Luthers Tweerijkenleer -1-
Bij gelegenheid van de 500-jarige herdenking van de Reformatie willen we in een tweetal artikelen op Luthers zogenaamde tweerijkenleer ingaan. In 1523 verscheen een geschrift onder de titel Von weltlicher Oberkeit, wie weit man ihr Gehorsam schuldig sei 1 . Hierin heeft Maarten Luther (1483-1546) zich beziggehouden met de reikwijdte van de geestelijke en wereldlijke macht. Zijn gedachten daarover worden wel aangeduid met Luthers tweerijkenleer. Allereerst schetsen we de historische context van het ontstaan, waarbij we ook nog kort ingaan op het bekende werkje An den christlichen Adel deutscher Nation, en geven we een korte samenvatting. Het is de bedoeling om in een tweede artikel nog wat uitvoeriger op een en ander in te gaan.
Vooraf willen we uit de grote hoeveelheid literatuur die tot aan de dag van vandaag verschijnt en in de laatste jaren verschenen is, de geïnteresseerde, kritische lezer twee boeken aanbevelen, waarvan vooral voor deze achtergrond gebruik is gemaakt. Dat is allereerst het boek over Maarten Luther van prof. dr. H.J. Selderhuis 2 , dat in een eenvoudige, vlot leesbare stijl geschreven is. Ook goed leesbaar, maar dan voor degene die de Duitse taal redelijk goed beheerst, is het boek van Joachim Köhler Luther! Biographie eines Befreiten 3 . Wel moet vooral bij dit laatste boek, dat overigens boeiend en ter zake kundig alsook ten opzichte van Luther zeer sympathiek geschreven is, de kanttekening gemaakt worden dat enkele zinsneden te populair verwoord zijn.
Plicht van de wereldlijke overheid
In 1520 verscheen een drietal bekende werkjes van Luther: An den christlichen Adel deutscher Nation von des christlichen Standes Besserung, Von der Freiheit eines Christenmenschen en De captivitate Babilonica ecclesiae (Over de Babylonische gevangenschap van de kerk). Hier is vooral het eerste boekje voor ons van belang. Het verscheen in augustus en de vierduizend exemplaren waren binnen een week uitverkocht, wat voor die tijd wellicht uniek was. De drukker verdiende er goed aan, omdat de schrijver er geen cent voor wilde hebben. Iets wat Luther zijn gehele leven heeft volgehouden, ongetwijfeld tot groot verdriet van zijn vrouw Katharina von Bora (1499- 1552). Bewust deed hij afstand niet alleen in theologische, maar ook in letterlijke zin van het geloof als handelswaar!
Luther begint dit werkje met nadrukkelijk erop te wijzen dat men het werk van de reformatie met een verzaking van eigen kracht en macht in een ootmoedig vertrouwen op God en met ernstig gebed moet verrichten. Wellicht omdat dit ontbrak, is het in het verleden misgegaan. De lieden te rome hebben drie muren opgericht om zich achter te verschansen. Luther hoopt dat zijn geschrift als een van de bazuinen van Jericho gebruikt mag worden om de muren van dit Jericho te doen vallen. De drie muren betreffen de leer dat de kerkelijke macht boven de wereldlijke staat, dat alleen de paus de Bijbel uit mag leggen, en dat alleen de paus een concilie mag samenroepen. Op deze wijze wordt de kerk gevangengehouden en is een reformatie onmogelijk zodat alleen de wereldlijke overheid hieruit maar kan verlossen. Hij verwerpt romes onderscheiding tussen geestelijken en leken en daarmee de leer dat de wereldlijke macht aan de geestelijke onderworpen is. Hij wijst daarbij op het ambt van alle gelovigen; elke gedoopte is een priester. Dat alleen aan de paus de Bijbeluitleg toekomt en hij alleen een concilie mag samenroepen, is daarmee ook veroordeeld. Alle Christenen behoren tot de geestelijke stand en daar is onder Christenen geen sprake van hoger of lager. Luther richt zich tot de Christelijke edelen die waar de kerkleiding het laat afweten, nu als kerkleden dienen op te treden om de misstanden uit de wereld te helpen. Vervolgens behandelt hij 26 geestelijke misstanden en ter afsluiting enkele wereldlijke. Hierbij stelt hij onomwonden dat het de paus met de zijnen alleen maar om geld en macht gaat en dat Duitsland zowel in het verleden alsook in het heden door rome geplunderd en leeggeroofd wordt. De paus als hoofdverantwoordelijke is daarbij onmiskenbaar de antichrist. Luther eindigt dit geschrift met de volgende wens: “God geve ons allen een Christelijk verstand en in het bijzonder de Christelijke adel van de Duitse natie een juiste geestelijke moed om voor de arme kerk het beste te doen.” 4
Kortom, nu de geestelijke overheid haar plicht verzaakt aangaande een noodzakelijke reformatie dienen de edelen, die als gedoopte Christenen ook een priesterlijk ambt hebben, als leden van de kerk en als wereldlijke overheid dit te doen. Dit werkje maakte “de Reformatie tot een nationale beweging” 5 , mede omdat het in de volkstaal geschreven was. Natuurlijk kon de keizer nu niet stil blijven zitten.
