Over de diepte en den ernst van de vleeschwording des woords
Schriftlezing. Text: Matth. Matth. 1 : 1—17. 1 : 3a, 5a,b, 6b, 16b.
Het zou mij niet verbazen, indien gij u min of meer verwonderd hebt over de voorlezing van dit gedeelte der Heilige Schrift. Wat schuilt er nu voor stichtelijks in zulk een reeks van namen ? Die gaat toch niemand lezen, als hij begeert opgebouwd te worden in zijn allerheiligst geloof! Daar zal toch niemand naar grijpen, als hij in zielenood verkeert! Zoo is een mensch al spoedig aan het redeneeren, nietwaar? En hij schijnt volkomen gelijk te hebben .... En toch, het is geen wijsheid, die uit zulk een redeneering spreekt. Ook in zoo'n reeks van namen kan wel eens iets schuilen, wat voor ons van groote beteekenis is, zoodat wij zelfs van vreugde opspringen, ais het ons wordt aangewezen. Misschien hebt ge al begrepen, met het oog waarop ik dit zeg. Het is als alle geslachtslijsten een eenvormig stuk: altijd maar weer: deze gewon dien, en die gewon weer een ander. Maar hebt ge wel opgemerkt, dat die eenvormigheid toch hier en daar onderbroken wordt door een korte mededeeling, waarin iets vermeld wordt buiten de gewone lijn ? , Het opmerkelijke is, dat wij hier vier vrouwen ontmoeten ; want de namen van vrouwen worden in geslachtsregisters gewoonlijk niet naast de mannen genoemd. En voorts, dat wij hier juist déze vrouwen ontmoeten, terwijl b.v. van Sara en Rebekka niet gerept wordt. Als wij hierover licht ontvangen, zien wij ons op de meesi verrassende wijze het liefelijk Evangelie der genade Gods voor oogen gesteld. Die vrouwen vragen allereerst onze aandacht. Om haar wat nader te leeren kennen, moeten wij het Oude Testament opslaan. Het is geen schoone bladzijde, die ons Thamar teekent (Gen. 38). Een droeve historie, die tevens een treurig licht werpt op Juda.
Juda was gehuwd met een Kananitische vrouw. Hij heeft zich volstrekt niet bekommerd over de vraag, of zij den levenden God kende. Hij zag haar — en nam haar, voorzeker door haar verschijning bekoord. Uit dif huwelijk komen drie zonen voort, n.1. Er, en Onan, en Sela.
juda neemt voor Er een vrouw, en die vrouw fs Thamar. Haar huwelijksleven is een lijdensweg. Er was kwaad in de oogen des Heeren, daarom
Er was kwaad in de oogen des Heeren, daarom doodde de Heere hem. Daarop beveelt Juda aan Onan, volgens de wet van het zwagerhuwelijk Thamar te trouwen, opdat er nog nageslacht op den naam van Er moge staan. Onan trouwt Thamar, maar wil van die ordening Gods niet weten. Hij wil wél zijn lust hebben, maar niet zijn broeder zaad verwekken. Daarom wordt ook hij door den toorn Gods gedood — een ernstige waarschuwing tegen de goddelooze praktijken van zoovelen in onzen tijd, die de heiligheid van het huwelijk met voeten treden, omdat zij kinderen als een last beschouwen.
Juda zendt Thamar naar haars vaders huis, om daar als weduwe te vertoeven, totdat zijn jongste zoon Sela den huwbaren leeftijd zal hebben bereikt. Maar «Is het zoover is, laat Juda Thamar zitten. Van een huwelijk tusschen Sela en haar komt niets. Misschien heeft Juda er tegen opgezien, na de treurige ervaring, die hij met Er en Onan gehad had.
En dan doet Thamar een verschrikkelijken stap. Zij geeft zich uit voor een publieke vrouw, en weet Juda zelf in haar net te krijgen.
