ‘Wat zag ik door die Jezus een vrije toegang tot de troon der genade. Er bleef echter, door alles heen een onvolmaaktheid in mijn gemoed.’ Een weg van strijd (van buiten) en vrees (van binnen) blijft daarna niet uit.

De ouders van de drie nog thuiswonende zussen zijn in deze tijd 73 jaar oud. De zussen zijn tot de overtuiging gekomen dat er maar één Naam onder de hemel is gegeven om zalig te worden: Jezus Christus en Dien gekruist. Anderhalf jaar verblijven zij nog bij hun ouders, tot het moment dat die besluiten dat de zussen op zichzelf moeten gaan wonen. Op 28 september 1853 verhuizen ze.

Op de dag van haar vertrek slaat Belia de Bijbel open en leest: ‘Gaat het ulieden niet aan, gij allen die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet of er een smart zij gelijk mijn smart.’ Ze vervolgt: ‘Ik behoefde niet verder te lezen. Wat was dat een wonder, dat mijn toestand zo in Gods Woord beschreven stond.’

Het drietal gaat in Oud-Alblas wonen op Zuidzijde 89, later op nummer 56 en nummer 86. Ze verdienen met handenarbeid de kost.

Niet verstoten

De zussen richten een schriftelijk verzoek tot ds. J.J. Knap in Oud-Alblas, die daar predikant is, vanaf 10 april 1853, toen hij overkwam uit het Friese Heeg. Ds. Knap gaat erop in en onderwijst hen ‘met innige blijdschap der ziel in de leer der Gereformeerde Kerk’. Vervolgens zullen de zussen ‘Israëllitinnen. Rebekka, Lea en Belia Harst’ op 3 februari 1854 aangenomen worden in de tegenwoordigheid van de ouderlingen Jan Baan en Klaas Nugteren tot het lidmaatschap der Hervormde Kerk.

Als de dag aangebroken is - 12 februari 1854 - dat de Heilige Doop aan hen bediend zal worden, stroomt de ruime dorpskerk van Oud-Alblas vol met mensen. Ds. Knap leidt de dienst. Hij zegt in de voorafspraak van zijn preek: ‘Ik ontveins het niet, dat ik recht verheugd ben over de eer die mij te beurt valt, bij deze plechtige godsdienstoefening voorganger te mogen zijn. Ik zocht ze niet, maar de Heere, die mij kent en doorgrondt, beschikte ze mij. Ook verheugde ik mij zeer, och ware deze mijn blijdschap groter en inniger, dat trots zovele woelingen van ongeloof en bijgeloof, deze onze samenkomst en hetgeen in dezelve staat verricht te worden, ten bewijze strekt, dat God Zijn oude volk niet heeft verstoten. Maar wraak doende over deszelfs daden, nochtans in gunst aan hetzelve blijft gedenken: dat de Heere Christus leeft en waakt, en weet te zegepralen over de harten van Zijn vijanden en vijandinnen.’

Kan iemand het water weren?

Ds. Knap neemt tot tekst Handelingen 10 vers 47a: ‘Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden?’

Na het onderricht over de waterdoop vanuit het Oude en Nieuwe Testament spreekt hij de drie dopelingen aan: ‘Vriendinnen uit Israël! Dochteren Abrahams, tot wie Jehova, de God des Verbonds, gezegd heeft: “Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u.”’ Het zijn hartelijke woorden: ‘Ik weet het, uw ziel gevoelt zich innig verbonden aan Hem, Wiens dag die aartsvader zeer begeerd heeft te zien. Daarom verheugt gij u, dat Hij het uitwendige waterbad heeft ingezet, en daarbij toegezegd, dat gij zo zekerlijk met Zijn bloed van de onreinheid uwer zielen, dat is van al uw zonden gewassen zijt, als gij uitwendig met het water, hetwelk de onreinheid des vleses pleegt weg te nemen, gewassen zult worden. Maar ook, gij verlangt door u te laten dopen, in de tegenwoordigheid der honderden die hier tegenwoordig zijn, te verklaren: dat Hij is de Christus, de Zoon des levenden Gods. Dat de zaligheid in geen ander is, nadien er ook onder de hemel geen andere naam is die onder de mensen gegeven is, door welke wij moeten zalig worden.’ Hij besluit de toespraak met de vraag: ‘Waarlijk, dat is een heerlijke, een zalige, dat is de beste belijdenis! Gemeente, kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zullen worden?’

