Een grote golf sloeg de baby uit m'n handen”
Ze was slechts drieënhalf jaar getrouwd toen haar man Reitze (26) en haar dochtertje Wilma (bijna l) voor haar ogen in de golven verdwenen. Hun binnenvaartschip brak tijdens een zware storm. Zelf wist de zwangere Meta van de Pol (nu 72) zich ternauwernood te redden. Meer dan veertig jaar later vertelt ze haar verhaal.
"Ik groeide op in Elst, in de Betuwe. Reitze Elsinga kwam uit Deventer. Zijn vader was een Fries, dat verklaart zijn naam. We waren beiden 23 jaar toen we trouwden. Ik kwam van de boerderij en mijn ouders waren aanvankelijk niet zo blij dat ik verkering had met een telg uit een geslacht van binnenvaartschippers. Ik verwacht dat dit met het gevaar te maken heeft gehad. Zelf zag ik er niet echt tegen op. Ik kon goed zwemmen, bovendien had ik niet zo veel keus, gezien de liefde die Reitze had voor zijn vak.
Ds. J. Karens uit Opheusden heeft ons getrouwd. Hij heeft ook Wilma, die in 1973 werd geboren, gedoopt. De trouwdienst leidde later nog tot een discussie met twee vriendinnen, afkomstig uit een ander kerkverband. We komen nog steeds bij elkaar, maar waren het niet altijd over de kerk eens. „Het leek wel een begrafenis", zeiden ze tegen mij. De dominee was buitengewoon ernstig, maar was dat vaker, zodat het mij niet echt was opgevallen. Later heb ik begrepen dat hij een voorgevoel had dat ons huwelijk niet lang zou duren.
Schipbreuk
Met het naar mij vernoemde schip Meta voeren we vaak van Hengelo naar verschillende plaatsen in Duitsland. We hadden een vast contract met een rederij uit Hengelo en vervoerden voornamelijk zand. Ik was bijna zeven maanden in verwachting van onze tweede. Een week voor de schipbreuk zaten we nog vol toekomstplannen. De zaken gingen goed, Reitze was van plan een ander, moderner schip te kopen en op termijn ook een huis aan de wal aan te schaffen. Dat zou voor mij met twee kinderen veel handiger zijn.
De dag voor het ongeval, dat plaatshad op 26 januari 1974, waaide het al erg hard. In de nacht zwol dat aan tot een storm. Reitze was niet bang uitgevallen en in alle vroegte vertrokken we. Het was nog schemerdonker toen ik wakker werd en hoorde dat de motor dan weer hard en dan weer zacht ging. Mijn man probeerde het schip te keren om terug te varen, maar daarbij kwam het schip dwars op de golven. We waren bij Rees, net over de grens, op een plek waar de Rijn op z'n diepst is. „M eta!" riep hij heel hard. Dat hoor ik nog als de dag van gister. Ik ben met Wilma op de arm naar de stuurhut gegaan, waar onze woning zich onder bevond. Ik moest me vasthouden aan de reling, zo hard schommelde het schip. De deur naar buiten waaide eruit en ik zag dat de zware luiken, die je met z'n tweeën moest tillen, wegvlogen alsof het lucifershoutjes waren. De golven waren, zo bleek me later, wel 7 meter hoog. „We zinken Met", riep m'n man. Hij wilde nog naar benden gaan om een dekentje voor Wilma te halen, maar de woning stond al onder water. Wilma keek me angstig aan, alsof ze begreep dat het niet goed ging. Toen ging Reitze naar buiten om de roeiboot los te maken.
