Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Koelmans Aanspraak Ten Tijde Van De Staatse Armada

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Koelmans Aanspraak Ten Tijde Van De Staatse Armada

20 minuten leestijd

Velen kennen waarschijnlijk de nadere reformator ds. Jakobus Koelman (1631-1695) alleen van zijn verzet tegen het houden van de Christelijke feestdagen, van zijn afwijzen van het bidden van formuliergebeden, van zijn verzet tegen overheidsinmenging in de kerk en van zijn opvoedingsboekje De plichten der ouders. Ds. Koelman heeft echter over veel meer zaken en onderwerpen geschreven dan alleen daarover.

Hij heeft bijvoorbeeld ook geschreven over het ambt en de plichten van de ouderlingen en diakenen, over het houden van de dag des Heeren, over de macht van Koning Jezus in Zijn gemeenten, over de spiegel van de wet ter ontdekking van de zonden tegen de Tien Geboden, over de natuur en de kentekenen van de liefde tot de Heere Jezus, over de nodige punten van reformatie van de kerk en over de sleutel tot opening van de Openbaring van Johannes. Na zijn droevige verbanning uit Sluis door de overheid (hij is niet door de kerk afgezet!) in 1675 had hij volop gele-genheid om de pen te hanteren. Buiten de vele vertalingen die van zijn hand verschenen zijn, schreef hij zelf in totaal ruim vijftig werken en in vertalingen afgedrukte voorredes.

In dit artikel gaat met name onze aandacht uit naar de Aanspraak aan de opzieners van de gereformeerde kerken van Nederland, die hij voorin in zijn in 1689 voor het eerst uitgegeven werk over de Openbaring van Johannes geplaatst heeft. Ds. Koelman schreef deze ‘Aanspraak’, gericht aan de predikanten en ouderlingen van zijn tijd, in eind 1688 of in begin 1689, toen stadhouder Willem III zich met een groot leger in Engeland bevond om zijn roomse schoonvader, koning Jacobus II, af te zetten. Ds. Koelman had inmiddels vernomen dat deze grote en voor het protestantisme zo belangrijke onderneming (zie meer hierover in het artikel ‘De Spaanse en Staatse Armada’ elders in dit blad) vooralsnog naar wens verliep. Echter vanwege de vele aan de hand gehouden zonden en ongerechtigheden in zowel Engeland als Nederland zou de Heere dit rechtvaardig alsnog in het tegendeel kunnen veranderen. Daarom riep hij in zijn ‘Aanspraak’ de predikanten en ouderlingen - die hierin de eersten behoorden te zijn - krachtig op tot een nadere reformatie van de levenspraktijk. Een groot aantal punten - niet alle - van zijn reformatieprogramma hebben we hieronder overgenomen, omdat veel van die punten ons ook voor deze tijd nog veel te zeggen hebben. Voor het leesgemak hebben we overigens wel de tekst in herspelde en soms licht hertaalde vorm weergegeven (met dank aan dr. J.A. Bunt) en tussenkopjes toegevoegd. Het lezen van dit reformatieprogramma mocht nog een zegen van zich werpen voor ons en onze gezinnen alsmede voor kerk en staat en ons diepgezonken land en volk.