Eerste indruk van Christus

In zijn preek verhaalt ds. Knap hoe de Heere gewerkt heeft in het leven van de drie zussen. Allereerst ontvingen Rebekka en Belia door het zingen van liederen de eerste indruk van Christus en christendom gaven: ‘De oudste bekoorde schier altijd, wanneer hetzelve gezongen werd, op een voor haar onverklaarbare wijze, de woorden van zeker bekend schoollied: “Lieve Jezus, Vriend van kind’ren! Zie ons bukken voor Uw troon.” Zo zelfs, dat zij, gedachtig aan het stellig verbod, zo nadrukkelijk en bij herhaling haar gegeven, om de naam van Jezus op de lippen te nemen, nochtans meestal het gezang met noten volgde. De jongste gevoelde zich doorgaans, ondanks zichzelf, ernstig gestemd, wanneer de woorden uit onze Avondzang “O grote Christus, eeuwig licht! Niets is bedekt voor Uw gezicht” werden gezongen. Dan kruisten de vragen door haar ziel: Zou de Messias niet kunnen gekomen zijn? Geloven toch niet duizenden en duizenden verdubbeld in Hem? En is Hij gekomen – er is voor Zijn gezicht niets bedekt, hoe zal ik dan, ik, zondares, voor Hem bestaan?’

Lea, ‘de middelste dezer jongedochters’, werd later door haar zusters op het christendom opmerkzaam gemaakt ‘en wel van stonde af aan met zulk een kracht, dat hetzelve dikwijls al haar belangstelling tot zich trok. Geen andere kennis van God kennende, dan die bestond in het lezen van enige gebeden en wel in een taal, van welke zij niets dan de letters en de leestekens kenden, gevoelden zij lang een treurig ledig in haar zielen, een dorst naar iets beters; blijvende nochtans in vijandschap tegen Jezus van Nazareth de Joden evenaren.’

Boeken van Mozes

De tijd verstrijkt. Echter, ‘door de goede hand des Heeren geraakten zij in het bezit van de vijf boeken van Mozes, alsmede van enige stukken uit de profetische schriften, in de Nederduitse taal overgezet. Zij lazen en herlazen die Schriften, bepaaldelijk ook met het doel om uit dezelve te zien of die Jezus, Die de christenen voor de Messias houden, de ware zij. Het was dit lezen, van hetwelk Zich de Heilige Geest wilde bedienen, om haar zielen bij toeneming onrustig te maken en nevens twijfel omtrent de begrippen en meningen der Joden, belangstelling bij haar in de christelijke godsdienst te wekken en te vermeerderen. Met dit al, zij bleven leven naar de eeuw dezer wereld, zich vergenoegende met het nemen van goede voornemens, wier uitvoering meestal achterwege bleef.’

‘Intussen’, vervolgt ds. Knap, ‘de Heere laat de werken Zijner handen niet varen. Zij werden door de tijd ernstiger en ernstiger: de ene vroeger, de andere later, zij kregen een gevoel van hogere behoeften. God, Die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou voortkomen, scheen in haar harten. Zij leerden zichzelf kennen als doem- en vloekwaardige zondaressen, als gans verlorenen. Niet alleen werden zij overtuigd dat Jezus van Nazareth de ware Messias is, maar ook, God deed ze gevoelen, dat er voor arme zondaars geen heil is buiten Hem. Dat Hij alleen de behoeften van het arme zondaarshart kan bevredigen. Zij leerden voor Jezus vallen, zij leerden knielen bij Zijn troon, met Hem worstelen. Zij… Doch niet beter kan ik u haar zielsgesteldheid beschrijven, dan door u mede te delen: dat het hen ging als de voor Christus gewonnen inwoners van Sichar, welke, naar het bericht van Johannes, tot de Samaritaanse vrouw zeiden: “Wij geloven niet meer om uws zeggens wil: want wij zelven hebben (Hem) gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.”’

Drie middelen

De Heere gebruikt nog andere middelen om Zijn genade in deze drie jongedochters te verheerlijken. Als eerste noemt ds. Knap het sterven van Samuël, de enige broer van de zussen. ‘Dat sterven greep, nee, de Heilige Geest greep door dat sterven diep in hun zielen, zodat zij levendiger dan ooit tevoren overtuigd werden van het nietige van de dingen dezer aarde, en dat alleen het bezit van een hoger en onzichtbaar goed het hart kan bevredigen.’

