Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Herijking van de theologie? (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herijking van de theologie? (1)

Wat prof. dr. Martin Hengel en dr. W. Aalders ons met het oog op deze tijd te zeggen hebben

26 minuten leestijd

I De vraag van de geschiedenis

Martin Hengel werd geboren in 1926. Dat betekent dat hij 13 jaar oud was toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Dat heeft zijn leven niet onberoerd gelaten. Op het eind van de oorlog werd hij als jongen gerecruteerd. Ternauwernood is hij ontsnapt aan een zekere dood. Hij vertelde me: “Een ziekte heeft mijn leven gered. Vanwege difterie moest ik opgenomen worden in het ziekenhuis. Ik heb het er levend afgebracht. Als ik had moeten vechten, zou ik, net als vele anderen, gesneuveld zijn.” Nog iets anders vertelde hij me: “Daar stond ik als kind te kijken, naar de verwoeste stad Reutlingen, vlakbij Tübingen, waar Amerikaanse trucks over de wegen rolden en meer dan ooit werd ik me bewust in welk een ellende Hitler Duitsland gestort had.”

Deze ervaring is bepalend geweest voor het leven en studeren van Martin Hengel. Het thema was gegeven. Dit hield in: de vraag naar de geschiedenis, de zin ervan. En: omdat hij christen was, luidde die vraag meer specifiek: hoe is de verhouding van het geloof tot dit fenomeen, dat van de geschiedenis? Hoe verhouden zich het heil in Christus en de geschiedenis? Is er iets als ‘heilsgeschiedenis’?

Dat dit de thematiek van zijn leven geweest is, blijkt ondermeer uit het volgende. Ter gelegenheid van zijn 80 e verjaardag organiseerden vrienden en de universiteit van Tübingen een symposium. Zij deden dat in overleg met hem. Hengel zelf reikte het thema aan: heilsgeschiedenis. Daarover is het nodige te doen geweest. Kon men daar mee aankomen? Is dat niet een uit de mode geraakt begrip? Kan men daar na de catastrofes van de 20 e eeuw nog iets mee? Hengel zelf hield eraan vast, zij het dat hij met een modificatie van het thema akkoord ging. Het werd niet ‘heilsgeschiedenis’, maar ‘Heil en geschiedenis’ (Heil und Geschichte). Zelf hield hij de afsluitende lezing, waarvan hij vermoeden kon, vanwege zijn ziekte, dat het één van de momenten was die hem nog restten, waarop hij zich helemaal kon uitspreken. Nog één keer kon hij in het bijzijn van zijn voormalige studenten, van wie er velen hoogleraar geworden waren over de hele wereld, voor ogen stellen waar het hem om te doen was geweest. Het onderstreept het belang van dit thema voor Martin Hengel. ‘Heilsgeschiedenis’ was de thematiek van zijn leven geweest.

Welnu, als dat van iemand anders geldt, dan wel van de ruim 15 jaar oudere dr. W. Aalders. Dr. Aalders zei me een keer: het is van het grootste belang om het thema te ontdekken waar het in een bepaalde tijd om gaat! Hij citeerde daarbij de theoloog Hans Joachim Iwand, die hier de nadruk op had gelegd. Aalders was daar dus op uit en heel bewust bracht hij dit onder woorden als: ‘de thematiek van de geschiedenis’.

Deze thematiek had zich ook bij hem opgedrongen in de Tweede Wereldoorlog. Alleen in zijn geval niet aan het eind zoals bij Martin Hengel, maar aan het begin ervan, toen hij in het Friese Koudum, zijn tweede gemeente, stond. Het leven was als een idylle. Alles leek te passen: het plaatsje was prachtig, hij een begaafde jonge predikant, die zou gaan promoveren. Daar waren zijn vrouw, zijn jonge kinderen, een plaats waar hij geliefd werd, vooral om het Woord dat hij bracht. Geluk tekende zich af. En toen werd dat idyllische plaatje wreed verstoord door de kolonnes Duitse voertuigen die door het dorpje trokken, als een tastbaar blijk van wat de radio had verteld: er was oorlog uitgebroken met Duitsland. Ineens veranderde de hele wereld, het hele perspectief van het leven van deze predikant, die de wereld waarin hij leefde lief had. Wat een overstelpende vragen dienden zich aan. Hij werd uit het veilige nest geworpen. Met opzet zeg ik het zo. Het doet een beetje denken aan een formulering van Martin Heidegger: “Wij zijn in deze wereld, in de geschiedenis geworpen.” In een preek over de gelijkenis van het Koninkrijk van God, over het zaad dat in de akker wordt geworpen, zegt Jezus: “Het zaad zijn de kinderen van het koninkrijk. De akker is de wereld.” Aalders zegt er van, met heel diepe tonen: je zult uit de hand van Christus, als zaad op die soms ketsende grond geworpen worden. Uit de binnenkamer, uit de omgang met God in deze wereld geworpen, terecht gekomen. Zo voelde hij zich. Is er een antwoord op de prangende vraag: waarom? Wat is de geschiedenis, waarom is ze er? Wat is de zin ervan?