Redactie

Aanspraak tot de opzieners

Ds. Koelman: Eerwaarde vaders en broeders, wij beleven een bijzondere tijd, daar onze dierbare vorst [stadhouder Willem III; red.] met een vloot van schepen en een krijgsleger naar Engeland is overgegaan tot uitwerking - als een werktuig in Gods hand - van de allerheerlijkste onderneming die ooit een Christenkoning ondernomen heeft. Daarom is het dat wij in buitengewone gebeden aanhouden om op deze wijze iets tot hulp toe te brengen met de helden. En wij verfoeien hen die nu niets bijzonders willen doen in de plicht van het bidden. Ook is de Heere waarlijk uitgegaan uit Zijn plaats en Hij begint blinkende te verschijnen. Wij hopen tot verbreking van Babel en tot opbouw van Sion. Goede beginselen ter verlossing van het verdrukte volk van Engeland doen er zich op. Geloofd zij de Naam des HEEREN tot in eeuwigheid! Zijn Naam is DE HEERE, Wiens werk volkomen is. Hij zal volbrengen het goede werk dat Hij begonnen heeft. Hoewel er machtig veel redenen zijn om te vrezen, ja, om zelfs in het midden van de verlossing te verwachten dat de Heere tegen Zijn volk, dat Zijn Naam en waarheid aldaar en hier belijdt, Zijn toorn zal openbaren. En dat vanwege de tergende zonden en gruwelen die in Engeland, Schotland, Ierland en Nederland lang in zwang zijn geweest en die tot op deze dag niet recht gezien worden, veel minder beleden en beklaagd en in ieder geval zeker niet zijn verzoend noch verbeterd. Daarom is het tijd voor de trouwe wachters en opzieners over Gods kerk, hier en aldaar, de bazuin aan de mond te nemen en te verkondigen Gods gedreigde oordelen vanwege de zware ongerechtigheden van het volk, die bitter beklaagd en behoorlijk geweerd moeten worden, teneinde dat het land en kerk welga.

Dat is de reden waarom ik dan ook de gelegenheid aangrijp die mij de Heere nu geeft, om tot u in geschrifte iets te spreken, aangezien de hoge overheid mij alsnog verhindert (en de synoden van ons land stemmen zulk een onderdrukking tot op deze dag met haar daden toe) mijn getuigenis te geven van de predikstoel en in de kerkelijke vergaderingen. Want hoe gering ik ook ben en hoe verachtelijk politici of kerkelijken van mij denken, de Heere heeft mij genadig tot een ziener en wachter over en in Zijn huis gesteld, naast Zijn andere knechten, zodat ik niet mag zwijgen noch inhouden, maar moet uitroepen uit de keel, daar ik naast enige anderen een apparent [een al duidelijk zichtbaar; red.] verderf en zware oordelen over deze kerk van Nederland zie komen, tenzij de Heere naar Zijn soevereine vrije genade dit grote en bijzondere wonder wilde doen dat Hij een volk dat hardnekkig, zorgeloos en op zijn droesem stijf geworden is, ging wakker maken en terechtbrengen door wonderbare weldaden, vergezelschapt met de uitstorting van Zijn Geest. Ik ben der woorden vol en weet niet beter te doen dan mijn redenen tot u te richten, die de eersten behoorden te zijn en de voornaamste instrumenten in het werk van de vereiste reformatie. En ik zal de vrijmoedigheid nemen om in ootmoedigheid ettelijke vragen voor te stellen, waarvan ik verzoek dat die wel overwogen en in consciëntie voor God beantwoord en behartigd mogen worden.

1. Onwetendheid

Is er niet bij de kerk van Nederland een grove onwetendheid omtrent de heilige waarheden en plichten van het Christendom, niettegenstaande de middelen tot kennis? Een grote doodsheid, dorheid en onvruchtbaarheid ten goede? Een vreselijke klein- en lichtachten van het nooit genoeg te waarderen Evangelie? Een Laoïdicese lauwheid in des Heeren dienst en ijverloosheid voor Zijn eer en Naam, voor Zijn dag, waarheid en kinderen? Een laffe sleurdienst, formaliteit en trant [gang, geneigdheid; red.] met te berusten op de uitwendige betrachting van de Godzaligheid? Een onbehagen om van de geestelijke dingen te spreken? Een onbekwaamheid om uit het hart te bidden en om zichzelf te beproeven en te doorzoeken? Een geesteloosheid en gebrek aan dorst en verlangen naar des Geestes invloeden, bijstand en verwarmingen en naar de Godsontmoetingen in de godsdienstenoefeningen? En daartoe een grote aardsgezindheid met een versmachte [verstikkende; red.] ondankbaarheid voor al de ontvangen zegeningen en verlossingen?