Een tweede middel is de herhaalde toespraak van een vrouw, met wie de zusters Harst in aanraking kwamen. Ds. Knap: ‘Derzelver woorden, uit het hart tot haar gesproken, deden onder de alvermogende werking des Heiligen Geestes, hun harten goed.’

De predikant haalt aan dat deze vrouw bij herhaling over de Heere Jezus sprak, ‘ze toonde ook aan vanuit de profetische schriften dat Jezus - en geen ander - de beloofde Messias is Die de vaderen hebben verwacht.’ Haar onderwijs is diepgaand: ‘Ook vaak deed zij geweld op haar zielen, door tot haar te spreken van het lelijke van de dienst der zonde en het zalige van de dienst van God. Door haar het gewicht van dood, van verantwoording, van de eeuwigheid voor te stellen. Door haar te verkondigen, dat het onuitsprekelijk rampzalig zal zijn, te sterven buiten deelgenootschap van de Heere Jezus.’

Als derde middel noemt ds. Knap het gesprek dat zij hadden met een Joodse man, van wie ze gehoord hadden dat hij tot het christendom was overgegaan. Dat gesprek vond plaats drie jaar voor hun doop. ‘Dat gesprek was haar bijzonder ten zegen, vooral zijn antwoord op hun herhaald en dringend vragen: hoe hij toch over de Messias dacht?’ Het antwoord, door hem onder het storten van vele tranen gegeven, was: ‘Jezus van Nazareth, Hij is de Messias, Hij alleen. Er is buiten Hem geen ontkoming, geen zaligheid.’ Dat waren de woorden die hun zielen ontroerden en tevens verblijdden; voor hen eeuwig onvergetelijke woorden, doch van welke de Heilige Geest Zich bediende, om ze te ijveriger naar Jezus te doen zoeken. En nu, het was deze man, die hun een Nieuw Testament bezorgde, maar ook hen met nadruk naar het 53 ste hoofdstuk van het voorzeggingsboek van Jesaja heen wees. O, hoe menig Jood heeft hetzelve met een kloppend hart gelezen. Ook zij hebben het alzo gelezen en herlezen. Zij hebben hetzelve bepeinsd ten zegen voor hun zielen.’

Strijd

De strijd blijft niet uit. Geprobeerd wordt hen te bewegen bij hun voorvaderlijke godsdienst te blijven. Het waren volgens ds. Knap pogingen die hen meer overtuigden van de machteloosheid van de vijanden van Jezus. ‘Veel werd hun haar trapsgewijze duidelijker, hetwelk vroeger donker scheen. Hoe meer zij de Bijbel lazen, hoe meer zij overtuigd werden, dat Jezus is de Christus, en dat in Hem alleen het licht en het leven is. Zij ontvingen genade om door alles heen te breken, om alles om Christus’ wil te verzaken, om Hem aan allen en te allen tijde te belijden, om te tonen dat het woord van Christus boven alles woog: ‘Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.’

Zulke gezindheden en gevoelens vervullen hun zielen, bezielen hun gesprekken en redenen. En nu, zij zijn bereid in de Naam van de Drie-enige God hun belijdenis te doen bekrachtigen. Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt worden?’

Onderwijs

Ds. Knap spreekt ook nog over het onderwijs dat hij gaf: ‘Ik heb ze, te midden van vele bezigheden, met groot genoegen, met blijdschap onderwezen. Aangename uren mocht ik met hen in dit werk doorbrengen. Vaak merkte ik dat hun zielen diep bewogen werden wanneer ik tot hen sprak van de Heere Jezus en het heil, hetwelk in Hem is voor verloren zondaars. Doch, derzelver tegenwoordigheid verbiedt mij meer tot hun lof mede te zeggen, dan hetgeen ik noodzakelijk oordeelde mede te delen, opdat de gemeente zou weten wie zij uit Israël in hun schoot ontvangt.’

Ook het onderscheid tussen de Joodse en de Christelijke opvattingen is aan de orde gekomen: ‘Zij weten zowel aan Joden als aan Christenen rekenschap te geven, waarom zij deze zo gewichtige stap deden, zij kennen het Christelijk geloof der Gereformeerde Kerk en kunnen hetzelve tegen de bedenkingen van het ongeloof verdedigen; terwijl de liefde tot de Heere die in haar hart zetelt, hen zal bekwamen om dit te doen met de hoogste ernst en tevens met bescheiden vrijmoedigheid.’

