Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondagsrust: Een Natuurrecht?!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zondagsrust: Een Natuurrecht?!

21 minuten leestijd

Tegenwoordig is zondagsrust niet meer vanzelfsprekend. Ook in Christelijk Nederland verschuiven de panelen. In toenemende mate lijken zich Christelijk noemende groeperingen minder moeite te hebben met zondagsarbeid. Gelukkig staat de SGP nog steeds de zondagsrust voor. Soms en tot op zekere hoogte gesteund vanuit een hoek waarvan we het misschien niet direct verwachten, namelijk vanuit de Socialistisch Partij (SP).

De SP komt niet vanuit een Christelijke bron nog enigszins voor de zondagsrust op, maar vanuit sociale motieven. Zo wil de SP bijvoorbeeld meer dan 12 koopzondagen per jaar in aantoonbaar toeristische gebieden alleen toestaan op voorwaarde dat de sociale belangen van betrokkenen (winkeliers en winkelpersoneel) gewaarborgd worden. De neoliberalen met D66 voorop kiezen daarentegen veel meer voor het wegnemen van de beletsels voor zondagsarbeid. Dr. Ph.J. Hoedemaker (1839-1910) constateerde: “Indien een staat met de Bijbel ondenkbaar is, dan zullen wij ons duur gekocht voorrecht om God naar Zijn Woord te dienen moeten inboeten, en om een voor de hand liggende reden is de sabbat dan het allereerste dat verdwijnt.”

Het houden van een gezamenlijke rustdag is lichamelijk, psychisch en sociaal goed voor de mens. De SP heeft daar nog enigszins oog voor. Volgens ds. S.A. van den Hoorn (1851-1890) heeft God de cyclus van zes dagen werken en vervolgens één dag rust in de natuur van de mens ingeweven of ingeschapen. Hij sprak daarom van een natuurrecht op zondagsrust. Het is waar dat God Zijn wet in het hart van Adam ingeschapen heeft, maar door zijn val in Adam is dat alles in de mens zodanig verdorven en verduisterd geworden dat er nog maar enkele sprankjes van over zijn (Artikel 14 NGB). Die enkele sprankjes geven hem echter, mits zijn consciëntie nog niet geheel toegeschroeid is, tot op zekere hoogte nog het begrip dat zondagsrust en zondagsheiliging goed zijn.

Voor zijn stelling dat zondagsrust een recht is dat uit de natuur van de mens voortvloeit, voerde ds. Van den Hoorn destijds diverse argumenten aan. Deze heeft hij naar voren gebracht in een lezing die hij op 25 november 1885 voor de toenmalige Nederlandse Vereniging tot bevordering van zondagsrust heeft gehouden onder de voor de hand liggende titel: De zondagsrust is een recht der natuur. 1 In dit artikel willen we bezien wat hij daarvoor als argumenten of bewijzen heeft aangevoerd. Zijn lezing bevat een aantal belangwekkende zaken die we de lezer willen meegeven. Maar eerst zullen we iets schrijven over de Nederlandse Vereniging tot bevordering van zondagsrust en over wie ds. Van den Hoorn was. 2

Nederlandse Vereniging tot bevordering van Zondagsrust

In 1882 richtte men te ’s-Gravenhage de ‘Nederlandse Vereniging tot bevordering van Zondagsrust’ op. Op de Algemene Vergadering van 28 april 1882 werden de ‘Bepalingen’ vastgesteld en op de Algemene Vergadering van 25 november 1885 wijzigde men deze.