Zonder meer kan gesteld worden dat Luthers hoofdgedachte van de plicht van de overheid in dit bekende werkje artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet weerspreekt. We hoeven alleen maar te denken aan de formulering en hun ambt is (…) ook de hand te houden aan den heiligen kerkendienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen. Zeker wanneer we bedenken dat met het rijk van de antichrist in de tijd van de opsteller, Guido de Brès (1522-1567), allereerst op rome werd gedoeld.
De geestelijke ban
Op 21 september 1520 werd de pauselijke bul tegen Luther, die al bijna twee maanden eerder in Rome was gepubliceerd, rechtsgeldig toen hij in Duitsland openbaar werd gemaakt. Luther werd verweten de dwalingen van Johannes Hus (ca. 1369/1370-1415) in Duitsland te leren. Veertig stellingen uit zijn werk werden ten bewijze aangevoerd, die geen enkele gelovige, kerkelijke instelling of universiteit op straffe van de bul mocht leren. Luther zelf moest nadat hij van de bul kennis had genomen, binnen zestig dagen alles herroepen, zijn werken verbranden en zijn werkzaamheden als prediker en schrijver beëindigen. Als hij dit niet deed, moest iedereen hem gevangennemen en naar Rome laten brengen.
Luthers antwoord was voor geen tweeërlei uitleg vatbaar. Precies zestig dagen nadat hij begin oktober van de inhoud van de bul had kennisgenomen, verbrandde hij op 10 december 1520 onder aanwezigheid van een menigte studenten deze bul samen met de boeken van het canonieke recht en enige andere bij de Elsterpoort in Wittenberg. Op 3 januari 1521 volgde de officiële excommunicatie. De paus had Luthers antwoord dus goed begrepen. Maar Luthers landsheer Frederik de Wijze (Friedrich III von Sachsen; 1463-1525) was niet bereid iets te ondernemen voordat na een verhoor bewezen was dat Luther onchristelijke zaken leerde. Zo zorgde de Heere voor Zijn kind en knecht.
Menig Duits vorst viel Luther bij in zijn wens naar hervormingen of wilde zich van de paus wat losmaken. Met elkaar wisten zij te bereiken dat Luther niet naar Rome hoefde, maar zich voor de keizer op de Rijksdag te Worms mocht verantwoorden. En ondanks de ban kreeg hij ook een retourtje vrijgeleide van eenentwintig dagen. Tegen de dringende adviezen van zijn vrienden in, die hem ongetwijfeld op het voorbeeld van Johannes Hus gewezen hebben, meende hij de reis naar Worms niet te mogen nalaten.
“Nu moeten we maar geen rekening meer houden met gevaar of gezondheid. Integendeel, we moeten er nu op letten dat we het Evangelie waarmee we begonnen zijn, niet aan de spot van de goddelozen overlaten en dat we de tegenstanders geen aanleiding geven dat ze zich tegen ons sterk maken door te zeggen dat we niet publiek uit durven komen voor wat wij onderwezen hebben en dat wij bang zouden zijn ons bloed daarvoor te vergieten. Moge de barmhartige Christus ons voor zo’n laffe houding en voor de roem van die anderen bewaren. Amen.” 6
Hoewel “bevend” 7 toen het erop aankwam, wilde hij niet vluchten, maar getuigenis afleggen. Hij mocht zich wat de afloop betreft aan Gods wil overgeven.
De wereldlijke ban
Luther had in samenwerking met de adviseur, geheimschrijver en hofkapelaan van Luthers beschermheer keurvorst Frederik de Wijze Spalatinus (Georg Spalatin;1484-1545) de keizer al eerder een brief gestuurd met het voorstel om onder voorwaarden persoonlijk ‘zijn’ leer toe te lichten. In oktober 1520 hoorde hij dat de keizer deze brief verscheurd had. Veel goeds had hij daarom in Worms niet te verwachten.