Over het genadewerk in hen is de predikant duidelijk: ‘De Heilige Geest heeft ze wakker geschud, tot de Schriften geleid. De Heilige Geest deed hen Christus kennen, ja, openbaarde de Christus in haar harten, en in Hem smaakten zij blijdschap, zo dikwerf zij verwaardigd werden om Zijns Naams wil smaadheid te lijden.’

Toespraak

Aan de drie jonge vrouwen verzoekt de predikant om op te staan. In zijn toespraak voorafgaande aan de Doop staat hij stil bij de familiebetrekkingen: ‘Uw ouders, uw zusters, uw verdere betrekkingen naar het vlees, kan het anders of zij liggen u na aan het hart. Gij denkt veel aan hen, veel vooral in deze dagen. Hoe vurig wenst uw hart dat ook zij eenmaal tot de erkentenis van Christus kwamen. En niet alleen wenst gij dit vurig voor hen, maar ook voor alle verloren schapen van het huis Israëls. Ja, derzelver Christusverwerping is u een grote droefheid en uw hart een gedurige smart.’

Hij verzoekt de dopelingen met klem om de familieleden en volksgenoten niet te vergeten: ‘O bidt voor hen, bidt voor Israël met allen die de Heere Jezus Christus in onverderfelijkheid liefhebben en beroepen wij ons bij dat bidden met kinderlijke vrijmoedigheid, op hetgeen de Drie-enige God heeft toegezegd, en u zo toezeggen zal.’

Doopsbediening

Tot de eerste van de dopelingen zegt ds. Knap: ‘Op uw erkentenis, dat gij een zondares zijt, in uzelf gans onrein en doemwaardig voor God, op uw belijdenis, dat Jezus Christus de Heere is, de Messias, voortijds beloofd en in de volheid des tijds geopenbaard, en dat gij Hem voor uzelf neemt tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en volkomen verlossing, doop ik u: in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen!’

Daarna: ‘Sta op, lieve zuster. Wij noemen u welkom in de gemeente des Heeren, in de vergadering Zijner heiligen. Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem; geworteld en opgebouwd in Hem en bevestigd in het geloof, gelijker-wijs gij geleerd zijt, volstandig zijnde in hetzelve met dankzegging. Amen!’

Als de tweede zuster tot het doopvont genaderd is, zegt de predikant: ‘Ook gij begeert in het openbaar getuigenis te geven dat gij Christus Jezus erkent uw Heere te zijn, gij begeert dit van harte. Gode zij dank, Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Ja, levendig en diep gevoelt gij uw onwaardigheid voor God, maar ook de kracht van het bloed van Christus en van de Heilige Geest, door Zijn bloedstorting verworven. Gij wenst vurig te wandelen, waardiglijk de genade in u verheerlijkt. Daarom doop ik u: in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen!’

Tot haar zegt hij: ‘Onvergetelijke ure! Van dit ogenblik af zijt gij Christus toegewijd, Wiens dienst zaligheid is, Die de Zijnen nooit verlaat. Uw ziel sterke zich in Hem. Op Zijn macht moogt gij hopen, op Zijn Woord bouwen. Sta op, lieve zuster! Ik noem u welkom, hartelijk welkom in de gemeente des Heeren. Wees haar naar de wens van uw hart tot sieraad. Wast op in de genade en in de kennis van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. Ja, de zaligheid, die uw ziel smaakte in het schuilen bij Hem, worde u vermenigvuldigd!’

Tot de derde van de zusters richt ds. Knap als volgt het woord: ‘Gij hebt met uw zusters, vader en moeder benevens dierbare betrekkingen willen verlaten, opdat gij Jezus Christus zou belijden. Doch Hij, Die de A lpha is en de Oméga, de wortel en het geslacht Davids, die den dorstigen geeft uit de fontein van het water des levens om niet, Hij wil u aannemen, neen Hij nam u aan. Hij hoorde u, toen gij uit de diepte uwer ellende tot Hem riep. Hij gaf u zaligheid te smaken in de hartelijke belijdenis van uw ellende, in de omhelzing van de verlossing die wij in Hem hebben door Zijn bloed, in het herhaald voornemen dat gij opvatte om in vereniging met Hem niet uzelf, maar Gode te leven. Daarenboven, Hij wil u nog meer schenken. Ja, de Drie-enige God Zelf wil alles voor u zijn, wat gij voor de tijd en voor de eeuwigheid behoeft. Opdat gij hieraan niet moogt twijfelen, zo doop ik u, op het bevel van mijn Heere en Zender: in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen!’