Tijdens die vergadering heeft ds. Van den Hoorn, die toen Christelijk-gereformeerd predikant te Tiel was, zijn genoemde lezing gehouden. De Bepalingen werden bij Koninklijk Besluit van 7 april 1886 goedgekeurd. Vooral Artikel 1 is voor dit artikel van belang, dat luidde:

“De Nederlandse Vereniging tot bevordering van Zondagsrust is gevestigd te Utrecht en stelt zich ten doel:

a. de volksovertuiging te versterken aangaande het hoog belang van zondagsrust voor ieder in het bijzonder, voor het huisgezin en voor de maatschappij;

b. te bewerken dat de zondag voor zo velen [als] mogelijk een rustdag kan zijn.” 3

Wat hieraan opvalt, is dat de Goddelijke eis: Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt…, niet of in ieder geval niet openlijk ten grondslag werd gelegd aan het streven naar bevordering van de zondagsrust. De doelstelling was algemeen en niet gericht op een bepaald volksdeel. Men wilde de zondagsrust bevorderen niet omwille van God en Zijn gebod, maar omwille van de mens. Men wilde de mens van het werken op zondag als uit een slavendienst verlossen. Van den Hoorn verwoordde het aan het eind van zijn lezing 4 , die in brochurevorm werd uitgegeven, zo:

“Wien vrijheidsbloed door d’adren vloeit,

Van slavensmetten vrij;

Wiens borst voor recht en waarheid gloeit,

Hij sta aan onze zij!

Hij strijd’ met ons voor zondagsrust,

Een recht van de natuur,

Dat welvaart brengt met levenslust,

En menig vredig uur.

Helpt breken ons de slavenband,

Waar zondagswerk die sloeg!

De vrije zondag koom’ tot stand!

Het juk knelt lang genoeg.

De zondagsrust, die God ons biedt,

Voor lichaam en voor geest,

Zij word’ ons huis weer tot een lied,

Een waar familiefeest!

Feitelijk is dit maar een armetierig pleidooi en vormt een zondag die alleen maar ‘een waar familiefeest’ is, ten diepste een schril contrast met de ware heiliging en bedoeling van Zijn dag en met de rijke verlustiging in God, die Zijn volk op Zijn dag bij tijden en ogenblikken mag hebben. Bovendien is het betrachten van zondagsrust omwille van de mens en niet in de eerste plaats omwille van God en Zijn gebod, in wezen een miskenning van God, van ’s mensen Schepper en Onderhouder. We moeten de genoemde vereniging dan ook niet verwarren met de huidige ‘Nederlandse Vereniging tot bevordering van de Zondagsrust en de Zondagsheiliging’, die in 1954 is opgericht en die wel streeft naar de inachtneming van de rust én de heiliging van de dag des Heeren overeenkomstig Zijn inzettingen.

Ds. S.A. van den Hoorn

Wie was ds. Van den Hoorn eigenlijk? Simon Albertus van den Hoorn werd geboren op 12 augustus 1851 te Bodegraven als zoon van Dirk van den Hoorn en Ingenetta van den Hoorn-Felix. Hij studeerde theologie aan de Theologische School te Kampen (1867- 1872) en op 19 juli 1872 werd hij kandidaat gesteld in de Christelijk Gereformeerde Kerk. Op 24 november 1872 werd hij bevestigd in de afgescheiden gemeente van Sassenheim, later volgde Breukelen (1874) en ten slotte Tiel (1877). Hier stond hij tot aan zijn overlijden op 30 september 1890.

Zijn biografen vermelden dat zijn leven niet gemakkelijk was. Hij had een leveraandoening opgelopen te Breukelen, waaraan hij uiteindelijk ook betrekkelijk jong overleden is. Zijn vader verongelukte toen hij 20 jaar was. Toen prof. S. van Velzen hem dit kwam vertellen, zei Van den Hoorn: “Dominee, zeg het maar. De Heere heeft mij erop voorbereid.” Op 31 oktober 1872 huwde hij te Kampen met Hendrica Gerarda Anna (Riek) Westerhuis. Het echtpaar ontving vier kinderen: Elizabeth Hillegiena Hendrica Maria (1873-1912), Ingenetta Diderica (1875-1949), Hillegiena Johanna (1878-1948) en Simon Albertus Felix (1881-1964). We weten relatief veel van hem, omdat hij op veertienjarige leeftijd een dagboekje begon. Hierin komt ds. Van den Hoorn als een bijzonder ernstige jongen naar voren: “Ik wenste wel dat de Heere de waarheid aan mijn hart zou heiligen”, zo schreef hij. Tijdens een preek van ds. R. Brinkman over het woord “eeuwig” begeerde hij aan het Heilig Avondmaal deel te nemen. Hij wist echter dat dit niet kon, omdat hij nog maar veertien jaar was en nog geen belijdenis des geloofs had afgelegd. Ook las hij de boeken van Comrie over de kenmerken van het geloof.