Nu, hier hebt u de thematiek van Hengel en van Aalders.

II Martin Hengel

De zeloten

Ik wil beginnen met Martin Hengel. Kort na de oorlog ging hij theologie studeren in Tübingen. Het werd een studie met veel onderbrekingen en hindernissen, omdat zijn vader thuis in de textielfabriek, waarvan hij eigenaar was, niet zonder hem kon. Ondanks dat schreef hij al in 1961 zijn eerste proefschrift, Die Zeloten. Zijn interesse was gewekt voor Flavius Josephus, de Joodse geschiedschrijver uit de eerste eeuw na Chr. Het boek is onlangs voor de tweede keer uitgegeven bij Mohr Siebeck in Tübingen.

Het is typerend dat Hengel zich in dit boek bezig houdt met de zeloten, fanatieke Joodse gelovigen, die in opstand kwamen tegen de Romeinen, halverwege de eerste eeuw. Zij, die zeloten, hielden zich bezig met de vraag hoe het Koninkrijk van God op deze wereld gerealiseerd zou worden. God en de geschiedenis! In feite waren de zeloten ijveraars voor de wet van God, die de heidense overmacht uit het beloofde land wilden drijven en daarbij rekenden op de hulp van God, zodat zijn Koninkrijk hier gevestigd zou worden. Zij hadden een voorbeeld in de Maccabeeën, die twee eeuwen voordien in opstand waren gekomen tegen Antiochus Epiphanes en een deel van de Joodse upper ten die Israël wilden helleniseren, d.w.z. de Helleense godsdienst op wilden dringen. De Maccabeeën hadden de strijd gewonnen en zo was er een koninkrijk Israël gekomen. Maar ook zij pasten zich aan aan de Grieks-Romeinse cultuur, zij ‘helleniseerden’ in korte tijd. Zij maakten het vijftig jaar voor Chr. nog erger door de macht in handen te spelen van de opkomende wereldmacht: Rome. In die tijd begon de zelotische beweging op te komen en zich te roeren. Het liep uit op een enorme catastrofe: de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Daar heeft Hengel aandacht aan gegeven, vanuit het perspectief van Flavius Josephus (37 – ca. 100/110). Hij typeerde de zelotische beweging als een religieuze beweging, die wettisch was, exclusief en uit was – desnoods met geweld – op de vestiging van Gods koninkrijk, en dat met desastreuze gevolgen voor het Jodendom.

Hengel gaat er niet al te diep op in, maar duidelijk is dat Flavius Josephus een andere weg gegaan was. Hij distantieerde zich van het zelotisme. En vooral: als men het boek van Hengel dichtslaat, kan men zich nauwelijks aan de gedachte onttrekken, welk een andere weg de christelijke gemeente – na Pinksteren in het jaar 33 – toen gegaan is. Hengel zal er later nog veel van zeggen.

Jodendom en Hellenisme

Dat ‘later’ diende zich al min of meer aan toen hij zijn tweede proefschrift schreef: Judentum und Hellenismus. Hij schreef het in 1969. In dit boek verbreedt Martin Hengel zijn aandachtsveld naar het gehele spectrum van het Jodendom in de tijd van Christus.

Hij doet dit vanuit de thematiek Jodendom en Hellenisme. En hij laat zien hoe de ontmoeting ofwel confrontatie van die beide ertoe geleid heeft dat de vraag naar de geschiedenis voor het hele Jodendom ten tijde van Christus acuut geworden is, dus niet alleen voor de zeloten. De dynamiek van de gebeurtenissen noodzaakte iedereen om zich met die vraag bezig te houden.