2. Valse gerustheid

Is niet de kerk van Nederland, niettegenstaande de genoemde zware gebreken (behalve vele andere die ik niet noem), evenwel bijzonder verwaand en vol inbeelding en zelfbehagen en daarom ook zorgeloos gerust als zij denkt dat haar zaken bij God redelijk wel staan? En zij geenszins gelooft dat God een zware twist met haar heeft en dat Zijn grimmigheid - na al Zijn bedreigingen en na al Zijn vorige mindere plagen en oordelen (die geen nut gedaan hebben) en na al het misbruiken en tergen van Zijn lankmoedigheid en goedertierenheid - op het verschrikkelijkste tegen haar mocht uitbreken, indien er snel geen daadwerkelijke reformatie komt? Ja, is het niet reeds alleszins duidelijk dat dit volk niet meent noch van zin is zijn wegen te verbeteren, een andere wijze daar op te zetten [met een andere levenswijze te beginnen; red.] en het boze dat God zeer tergt, weg te doen? In het bijzonder als de Heere de ondernemingen van onze vorst en staat zodanig in Engeland zal zegenen dat wij de koning van Frankrijk niet zozeer [meer] zullen behoeven te vrezen?

3. Verdorven overheden

Is het niet bijzonder verdorven onder onze hoge en lage regenten? Zijn niet hun zonden machtig veel en zwaar boven die van anderen? Verhaasten die door hun kwaad voorbeeld en verkeerd aanleggen van hun macht en autoriteit niet in veel gevallen zeer het verderf van kerk en land? En geven zij er evenwel niet overvloedig bewijs van dat zij door hun zonden ongevoelig geworden zijn en alzo niet van zins zijn om hun zonden van zich weg te doen en niet geloven dat vanwege hun zonden Gods toorn tegen hen en het land ontstoken is?

4. Ergernis gevende opzieners

Zijn niet de zonden en gebreken van vele opzieners van de kerk zowel van de leraars als van de ouderlingen (en niet minder van de diakenen) hoog geklommen en zeer doorzichtig en doorbrekend, zowel in nalatigheid en verzuim van een groot deel van hun plichten, als in het bedrijven van onbetamelijkheden, zowel binnen als buiten hun beroep, en ook in hun huisgezinnen? Zijn ook hun zonden niet van de bloedigste verve [kleur; red.], en van de slimste [ergste; red.] gevolgen en vrucht daar die - voor degenen die ze zien of horen - het meest verharden en tot ergernis strekken en het meest de kerk verderven en tot navolging trekken? En zijn die opzieners evenwel niet van de allergerustste, onbekommerdste en - op z’n Laodicees - de allerverwaandste onder de belijders als zij zich allerminst gezind tonen om hun zonden dadelijk van zich te werpen? En zich geenszins inbeelden noch geloven dat hun zonden de Heere het meest getergd, Zijn toorn verwekt en de kerk zeer beschadigd hebben en dat ze derhalve de blijken en vruchten van Gods verbolgenheid allermeest te vrezen en te verwachten zouden hebben?

5. Vruchteloze gebeden

Kunnen die publieke en persoonlijke gebeden van God verhoord en genadig beantwoord worden, die door zulken gedaan worden die van hun eigen zonden en van de snoodheid daarvan niet recht overtuigd zijn? Die daarover niet diep verootmoedigd en niet hartelijk verlegen, bezwaard, en bekommerd zijn? En die geen oprecht voornemen hebben om hun handelingen te verbeteren en zich van hun gebreken dadelijk door Gods kracht te bekeren? En bijgevolg, is het wel te verwachten dat door het tegenwoordig houden van buitengewone bidstonden ten goede van land en kerk, zo hier als in Engeland, Schotland en Ierland, door middel van de overheden, leraren, ouderlingen en anderen, wel iets goeds bij God in gunst te verwerven is, waar het alzo gesteld is gelijk ik daar in het algemeen zei? Ja verder, zijn het dan geen vruchteloze en Godtergende en geenszins verzoenende vast- en bededagen die men onder ons houdt, enkel met preken en horen, met bidden en zingen en met aalmoes geven naar de sleur, wanneer daar de overheden, de leraars en ouderlingen en de huisvaders en particuliere naamchristenen niet hartelijk gezind zijn om zonder uitstel hun openbare of verborgen overtredingen en moedwillige trotse zonden weg te doen? En daartoe niet ongeveinsd aan de Heere op die dagen de hand geven noch plechtig in de eed en in de vloek treden noch een verbond met God willen maken en vernieuwen met een oprecht voornemen om terstond aan het reformeren te gaan, maar integendeel blijven en blijven willen degenen die zij waren vóór de vast- en bededagen?