Actief predikant

Ds. Van den Hoorn was een zeer actieve predikant. Hij zette zich in voor evangelisatie te Zandwijk, in de buurt van Tiel, en kwam zodoende in contact met de arbeidersbevolking. Verder was hij begaan met mensen in nood zowel in als buiten zijn gemeente Tiel. Ook zette hij zich bijzonder in voor het Christelijk onderwijs. Door zijn contacten met vermogende Christenen profiteerde het Christelijk onderwijs in Tiel hiervan. Toen het Volkspetitionnement tegen het alleen bekostigen door de overheid van het openbare onderwijs en niet van het bijzondere onderwijs plaatsvond, was Van den Hoorn een van zijn ijveraars. Hij stond voor: “Wij willen gelijk recht voor allen, ook voor de moderne, ook voor de Jood, maar geen onderwijs van staatswege dat één bevoordeelt”. Typisch antirevolutionair! Ook is hij bekend geworden vanwege zijn strijd voor zondagsrust als een sociaal belang. We moeten niet vergeten dat in die tijd de winkels van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat open waren en voor een deel ook op zondag. Van den Hoorn was actief in de Antirevolutionaire Partij (ARP). Verder was Van den Hoorn curator van de Theologische School te Kampen. Ds. Van den Hoorn zette zich ook internationaal in. Zo bezocht hij de bijeenkomsten van de Evangelische Alliantie en nam deel aan congressen in Zweden, Noorwegen en Groot-Brittannië.

Daarnaast publiceerde Van den Hoorn enorm veel, zoals over kerk en school en over het socialisme. Hij schreef boekjes voor Kerst, Pasen en Pinksteren. Onder toezicht van hem en J.H. Donner werd een nieuwe druk uitgegeven van de Acta van de Dordtse Synode. Hij wilde graag promoveren aan de Theologische School te Kampen, maar dat kon toen nog niet. Naar verluidt begeerde hij het ambt van professor aan een Amerikaanse universiteit. Uiteindelijk ging Gods weg anders. Hij kwam op bed te liggen vanwege zijn leverkwaal en voelde zijn einde naderen. Hij bad vurig of hij weggenomen mocht worden in zijn slaap, zodat hij niet uitdrukkelijk afscheid hoefde te nemen van zijn vrouw en vier kinderen (in de leeftijd van 9 tot 16 jaar). Dit gebed werd verhoord. Hij stierf op 30 september 1890. Hij was toen 39 jaar. Tijdens de begrafenis bleek wel hoe groot zijn plaats was die hij ingenomen had.

Lezing over zondagsrust

Ds. Van den Hoorn was zich weliswaar persoonlijk van de noodzaak van zondagsheiliging “bewust” en schaamde zich ook niet om daarvoor uit te komen, maar in deze rede richtte hij zich - min of meer naar antirevolutionaire snit - op het bepleiten van de zondagsrust. Onder andere omdat de zondagsheiliging niet zonder de zondagsrust kon worden betracht. In zijn rede verdedigde hij de zondagsrust als een “natuurrecht”. Daarvoor voerde hij diverse argumenten of bewijzen aan. Volgens hem waren buiten de Openbaring, dus buiten de Schrift, “duidelijke sporen” daarvan te vinden, alsook van de zegen die de zondagsrust met zich meebracht. In de eerste plaats liet hij daartoe twee geleerden aan het woord die buiten de Schrift om tot de conclusie waren gekomen dat de cyclus van zes dagen werken en één dag rust zonder meer het beste is voor de mens. Dit waren de Duitser Wilhelm von Humboldt (1767-1835) en de Fransman Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865).