Het is van betekenis om na te gaan, hoe Martin Hengel ertoe gekomen is om het thema Jodendom en Hellenisme te bestuderen. Ik vertelde dat hij in de late jaren veertig naar de universiteit ging. Daar kwam hij natuurlijk in aanraking met de NT-ische wetenschap van zijn dagen. De toonaangevende Nieuwtestamenticus was zonder twijfel Rudolf Bultmann. Hengel beschrijft in een korte biografische schets hoe hij als jongeman ‘kopfschüttelnd’ aanhoorde wat de studenten werd aangereikt. Wat hij nu hoorde, kon eenvoudigweg niet waar zijn, niet op feiten berusten.

Wat had de exegeet Bultmann gezegd en wat kreeg de jonge Martin Hengel te horen? Om het onder een noemer te brengen: van Bultmann is de term ‘ontmythologisering’ afkomstig. Hij pleitte ervoor om het Evangelie te ontdoen van, los te pellen uit de mythologische voorstellingswereld van die dagen. Met bepaalde aspecten uit de Evangeliën en brieven van Paulus kon hij niet uit de voeten. Dat betrof: de wonderen, de opstanding van Christus, de Hemelvaart, het laatste oordeel dat zou komen enz. Nu hoorden deze elementen, aldus Bultmann, niet tot het oorspronkelijke bestand van het Evangelie, van Jezus’ boodschap. Al deze elementen zijn er later bijgevoegd. Jezus’ oorpronkelijke boodschap was anders. Hij riep op tot een radicale keuze voor God. En het centrum van zijn boodschap gold de mens, de enkeling, die een existentiële keuze moest maken voor God en die zo in aanraking komt met de eeuwigheid, met God zelf. Juist zó, gezuiverd van het mythische en gnostische element kan het Evangelie relevant zijn voor vandaag. Het parool was: reinig het om die reden van de mythische, apocalyptische bestanddelen.

De kerngedachte is dus: het gaat om de enkeling en zijn keuze. In deze setting speelt de vraag naar de betrokkenheid van de geschiedenis aan de ene kant en het heil aan de andere kant nauwelijks een rol van betekenis. Bultmann was sterk beïnvloed door de existentialistische filosofie van Heidegger en, als ik zo vrij mag zijn, als nu iemand een paradigma drukte op Christus, was hij dat zelf.

In feite greep Bultmann terug op de Nieuwtestamentische theologie van de19 e eeuw. Het was de tijd van het liberalisme, de tijd dat men Jezus louter zag als voorbeeld, als degene die het gemoed aanspreekt en die ons de Vader die liefheeft, verkondigt. Hij is degene die de moraal voorhoudt, vanuit de liefde van de Vader. De belichting van Christus in de Evangelieën, zo dacht men, komt dan ook voor een belangrijk deel voort uit de vroeg-christelijke gemeente. Men kon zich niet indenken dat de Here Jezus gesproken had over het wereldeinde, het oordeel en dat in apocalyptische termen. Om het eenvoudig te maken: dat de thematiek van bijvoorbeeld Daniël de zijne was. Albert Schweitzer had daar op gewezen en Johannes Weiss. Dat was bijna chocquerend geweest. Bultmann greep weer terug naar de oude liberale theologie – zonder wonderen, zonder apocalyptiek, waarin gesproken werd over het einde van de geschiedenis en alle vragen die daarbij spelen. Opnieuw centreert hij het Evangelie rond de enkeling.

Kopfschüttelnd hoorde Hengel dit allemaal aan. Is dit waar? Hij kon het zich niet indenken. Was dit geen constructie? Hoe hier achter te komen? Eenvoudigweg door zich te verdiepen in de tijd van Christus en deze constructies op hun historische betrouwbaarheid te onderzoeken!

Dat heeft hij gedaan. In het genoemde boek Judentum und Hellenismus. In dit boek heeft Hengel drie dingen prominent naar voren gebracht:

1. Er was niet zoals bijna overal verondersteld werd een waterscheiding tussen Jodendom en Hellenisme ten tijde van Christus. Er was al vanaf de tweede eeuw voor Chr. een grote mate van beïnvloeding van het Jodendom door het hellenisme, dus niet pas ná Christus. Die beïnvloeding deed zich niet alleen voor in de diaspora, maar ook in Palestina.

