Eva van der Groe en de Politieke Roeping van de Vrouw
‘Een eenvoudig en echt verhaal over oorlog, kerk en staat’
De zus van de bekende ds. Theodorus van der Groe (1705-1784), Eva van der Groe (1704- 1770), heeft een indrukwekkend werk nagelaten onder de titel Oorlog, kerk en staat. Bekend zal dit ‘eenvoudig en echt verhaal’, zoals zij het zelf noemt, niet bij iedereen zijn, maar indrukwekkend is het in elk geval wel. Zij beschrijft hierin haar geloofswerkzaamheden tijdens en met de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) die zij in de binnenkamer mocht ondervinden. Let wel, in de binnenkamer! Zij was dus geen geëmancipeerde vrouw die zich losgemaakt had van de Bijbelse positie en roeping van de vrouw ten aanzien van het politieke leven. Nee, met recht was zij een bidster voor land en volk. Wat een verschil met die SGP-vrouwen (!?) die zich schaamteloos op een verkiezingslijst laten plaatsen of zelfs in een gemeenteraad plaatsnemen.
We willen in dit artikel na een biografie van Eva van de Groe met dit werk aantonen dat de vrouw wel degelijk een taak en roeping omtrent de politiek heeft. Omtrent de politiek en in de binnenkamer, maar niet in de politiek (non ius in politica, sed ius circa politica). De afgelopen gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 hebben weer pijnlijk duidelijk gemaakt hoever de Bijbelse lijnen in de gereformeerde gezindte aangaande de maatschappelijke en politieke positie van de vrouw zijn losgelaten. We noemen hier alleen maar de plaatsen Amsterdam en Vlissingen. 1 Des te meer reden om daarbij de Bijbelse positie van de vrouw nog eens kort en bondig op grond van de Schrift te schetsen. Maar eerst een korte biografie. 2
Afkomst en huwelijk
Eva van der Groe zag op 6 februari 1704 in het Zuid-Hollandse dorp Zwammerdam het levenslicht. Hier was haar vader, Ludovicus van der Groe (1675- 1711), predikant, terwijl haar moeder, Johanna Laats (±1680-1760), uit een domineesfamilie stamde. Zij kreeg twee broers: de bekende Theodorus en Simon Ludovicus (1707-1779), die beiden predikant werden. Op zevenjarige leeftijd verloor zij haar vader, zodat het gezin in 1712 de pastorie van Zwammerdam moest verlaten en een woning in Leiden betrok.
Door een kinderziekte werd Eva’s gehoor beschadigd en - wellicht mede daardoor -, gaf zij zich over aan een leeshonger die haar romans, reisbeschrijvingen en gedichten deed verslinden.
In 1723 legde zij belijdenis van het geloof af onder een “dode, letterlijke bediening van de openbare godsdienst”. 3 Zij nam naar eigen getuigenis zonder waarheid in het binnenste deel aan het Heilig Avondmaal. Eenentwintig jaar oud was Eva, toen zij trouwde met een koopman uit Haarlem, Jan Pluymejoen (1701- ca.1758). Een jaar later kregen zij een zoontje, dat al na vier maanden overleed. Eva karakteriseert haar man in haar bekeringsgeschiedenis als lui en als een grote losbol. In de zomer van 1727 werd het huwelijk ontbonden. Na een kort verblijf bij haar moeder in Leiden trok het gezin naar de pastorie van Rijnsaterwoude, waar haar broer Theodorus in 1730 herder en leraar van zijn eerste gemeente was geworden.
Bekering
In 1735 grijpt God in en is haar zorgeloze leven voorbij. De nood van haar ziel gaat wegen. De schuld over haar wereldse levenswijze tot nu toe wordt haar opgebonden. Haar levensinstelling verandert, samen met haar manier van kleden. Daarbij wordt een oude, ongehuwde vrouw, Geertje Raaphorst, uit het naburige Leimuiden als middel gebruikt. Deze vrouw zoekt haar broer, de jonge dominee, gedurig op om hem zijn onbekeerde staat voor ogen te houden en haar Godzalige levenswandel overtuigt Eva van zonde en schuld. De heiligheid en rechtvaardigheid van God drukken zwaar op haar ziel en die doen haar zich als geheel zondig kennen. Al haar bidden en godsdienstige verrichtingen worden haar tot zonde.