Daarna heeft hij ook voor haar een kort woord: ‘Dat vrij uw tranen vloeien, tranen des geloofs, der blijdschap, der liefde! Wat eer voor arme zondaars, voor een arme zondares, dat de Drie-enige God ons Zijn gunst verzekert en verzegelt. Haar bezittende, gemakkelijk derven wij die der wereld. Zij is een dierbare gunst. Ja, hoe dierbaar, o God, is Uw goedertierenheid, dies de kinderen der mensen de toevlucht nemen onder de schaduw Uwer vleugelen. Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes, en Gij drenkt ze uit de beek Uwer wellusten. Gij gedenkt Uw verbond tot in eeuwigheid, des Woords dat Gij ingesteld hebt tot in duizend geslachten: des verbonds, dat Gij met Abraham hebt gemaakt.’

Daarna: ‘Sta op, lieve zuster. Sterk u in Hem. Welkom, welkom in de gemeente des Heeren. Zegge uw hart eenstemmig met haar: mijn ziel maakt groot den Heere, en mijn Geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.’

Als het Amen is uitgesproken, zingt de gemeente Psalm 134.

Ten slotte spreekt ds. Knap de gemeente aan, om de zusters aan te nemen in liefde en te bidden voor Israël.

De preek van deze bijzondere doopsbediening verschijnt in druk bij C. de Wolff Dz. te Gorinchem. Gezien de belangstelling komt er al snel een tweede uitgave. In het doopboek staat de volgende vermelding opgenomen: ‘12 February is na afgelegde belijdenis des geloofs gedoopt: Rebecca oud 38 jaar, Lea oud 33 jaar, Belia oud 30 jaar. Dochters van Tobias Harst en moeder Anna van der Graaf.’

Verwijdering

Belia Harst schrijft in haar eerdergenoemde brief aan een vriend dat het een jaar na de doopsbediening tot een verwijdering is gekomen met de Hervormde gemeente en ds. Knap. ‘Ik voor mij’, schrijft ze, ‘mag er niets van zeggen, dan dat ik als een kind gedoopt ben, gans zonder gevoel van de betekenis van de doop, zodat daar de grond uit is weggenomen. Die dominee leerde een oppervlakkige waarheid, waar mijn gemoed nooit is bijgevallen, zodat wij na verloop van een jaar, na veel worstelingen en strijd, zijn godsdienstvereniging moesten verlaten. Hiermee stond veel in verband, doch inwendig werd het alles verzoet.’ Ds. Knap neemt op 4 november 1855 afscheid Oud-Alblas, hij vertrekt naar Putten.

Nog geen jaar daarna overlijdt Rebecca Harst op 2 juli 1856 te Oud-Alblas op 40-jarige leeftijd. Lea en Belia blijven samen in Oud-Alblas wonen.

Gezelschapsleven

De zussen worden wel bekend in het gezelschapsleven in de Alblasserwaard. Dirk Verheij uit Giessendam schrijft op 27 juni 1857: ‘Ik heb die twee Jodinnen bij mij gehad; ik heb ze met genoegen horen spreken. Ik geloof dat bij haar de ouderwetse ontdekking gevonden wordt, het was te wensen dat men dat in onze dagen allerwegen mocht horen. Zij zijn met geen werkzaamheden of gestalten geholpen. Zij spraken van een Borg voor haar schuld en van dadelijke werkzaamheden, die zij mochten hebben met de persoon van de Heere Jezus. De ene zei dat zij bij tijden zo veel beminnelijkheid, dierbaarheid in den Heere Jezus tot Borg en Middelaar voor haar ziel zag, dat haar

Lea Harst is op 13 november 1902 overleden, 84 jaar oud, Belia Harst op 25 april 1904 te Oud-Alblas, 77 jaar oud.

Dit artikel werd u aangeboden door: Oude Paden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2023

Oude Paden | 64 Pagina's

De doop van drie Israëlitische jongedochters

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 2023

Oude Paden | 64 Pagina's