2. Door wat Israël meemaakte vanwege de ballingschap, maar ook door de opmars van Alexan-der de Grote en vooral door de acute poging Israël te helleniseren in 167 voor Chr. kwam de vraag naar de komst van het Koninkrijk van God, de vraag naar het heil en de geschiedenis, voor heel Israël prominent naar voren. Meerdere antwoorden werden op die vraag gegeven, zodat het Jodendom een pallet aan stromingen te zien gaf. Maar zelfs daar waar de hellenistische geest werd afgewezen (het meest in Qumran en bij de farizeeërs) stond men aan beïnvloeding daarvan bloot.

3. Het christelijk geloof is geboren in die setting.

Wat Hengel ontdekte was dat de thematiek van opstanding uit de doden, van Gods ingrijpen in de geschiedenis en van het wereldeinde een thematiek was die niet vreemd was aan het Jodendom ten tijde van Jezus, hoe verschillend men hier binnen dat Jodendom ook over dacht!

Zo kwam Hengel dichter en dichter bij het ontluikende christendom in deze setting! En hij voelde zich er zeker, omdat hij historische grond onder de voeten had. Zo heeft hij Bultmann kunnen bestrijden. Bultmanns ‘Jezus’ was een onhistorische ‘Jezus’.

Wat Hengel ontdekte was dat het Evangelie pas goed verstaan kan worden tegen de historische achtergrond van de intertestamentaire tijd. Dat is het tijdvak tussen het Oude en het Nieuwe Testament. In die tijd was er sprake van wat hij later noemde “een apokalyptische grondstemming”. Het boek Daniël zoals wij dat kennen werd in die tijd geschreven. Het werd van enorme betekenis in Palestina en in het Jodendom in de verstrooiing. In die tijd waarin de vragen naar de geschiedenis zo speelden kwam de Septuaginta tot stand, de vertaling van het Oude Testament in het Grieks. De zogenaamde apocriefe boeken onstonden toen: Jezus Sirach, de Wijsheid van Salomo en andere literatuur. De vragen naar de realiteit en de realisering van het Koninkrijk van God werden als acuut beleefd. In die tijd leefde Jezus Christus en in die sfeer heeft Paulus geademd. Sterker: op de vragen op dat gebied heeft Jezus Christus, heeft het Evangelie een uniek antwoord gegeven.

III Dr. W. Aalders

Eenzelfde thematiek

Het is opmerkelijk dat dr. W. Aalders in zijn na-oorlogse jaren zich, volstrekt los van Hengel (zij hebben elkaar nooit gesproken), steeds intensiever heeft bezig gehouden heeft met dezelfde thematiek als Martin Hengel: de intertestamentaire periode en de belichting van het Evangelie vandaaruit en met de vroegchristelijke gemeente en dat rondom het thema van het Koninkrijk van God en de geschiedenis.

Maar laat ik eerst iets zeggen over het leven van dr. Aalders. Ik vertelde over zijn ervaring aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en de weerzin tegen de opmars van de Duitsers. Er móest afscheid genomen worden van een idyllische wereld. Aalders oriënteerde zich breed. De persoon die het meest aandacht vroeg, omdat hij een prominent bestrijder was van Hitler was de Zwitserse theoloog Karl Barth. ‘Men kon zich eenvoudigweg niet aan hem onttrekken’ hield hij me eens voor. Aalders deed dat ook niet. En toch rezen er bezwaren tegen hem. Barth was in de jaren twintig de theoloog van de antithese tussen Evangelie en wereld. Hij maakte een eind aan de liberale theologie, waarin de wereld en het Evangelie spanningsloos op elkaar betrokken waren. Het Evangelie is niet van deze wereld. Het neemt geen gestalte aan. Het is toezegging, eschatologie, belofte en in zijn radicaliteit maakt het een eind aan de geschiedenis. Vanuit dit radicale gezichtspunt kon Barth als geen ander antithetisch spreken tegen Hitler. Aalders is erdoor beïnvloed in zijn jonge jaren, tot kort na de oorlog. En toch was hij niet zonder reserve: neemt het Evangelie geen gestalte aan? In de kerk, in het sacrament? Aalders was voorzitter geworden van de liturgische beweging. Rust de Kerk alleen op het Woord? Is er niet meer? Hij was ervan overtuigd van wel. Zo nuanceerde hij Barth. Het is niet alleen het Woord en de belofte. Wij ontvangen al iets van het heil, staan ermee in verbinding, we zijn overgegaan in het Koninkrijk der hemelen en ervaren de krachten ervan.