Wilhelm von Humboldt

Deze taalwetenschapper, filosoof, staatsman en stichter van de Humboldt-Universiteit in Berlijn had in zijn Brieven aan een vriendin geschreven:

“Ik deel volkomen uw gevoelen dat de instelling van bepaalde rustdagen, zelfs wanneer ze volstrekt niet met een godsdienstige viering samenhingen, een denkbeeld is dat ieder die een menslievend hart heeft en in alle standen van de maatschappij be-lang stelt, moet verblijden en goed doen. (…) Zelfs de keuze van de zevende dag is zeker de wijste, welke men had kunnen bedenken. Hoe onverschillig het schijnt en tot op zekere hoogte ook zijn kan dat men de arbeid een dag verkorte of verlenge, zo ben ik toch overtuigd dat de maat van zes dagen voor de mens naar zijn fysische krachten en zijn vermogen om een of andere eenvormige [dagelijks dezelfde; HT] arbeid vol te houden juist de aangewezen maat is. Ook ligt er iets humaans in dat de dieren die de mens in zijn arbeid behulpzaam zijn, mede in zijn rust delen. De duur van de telkens wederkerende rust bovenmate verlengen zou even inhumaan als dwaas zijn. Ik heb dit eenmaal in een voorbeeld uit eigen ervaring gezien. Toen ik in de tijd van de Revolutie enige jaren te Parijs was, heb ik daar beleefd dat men zich aan deze Goddelijke instelling niet storende ook de instelling van de rustdag naar het droge en houterige decimaalsysteem had gewijzigd. Eerst de tiende dag was wat wij een zondag noemen, en alle gewone bedrijvigheid ging negen dagen onafgebroken voort. Daar dit blijkbaar veel te lang duurde, werd door velen - zoveel de politieverordening dit toeliet - de zondag tegelijk meegevierd. Dit gaf echter weer aanleiding tot teveel leegloop. Zo slingert men altijd tussen twee uitersten wanneer men zich van de regelmatige, voorgeschreven middenweg verwijdert.” 5

Von Humboldt was er dus van overtuigd dat er “iets humaans” in de zondag ligt, ook ten aanzien van de dieren. En dat de cyclus van zes dagen werken en één dag rust het ideaalste voor de mens is.

Socialist Proudhon

Niet alleen Von Humboldt sprak zich uit over de zondag als rustdag, ook de socialist Proudhon deed dat. Hij zei:

“Maakt men de week een dag korter, dan is de behoefte aan rust nog niet dringend; maakt men haar een dag langer, dan is oververmoeidheid het gevolg; geeft men alle drie dagen een halve dag vrij, zo verliest men nog meer tijd door de vele stoornis en doet men wispelturigheid en ongelijkmatigheid ontstaan; geeft men daarentegen na twaalfdaagse arbeid twee rustdagen, zo ruïneert men de arbeider door ledigheid, nadat men eerst teveel van hem gevergd heeft.” 6

Volgens ds. Van den Hoorn vond “het socialisme juist daar zijn meeste aanhangers”, waar “de zondagsrust het meest schaars wordt gevonden”. Want: “Is nu het socialisme in de eerste plaats op het zinnelijke” of sociale “gericht en heeft het natuurrecht van de zondagsrust ook een zinnelijke” of sociale “zijde, dan verwondert het ons niet dat de miskenning van het recht op de rustdag ook de socialisten de herstelling van die dag met bedreiging doet eisen.” 7