Deze overtuigingen maken haar niet tot een gearriveerde, ‘bekeerde’ vrouw, maar doen haar des te meer de noodzaak inleven om met Christus verenigd te worden. Hoewel ze zich naar eigen inzicht aan de Heere Jezus overgeeft, blijft ze even onrustig en schuldig. Haar onmacht om tot Christus te komen leeft ze nu in, maar ook haar onwil. De Heilige Geest ontdekt haar niet alleen aan haar ellendige en rampzalige staat, maar ook aan de zondigheid en verdoemelijkheid van al haar eigen werkzaamheden. Zo leert zij sterven aan zichzelf en aan al het hare, om in waarheid over te gaan in Christus. Op 25 september 1735 komt het tot een doorbraak en mag zij zich geheel aan de Heere Jezus als haar Zaligmaker overgeven en de rust in Hem voor eigen bewustzijn ervaren. Enkele dagen lang mag ze nu de liefde des Heeren voluit smaken en zich in Hem verlustigen. Vooral de werkzaamheden tot dit moment, in de blindheid en bedrieglijkheid van het hart en in het bouwen op eigen werkzaamheden buiten Christus, staan centraal in haar geschrift Bekeringsweg 4 . Een half jaar later komt ook Theodorus tot bekering.
Bidster voor land en volk
Midden in het jaar 1740 neemt Theodorus het beroep aan naar Kralingen bij Rotterdam, met Eva in zijn gevolg. In deze tijd krijgt zij werkzaamheden met de Oostenrijkse Successieoorlog, waarin de Republiek in 1744 ook betrokken wordt. Zij lijdt onder het moreel en godsdienstig verval in het eens door God zo beweldadigde land. Het roomse, imperialistische Frankrijk ziet zij als een gesel Gods voor de zonden van land en volk. De ene nederlaag na de andere van het Staatse leger; het zijn de gevolgen van de straffende hand Gods. Alleen een bukken onder de roede past in dezen, hoewel anderzijds een goed onderhouden leger de verantwoordelijkheid van de overheid is. In haar binnenkamer mag zij smeken om de verbreking van “Achitophels raadslagen” 5 , namelijk van de onderhandelingen van de legeraanvoerders in Frankrijk. En de Heere laat zich soms verbidden.
In mei 1747 ontmoet zij in Rotterdam persoonlijk de kort daarvoor tot stadhouder benoemde Willem IV (1711-1751), die zij als een instrument Gods mag zien om het roomse gevaar te keren. De losbandige vreugde van het volk doet haar echter ook weer het ergste vrezen. Intens beleeft zij de belegering van Bergen op Zoom. Zij krijgt te geloven dat de vestingstad verloren zal gaan, maar ook de belofte dat zij de Heere op de puinhopen van die stad zal grootmaken voor Zijn verlossing. De gebeden van Eva verhinderen dat de vesting door de Fransen wordt opgeblazen.
Als verhoring op haar gebed worden in december 1747 de Franse soldaten niet van een partij levensmiddelen voorzien. Tegelijk mag zij geloven dat deze verhoring het begin van Gods verlossing is. Wanneer zij op 8 maart 1748 een boetedag wil houden over het ijdele gedrag van het volk naar aanleiding van de doop van stadhouder Willem V (1748-1806) krijgt zij de zekerheid dat de bevrijding aanstaande is. Echter, de val van Maastricht op 7 mei geeft dan weer voeding aan twijfel, maar op 18 oktober 1748 volgt dan de ondertekening van de vrede van Aken, die de oorlog beëindigt. Met Pinksteren 1749 gaat de belofte in vervulling om met eigen ogen de verwoestingen van Bergen op Zoom te zien en mag zij daar de Heere voor Zijn verlossing grootmaken.
Kortom, voortdurend wordt zij ertoe verwaardigd de noden van land en volk in het gebed de Heere op te dragen en krijgt zij door het geloof bijna profetische gaven. Met recht mag zij een bidster voor land en volk genoemd worden.
Laatste jaren en overlijden
In hetzelfde jaar 1749 meent zij dat de Heere haar opdraagt haar werkzaamheden op schrift te stellen. Na biddend onderzoek, gezien haar onwaarde, geeft zij, met het oog op Gods eer en het nut van de naaste, daaraan gehoor. In december van dat jaar mag zij haar ‘eenvoudig en echt verhaal’ afronden. In afhankelijkheid van Gods wil spreekt ze de bereidheid uit om haar vele verzoekingen apart te beschrijven. Zeer waarschijnlijk is dit nooit werkelijkheid geworden.