Karel V (1500-1558), die al eind juni 1519 door de Duitse keurvorsten tot keizer was gekozen, werd pas in oktober 1520 officieel gekroond. Zodoende begon de Rijksdag te Worms pas op 28 januari 1521. Op 17 april stond Luther ’s middags voor de keizer. Nadat gecontroleerd was of alle klaarliggende geschriften van hem waren, werd hem direct gevraagd of hij deze herroepen wilde. Overrompeld door deze directe vraag vroeg hij bedenktijd, die hem tot de volgende middag gegeven werd. Na een nacht vol geloofsworstelingen mocht hij de volgende dag door Gods genade na een verontschuldiging voor zijn gedrag van de vorige dag een indrukwekkende rede houden waarin hij stelde niet te kunnen herroepen. Na een uitvoerig antwoord van Johannes Eck (1486-1543), dat uitmondde in een hernieuwde oproep om te herroepen, luidde het antwoord van Luther dat hij dit vanwege Gods Woord en zijn geweten niet kon doen. Omdat mijn “geweten in Gods Woord gevangen is, kan en wil ik niets herroepen, omdat het veilig noch raadzaam is, iets tegen het geweten te doen.” 8 Hij eindigde vervolgens met de bekende woorden: “Ik kan niet anders, hier sta ik, God helpe mij, Amen.”
De woorden “Ik kan niet anders, hier sta ik” zijn tegenwoordig over het algemeen tot legende verklaard. Köhler wijst er echter op dat Luther zelf deze woorden waarschijnlijk heeft opgeschreven en in elk geval goedgekeurd in de uitgave van zijn werken. Hij noemt vervolgens enkele goede redenen waarom ze niet in de acta van de Rijksdag noch in Luthers Latijnse spreektekst zijn opgenomen. 9
Op 8 mei 10 volgde de officiële rijksban en werd hij vogelvrij verklaard. Zijn vrijgeleide werd gehandhaafd, maar zijn geschriften moesten verbrand worden alsook werd het preken hem op de terugweg verboden.
Gevangenneming en de Bijbel
Luther trok zich van het preekverbod echter weinig aan. Hij predikte Gods Woord op de terugtocht in een klooster bij Bad Hersfeld en Eisenach. Op 3 mei was dit waarschijnlijk ook het geval onder een lindeboom op de markt van het plaatsje Möhra, waar hij een nacht verbleef bij zijn oom en oude groot- moeder. In Möhra bevond zich het stamhuis van zijn familie van vaderskant. Op de volgende dag zou hij niet ver hiervandaan bij Steinbach in het Thüringerwoud door vijf vermomde ruiters in opdracht van zijn beschermheer Frederik de Wijze zogenaamd gevangengenomen worden. Een gedenknaald, die nog nauwelijks door het toerisme is ontdekt, herinnert hier aan deze schijnoverval. Na een rit kriskras door het bos kwam hij om 11 uur in de avond op de Wartburg aan. De avond voor zijn vertrek uit Worms was hem overigens het plan van een ontvoering meegedeeld. Frederik de Wijze achtte het noodzakelijk om Luther enige tijd te laten verdwijnen omdat iedereen verplicht was Luther gevangen te nemen en hem bij de keizer af te leveren.
Op de Wartburg is Luther ten prooi geweest aan geweldige aanvechtingen. Wat de keizer ter verklaring van de rijksban gesteld had, daarmee zal de duivel hem ongetwijfeld in de eenzaamheid van de Wartburg aangevallen hebben. Zou hij als eenvoudige monnik het beter weten dan de Christelijke kerk van zijn dagen en enkele eeuwen Christendom? God stond hem echter bij zodat hij zelfs de kracht kreeg om het Nieuwe Testament in de ongelooflijk korte tijd van elf weken in het Duits te vertalen. Overigens waren er al minstens 18 vertalingen van de hele Bijbel in het Duits, die echter letterlijke, woord-voorwoord-vertalingen van matige kwaliteit waren en tevens uitgingen van de Vulgata, de Latijnse, kerkelijk gangbare vertaling. Luthers vertaling, die direct gebaseerd was op de oorspronkelijke talen, is echter vanwege het zeer leesbare en vlotte Duits van de grootste betekenis geweest. Niet alleen in godsdienstig opzicht, maar ook voor de Duitse taal. Luther kan met recht vanwege zijn schitterend taalgebruik een taalvirtuoos genoemd worden. Hij vertaalde overigens wel vrijer dan onze Statenvertalers, maar echt niet zo vrij als tegenwoordig wel eens gesuggereerd wordt. Hij paste de typisch Hebreeuwse en Griekse taaleigenheden meer aan dan onze Statenvertalers, die de opdracht hadden om dit alleen te doen wanneer het onbegrijpelijk werd. Huidige Nederlandse woorden als ‘lokvogel’, ‘gastvrij’, ‘naastenliefde’, ‘zondebok’, ‘kleingelovig’ en zelfs het woord ‘avondmaal’ gaan op zijn vertaling terug. 11 Nadat Philippus Melanchthon (1497-1560) zijn vertaling had nagekeken, verscheen deze in september 1522.