Ook buiten Israël

Ds. Van den Hoorn zei verder dat het recht van de natuur op de zevende dag als rustdag door de Schepper was aangewezen toen Hij - na zesdaagse scheppingsarbeid - op de zevende dag rustte en die dag zegende en heiligde (Gen. 2:1-3 en Ex. 20:11). “Met het oog op de latere verbastering van de volken en hun ongeregelde leefwijze” moest “het ons echter niet verwonderen dat bij sommige geen wekelijke rustdag gevonden” werd. Niettemin blijft het waar, aldus Van den Hoorn, “dat de rust van de zevende dag (…) geenszins tot Israël kan worden beperkt”. Want het is “volstrekt niet te loochenen dat de rustdag ook bij onderscheiden volken gevonden wordt, die deze dag niet aan de Israëlieten hebben ontleend.” De wekelijkse rustdag vloeit derhalve uit de natuur voort, althans in die zin “dat God bij de schepping de natuur alzo heeft geordend en haar nog alzo doet bestaan dat verpozing van geregelde arbeid noodzakelijk is”. Daarom, wij achten “de wekelijkse rustdag een door God ons geschonken zegen. Wij hebben daarop recht volgens de ons gegeven natuur”, zo betoogde Van den Hoorn.

“Wie dit natuurrecht onderdrukt, zal de schadelijke gevolgen hiervan ervaren. Wie de natuur haar rechten niet geeft, wordt door haarzelf gewroken. Een Frans spreekwoord zegt: ‘Verdrijf het natuurlijke en het keert in galop weer’.” Ds. Van den Hoorn citeerde in dit licht ook de lutherse theoloog prof. dr. C.E. Luthardt (1823-1902), die schreef: “De natuurlijke en de geestelijke krachten raken vóór de tijd uitgeput, wanneer deze Goddelijke natuurordening veronachtzaamd wordt.” 8 Wie zeven dagen per week werkt, houdt dat niet lang vol. Nu niet en zeker in die tijd niet toen veel arbeiders vaak lichamelijk zwaar werk hadden te verrichten en lange werkdagen maakten van bijvoorbeeld twaalf uur.

De dieren behoeven ook een rustdag

De last- en werkdieren hebben eveneens periodiek rust nodig, volgens Van den Hoorn. “Noemen wij de wekelijkse rustdagen voor de mens een natuurrecht, dit recht komt te sterker uit als wij nagaan dat zelfs de last- en trekdieren bij geregelde arbeid zulk een rustdag behoeven. Ook het ‘humanisme’ van onze eeuw kan nog vrij wat leren van de Goddelijke wetten van het Oude Testament, als deze gebieden dat os noch ezel noch enig ander vee op de sabbat arbeiden zal. De ervaring leerde ook dat zelfs de werkdieren rust van node hadden. Paarden die vroeger dag aan dag de postwagen door het land trokken, waren met 8 tot 10 jaar versleten, terwijl een paard dat zes dagen zware arbeid leverde en zondags rusten mag, 15 tot 18 jaar werkzaam kon zijn.” 9

“Heeft het werkdier recht op een rustdag, hoeveel te meer de mens. Pater Hyacinthe Loyson (1827-1912) heeft dan ook gezegd: ‘De meest noodzakelijke vrijheid voor een volk is de vrijheid van de zondag. Wie deze mist, is onvrijer dan vroeger de negers in de Zuidelijke Staten van Amerika’.” 10

Andere redenen

Volgens Van den Hoorn is één zondag per week ook nodig voor een goede gemoedsstemming:

“Maar niet alleen met het oog op de gezondheid spreken wij van een natuurrecht op de rustdag, maar ook ten aanzien van een blijde gemoedsstemming. Zoals een slaperig kind lastig wordt en de behoefte aan de rust van de slaap in ontevredenheid openbaar wordt, zo ook verdwijnt onze opgeruimdheid, indien wij de zondagsrust moeten derven. Wij hebben er behoefte aan nu en dan adem te scheppen en ons te ontspannen in kalme rust, zonder dat de roede des drijvers achter ons is.”