En toen van de weeromstuit Barth steeds optimistischer ging spreken over de gestalte en de vorming van dat Koninkrijk op deze wereld met de mens als partner, weersprak Aalders opnieuw. Zo is het ook niet. Het gaat om het innerlijk, om de verhouding van de ziel tot God. Daar had zijn vader al op gewezen: het gevaar van de veruiterlijking van het Evangelie, dat hij omdat de kerk zich hoofdzakelijk met de wereld ging bezig houden, waarnam.

Aalders werkte dit uit in het boek Schepping of Geschiedenis (1969). De schepping gaat vooraf aan de geschiedenis, de geschiedenis is afval van God, het Evangelie brengt ons weer terug bij de scheppingsoorsprong, doet ons verticaal leven, nu al uit dat Koninkrijk van God. Het geloof is een exo-dus, een overgang uit de geschiedenis in het eeuwige leven. De Kerk houdt zich alleen zuiver als bruid, door haar oriëntatie naar Boven. Dat is haar roeping, zoutend zout te zijn. Zij is als de weduwe in de gelijkenis. Zij ‘zweeft’ zoals Luther zei, ‘tussen hemel en aarde’. De verhouding van de Kerk tot de wereld is dus in principe antithetisch, niet omdat de wereld per se verkeerd is, nee, zij is goed geschapen. Maar zij heeft haar schepppingsachtergrond in de geschiedenis verlaten.

Een drempel over

Het is duidelijk dat hier diep Bijbelse noties aangehaald worden. En toch heeft Aalders geleerd zijn gedachten te nuanceren, zonder zijn grondpositie te verlaten. Dat blijkt ondermeer uit het prachtige boek Theocratie of Ideologie dat hij schreef in 1977. Hij vertelde me eens: het heeft me zoveel moeite gekost om de geschiedenis positief te waarderen. Toch ben ik op de lijn van Groen van Prinsterer gekomen die me voorhield: er kan sprake zijn van tempora christiana – van christelijke tijden, tijden waarin de Heilige Geest als het ware de geschiedenis bedauwt, juist doordat men leeft met de oriëntatie naar Boven. Zulke tijden deden zich voor ten tijde van keizer Constantijn, maar ook in Wittenberg, Genève, de Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw, in Europa. Een bedauwing. Daar plukken wij nog de vruchten van. Maar let wel: het is een toegift die precair is, waar je niet op kunt rekenen, iets dat verdwijnen kan, zoals Luther dat zei: “Het Evangelie is als een plensregen, een wolk die regen laat vallen, grijp toe als het regent en laaf je eraan want als de wolk is overgedreven: weg is weg (hin ist hin).” Het is Bijbels uitgedrukt een arraboon, een handgeld.

Want: er is een ánder element in de geschiedenis dat als het ware op de loer ligt om dit wat God geeft te ondermijnen. Paulus spreekt er al over: de ongerechtigheid, de mens der zonde, die nu al werkzaam is en wacht om zich te openbaren. Het is ongeloof dat zich los maakt van het geloof en een tegenkracht gaat vormen. Dat ongeloof baart revolutionaire, ondermijnende krachten. Aalders wees dat aan bij Machiavelli (1469 - 1527). In zijn geschriften brak het door. Het breidde zich uit in de zeventiende en achttiende eeuw, vooral door Franse filosofen als Voltaire (1694 – 1778 en Diderot (1713 – 1784), en het brak staatkundig door in de Franse Revolutie (1789), toen het ongeloof zoals hij zei ‘mondig is geworden’. Dit ongeloof heeft ravages in Europa aangericht. Vooral in de 20 e eeuw in de wereldoorlogen.

Hoe heeft dr. Aalders zich tegen deze tijdgeest verzet? Hij hunkerde naar een nationaal herstel na de oorlog in christelijke geest en dat de Kerk, de Hervormde Kerk daarin haar roeping zou zien dat te behartigen. Het is er niet van gekomen. Integendeel. Het revolutionaire werkte sterk door in de jaren zestig, toen niets meer heilig leek te zijn en de geschiedenis ideologisch kleurde, als het terrein waarin de mens zijn toekomst maakt, die bestaat in zo groot mogelijke vrijheid, met alle gevolgen van dien. Niets was meer vaststaand of heilig. Ook in de kerk drong deze geest door. In plaats van verweer te bieden, ging men erin mee. De kerk kleurde ideologisch en vertaalde het Koninkrijk van God in ideologische binnenwereldlijke termen door het te verzwageren met het socialistische idee van gerechtigheid op aarde. Men richtte zich op de toekomst en liet het verleden vanuit deze ideologie los. De schepping, de wet, de historie deden er niet meer toe. Zo liet men ook de volkskerk los.