Ondertussen werden tijdens zijn afwezigheid in Wittenberg hervormingen daar erg snel doorgevoerd, wat Luther begon te bezwaren. Na eerst incognito in Wittenberg te zijn geweest, ging het begin 1522 echt mis. De zogenaamde ‘Zwickauer Profeten’ wilden alle orde en regels in de kerk afschaffen. De kinderdoop werd verworpen en zogenaamde rechtstreekse openbaringen verhieven het innerlijke woord boven het Goddelijke Woord, terwijl deze profeten ongezouten kritiek op de overheid uitoefenden. Zelfs Melanchthon liet zich vanwege hun zelfbewuste optreden en grote Bijbelkennis door hen meenemen. Luther noemde ze echter Schwärmer (dwepers). Frederik de Wijze beval het Wittenbergse stadsbestuur op te treden, maar dat nodigde Luther voor het theologische dispuut uit om snel te hulp te komen. Op zondag 9 maart begon hij in de stadskerk aan een serie van 8 preken die elke dag gehouden werden (Invocavitpreken). Het geloof moest met liefde verbonden worden en niet met een ongebonden radicaliteit. Het is nauwelijks te geloven dat het hem in zo’n korte tijd gelukte de rust in Wittenberg te doen weerkeren.
Het ging hem in eerste instantie vooral om de zuivere prediking van Gods Woord en niet om de vernieuwingen. Het Nieuwe Testament was sinds september voor iedereen min of meer toegankelijk; de volgende taak was de gehele Bijbel voor het volk beschikbaar te stellen. Deze verscheen in 1534.
Aanleidingen
De geestelijke en de wereldlijke ban en de ongeregeldheden in Wittenberg zullen voor Luther aanleiding geweest zijn om zijn gedachten over de verhouding van de wereldlijke en geestelijke macht te laten gaan. Er zijn echter ook directe aanleidingen voor het ontstaan van zijn geschrift Von weltlicher Oberkeit uit 1523 aan te wijzen.
In september 1522 had Luther aan de baron Johann von Schwarzenberg (1463-1528), een belangrijk hervormer van het strafrecht die hem veel vragen over de verhouding van wereldlijke en geestelijke macht had voorgelegd, geantwoord dat hij daarover een boekje wilde laten verschijnen. Vervolgens had Luther in twee preken die hij op 24 en 25 oktober van datzelfde jaar in Weimar gehouden had, aangegeven hoe hij over deze zaak dacht. Naar eigen zeggen had hij geen aantekeningen van deze preken gemaakt, maar zeker is dat behalve de hoofdlijn vele dingen van zijn betoog zoals onder andere spreekwoorden en voorbeelden in het geschrift Von weltlicher Oberkeit zijn opgenomen. In het begin van het tweede gedeelte van het geschrift spreekt Luther zelf van een preek: “Hier komen we bij het belangrijkste gedeelte van deze preek.” 12 In de recente vertaling van dit geschrift in Luther verzameld onder redactie van Selderhuis wordt het door Luther gebruikte woord ‘sermon’ met ‘verhandeling’ vertaald. 13
Verder schreef Luther in november aan zijn vriend Spalatinus, die behalve als adviseur van de keurvorst de rol van tussenpersoon tussen de keurvorst en Luther vervulde, dat men hem verzocht had het uitgesprokene over de wereldlijke en geestelijke macht uit te geven. Waarschijnlijk is dit verzoek van de predikant van het hof in Weimar, Wolfgang Stein, uitgegaan.