In 1754 trouwt haar broer, met wie ze zich volledig eensgeestes weet, met de vermogende Rotterdamse burgemeestersdochter Johanna Cornelia Bichon (1709-1785). Dit zal de aanleiding geweest zijn om samen met haar oude moeder de pastorie te verlaten en zich aan de Veenweg aan de rand van Kralingen te vestigen. Weinig weten we uit deze tijd.
In 1770 verwisselt zij in de leeftijd van 66 jaar het tijdelijke met het eeuwige. Zij wordt op 23 maart vlak voor de preekstoel in de kerk van Kralingen begraven, waar haar moeder al tien jaar rustte. In 1784 zal ook Theodorus daar zijn laatste rustplaats vinden.
‘Oorlog, kerk en staat’
In 1749 heeft Eva haar werkzaamheden met de Oostenrijkse Successieoorlog en haar bekeringsweg opgeschreven. Haar politieke werkzaamheden eerst en daarna haar bekeringsweg. Pas in 1838, bijna een eeuw later, verscheen haar bekeringsweg in druk, terwijl pas zes jaar daarna, in 1844, de eerste druk van het eerste gedeelte Een eenvoudig en echt verhaal over oorlog, kerk en staat 6 het licht zag. Haar bekeringsweg heeft elf drukken gekend, Oorlog, kerk en staat maar vier.
We noemen uit dit laatste werk enkele opvallende dingen. De biddagbrieven die door de overheid worden uitgegeven, mogen soms aanleiding zijn tot gebedswerkzaamheden aangaande het welzijn van het land. Zeer het opmerken waard is de rol van het Oranjehuis. Allereerst van Willem IV, die op wonderlijke wijze in mei 1748 tot kapitein-generaal en admiraal-generaal van de Republiek alsook tot stadhouder van alle gewesten verheven wordt. In november van hetzelfde jaar zelfs tot erfstadhouder. Hij is voor Eva het instrument Gods om het roomse gevaar te weren. Kennelijk Gods hand mocht ze ook opmerken in de geboorte van stadhouder Willem V. Met dankbaarheid is zij vervuld, hoewel de losbandige feestvreugde van het volk haar met angst en vreze bezet vanwege de toorn des Heeren, die daarover niet kan achterblijven.
Ook ziet zij een bijzondere rol weggelegd voor Engeland ten aanzien van de Franse veroveringszucht. Scherp bekritiseert zij het nalatige beleid van de regenten met het oog op de verdediging van het land. Heel actueel wijst zij op de noodzaak van een goed militair apparaat. Hoe triest is het wat dat betreft ook nu in ons land gesteld! Opvallend is ook de geestelijke verbondenheid door het geloof met het ware volk van God in Engeland. Net als haar broer waardeert zij schrijvers als de beide Erskines en iemand als John Flavel (±1630-1691) 7 en wijst zij de zogenaamde Nijkerkse beroeringen als mensenwerk af. 8
Plaats en roeping van de vrouw
Hoe vaak wordt in deze tijd hun die het actieve en passieve kiesrecht voor de vrouw afwijzen, verweten dat zij de vrouw een minderwaardige plaats geven door haar geheel buiten de politiek te houden. Zij zou haar talenten daardoor niet kunnen ontplooien. Maar dat verwijt kan met recht als geheel onterecht worden afgewezen. De Bijbelse roeping van de vrouw ten aanzien van het politieke bestel ligt binnenshuis en in de binnenkamer. En die heeft niets met minderwaardigheid of achterstelling te maken. Het gaat hier om de plaats die God haar gegeven heeft. We willen trachten die plaats op grond van de Schrift kort te schetsen.
Adam is eerst geschapen en daarna is Eva uit de man genomen als een hulpe, die als tegen hem over zij (Gen. 2:18). In dit als een hulpe ligt de plaats van afhankelijkheid en ondergeschiktheid verklaard, echter niet als iets minderwaardigs. Het als tegen hem over wil namelijk zeggen als mens van gelijke waardigheid, op gelijke hoogte. Zij werd genomen uit de zijde van de man, niet uit zijn hoofd om over haar te heersen in negatieve zin en ook niet uit zijn voeten om haar te vertreden en als slavin te gebruiken.