Het is dus wel een vreeselijke geschiedenis, die door den naam Thamar onder onze oogen komt. Een geschiedenis van zonde tegen het zevende gebod, zoo ontzettend als het maar kan, zoowel bil Thamar als bij Juda. Bij Juda is het de booze lust. Bij Thamar staat de zaak anders. Dat blijkt wel uit het vervolg der historie. Weldra wordt openbaar, dat Thamar zich misgaan heeft. En Juda is dadelijk gereed, de straf Oods aan haar te voltrekken : haar aan den vuurdood over te geven.
Maar daar komt Thamar voor den dag met een zegelring, met snoeren en met een staf. Juda herkent ze als de zijne. En hij kan maar één woord spreken : „Zij is rechtvaardiger dan ik, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet heb gegeven". Juda heeft begrepen waar het Thamar om ging, n 1. om het zaad, dat er naar Gods ordening moest zijn, terwijl hij alleen door hartstocht gedreven werd.
En deze dingen komen nog in een heel ander licht te staan, wanneer wij er op letten, dat Juda geen zoon meer had behalve Er en Onan en Sela (1 Kron. 2 : 4). Waar moest nu de belofte Gods, die op Juda rustte, blijven ? Trouwde Sela niet, dan was het huis van Juda met Sela uitgestorven. Waar bleef dan de man, die den scepter zou houden en door alle volken gehoorzaamd zou worden ? De gedachte hieraan heeft Thamars brein doorkruist, maar zij heeft hierbij een weg ingeslagen, die niet anders dan gruwelijk kan worden genoemd. Het is evenmin een schoon beeld, dat voor onzen
Het is evenmin een schoon beeld, dat voor onzen geest oprijst, wanneer wij aan Rachab denken. Haar geschiedenis is wel beter bekend. Het is de vrouw, die in het verhaal van Jericho's verovering door Jozua voorkomt. En het is ook hier zonde tegen het zevende gebod. Rachab was een vrouw, die haar eer voor geld veil had. Daar laat de Schrift het volle licht op vallen, terwijl zij immers zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament „de hoer" wordt genoemd. Wel is zij door Gods wonderlijk bestel tot den Heere bekeerd en in het heilig huwelijk met Salmon verbonden — maar de weg, die achter haar lag, was een weg van ongerechtigheid.
Wij komen aan Rutb. En dan worden wij met andere gedachten vervuld. Haar geschiedenis is immers één der liefelijkste uit de gansche Schrift. Wie kent niet dat heerlijke getuigenis, dat zij Naomi voorhield : „Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God ?" Heerlijk is de leiding Gods in haar leven. Hongersnood drijft Elimelech met zijn huisgezin : zijn vrouw Naomi en zijn beide zonen Machlon en Chiljon, naar het Moabitische land. Maar het gaat door diepe wegen. Het begint met den dood van Elimelech. Daar zit Naomi als weduwe met haar beide zonen. Machlon en Chiljon vinden weldra vergoeding voor hun gemis : zij nemen zich vrouwen : Orpa en Ruth, Moabitische vrouwen, zooals de schrijver van het boek Ruth nadrukkelijk opmerkt. De dood maakt echter ook hieraan weer een einde. Machlon en Chiljon sterven. Daar zitten nu drie weduwen ! . . . Het wordt Naomi benauwd in het Moabitische land. Daar hoort zij, dat de Heere Zijn volk heeft bezocht, door hun brood te geven. Haar besluit is spoedig genomen : zij keert terug, met haar schoondochters. En dan wacht haar nog een verrassing. Orpa laat zich straks door de door Naomi aangevoerde redenen bewegen, om weder te keeren tot haar land en volk Maar Ruth weigert standvastig.
Haar is het te doen om Israël en om Israels God. Dat heeft de omgang met Naomi uitgewerkt onder 's Heeren genadig bestel. Zoo komt Ruth met Naomi in Bethlehem, en treedt daar op als een trouwe, liefhebbende verzorgster van Naomi in haar ouderdom. En straks trouwt zij met Boaz.
Een reinen wandel heeft zij geleid — maar is het niet opmerkelijk, dat zij in het boek Ruth gedurig „de Moabitische" wordt genoemd ? Haar afkomst wordt dus wel in gedachten gehouden. — En wanneer wij die afkomst verder beschouwen, komen wij weer voor eigenaardige dingen te staan! Zij behoorde tot een volk, dat nadrukkelijk van verbintenis met Israël was uitgesloten.