En niet minder is de zondagsrust nodig voor het gezinsleven en de opvoeding: “Het huisgezin dat de grondslag van de maatschappij mag heten, is door God gegeven; het behoort bijeen en de samenleving mag niet ontbreken. Daarvan kan echter zonder een gezamenlijke zondagsrust moeilijk sprake zijn.” Van den Hoorn citeerde in dit verband een Duitse liberale Rijksdagafgevaardigde, dr. W. Löwe (1814-1886): “Mijne heren, de verstoring van het gezinsleven en daarmee de ontzedelijking en ruwheid schrijden voort, indien niet naar goede oude zeden de zondagsrust oprecht gehouden en aan de arbeiders verzekerd wordt.” 11

“Ja, ook in betrekking tot de hogere behoeften van de mens moeten wij bedenken dat de zondagsrust een natuurrecht is. Altijd bezig te zijn met de arbeid van de stoffelijke dingen doet ons onszelf in het lagere verliezen. Wij hebben nodig kalm bezig te zijn met hogere belangen dan die van het stof.” 12

Ten slotte citeerde Van den Hoorn de wijsgeer J.F. Martinet (1729-1795), die zei dat wanneer de zondag niet meer gevierd zou worden, we in het maatschappelijke leven in slavernij terecht zouden komen.

Waarschuwing

Van den Hoorn waarschuwde allen die ervoor verantwoordelijk waren dat anderen zondagswerk moesten doen, ernstig:

“O gij die tot zondagswerk noodzaakt, bedenkt hoe gij uw geslacht onteert en de ware humaniteit en liefde met de voeten treedt! De zweepslagen van de plantages troffen de rug, de uwe ondermijnen het hele lichaam en verwoesten de ziel. De zweep slagen van de plantages wondden de betrokken personen, de uwe treffen daarenboven ook vrouw en kinderen. En daarom, al wordt gij uit de slaap niet opgeschrikt door dreigende bloedige striemen, eens zal toch de geschokte gezondheid en de gewonde ziel u kwellen van degene die u de zondagsrust hebt geweigerd.” 13

Zowel in de tijd van het Oude Testament als in de tijd van het Nieuwe Testament werd een wekelijkse rustdag gehouden. In de negentiende eeuw was dat ook uit lichamelijk en psychisch oogpunt bezien, niet minder noodzakelijk. Van den Hoorn:

“Het kan niet worden geloochend dat onze eeuw met haar stoom en telegrafie in menig opzicht andere eisen heeft dan haar voorgangsters. Inzonderheid van onze tijd kan gezegd worden: wij leven snel. Inderdaad ziet men allerwegen een koortsachtige gejaagdheid. Maar tegenover dat haastige is de rustdag een nog grotere behoefte, ja, hij is onmisbaar, zullen we de nodige kalmte niet verliezen.” 14

In Engeland was de zondag rustiger dan in Nederland, volgens Van den Hoorn. In ons land kon “met ontzag voor Gods Wet en met liefde voor ’s mensen lichamelijk en geestelijk welzijn” nog heel wat zondagsarbeid afgeschaft worden.