6. Zondige overheden en opzieners niet voorbijzien

Geschieden er wel behoorlijke betuigingen door de leraars tegen de bijzondere grove zonden van de overheden? Worden hun zonden wel ernstig en vrijmoedig bestraft, bedreigd en tegengegaan? Worden ze wel op vast- en bededagen openlijk beleden en beklaagd? Ja, worden niet de aanstotelijke en zielsverdervende verzuimen en ergerlijke handelingen van de leraars en ouderlingen de meeste tijd voorbijgegaan en niet aangeroerd in de bestraffingen en belijdenissen van de zonden, alsof ze het minste kwaad aan de kerk en de minste oneer aan God kwamen toe te brengen?

7. Geen valse gerustheid preken

Was het niet nodig dat aan de leraren op de ernstigste wijze werd aanbevolen dat ze zich wel zouden wachten:

- Van te pleisteren met loze kalk en van vrede, voorspoed en zegen te beloven op grond van de heerlijke toestand van onze kerk, daar in deze is een zeer algemene dodigheid, geesteloosheid, liefdeloosheid, aardsgezindheid, sleurdienst en gebrek aan de kracht der Godzaligheid en derhalve een jammerlijke gesteldheid?

- Van zich op te houden met datgene te prediken wat niet tijdig [te rechter tijd, actueel; red.] is, en te blijven hangen in brede verklaringen en na te laten behoorlijke en uitgebreide toepassingen?

- Van zo ruim, algemeen en zonder onderscheid te spreken in hun gebeden en predicaties dat al het volk zich daardoor vermetel komt te houden voor kinderen Gods, terwijl dat er een zeer grote menigte van belijders zorgeloos in zonden leeft en van het werk der genade, van wedergeboorte, bekering, geloof, wijze van bidden en van zielsonderzoek, geen kennis heeft?

8. Geen overheidsingrijpen in de kerk

Is het niet ten zeerste tijd en ten hoogste nodig dat de leraars de overheden op het ernstigste voordragen en met alle kracht van redenen bewijzen en overtuigen dat het de Heere God zeer mishaagt en het de kerk ten hoogste nadelig is:

- Dat ze verhinderen eens in de drie jaar - en meermalen als de kerkelijken het nodig oordelen - een nationale synode te houden, daar het reeds op de nationale synoden geoordeeld en op goede gronden vastgesteld en besloten is dat er om de drie jaar een nationale synode zou gehouden worden, gelijk te zien is in de kerkorde (art. 81:43)?

Maar nu zijn er in honderd jaar maar twee nationale synoden gehouden. (…)

- Dat ze wettig gedane beroepingen van rechtzinnige, Godzalige en getrouwe leraars annuleren en vernietigen, wanneer die naar hun zin niet uitgevallen zijn en zij willen dat de kerkenraden een andere verkiezing zullen doen, zonder dat ze enige wettige reden van hun afkeuring geven, even alsof de Heere de approbatie [goedkeuring; red.] of improbatie [afkeuring; red.] aan hun macht had gelaten?