Deze plaats van ondergeschiktheid ligt dus in de scheppingsorde gefundeerd; het is een scheppingsordening of scheppingsordinantie. Adam is daarom ook het verbondshoofd (Rom. 5:12) en niet Eva. Deze ondergeschikte plaats is door Gods oordeel na de zondeval alleen maar nadrukkelijk aangescherpt, wanneer er in Genesis 3:16 staat: Tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. Dit heerschappij hebben betekent geenszins een tiranniek heersen over de vrouw, maar een in liefde leidinggeven aan de vrouw, waaraan de vrouw zich vóór de zondeval ook in liefde onderwierp. Kanttekening 33 bij dit vers zegt het als volgt: “Dat is, hij zal macht hebben over u te gebieden, hetwelk voor uw vlees nu lastig zal zijn, terwijl het voor den val niet dan lieflijk was.”
Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament lezen we daarom van de onderdanigheid van de vrouw aan de man en van haar bijzondere positie aan de binnenkant van de maatschappij als huismoeder in het gezin. Dit is een door God gegeven ereplaats, die zij niet moet verlaten. Het publiek naar buiten treden in politiek en kerk past haar niet, het regeren al he-lemaal niet. In dit licht is het gebruikmaken van het stemrecht een ongepaste vorm van naar buiten treden, een vorm van regeren. Stemrecht is regeerrecht. Daarmee is zowel het actieve kiesrecht (zelf stemmen) als het passieve (gestemd worden en daarna regeren) ten diepste een revolutionaire daad omdat de vrouw buiten de door God aan haar gegeven plaats treedt en de plaats van de man inneemt. Hier ligt de zondige kern van de moderne emancipatie, die tegen de scheppingsorde ingaat en daarmee als revolutionair gekenmerkt moet worden. Men sprak vroeger ook wel van virilisme, vermannelijking van de vrouw. Het sieraad van de vrouw is echter een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God (1 Petr. 3:4). Spreuken 31 met de deugdelijke huisvrouw en haar man die in de poorten bekend is, spreekt eveneens boekdelen. De vrouw mag in liefde de man dienen, die in liefde dient te regeren. Zij is daarin een type van de bruidskerk, die haar Bloedbruidegom in liefde dient en volgt.
Debóra en Hulda: buitengewoon
Vooral ter beschaming en vernedering van de man en ten bewijze van Gods trouw maakte de Heere in tijden van verval soms gebruik van vrouwen in het politieke bestel. Te denken valt hier in het bijzonder aan de moeder in Israël Debóra (Richt. 5:7) alsook aan Hulda (2 Kon. 22 en 2 Kron. 34), die de gave van profetie verkregen hadden. Echter, in beide gevallen gaat het om een buitengewone, extraordinaire leiding van de Heilige Geest en allesbehalve om een recht en plicht van de vrouw om te stemmen of te regeren.
Debóra was voor de richter Barak een hulpe met profetie en raad, maar zij nam niet zijn plaats in de strijd over, ook al sloot zij zich op Baraks aandrang bij het leger aan. Zij werd gebruikt om Baraks kleingeloof en dat van het hele volk Israël te beschamen. De eer van Sísera’s dood viel tot vernedering van Barak en tot kleinhouding van Debóra een andere vrouw, Jaël, ten deel.
De profetes Hulda werd door de buitengewone leiding van Gods Geest gedrongen tegen de zonden van het volk op te treden en zij gaf de koning advies. Maar zij bleef moeder in huis en nam geen deel aan de regering.
Deze vrouwen kunnen in geen enkel opzicht als bewijs dienen voor het vrouwenkiesrecht, maar ze bewijzen alleen Gods eeuwige trouw aan Zijn volk. Men mag het buitengewone niet tot regel verheffen om het gewone (de scheppingsordinantie) buiten werking te plaatsen. Veelzeggend is het dat er in de Bijbel maar van één regerende vrouw sprake is, namelijk van een monster van goddeloosheid; de koningin Athália. Als buitengewoon, in droeve tijden van verval hebben wij het regeren van vorstinnen uit het Oranjehuis alsook van een Maria Theresia (1717- 1780) van Oostenrijk te zien.