Zondagsrust brengt zegen met zich mee

De zondagsrust brengt behalve in geestelijk opzicht, ook in tijdelijk opzicht zegen met zich mee, aldus Van den Hoorn. “Reeds aan Israël werd rijke aardse voorspoed toegezegd op het houden van de sabbat (Jes. 58:13-14; Jer. 17:24-27). En die voorspoed op het houden van de rustdag wordt nog gezien. Wel ervaart men de zegen niet altijd dadelijk, maar ook hier geldt het: het einde kroont het werk.” De belezen Van den Hoorn schreef in dit verband dat de Engelse staatsman W.E. Gladstone (1809-1898) een ‘woord vooraf’ in een boek had geschreven over de invloed van de zondag op de gezondheid en de nationale voorspoed. “Daarin schrijft hij te geloven aan het gezag van de rustdag des Heeren, maar, behalve dit, heeft hij in de loop van zijn werkzame leven kennelijk, beide naar lichaam en ziel, de zegeningen van die dag ervaren.” Vervolgens somt Van den Hoorn nog een aantal voorbeelden van een gezegende zondagsrust op. De wereldtentoonstelling van Philadelphia was zondags gesloten en leverde in tegenstelling tot andere geldelijk voordeel op. Van de mensen die door Amerika trokken op zoek naar nieuw woongebied, bereikten zij die de zondag hadden gehouden, hun doel enkele weken eerder. Of een visser die de eerste vier jaar op zondag viste en de laatste vier jaar niet meer. De laatste vier jaar brachten hem veel meer voorspoed dan de eerste. Of een inwoner van een Schots vissersdorp, waar jaarlijks meer dan 200 schepen de zee opgingen: “Veilig mag worden vastgesteld dat die schepen die zondags rusten, door elkaar gerekend meer dan gewoon succes hebben. Het schip dat het laatste en voorlaatste jaar de aanzienlijkste vangst had, was het vaartuig dat zondags werkeloos lag en wiens eigenaar de zondag in godsdienstige rust met de zijnen doorbracht.”

De heer W.E. Dodge sr. (1805-1883) uit New York ijverde in Amerika als mede-eigenaar van de spoorwegenexploitant voor een strenge zondagsrust. “Toen men op zondag enige treinen wilde laten lopen, verklaarde hij: ‘Dan, mijne heren, moet u maar op iedere locomotief een bord plaatsen en daarop schrijven: Wij schenden Gods gebod voor een dividend! Maar dan treed ik af.’ Hij trad af en de lijn ging na verloop van drie jaar failliet.”

“Ook in ons land zijn er tal van voorbeelden dat zondagsrust zelfs een uiterlijke zegen met zich brengt.” Eenmaal sprak ds. Van den Hoorn te Wormerveer voor een werkliedenvereniging. Enkelen waren vanwege dat ze niet wilden werken op zondag, ontslagen. Ze verklaarden tijdens die bijeenkomst: ‘Wij zijn weggezonden, toen wij om ons geweten niet langer op zondag durfden arbeiden, maar na die tijd hebben wij veel ruimer ons brood dan vroeger.” 15

Ten slotte

Het is nodig dat er bij de overheid krachtig op bevordering en handhaving van zondagsrust en zondagsheiliging aangedrongen wordt. In de eerste plaats en vooral vanwege de Goddelijke eis van het vierde gebod, maar daarnaast ook uit oogpunt van sociaal, lichamelijk en psychisch welzijn. De vrede en de zegen van land en volk, overheid en onderdaan staan of vallen met de zondagsrust en zondagsheiliging. We hebben het nodig om één dag in de week in rust te zijn en ons te begeven naar het huis Gods om daar te horen de woorden Gods. Niet alleen wij hebben dat nodig, maar ook onze buren, onze naasten, onze stad- en dorpsgenoten, onze landgenoten.

Tegenwoordig is er veel aandacht voor de vluchtelingen en asielzoekers uit Syrië en het Midden-Oosten. Maar laten we ook onze onkerkelijke stad- en dorpsgenoten niet vergeten. Waarom hebben we wel aandacht voor de asielzoeker en vinden we evangelisatie onder hen belangrijk en hebben we dat in geen jaren gehad voor onze medelanders? Vreemd. Ook voor hen geldt toch dat ze de toekomende toorn moeten ontvlieden! Gods recht geldt voor ‘heel de kerk en heel het volk’!