- Dat ze zich ook aanmatigen de macht van getrouwe leraars tegen de wil en het oordeel van kerkenraden en classes te suspenderen [te schorsen; red.], ja, te deporteren [te ontslaan/verbannen; red.] uit hun dienst en te verbannen van hun gemeente en dat wegens kerkelijke redenen? (…)

14. Lidmaten meer getrouw bezoeken

Moesten de leraars niet aangezet worden om boven de korte visites aan de lidmaten die iedere drie maanden of per half jaar [plaatsvinden], ook tussendoor de gemeente vlijtig te bezoeken, aan te spreken, te onderwijzen, te vertroosten en op te wekken naar gelegenheid? Temeer daar hierover in de Synode van Dordrecht van het jaar 1618 (nov. 3, sessie 17) een heerlijk besluit is gemaakt, op grond waarvan de Heren Staten van Holland op 29 juli 1654 alle classes en kerken van Holland terecht hebben aangeschreven om die particuliere bezoeken, aanspraken en onderrichtingen te doen.

15. Huisgodsdienstoefeningen meer aanbevelen

Moesten niet in de huisgezinnen van de lidmaten van de kerk gevonden en betracht worden de heilige huisoefeningen, huisgebeden, huiscatechisaties, lezen van het Woord, zingen van de psalmen, repeteren [navertellen, nabespreken; red.] van de predicaties? Was het niet nodig deze oefeningen ernstig de gemeente aan te bevelen en bijzonder zorg te dragen dat die op een voorbeeldige wijze mochten worden betracht in de huizen van de predikanten, ouderlingen en diakenen

- waar ze nu dikwijls niet geschieden -, gelijk de classis van Zuid-Beveland in Zeeland daarop in haar laatste reformatieconcept zeer wel heeft aangedrongen?

16. Godzalige, beproefde mannen kiezen

Behoorden niet volgens de Heilige Schrift en de kerkorde tot ouderlingen en diakenen verkozen te worden, niet de rijkste en naar de wereld aanzienlijkste, maar de beproefdste mannen, die het meeste van Gods Geest hebben en de beste voorbeelden geven van een heilig leven en heilige huisregering, en die het verstandigste en meest ervaren zijn in Gods Woord, daar wij nu meestentijds het tegendeel zien geschieden?

17. Tucht getrouw waarnemen inzake Doop en Avondmaal

Dient er niet een daadwerkelijke reformatie te geschieden inzake de bediening van Doop en Avondmaal, zodat ouders die onwetende of ergerlijk van le-ven zijn, niet toegelaten zouden worden om met hun kinderen en getuigen voor de Doop te verschijnen, voordat ze eerst door de leraars recht aangesproken en vermaand zijn en voor de heilige opvoeding beter zorg gedragen wordt? En dat tot des Heeren Avondmaal niet toegelaten worden die de Heere daarvan afgeweerd wil hebben, namelijk alle onwetenden en ergerlijken van wandel, hoedanige nu met menigten toekomen tot des Heeren tafel, die verontreinigen en de vromen bedroeven, daar de Heere belast heeft dezulken door de kerkelijke tucht af te houden?

18. Kermissen verbieden

Behoorden niet de kermissen - die veel goddeloosheid, lichtvaardigheid en ijdelheid bevatten tot terging van de God van de hemel - uit onze landen geweerd te worden en de macht van de overheden daartoe ernstig verzocht en gebruikt te worden, en dat volgens de besluiten van de synoden van Gouda in het jaar 1589, van Woerden in het jaar 1609 en Goes in het jaar 1620?

19. Komediespelers en -bezoekers censureren

Is het langer te verdragen dat de komedies en treurspelen in ons land zo openlijk gespeeld worden tot een schandaal voor onze religie en tot verwekking van Gods vreselijke toorn? Behoren de aanschouwers en de toelaters van de komediespelen, in zoverre deze lidmaten zijn, niet gecensureerd en van het Heilig Avondmaal afgehouden te worden? Dit volgens de besluiten van de nationale synoden van het jaar 1578 en 1581 en van de Zuid-Hollandse synoden van Den Haag in het jaar 1634 (art. 60), van Delft in het jaar 1643 (art. 36) en van Leiden in het jaar 1649. Maar waar geschiedt dat?