Minstens zo belangrijk is ook de rol van Georg der Bärtige (1471-1539), hertog van Sachsen-Meißen. Deze keerde zich hoe langer hoe meer tegen de leer van Luther. In november 1522 liet hij koop en verkoop van Luthers Nieuwe Testament verbieden. Gekochte exemplaren moesten bij de overheid met terugbetaling van de koopprijs worden ingeleverd, terwijl verkoper en de aankoopplaats genoemd moesten worden. Een burger uit Leipzig die de Bergrede in de Lutherbijbel gelezen had, liet hij nog in 1522 als ketter door de inquisitie uit zijn land verbannen, terwijl zijn goederen in beslag werden genomen. Lutheranen moesten in het volgende jaar het land verlaten, terwijl zelfs in 1524 een boekhandelaar, die in het geheim Luthers geschriften had verkocht, op de markt van Leipzig werd onthoofd. In 1525 ondergingen nog twee mannen deze gruweldaad omdat zij boeken van Luther bij zich hadden. 14 Uit het volgende citaat, waarmee Von weltlicher Oberkeit min of meer begint, blijkt wel dat de houding van deze hertog geen onbelangrijke aanleiding is geweest. Tevens blijkt eruit dat Luther de vrijheid van het geweten voorstond omdat dat het terrein van Gods Geest is:
“Want God de Almachtige heeft onze vorsten dol gemaakt zodat zij niet anders menen dan dat zij met hun onderdanen kunnen doen en hun kunnen gebieden wat zij maar willen. En de onderdanen dwalen ook en geloven dat zij verplicht zijn om dat alles op te volgen. De vorsten gaan nu zo ver dat ze begonnen zijn om de mensen te bevelen boeken weg te doen, te geloven en aan te nemen wat zij hun voorhouden. Daarmee hebben zij de euvele moed ook op Gods stoel te gaan zitten en over de gewetens en het geloof te heersen en de Heilige Geest volgens hun dolle hersenen de les te lezen.” 15
Later zegt Luther dat ongehoorzaamheid tegen een landsheer die het lezen van goede boeken en Gods Woord verbiedt, Bijbelse plicht is. Weer neemt hij het op voor een Bijbelse gewetensvrijheid:
“Als nu uw vorst of wereldlijke heer u gebiedt de partij van de paus te kiezen, zus of zo te geloven, of u gebiedt uw boeken weg te doen, dan moet u als volgt zeggen: ‘Het past Lucifer niet, naast God te zitten. Waarde heer, ik ben verschuldigd u te gehoorzamen met lijf en goed, beveel mij naar de maat van uw macht op aarde, dan wil ik volgen. Beveelt u mij echter te geloven en mijn boeken weg te doen, dan wil ik niet gehoorzamen. Want dan bent u een tiran en u grijpt te hoog en gebiedt waar u noch recht noch macht hebt enz.’ Neemt hij daarom uw goed en straft hij zulke ongehoorzaamheid, zalig bent u en dank God dat u waardig bent omwille van Gods Woord te lijden. Laat hem maar razen, de dwaas, hij zal zijn Rechter wel vinden. Want ik zeg u als u hem niet tegenspreekt en hem ruimte geeft zodat hij uw geloof of boeken wegneemt, dan hebt u waarlijk God verloochend.” 16
Hertog Georg had zijn secretaris en hoftheoloog Hieronymus Emser (1478-1527) de opdracht gegeven het Nieuwe Testament in het Duits te vertalen niet op grond van het Grieks, maar op grond van de Vulgata, die vanaf 1546 door het Concilie van Trente (1545- 1563) tot enig gezaghebbende Bijbelvertaling zou worden verklaard. In 1527 verscheen Emsers vertaling.
Luthers reactie
In de vertaling van Emser had hertog Georg in een voorrede op een verschrikkelijke wijze Luthers vertaling veroordeeld, terwijl Emser in een eerder werkje Luthers vertaling zeer bekritiseerd had en het verbod van zijn landsheer had verdedigd. Nu deed zich echter het geval voor dat Emser zelf bij zijn vertaling Luthers vertaling dermate gebruikt had dat Luther hem zonder bij name te noemen in zijn Sendbrief vom Dolmetschen (1530; een verantwoording van zijn vertaalmethode) een ‘Sudler’ 17 , een ‘knoeier’, noemde. Niet ten onrechte stelde hij dat Emser na weglating van zijn voorrede, kanttekeningen en naam vervolgens bijna woordelijk Luthers vertaling onder zijn eigen naam had uitgegeven. Waarom Luther tot op dat moment nog niet gereageerd had en zich zelfs verblijd had, verklaart hij in zijn Sendbrief als volgt:
“Want wat hij op weinig plaatsen opgelapt en veranderd heeft, hoewel alles mij niet bevalt, dan kan ik het toch goed verdragen en het schaadt mij niet bijzonder voor zover het de tekst betreft. Daarom heb ik ook nooit daartegen willen schrijven, maar heb ik om de grote wijsheid moeten lachen dat men mijn Nieuwe Testament zo verschrikkelijk belasterd, veroordeeld en verboden heeft toen het onder mijn naam verschenen is, maar men het nu toch moet lezen sinds het onder de naam van een ander is uitgegeven. Hoewel, wat is dat voor een deugd om het boek van een ander te belasteren en te schande maken, het daarna te stelen en onder eigen naam toch te laten uitkomen om zo door belasterd werk van een ander eigen lof en naam te zoeken? Daarover laat ik iedereen zelf oordelen. Intussen heb ik er genoeg van en ben ik blij dat mijn werk - zoals de heilige Paulus roemt [in Filippensen 1 vers 18: En om datzelve verblijdt gij u ook, en verblijdt ook ulieden met mij; PHoptH] - ook door mijn vijanden bevorderd en Luthers boek zonder Luthers naam onder de naam van zijn vijanden gelezen moet worden. Hoe zou ik mij beter kunnen wreken?” 18
Overigens blijkt ook uit dit citaat hoezeer Luther door genade Gods eer en de zaligheid van de Kerk boven eigen eer mocht zoeken.