Noten:

1) De citaten over de zondagsrust komen uit: S.A. van den Hoorn, De zondagsrust is een recht der natuur. Voordracht gehouden in de 4 e algemene vergadering der Nederlandse Vereeniging tot bevordering van Zondagsrust den 25 November 1885 te ’s-Gravenhage, Leiden 1886, 30 pagina’s (hierna: Van den Hoorn). In mijn bezit is het presentexemplaar van ds. Van den Hoorn zelf.

2) De biografische gegevens over Van den Hoorn komen uit Joh. de Haas, Gedenkt uw voorgangers, Haarlem 1984, p. 152-153; uit De Hoeksteen, dl. 12 (1983), p. 123-129 en van de website: http://hennepe.jouwweb.nl/ kerkgeschiedenis-tiel-tielse-kerkgebouwen-frans-willem-van-dee-predikanten-vanaf-de-afscheiding-t-m-/ biografisch-overzicht-ds-s-a-van-den-hoorn

3) Van den Hoorn, p. 29-30

4) Van den Hoorn, p. 28 (alle citaten zijn herspeld)

5) Van den Hoorn, p. 6-7

6) Van den Hoorn, p. 7

7) Van den Hoorn, p. 10-11

8) Van den Hoorn, p. 9-10, 13

9) Van den Hoorn, p. 13

10) Van den Hoorn, p. 14

11) Van den Hoorn, p. 17

12) Van den Hoorn, p. 18

13) Van den Hoorn, p. 20

14) Van den Hoorn, p. 23

15) Van den Hoorn, p. 25-27

Fotoverantwoording:

a) By Michielverbeek [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons


Het erbijkomende nut

Zes dagen zult gij uw werken doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten, opdat uw os en uw ezel ruste en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe (Ex. 23:12).

J. Calvijn: “In deze tekst wordt het erbijkomende nut herhaald, hoewel het niet een onderdeel is van de eerste en wezenlijke instelling van de sabbat, namelijk dat op deze manier het gezin en ook het vee verlichting zal ontvangen.”

Ds. F. Bakker: “De Heere heeft (…) ook aan het lichaam gedacht. Gods Woord is ook inzake de sabbat niet overgeestelijk. We lezen duidelijk en heel gewoon in Exodus 23 vers 12 dat mens en dier op die dag adem zouden scheppen. Sabbat, ook voor de rust van het lichaam. Sabbat voor de gehele mens”!

-J. Calvijn, Verklaring van de Bijbel, Harmonie, dl. 2, Kampen 1985, p. 290-291 (herspeld) en ds. F. Bakker, ‘De sabbat in het Oude Testament’, in: De roem der dagen, Ede 1970, p. 17 (herspeld)-


Menselijke instellingen

Ds. D.L. Aangeenbrug:Gedenk den sabbatdag… Wat [en wanneer] moet ik [die] dan gedenken? Alleen ’s zondags als ik wakker word? Nee, gedenk de hele week de sabbatdag, opdat u in staat zult zijn om de sabbatdag te heiligen. En dat er geen werkzaamheden overblij

ven dan alleen de noodzakelijke werkzaamheden. Zoals er bijvoorbeeld zieken behandeld moeten worden; als er brand is, dat de brandweer haar werk doet. En ga zo maar door met de noodzakelijke werkzaamheden. Maar geen werkzaamheden als in onze dagen dat de fabrieken ’s zondags ook moeten werken. Wat denkt u daarvan? Dat zijn menselijke instellingen. Dan worden er ploegen ingesteld, opdat de productie ’s zondags ook door kan gaan. Ik zeg u dat het uit de duivel is. Dat is niet van God. God heeft nooit fabrieken in laten stellen die ’s zondags ook moeten werken.” -Ds. D.L. Aangeenbrug, De Heidelbergse Catechismus, St. Philipsland 1989, p. 571 (herspeld)-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 2016

In het spoor | 76 Pagina's

Zondagsrust: Een Natuurrecht?!

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 2016

In het spoor | 76 Pagina's