Ineens zie ik alle planken losraken. Er kwam een grote golf die Wilma uit mijn handen sloeg. Ik zag haar zo in de golven verdwijnen. Heel raar, het was net alsof de Heere tegen me zei: „Geef haar maar hier." Ik vind dat vroom klinken en houd daar niet van, maar zo beleefde ik het wel. Later kwam wel in mijn gedachten dat ik drie weken voor het ongeval het lied "'k Ben een koninklijk kind, door de Vader bemind" beluisterde, net voordat ik Wilma in haar bedje wilde leggen. Vooral het tweede en derde couplet sloegen bij mij naar binnen en toen dacht ik: wat zou het mooi zijn als zij bemind zou zijn.
Tranen
Van mijn man heb ik niets meer gezien. Ik wist zwemmend een baken te bereiken, ongeveer 50 meter verderop. Daar wist ik me vast te houden aan een aantal keien en na enig moment ben ik verder omhooggeklommen. Ik zag alleen nog maar de mast van het schip. De rivierpolitie, gewaarschuwd door een grote duwcombinatie die voorbijkwam, heeft me eraf gehaald. Later begreep ik dat de kapitein van de duwbak veel last had gekregen van het feit dat hij niet was gekeerd. Hij dacht dat we het nog even vol zouden houden en hield het bij een melding.
In het ziekenhuis in Rees had ik nog een beetje hoop en een sterk verlangen dat Reitze ook binnen zou komen. Maar hij werd niet binnengebracht.
Ds. Karens zocht me direct op. Het was de eerste keer van z'n leven dat hij de grens overstak, vertel-de hij. Ik zie hem nog zitten. Zijn handen om mijn schouders, z'n tranen drupten op het w itte laken. Na drie nachten niet geslapen te hebben mocht ik wakker worden met de woorden: „Ik lag en sliep gerust van 's Heeren trouw bewust."
Het schip werd pas drie maanden daarna gelicht, Reitze en Wilma waren nog steeds niet teruggevonden. Dat gebeurde wel in de week daarna. Reitze in de buurt van het schip, Wilma helemaal in de Biesbosch, vlak bij een sluis. Hun beider lichamen moeten aan het schip vast hebben gezeten. Ik vermoed daarom dat Reitze Wilma nog heeft weten vast te pakken.
Twee dagen na elkaar zijn ze begraven, in Raalte. Mijn schoonouders hadden daar een graf voor drie personen. Ze hadden al een kind verloren, dat was daar begraven. Ds. Karens heeft beide begrafenissen geleid. Die kwamen onverwacht en moesten heel snel worden geregeld. De predikant had voor een van de diensten nog geen tekst, maar werd 's nachts wakker met een gedeelte van Hooglied 6: „Want de liefde is sterker dan de dood." In de volgende regel staat: „Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen."
Zwart gat
Nu moet ik erbij vertellen dat je op zo'n schip hele dagen bij elkaar bent en het allemaal erg snel gaat. Ik was jong en twijfelde weleens of ik wel genoeg van Reitze hield. Dat werd later heel anders, ik viel echt in een zwart gat.
Ik ben nadien weer enkele jaren bij mijn ouders gaan wonen. Na bijna drie maanden werd m'n dochter Rine geboren. Later ben ik op mezelf gegaan en jaren daarna weer getrouwd. Er zijn nog twee kinderen geboren, Andries en Evelien. Als ik terugblik was het leven niet gemakkelijk. Ik heb ook periodes van depressiviteit gekend. Maar toch moet ik zeggen dat de Heere altijd goed voor mij geweest is. Daarom vertel ik mijn verhaal. „Maar die op God vertrouwt heeft op geen zand gebouwd."" •
'k Ben een koninklijk kind,
door de Vader bemind,
en Zijn oog rust zo teder op mij.
Als de daag'raad straks gloort,
de bazuin wordt gehoord,
roept Hij mij om te staan aan Zijn zij.
'k Ben een koninklijk kind,
niet slechts dienstknecht of vrind,
'k ben gekocht met het bloed van mijn Heer.
En dat bloed geeft mij recht,
meer te zijn dan een knecht,
'k ben Gods kind, dat verblijdt mij zo zeer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 18 december 2019
Terdege | 212 Pagina's