Aalders was een van de weinigen die protesteerden, niet uit behoudzucht, maar omdat er een andere weg gegaan kon worden, authentiek Bijbels en actueel met in achtneming van de historie. Wat kon de kerk veel betekenen, juist nu! Met lede ogen zag hij het SoW-proces in dit licht. Door de wijze van kerkvorming werd de kerk, vreesde hij, een denominatie, d.w.z. een kerk zonder historie! En dat terwijl als ze werkelijk Kerk was, iets van de gestalte van de Goede Herder kon hebben in de moderne tijd. Wat had zij veel kunnen betekenen als ze de eigenlijke boodschap maar weten te ‘vertalen’ op een authentieke manier.

Het mocht allemaal niet baten. De secularisatie zette zich door en het baken van de kerk verdween meer en meer, mede doordat ze zich liet meenemen door de tijdgeest. “Wie trouwt met de tijdgeest, is spoedig weduwe”, luidt een gezegde. De schepping werd ondergraven, de wet evengoed en de historie verloor men uit het oog. Er was sprake van ontworteling. De historie werd door de geschiedenis ondermijnd. Men ging een drempel over.

Een weg gewezen

Dr. Aalders heeft het als zijn roeping ervaren om, waar hij aan de ene kant gewezen had op de ernst van de situatie, ook een weg te wijzen, een antwoord te geven op de vragen die de secularisatie en het wegvallen van de kerk als historische grootheid opriepen. Hij vond die in de Bijbel. Het opvallende was dat de moderne bijbelwetenschap hem daarbij geholpen heeft. Opvallend, omdat in grote delen van de kerk grote reserve te vinden was en is tegen dit onderzoek. Hij vertelde me toen ik nog student was: “Wees daar niet bang voor, het heeft me alleen maar geholpen.” Dat was werkelijk zo. Het moderne bijbelonderzoek reikte hem die gezichtspunten aan die juist vandaag nodig zijn. En dat is méér dan de Reformatie gegeven had en zelfs méér dan het Reveil in de 19 e eeuw, waar hij zo’n bewondering voor koesterde, gegeven had. De Bijbel bleek méér te bieden. Aalders had dat al als jong predikant in de gaten.

Wat een studiezin heeft hij gehad! En welke antwoorden heeft hij in de Schrift op de vraag naar de geschiedenis niet gevonden! Hij kwam die vraag in de Schrift zelf tegen, prominent. En ook het antwoord. Dat dit het geval was blijkt wel uit zijn boek over Job, dat de veelzeggende titel heef: Wet, tragedie, Evangelie. Hij schreef het in 1979. Veelzeggend is de titel. Er staan twee woorden in die steeds weer te vinden zijn in de reformatorische theologie: ‘wet’ en ‘evangelie’. Maar tussen die twee is een derde woord gevoegd: ‘tragedie’. Waarom?

1. Wel, het boek gaat over Job. Aalders zag dit Bijbelboek als een tragedie in de klassieke zin van het woord, een verhaal met een goed begin, waarin de hoofdpersoon plotseling in diepe ellende komt, die alleen door goddelijk ingrijpen ongedaan gemaakt wordt. De hoofdpersoon maakt door zijn belevenissen een doortocht (transitus, een geliefd woord van Aalders) mee, een loutering waardoor hij ánders wordt. Dit tragedie-element kwam Aalders tegen bij Job.

2. Job is volgens Aalders geschreven door een Jood, die is geraakt door de Griekse tragedies, die in zijn dagen geschreven werden, in omloop waren. De grote tragedies dateren uit de vijfde en vierde eeuw voor Chr. Die tijd werd door de fijnzinnige filosoof Karl Jaspers de ‘spiltijd van de wereldgeschiedenis’ genoemd. Athene raakte in verval, Alexander de Grote (356 – 323 voor Chr.) veroverde de toenmalige wereld. Een tijdperk werd afgesloten, een nieuw ontsloten, de wereld werd één, zekerheden vielen weg en de grote vraag van de geschiedenis drong zich op: waartoe is dit alles, wat is ons houvast?