Kerkelijke gemeente; omgekeerde wereld
De Schriftgebonden plaats van de vrouw in onderdanigheid aan de man wordt door Paulus nadrukkelijk ook betrokken op het geestelijke en kerkelijke vlak. Galaten 3:28 zegt dat in Christus noch man noch vrouw is, wat aanleiding zou kunnen geven tot de gedachte dat dit verschil tussen man en vrouw in de kerk is opgeheven. Maar onmiskenbaar weerspreken dit onder andere de zogenaamde Paulinische zwijgteksten: Dat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de Wet zegt (1 Kor. 14:34-35) en Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. Doch ik laat de vrouw niet toe dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil dat zij in stilheid zij. Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde, is in overtreding geweest. Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid (1 Tim. 2:11-15). De eenheid in Christus neemt de maatschappelijke orde niet weg. Ds. G.H. Kersten verwoordde het in Het vrouwenkiesrecht veroordeeld zo: “Maar die geestelijke gelijkheid in Christus heft het natuurlijk soortverschil niet op.” 9
In navolging van de neogereformeerden beperken tegenwoordig velen in de gereformeerde gezindte de ondergeschikte plaats van de vrouw tot de kerkelijke gemeente en daarmee tot het buitengewone en bijzondere. Zij gaan daarmee tegen het gewone in de scheppingsorde als het algemene in. Het zwijgen van de vrouw zou dan alleen voor de kerkelijke gemeente gelden. Dit is met recht de omgekeerde wereld; een omkering van Bijbelse waarden naar de geest van de tijd!
Alleen binnen het huwelijk
Nog wel eens is het argument te horen dat de verhouding van onderdanigheid tussen man en vrouw alleen binnen het huwelijk zou gelden; zij zou alleen de getrouwde vrouw betreffen. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat het om een scheppingsordinantie gaat. Een scheppingsordinantie gaat de verhouding van man en vrouw in de hele maatschappij aan. De grondtekst bij 1 Korinthe 11: 3 (Doch ik wil dat gij weet dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus) maakt ook duidelijk dat Paulus met de man het hoofd der vrouw niet alleen de verhouding van man en vrouw binnen het huwelijk, maar dit in het algemeen bedoelt, namelijk dat niet slechts de man van zijn eigen vrouw, maar dat ook het mannelijk geslacht het hoofd is van het vrouwelijk geslacht. 10 Zoals Christus niet slechts het Hoofd is van gehuwde mannen, zo is ook de man niet slechts het hoofd van zijn eigen vrouw. Daarom moeten niet alleen gehuwde vrouwen een hoed op in de kerk, maar alle vrouwen. Daarom mogen niet alleen gehuwde vrouwen geen mannenkleding dragen, maar alle vrouwen. Het is een orde die het hele maatschappelijke leven aangaat.
Politieke roeping van de vrouw
Laat duidelijk zijn dat de vrouw geen roeping heeft in de politiek (in politica). Maar laten wij niet in het tegendeel vervallen en doen alsof de vrouw in het geheel geen politieke roeping heeft. In Oorlog, kerk en staat kunnen wij lezen dat we dan het kind met het badwater weggooien. Zij heeft wel degelijk een politieke roeping, maar dan wel omtrent de politiek (circa politica). Zij heeft de roeping binnenshuis haar man in de politiek te ondersteunen en in de binnenkamer zowel haar man als land en volk op te dragen aan de troon der genade. Met een variatie op een bekend Latijns gezegde aangaande de plicht van de overheid ten aanzien van de zuivere godsdienst - ius in sacra, ius circa sacra (de overheid heeft geen macht in de kerk, maar wel omtrent de kerk) -, zou de politieke roeping van de vrouw zo verwoord kunnen worden ‘non ius in politica, sed ius circa politica’.
Ten besluite
Het loslaten van de eenvoudige Bijbelse lijnen in de gereformeerde gezindte aangaande de Bijbelse positie van de vrouw in het maatschappelijke en politieke leven onderstreept de noodzaak tot een heruitgave van Oorlog, kerk en staat. Deze heeft eigenlijk al te lang op zich laten wachten. Immers, dit indrukwekkende getuigenis van deze bidster voor land en volk was alleen nog maar antiquarisch te verkrijgen. Hier ontmoeten we een vrouw die haar politieke roeping recht mag verstaan. En dat, in bijzondere zin door God Zelf daartoe aangezet. Wat ware het te wensen dat er zulke vrouwen in ons land nog eens gevonden mochten worden!