Want de Heere had door Mozes geboden : „Geen Ammoniet noch Moabiet zal in de vergadering des Heeren komen, zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des Heeren niet komen tot in eeuwigheid ; ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uitloogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, den zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken (Deut. 23 : 3, 4). En onderzoeken wij verder naar Moab, dan komen wij uit bij de bloedschande van de dochters van Lot! Eindelijk rust ons oog op „degene, die Uria's
Eindelijk rust ons oog op „degene, die Uria's vrouw was geweest". En daar denken wij onmiddellijk aan David, die ondervond, dat ledigheid des duivels oorkussen is. Door boozen lust bekropen, toen hij van het dak van zijn palei^ de schoone Bathseba zag, bedreef hij met haar overspel. En toen het niet verborgen zou kunnen blijven heeft hij niet geschroomd, haar man Uria om te brengen door het zwaard der Ammonieten.
Het zijn dus wel eigenaardige dingen, die wij te zien krijgen, als wij op deze vrouwen letten. Meerendeels is het gruwelijke ongerechtigheid, ja zelfs zulke, die ons een huivering door de leden doet gaan. En de eenige vrouw, aan wie in dit opzicht geen smet kleeft, is van afkomst een heidensche en bepaalt ons in het grijs verleden weer bij vreeselijke ongerechtigheid I En toch hebben zij een plaats in het geslachtsregister van Jezus Christus.
In het geslachtsregister van Jezus Christus. Wij hebben hier wel niet een geslachtsregister in den letterlijken zin van het woord. Het is Mattheüs' bedoeling niet geweest, een volledige opgave te verstrekken van het voorgeslacht des Heeren Jezus naar Zijn menschelijke afkomst. Dat is niet de beteekenis der woorden, waarmee Mattheüs' Evangelie aanheft: „Het boek des geslachts van Jezus Christus". Hij wil enkel laten zien, hoe in Jezus Christus de belofte, aan Abraham en David gedaan, vervuld is en stippelt om zoo te zeggen de lijn uit, waarlangs die belofte tot haar vervulling is gekomen. Daarom mogen wij over die reeks van namen toch wel als over een geslachtsregister spreken, want daarin gaat het toch over de wording van Jezus Christus naar het vieesch. Let er maar eens op, dat die namenreeks eindigt met de vermelding van: „Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus". De lijn, door Mattheüs getrokken, loopt van Abraham over Maria tot Jezus.
Dat is niet altijd verstaan. De gangbare meening is, dat die lijn van Abraham tot Jozef loopt en dan eerst bij overdracht van Jozef op Maria overgaat. — M. a. w. dat Jezus op naam van David staat, omdat zijn pleegvader een nakomeling van David was.— De vermelding van Jozef op de plaats, waar wij Maria moesten verwachten, baart zeker moeilijkheid. Wij kunnen ons daarin niet verdiepen, doch willen op één ding wijzen : als Jezus Christus om Jozefs wil tot het geslacht van David gerekend wordt, dan is niet vervuld de belofte uit 11 Sam. 7, dat de Christus uit Davids lendenen zou voortkomen. En daar hier door den Evangelist zelf in het eerste versjezus Christus genoemd wordt „de zoon van David, de zoon van Abraham", kunnen wij bij het lezen van al die namen uit de geslachtslijst aan geen anderen denken dan aan voorvaderen, „uit welke — om een uitdrukking van Paulus te gebruiken (Rom. 9:5) — Christus is, zooveel het vieesch aangaat". In dat geslachtsregister nu vinden wij ook die vier vrouwen, in wier levensgeschiedenis wij een blik sloegen.