20. Dansende lidmaten censureren

Moesten niet gecensureerd en van het Avondmaal afgehouden worden de lidmaten van de gemeente die de danserijen, balletten en andere dergelijke lichtvaardigheden betrachten of bijwonen? Gelijk dit billijk geoordeeld is door de Zuid-Hollandse synoden van Gorkum in het jaar 1622 en van Gouda in het jaar 1640 (art. 55), door de Utrechtse synode in het jaar 1649 (sessie 7, art. 19) en door de Gelderse synode te Harderwijk in het jaar 1643 (art. 36). Waarom wordt dit niet gedaan?

21. Het dragen van lang haar door mannen bestrijden

Is het niet door de natuur bekend dat het de man een oneer is zo hij lang haar draagt volgens 1 Korinthe 11:14? En is het niet expres gelast [nadrukkelijk geboden; red.] dat de opzieners van de kerk hun lokken niet zullen laten wassen, maar hun hoofden laten bescheren (Ezech. 44:20)? Behoorde dan in het bijzonder geen censuur gebruikt te worden tegen de proponenten, predikanten, ouderlingen en diakenen die zichzelf met het lange en wilde haar van vreemden versieren, waartegen zovele synodale besluiten liggen als van de Noord-Hollandse synoden van de jaren 1640 en 1641, van de Zuid-Hollandse synoden van de jaren 1622 en 1640, van de Gelderse en Overijsselse synoden van het jaar 1643 en 1633 (art. 24) en van de Utrechtse synode van het jaar 1644?

22. Spelers met het lot censureren

Moesten niet de spelers met het lot, met kaart of dobbelsteen - die zelfs bij de heidenen infaam gerekend worden [voor schandelijk gehouden worden; red.] -, van des Heeren Avondmaal gesuspendeerd [afgehouden; red.] worden? Temeer daar het Formulier van het Avondmaal zulke spele[rs] excommuniceert, gelijk daartoe ook de Zeeuwse synode van Tholen in het jaar 1602 (art. 25) en de Zeeuwse classis van Walcheren in het jaar 1671 besluiten hebben gemaakt.

23. Sabbatsschenders censureren

Behoorde niet de censuur gebruikt te worden tegen de stoute [onbeschaamde, brutale; red.] sabbatsschenders, daar de Heere zo menigmaal Zijn oordelen tegen de zonde van ontheiliging van de sabbat gedreigd heeft en onze synoden zo dikwijls over die zonde, als een grove ergernis en een Godtergend kwaad, bij de overheden geklaagd en wering van die verzocht hebben, te weten de synode gehouden te Rotterdam in 1581, te Haarlem in 1582, te Amsterdam in 1589 en in het bijzonder de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619 (sessie 14 en sessie 177) en de latere synoden gehouden te Amsterdam in 1658 (art. 82, 94) en te Gouda in 1659 (art. 5). In de Classis van Walcheren werd in het jaar 1671 plechtig en met eenparige stemmen goed gevonden die zonde met de censuur vlijtig tegen te gaan. En indien de sabbatsschenders verdienen gecensureerd te worden, zouden zij dan buiten censuur gelaten mogen worden die met hele predicaties, ja, met boeken te schrijven de verbintenis van het vierde gebod tot het houden van de zevende dag bestrijden? (…)

25. Vloekers censureren

Dienden niet de ontheiligers en misbruikers van Gods Naam met de kerkelijke censuur gestraft en de heilzame middelen tot wering van die zonde - vastgesteld door het Zuid-Hollandse synode van het jaar 1634 - in het werk gesteld te worden?