Opdracht
Het geschrift Von weltlicher Oberkeit is opgedragen aan Johann der Beständige (1468-1532), jongere broer van Frederik de Wijze, die na Frederiks overlijden in 1525 diens opvolger als keurvorst van Saksen werd. Ook hij had zijn vragen over de wereldlijke macht aan Luther voorgelegd. Uit deze opdracht mag al geconcludeerd worden dat deze vorst op goede voet stond met Luther. In de verwachtingen die Luther aangaande hem koesterde, is hij niet teleurgesteld. Na de Rijksdag te Augsburg (1530) liet Luther zich zeer positief over hem uit. Zijn standvastigheid aangaande geloofszaken gaf hem de bijnaam Johan de Standvastige (Beständige). Hij volgde Luther lange tijd ook daarin dat hij zeer terughoudend was om tot een verbond van protestantse vorsten tegen de roomsen te komen in tegenstelling tot Philipp von Hessen (1504-1567), die daarvan een warm voorstander was. Luther was erop tegen omdat het verboden was een verbond tegen de keizer te sluiten. In 1531 zou het tot het Schmalkaldische Verbond komen, waarbij protestantse vorsten zich onder leiding van de keurvorstendommen Saksen en Hessen tegen de roomse Karel V verenigden.
Korte samenvatting
Het geschrift zelf bestaat uit drie gedeelten. In het eerste bewijst Luther dat de wereldlijke overheid een verordening Gods is, in het tweede behandelt hij de vraag hoe ver haar macht reikt en in het derde de vraag hoe een vorst die macht moet gebruiken. Luther levert in dit geschrift het bewijs van het Goddelijke recht van de wereldlijke overheid. Onmiskenbaar een breuk met het (roomse) verleden en het enkel historische recht. Het is gericht tegen de dwepers die het recht van het wereldlijke zwaard loochenden, en tegen de roomsen die de geestelijke macht boven de wereldlijke macht plaatsten.
Tegen de dwepers stelt hij dat de ware Christen weliswaar geen wereldlijke macht nodig heeft omdat hij voor elk mens slechts het goede zoekt en onrecht verdraagt, maar dat er naar Gods wil een wereldlijke macht tot straf van de kwaden en bescherming van de goeden moet zijn en omdat er in alle tijden maar weinig ware Christenen zijn. Een Christen mag dus een overheidsambt vervullen en het wereldlijke zwaard hanteren. Hij doet dat uit Christelijke liefde met het oog op het nut en voordeel van de naaste en niet tot eigen voordeel. De wereldlijke macht heeft een eigen terrein, geestelijke zaken behoren tot de geestelijke macht. Zo zijn er dus twee regimenten, twee machten, twee rijken: een wereldlijk en een geestelijk rijk. Deze onderscheiding is later Luthers tweerijkenleer genoemd.
Hij bestrijdt de inmenging van de wereldlijke macht in geestelijke zaken en omgekeerd. Hij onderzoekt nu hoe ver het wereldlijke regiment strekt: het betreft het uitwendige, vrede scheppen, de kwaden straffen en de goeden beschermen. Zijn wetten betreffen het lichaam, het goed en al wat uiterlijk is. Gehoorzaamheid is daarbij het strikte Goddelijke gebod.
De geestelijke macht is nu een menselijke macht geworden. De ziel en het geloof behoren niet tot het wereldlijke zwaard. Is hier van dwang sprake, dan moet de Christen God meer gehoorzamen dan de mensen. Vanwege de toorn Gods zijn de geestelijke heren werelds geworden en grijpen de wereldse tirannen in het geestelijke in. Als zij bepaalde geschriften verbieden en men het Duitse Nieuwe Testament moet afgeven, dan mag men niet gehoorzamen. Voor het overige moet men alles verdragen, want God zal de tirannen straffen.