Hoe zijn dié daarin gekomen ? — Zoo roepen wij haast onwillekeurig uit. Want ze schijnen zoo weinig bij elkander te passen : Jezus Christus, de Heilige — en die vrouwen, in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren ! Hoe zijn zij daarin gekomen ? Misschien antwoordt gij: Mattheüs heeft bij het doorloopen van de geschiedenis haar namen natuurlijk ontmoet! — Ik zal dit niet ontkennen. Maar is het dan niet opmerkelijk, dat hij juist
Maar is het dan niet opmerkelijk, dat hij juist déze vrouwen noemt ? Hij heeft toch in de voorgeschiedenis van Jezus Christus nog wel andere vrouwen aangetroffen! Wie denkt, als hij de namen Abraham, Izak en Jakob leest, niet onmiddellijk aan Sara en Rebekka, aan Lea en Rachel? Van die vier hadden de eerste drie, als stammoeders van Christus, wel een plaats in deze lijst kunnen innemen. Die gaat Mattheüs echter met stilzwijgen voorbij. En hij noemt zulken, die naar menschenoordeel beter verzwegen waren, omdat zij óf door haar afkomst of door bladzijden uit haar levensgeschiedenis, den Zoon van David nu juist geen glorie toebrachten. Zoo gaat het immers nog altijd onder de menschen : familieleden, in wie het één of ander te misprijzen valt, laat men liefst onvermeld!
Ruth, nu, dat zou nog gaan. Maar zoudt gij het aangenaam vinden, tot één geslacht te behooren met Thamar en Rachab en Bathseba ? Al is het honderdmaal waar, dat Qod de zonde niet meer gedacht, maar genade bewezen heeft — zoodat Ruth bij haar huwelijk met Boaz aan haar echtgenoot o.a. hoorde toewenschen : „Uw huis zij als het huis van Perez (dien Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw" (Ruth 4 : 121 — in de wereld gaat het zóó, dat zulke menschen wel degelijk in bet oog worden gehouden, en dat telkens weer gevraagd wordt: weet ge nog wel, hoe het toen en toen met die en die gesteld was ? Hoe is Mattheüs er dan toe gekomen, juist déze vrouwen aan de vergetelheid te ontrukken ?
Gemeente ! laat ons niet vergeten, dat Mattheüs de tollenaar Levi is. Een man dus, die zélf de geweldige genade van den Heere Jezus heeft ondervonden. Die man is van blijdschap opgesprongen, toen hij bij het nagaan van de lijn der helofte de geschiedenis van Juda en van David doorliep en daar kwam te staan voor die bladzijden, waarop de namen Thamar, Rachab, Ruth en Bathseba voorkwamen. Dié behooren onder het voorgeslacht naar het vieesch van den Heere Jezus Christus? Dan is daar immers reeds diezelfde genade te vinden, die zich aan mij, ellendigen zondaar, zoo koninklijk heeft verheerlijkt ! Dat mag ik niet voor mijzelf houden, dat moeten anderen ook weten !
Zoo heeft de Heere het beschikt, dat deze kostelijke mededeelingen in het Evangelie zijn gekomen. Ja, kostelijke mededeelingen! Denk het u maar eens in : „Juda gewon Fares en Zara bij Thamar ; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram ; en Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Naasson, en Naasson gewon Salmon ; en Salmon gewon Boöz bij Rachab, en Boöz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jesse; en Jesse gewon David den koning, En David de koning gewon Salomo bij degene, die Uria's vrouw was geweest" .... en zoo gaat het door totdat het eindigt met „Maria, uit welke geboren is Jezus, gezegd Christus". Dus Jezus Christus, Die het vieesch en bloed der maagd Maria heeft aangenomen, heeft daarin ook aangenomen het vieesch en bloed van Bathseba. van Ruth, van Rachab, van Thamar! M. a w. Hij heeft ook haar zonden op Zich genomen, de zonde van afkeering van God, de zonde — ook die gruwelijke zonden — tegen het zevende gebod van Gods heilige Wet ! En laat dan uw blik ook eens verder gaan — tot aan het kruis van Golgotha. Dan ziet gij, wat de Heere Jezus gedaan heeft. Hij heeft ook die zonden in Zijn lichaam op het hout gedragen. Hij heeft ook voor die zonden verzoening teweeggebracht. Zeg eens, Gemeente ! was het te boud gesproken,
Zeg eens, Gemeente ! was het te boud gesproken, toen ik zei, dat, wanneer het licht ons opgaat over de vermelding van die vier vrouwen in het geslachtsregister van Jezus Christus, het liefelijk Evangelie ons op de meest verrassende wijze onder de oogen komt ? Hoe heerlijk straalt dan de rijkdom van Gods genade ons hier tegen, die naar Zijn raad ons zulk een Heiland heeft geschonken ! Hoe heerlijk blinkt hier ook de liefde van onzen Heere Jezus Christus Zelf uit. Die dezen genaderaad heeft uitgevoerd en Zich niet heeft geschaamd, zulk vleesch en bloed aan te nemen !