26. Woekeraars censureren

Behoorden niet eenparig de lombarden [geldhandelaars, pandhouders; red.], daar die openlijk woekeren en dat op de armen en geringen en op hun geringe en nodige panden, van het Avondmaal afgehouden te worden met hun vrouwen en kassiers, daar niet alleen het Woord de woeker duidelijk verdoemt, gelijk mede onze Catechismus in vraag en antwoord 110, maar ook het Formulier van het Avondmaal verklaart dat de woekeraars ‘geen deel in het Rijk van Christus hebben’ en hun daarom gebiedt van de Tafel des Heeren zich te onthouden, opdat hun ‘verdoemenis niet des te zwaarder worde’. Gelijk ook een menigte aan synodale besluiten tegen hen liggen. In het bijzonder heeft de Zuid-Hollandse synode te Leiden in het jaar 1639 (art. 55) besloten ‘dat door alle kerken eenparigheid zal worden gehouden [één lijn zal worden getrokken; red.] in lombarden en hun huisvrouwen van de Tafel des Heeren af te houden’.

27. Reformatieprogramma’s opstellen

Was het niet nodig dat in deze dagen de kerkenraden, classes en synoden de punten opstelden die zij oordelen dat tot wering van Gods toorn en tot voorkoming van gedreigde oordelen over land en kerk, tot welstand van Gods kerk en tot verheerlijking van Gods Naam moesten verbeterd worden? Gelijk hiervan de classis van Walcheren op 14 september 1672 een voortreffelijk voorbeeld gaf en daarna op 17 maart 1682 de classis van Zuid-Beveland. Helaas dat het alles bij het opstellen van concepten en punten is gebleven! Maar indien de kerkenraden, classes en synoden daarin nalatig willen blijven, gelijk ze tot nog toe zijn, zou het dan niet passen en betamen dat de particuliere leraars, hetzij elk in het bijzonder, hetzij tezamen in een redelijk getal verenigd, de oorzaken van Gods twist en toorn tegen ons [aangeven] en tot verootmoediging en verbetering in opzicht van die zaken aandringen en zelf op een voorbeeldige wijze met de reformatie beginnen?

Ten besluite

Verder zal ik nu niet gaan met mijn vragen. En ongetwijfeld ben ik naar veler oordeel al te ver gegaan. Zij zullen misschien gereed staan om mij te bejegenen gelijk geschiedde in 2 Kronieken 36 vers 16: Maar zij spotten met de boden Gods en verachtten Zijn woorden, zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was. Of gelijk Amázia, die priester was te Bethel, de profeet Amos [bij de koning Jeróbeam] beschuldigde en aansprak: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen. (…) Gij ziener, ga weg, vlied in het land van Juda; en eet aldaar brood en profeteer aldaar. Maar te Bethel zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom (Amos 7:10-13a). Maar ik zou antwoorden met de woorden van die Amos die te vinden zijn in Amos 7 vers 14- 17 (Toen antwoordde Amos en zeide tot Amázia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon, maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af. Maar de HEERE nam mij van achter de kudde, en de HEERE zeide tot mij: Ga heen, profeteer tot Mijn volk Israël. Nu dan hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israël, noch druppen tegen het huis van Izak. Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd), en geven aan eenieder van mijn tegenpartijders te overdenken wat er staat in Jesaja 30 vers 8-11, Jeremia 1 vers 17-19, Jeremia 6 vers 12-15, Jeremia 7 vers 27 en 28, Jeremia 8 vers 6 en 7, Jeremia 13 vers 16 en 17, Ezechiël 3 vers 17, Ezechiël 13 vers 22 en 23, Ezechiël 22 vers 15, 26- 28 en 31; Ezechiël 44 vers 5-13, Zefanja 3 vers 1-5 en 1 Koningen 18 vers 17 en 18.


Fotoverantwoording:

a) Door Ralf Roletschek (Overleg) - Fahrradtechnik auf fahrradmonteur.de (Eigen werk) [GFDL 1.2 (http://www. gnu.org/licenses/old-licenses/fdl-1.2.html)], via Wikimedia Commons

b) Foto Depositphotos

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2015

In het spoor | 72 Pagina's

Koelmans Aanspraak Ten Tijde Van De Staatse Armada

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2015

In het spoor | 72 Pagina's