Het geschrift rolde begin maart 1523 van de pers en vond een snelle en brede verspreiding. Op 21 maart tekende hertog Georg bezwaar aan bij Frederik de Wijze omdat Luther de vorsten aanviel die hun ambt verkeerd of slecht uitoefenden, maar zijn verzoek op te treden tegen de schrijver en drukker werd door Frederik afgewezen. Hij was zo met het geschrift ingenomen dat hij het apart voor zich liet inbinden. 19
Ten slotte
In een tweede artikel hopen we door een uitgebreidere samenvatting van de drie delen dieper op dit geschrift in te gaan. Tevens zal dan geprobeerd worden zijn gedachten die hij in dit geschrift heeft neergelegd aangaande de macht van de overheid en haar reikwijdte met die van de gereformeerde leer zoals samengevat in artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te vergelijken. Het systematisch denken is niet de sterkste kant van Luther geweest. 20
In dit verband is het veelzeggend dat aan zijn vriend en mede strijder Melanchthon de eer te beurt valt de eerste systematische samenvatting van de lutherse geloofsleer geschreven te hebben: Loci communes 21 . Men kan dit werk als de eerste dogmatiek beschouwen.
Vanwege zijn impulsieve karakter miste Luther wellicht de goed doordachte, vastomlijnde bezonkenheid van een Johannes Calvijn (1509-1564). Daarom is het niet verwonderlijk dat bijvoorbeeld wat zijn mening over het recht van verzet betreft in de loop van de tijd onmiskenbaar van een verschuiving sprake is.
Laten we ondertussen bij de herdenking van de Reformatie 500 jaar geleden niet vergeten wat wij aan deze Godsgezant in de leer van de rechtvaardiging en van de onderscheiding tussen Wet en Evangelie te danken hebben zoals met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niemand minder dan Theodorus van der Groe (1705-1784) dit in een woord vooraf op zijn vertaling van Luthers Galatenbrief verwoordde:
“…laat men God danken voor alle goeds, en inzonderheid voor hetgeen ons doorLuthergegeven is, openbarende aan ons Zijne genade, goedertierenheid en goede wil in Zijn Zoon, zo klaar en wijdlustig [wijdlopig; PHoptH] door de prediking van deze grote man, die, indien hij niet klaar geleerd had en openbaar gemaakt het onderscheid tussende Wet en het Evangelie, en onwraakbaar [onweerlegbaar; PHoptH] aan ons uitgebreid onzerechtvaardiging, overwinning en vrijheid in Christus alleen door het geloof, gelijk hij gedaan heeft. Wie, zeg ik, zou ooit zo stout hebben durven wezen om zijn mond te openen in zulke bewoordingen of met een onwankelbaar vertrouwen hebben gestaan in deze leer des geloofs en der genade?” 22
Noten:
1) M. Luther, Von welltlicher vberkeytt: wie weytt man yhr gehorsam schuldig sey, Vuttemberg MDXXIII [1523], 51 pagina’s. Wij maken hier gebruik van de zogenaamde Weimarer Ausgabe (WA), waarin dit werkje in deel 11 de pagina’s 245–281 is te vinden. De Weimarer Ausgabe is de enige wetenschappelijke, kritische uitgave waarin al de werken van Luther zijn opgenomen, en bestaat uit maar liefst 127 delen. Luthers geschriften bestaan uit 80 delen (WA), zijn brieven uit 18 delen (WA BR), de Bijbel uit 15 delen (WA DB) en zijn tafelredes uit 6 delen (WA TR). Een goede, recente vertaling van het geschrift is te vinden in het onlangs uitgegeven boek onder redactie van H.J. Selderhuis, Luther verzameld, Utrecht 2016 in 2 delen (voortaan: Luther verzameld). De vertaling bevindt zich in deel 2, p. 968-1002 en wordt voorafgegaan door een korte inleiding (p. 967-968) en afgesloten met een aantal noten (p. 1003-1004). Voor de geïnteresseerde is behalve de taalkundige varianten en verklaringen vooral de inleiding in WA van belang op de pagina’s 229-230. De inleiding in Luther verzameld gaat daarop grotendeels terug. Het Duits van Luther is soms zeker niet makkelijk te vertalen, toch is deze vertaling zonder meer vlot leesbaar en in het algemeen betrouwbaar. Hier en daar is zij naar mijn mening echter wat te vrij. Daarom maak ik soms wat andere keuzes en gebruik bij citaten een eigen vertaling. Ook is een vertaling te vinden in: Stemmen uit Wittenberg, bundel XV, juni 1973, p. 35-85 met toelichting op p. 86-88 (voortaan: Stemmen uit Wittenberg).