En nu, welke beteekenis hebben deze dingen voor ons? Lang behoeven wij daarover wel niet te handelen, want gij zult reeds genoeg hebben gevoeld, tenminste wanneer kennis van zonde u niet vreemd is. Toch moeten wij beginnen met een waarschuwing, omdat de argiistigheid van het menschenhart dit noodzakelijk maakt.
Deze dingen zijn ons niet beschreven, opdat wij daaruit zouden afleiden, dat het dus niet zoo heel erg is, als wij zondigen ook op de gruwelijkste wijze.
Dat is een gevolgtrekking, die de duivel leert maken. De duivel, die een mensch het liefst in de banden der zonde wil houden. En er is geen doeltreffender middel om een mensch in die banden te houden, dan hem wijs te maken, dat het zoo erg niet is. Dan is er immers geen dringende reden, om van die zonde afstand te doen ! — En wie de zonde liefheeft, laat zich zoo gemakkelijk op zulk een weg leiden. De zonde oefent een ontzettende bekoring uit. En wanneer dan gezegd wordt: die en die hebben het nog veel erger gemaakt dan gij, en voor zulke zonden heeft Jezus ook verzoening aangebracht, dan is het gevaar zoo groot, dat een mensch zichzelf in slaap wiegt en al verder gaat in de boosheid. Maar wee dengenen, die zóó denken !
God laat niet met Zich spotten. Zijn heilige Wet zegt: „Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben" — „gij zult niet echtbreken". En die Wet heeft den vloek uitgesproken voor alle overtreders : „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen". Die vloek komt gewis en zal den hardnekkige ook in het eeuwig verderf storten.
Wij vinden hier dus geen vrijbrief tot zondigen ! Alle onkuischheid is van God vervloekt — dat zegt onze Catechismus volkomen terecht. Dat mogen wij allen wel in onze ooren knoopen.
Het is wel noodig in onze dagen, daar op te wijzen. Want wij leven in een gevaarlijken tijd, waarin op allerlei wijze de huwelijkstrouw ondermijnd en de heiligheid van het huwelijksleven in minachting gebracht wordt. Losheid van zeden wordt zelfs openlijk aangeprezen, alsof het de meest natuurlijke zaak ter wereld was. Ouders ! waakt over uw kinderen, zooveel in uw vermogen is. Laat ze niet ledig loopen, laat ze ook niet op de straat zwerven en in wie weet wat voor gezelschap komen. Jongelieden ! wacht u voor den omgang met zulken, die oneerbare taal gebruiken. Wacht er u voor, opdat gij er niet aan gewend raakt, want het gaat van kwaad tot erger. En wie aan booze lusten toegeeft, op welke wijze ook, die gaat lichamelijk en geestelijk het verderf tegemoet. God bezoekt de zonde vast en zeker! En wat de geschiedenis van Ruth aangaat, — daarin vinden wij geen steun voor die onaandoenlijkheid, die zich uit in de gedachte: de Heere moet mij bekeeren, anders kom ik toch niet tot het geloof! — Het is zeker waar, dat de Heere alleen dat kan. Maar het is even waar, dat de Heere daartoe Zijn middelen gebruikt. Zoo in de geschiedenis van Ruth den omgang van Ruth met Naomi, waardoor Ruth met God en Zijn dienst in aanraking kwam. Ruth heeft het onderwijs van Naomi ter harte genomen, en gelet op de woorden, die zij uit den mond van haar schoonmoeder opving. God laat het ook ons aan zulk onderricht niet ontbreken. Zijn Woord komt gedurig tot ons. Zoo zal dan niemand eenige verontschuldiging hebben, wanneer hij in zijn afkeering van God volhardt.