3. Job werd dus geschreven in een tijd toen de vraag naar de geschiedenis actueel werd en wel door een Jood in Alexandrië, waar de Griekse tragedies in de tijd van de diaspora bekend waren. Dit gebeurde tijdens de laatste eeuwen voor Christus. Let wel: Wet, tragedie, Evangelie. De wet was toen al bekend in Israël, evenals de profeten, die hun boodschap op de wet stoelden. Maar de veilige bedijking van de wet was bezig weg te vallen. In de ballingschap, in de diaspora en nu door Alexander de Grote. Een nieuwe vraag drong zich op: welk antwoord is er op de vraag naar de geschiedenis, als alles op losse schroeven komt te staan? Die vraag is de vraag van de tragedie en die vraag mondt uit in een antwoord dat in Job gegeven wordt en dat heen wijst naar het Evangelie.

In de Schrift vond Aalders dus meer dan de Reformatie had geboden. Het is belangrijk dit vast te stellen. C.H. Dodd haalt ergens een uitspraak aan van de historicus A.J. Toynbee, die zegt: het patroon van de geschiedenis is die van ‘uitdaging’ en ‘antwoord’. Steeds opnieuw is er een nieuwe uitdaging. Dodd past die uitspraak toe op de kerk en de wereld. De geschiedenis stelt de kerk keer op keer voor een nieuwe uitdaging. Welk antwoord is er? Oude antwoorden, hoe goed ook, voldoen niet helemaal. Die antwoorden moeten gevonden worden in de Schrift. Wie dat niet kan lijkt op de soldaat waar Groen van Prinsterer het over heeft: hij heeft een oude wapenuitrusting en is overal te vinden behalve op het punt waar de vijand de aanval inzet. Hij kan niet actueel belijden.

Aalders besefte welk een dienst modern bijbelonderzoek kan bieden om antwoorden te geven op de vragen van nu. De Bijbel is er rijk genoeg voor! Job bood een antwoord op de vraag naar de geschiedenis. God liet zijn scheppingsgerechtigheid oplichten voor Job en Hij openbaarde Zich als JHWH, de zijnsgrond en de garant voor de orde waar Job naar zocht! Wat een troost. Job werd door de vragen heengeleid naar het zien van God zelf en van de opstanding en het eeuwige leven. Hij kon de overgang maken naar een nieuwe werkelijkheid. De geschiedenis dringt ons ertoe om ofwel te verkrampen om er zelf iets van te maken, ofwel tot overgave. Christus is deze laatste weg gegaan en heeft zo de weg gebaand tot het Koninkrijk van God, het herstel van alle dingen, waarbij alles toch veranderd is, in het licht is komen te staan van God zelf. Aldus Aalders in 1979.

We stellen vast: Aalders zocht het antwoord op de geschiedenis in de Schrift, in het licht van het moderne bijbelonderzoek. Maar dit boek zou niet zijn laatste woord zijn. De Bijbel had nóg meer te bieden. Wat dan?

Wat de Bijbel hem nog meer te bieden had. De Septuaginta

was ophanden. De vraag was hoe het zou komen. Daarover werd verschillend gedacht. De geschetste gebeurtenissen hebben het Jodendom uiteen doen vallen in meerdere stromingen: a) De gemeenschap van Qumran ontstond. b) De farizeeërs, die zich richtten op de wet en zich zuiver wilden houden. c) De vrijzinnige sadduceeën. De vragen van de geschiedenis en het heil werkten als splijtzwam toen de problematiek van de geschiedenis acuut werd.

Deze gebeurtenissen werkten als een katalysator met betrekking tot de apocalyptische literatuur. Aalders legt er nadruk op dat deze literatuur iets dubbels heeft: ze is een loot aan de stam van de profetie, heeft dus iets authentieks Israëlitisch en tegelijk heeft ze de gemoederen veelal verhit. De eindtijd is in aantocht – sommigen maakten zich op voor de strijd. Anderen richtten zich met een zeker fanatisme op de wet en de handhaving ervan.

Kortom: de gebeurtenissen van de laatste twee eeuwen voor de komst van Christus hebben het Jodendom diepgaand beïnvloed en gestempeld. Ze vormen de achtergrond van het Nieuwe Testament. Door deze verwikkelingen ontstond er, zoals Martin Hengel zei, een “apocalyptische grondstemming”.