2) H.J. Selderhuis, Luther. Een mens zoekt God, Apeldoorn 2016 2 , 333 pagina’s (voortaan: Selderhuis)
3) J. Köhler, Biographie eines Befreiten, Leipzig 2016, 405 pagina’s (voortaan: Köhler)
4) M. Luther, An den christlichen Adel deutscher Nation von des christlichen Standes Besserung, Stuttgart 1954, Reclam nr. 1578/78a, p. 120. De vertaling van de citaten uit het Duits in dit artikel zijn van mijn hand.
5) Selderhuis, p. 137
6) Geciteerd bij: Selderhuis, p. 145, 146
7) Geciteerd bij: Selderhuis, p. 146
8) Geciteerd bij Köhler, p. 255
9) Zie: Köhler, p. 256 en 257
10) Eigenlijk is de datum 26 mei toen het Edict van Worms uitgevaardigd werd, maar het Rijksdagbesluit werd terug gedateerd naar 8 mei.
11) Selderhuis, p. 171
12) WA 11, p. 261
13) Zie voor dit werk noot 1. Het woord staat in: Luther verzameld, 2, p. 985
14) Zie Köhler, p. 278-279
15) WA 11, p. 246. Zie ook: Luther verzameld, 2, p. 969
16) WA 11, p. 267. Zie ook: Luther verzameld, 2, p. 990
17) Luther, Sendbrief vom Dolmetschen, Stuttgart 1962, Reclam nr. 1578, p. 154 (voortaan: Sendbrief). Zie ook: Luther verzameld, 2, p. 701 en 702
18) Sendbrief, p. 155. Zie ook: Luther verzameld, 2, p. 702
19) Zie: Stemmen uit Wittenberg, p. 88
20) Zie onder anderen: D.J. de Groot, De reformatie en de staatkunde, Franeker 1955, p. 44 en het hele hoofdstuk 1 (p. 7-46), dat als titel heeft ‘Inleiding’.
21) P. Melanchthon, Loci communes theologici recens collecti en recogniti a Philippo Melanthone, Wittenberg 1541, 234 pagina’s
22) Geciteerd bij: M. Luther, Verhandeling over Paulus brief aen den Galaten, Rotterdam 1743, 763 pagina’s met een “Bladwyzer der Voornaemste Zaken” van 25 pagina’s. We maken hier gebruik van de reprint van uitgeverij Snoek uit Ermelo, waarin de ‘voorrede’ van de tweede druk uit 1750 in aangepaste spelling is opgenomen. Hier is het citaat op pagina XXXI te vinden. In de inleiding van XXI pagina’s op deze reprint maakt drs. L.D.A. Hartevelt duidelijk dat de vertaler met een grote mate van waarschijnlijkheid Theodorus van der Groe is geweest. Uiterst interessant zijn de kanttekeningen bij onduidelijke, minder juiste of ongereformeerde zaken, die dan in het juiste gereformeerde licht geplaatst worden. Zie ook L.D.A. Hartevelt, ‘Ds. Theodorus van der Groe en Luthers Galatenbrief’, in: In het spoor, jrg. 33, 2009, p. 146-152. Overigens had G.H. Leurdijk al driemaal de passage uit de autobiografische aantekening bij Luthers Galatenbrief bij een beschrijving van het leven van Van der Groe aangehaald, zonder daarbij merkwaardig genoeg de vindplaats te vermelden. Ook hij ging er dus stilzwijgend vanuit dat Van der Groe de vertaler van dit werk was. Zie: G.H. Leurdijk, ‘Het keerpunt in het leven van Van der Groe’, in: Reformatorisch Dagblad, 29 september 2005, p. 16; G.H. Leurdijk, ‘Levensschets van Theodorus van der Groe’, in: Oud vaders: bronnen van gereformeerd geloven, nr. 2, 2005, p. 8 en ‘Theodorus van der Groe als vertaler van reformatorisch erfgoed: De plaats van Luthers commentaar op de Galatenbrief in de Eswijleriaanse discussie van Van der Groe’, in: Documentatieblad Nadere Reformatie, nr. 2, 2009, p. 38, 39.
Fotoverantwoording:
a) Foto’s J.H. Rozendaal
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 2017
In het spoor | 60 Pagina's