Het bestuur van de Landelijke Stichting heeft daarom besloten Deo volente begin volgend jaar met een heruitgave van dit boek te komen. Het is de bedoeling deze uitgave niet alleen van een levensbeschrijving van Eva van der Groe, maar ook van een histo-rische inleiding over de Oostenrijkse successieoorlog te voorzien. Tevens zullen voor het gemak via noten in de tekst vooral historische toelichtingen worden gegeven, wat het begrip en het gemak bij het lezen alleen maar kan verhogen. Het bestuur hoopt daarmee de waarde van dit bijzondere werk voor de huidige lezer alleen maar vergroot te hebben en spreekt de wens uit dat deze heruitgave voor deze of gene tot een zegen gesteld mag worden en tot heil van ons land en volk mag dienen.
Noten:
1) Zie het februarinummer van dit jaar van In het spoor, p. 54-57, waarin de heer Verwijs onder de titel Vrouwelijke SGP-kandidaten: een droeve zaak! op de steeds verdergaande droeve afloop der wateren in dezen heeft gewezen. Onmiskenbaar toonde hij dit aan ten aanzien van de gehuwde mevrouw P. Schot, die zich onder haar meisjesnaam op verzoek van het Amsterdamse SGP-bestuur als lijsttrekster kandidaat voor de SGP heeft laten stellen. Het SGP-hoofdbestuur feliciteerde haar dan formeel niet, maar distantieerde er zich ook niet van. Laat staan dat het maatregelen trof tot verhindering ervan!
2) We maken voor de biografie gebruik van de volgende werken: E. van der Groe, Bekeringsweg van Eva van der Groe, Houten 1989 (voortaan: Bekeringsweg); G.H. Leurdijk, ‘Eva van der Groe’, in: Encyclopedie Nadere Reformatie, Utrecht 2015, p. 297-300; F.A. van Lieburg, ‘Vrouwen uit het gereformeerde piëtisme in Nederland (1): Eva van der Groe (1704-1770)’, in: Documentatieblad Nadere Reformatie, jrg. 9, nr. 3, 1985, p. 78-85
3) Bekeringsweg, p. 19
4) Zie noot 2
5) E. van der Groe, Een eenvoudig en echt verhaal over OORLOG, KERK en STAAT, Zwijndrecht 1844, p. 134 (voortaan: Oorlog, kerk en staat). Met dank aan de heer drs. F. Huisman die ons aan de zeldzame eerste druk geholpen heeft. Dit geschrift wordt meestal kortweg aangeduid met Oorlog, kerk en staat. Wij sluiten ons daarbij aan. In 1977 verscheen de laatste uitgave te Urk bij ‘De Vuurtoren’. Hier staat het citaat op pagina 132.
6) Zie vorige noot. Het werk telt 208 pagina’s en is uitgegeven bij J. Boden.
7) Oorlog, kerk en staat, p. 25 (pagina 28, uitgave Urk)
8) Oorlog, kerk en staat, p. 24, 25 (pagina 27 en 28, uitgave Urk)
9) G.H. Kersten, Het vrouwenkiesrecht veroordeeld of de bijzondere plaats en roeping van de vrouw aangetoond op grond van Gods Getuigenis, uitgave van de Landelijke Stichting ter bevordering van de Staatkundig Gereformeerde beginselen, 2014, p. 13
10) Zie: L.M.P. Scholten, ‘Scheppingsorde’, in: De Wachter Sions, 50e jrg., nr. 39, 29 mei 2003, p. 309
Fotoverantwoording:
1) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons
2) Depositphotos
Ds. Gerhardus Meijer - Portaal des heeren
Naast Oorlog, kerk en staat van Eva van der Groe bereidt de Landelijke Stichting ook een heruitgave in het hedendaags Nederlands voor van het Portaal des Heeren (1700) van ds. G. Meijer (1654-1718). Dit werk heeft als ondertitel: Een verhandeling van de plichten die de ouders hebben waar te nemen in de opvoeding van hun kinderen, om ze daardoor onder Gods goedheid uit de staat van de natuur tot de staat van de ware genade over te brengen. Het werd in 1734 voor het eerst herdrukt en telde toen 295 pagina’s. Verschijningsdatum: Deo volente januari 2019.
Het bestuur
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 oktober 2018
In het spoor | 64 Pagina's