In die tijd nu is de Septuaginta ontstaan en de Griekse vertaling van het boek Daniël, dat in de tijd van de Maccabeeën-oorlog werd geschreven en dat heen wijst naar Gód die het heil teweeg brengt. Hij! De steen die van de berg rolt en het beeld vergruizelt wordt niet door een mensenhand losgemaakt. In die bewogen tijd kwam de Septuaginta tot stand, een verzameling van geschriften, die een Bijbel vormden. Ook in de Septuaginta is sprake van apocalyptiek, het boek Daniël maakt er deel van uit. Maar de apocalyptiek is opgenomen in een groot geheel. En de klank van de Septuaginta is anders dan de vaak wrange klank van de apocalyptische visioenen die in Palestina te vinden is. In de Griekse vertaling krijgt het woord ‘openbaren’, dat in Palestina de klank had van: het duidelijk worden hoe het einde in zijn werk zal gaan, de betekenis van ‘oplichten’, ‘openbaren van het heil’. Dat het heil oplichtte is door de Septuaginta zelf mogelijk gemaakt. Het was er een effect van. Dr. Aalders raakt hier een een belangrijk element. De Septuaginta is voor vooral de diaspora-Joden, maar ook voor de Joden in Israël een ‘sacramenteel boek’ geweest waaraan men zich geestelijk heeft opgetrokken. De totstandkoming is in nevelen gehuld, maar werd ervaren als een wonder. Martin Hengel zegt: “het is het Woord dat vorm gegeven werd in Israël en tegelijkertijd is het het Woord zelf, God zelf, die ervoor zorgde dat dit gebeurde waardoor dat zelfde Israel, door dat Woord gedragen werd.”

Beiden zeggen: het is als een voortijdig Pinksterwonder ervaren. Daaruit heeft men in het Jodendom geleefd en door de Septuaginta is het mogelijk geworden om geestelijk door deze tijd heen te komen en het uizicht te bewaren.

Iemand bij wie dit zondermeer duidelijk wordt, is de Jood Philo († ca. 50 na Chr.), die geestelijk uit de Septuaginta geput heeft. Voor hem was dit een vademecum in deze wereld. Hierin vond hij de eenheid van God uitgedrukt: “Hoor Israël, de Here uw God is een enig Here!” Hij vond er de eenheid van de schepping, de eenheid van de geschiedenis, met het uitzicht op Gods heil. God zou het heil tot stand brengen in de toekomst – door zijn genadige tegenwoordigheid - dat heet eschatologie. Philo heeft eruit geleefd. Op grond van de profetie van Bileam (Numeri 24) heeft Hij de Heilbrenger verwacht, die het heil universeel over de hele wereld zou brengen. Philo kon er zich in vermeien.

Echter ook in zijn leven werd die verwachting danig op de proef gesteld toen hij met de ‘geschiedenis’ in aanraking kwam, in de persoon van de wrede keizer Caligula (regeerde van 37 tot 41), die hij zelf ontmoette op een van zijn reizen naar Rome, waarin hij de keizer om verschoning wilde vragen van de Joden in Alexandrië. Hij voelde aan dat het zomaar de andere kant op kon gaan: die van verdrukking en vervolging. De huiver klinkt door in het relaas dat hij ervan geeft. Dan, aldus dr. Aalders, spreekt hij over een “nieuw lied” dat toch zal opklinken. Aalders veronderstelt dat hij dit nieuwe lied kon zingen dankzij het uitzicht dat de Septuaginta bood en dan vooral het boek Daniël. We staan dan aan de drempel van het Nieuwe Testament. Als Philo zijn reis maakt, is de christelijke kerk al geboren en enkele jaren later zullen Petrus en Paulus in Rome te vinden zijn.

Welnu, waar Aalders de nadruk op legt is dat het catastrofale gevoel, het gevoel dat de wereldgeschiedenis ten einde gaat, iets was wat alom leefde, ook in de heidenwereld van die dagen. Het algemene gevoelen was dat de religiositeit verdween, de oude wereld verzonk.


Het tweede en laatste deel wordt in nr. 17 geplaatst.

H. Klink, Hoornaar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 2012

Ecclesia | 16 Pagina's

Herijking van de theologie? (1)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 2012

Ecclesia | 16 Pagina's