Wat onze text ons leert, is ons beschreven met een heel ander doel. Vooreerst worden wij bepaald bij het kwaad, dat in het menschenhart schuilt.
In het menschenhart. Want die vrouwen waren ook menschen, niet minder dan wij ! Haar geschiedenis roept het ons daarom luide toe : zoover kan het bij een mensch komen, want zoo ziet het er bij menschen uit ! Gelooft gij dat ook met betrekking tot uzelf? Gemeente ! was dat maar waar, dan zouden wij geen gevaar loopen, want dan zouden wij met die zonden de toevlucht nemen tot God. — Het groote gevaar schuilt juist hierin, dat wij het niet voor waar houden met betrekking tot onszelf.
Wanneer er b.v. in couranten allerlei gruwelen van menschen vermeld worden, dan roepen vA] al spoedig uit: „Hoe is het mogelijk!" En zoo gaat het ons ook, wanneer wij staan voor die donkere bladzijden uit liet leven van Thamar, van Rachab, van Bathseba. Dat bewijst, dat wij onszelf niet kennen en voor onszelf geen gevaar duchten ! Op welken grond ? Alleen op dezen grond, dat het tot heden zoover niet met ons kwam. — Dat is echter een wankele bodem. De zonde is niet aanstonds op volle kracht. Maar de kiem is aanwezig. Omdat de zonde in ons hart woont. En wie weet, hoever zij ongemerkt reeds voortgeschreden is ! Hoeveel ongerechtigheid er Ln het verborgen gewrocht wordt, juist soms door degenen, die zich het krachtigst handhaven, is Gode alleen bekend.
Dit moeten wij wél weten : wie er niet van hooren wil, dat het kwaad in eiken vorm in zijn eigen hart huist, die heeft de oogen voor dat kwaad niet open — en die zal, zijns ondanks, nog wel bittere ervaringen in het leven moeten opdoen, vóór hij wijs wordt!
Maar wie het bekent, voor dien is er nog raad. Want Een is er. Die de zonde beteugelen kan, — ja, wat meer is. Die ons uit haar macht verlossen kan. En die Eene is Jezus Christus, Die aan Zijn kruis de macht der zonde verbroken heeft. Er gaat van hetgeen onze text ons voorhoudt een machtige troost uit: er is geen zonde, waarvoor Jezus Christus geen verzoening heeft aan gebracht; daarom mogen wij ook met al onze zonden tot Hem komen.
O, hoort het toch, gij die rondloopt met zonden, die gij niet waagt te erkennen uit vrees voor Gods toorn ! Gods toorn zult gij niet ontloopen, wanneer gij die zonden vóór u houdt — want eenmaal komt de tijd, dat gij voor Hem moet verschijnen, en dan wordt u het binnenste naar buiten gekeerd, zoodat gij ook van uw eigen geweten overtuigd zult worden. Daarom, belijdt ze in oprechtheid aan den voet van het kruis.
Daar zult gij voorzeker de vergeving vinden. De duivel zoekt een mensch altijd daarvan af te houden. Hij boezemt ons altijd weer vrees in. Maar dat is verkeerde vrees. Als het op bedrijven van kwaad aankomt, is er geen sprake van vrees. Dat moedigt hij juist aan. En wij laten ons maar al te vaak en al te lang misleiden. Ook door de gedachte, die hij ons inblaast, dat wij te zwaar gezondigd hebben.
O, dat wij toch geen gehoor geven aan zulke gedachten ! Het is waar, dat wij niets dan vloek en toorn hebben verdiend ! Maar het kruis van Christus spreekt den verslagen zondaar van iets anders, n.l. van dragen van den vloek, van betaling der schuld, van verzoening der zonden door onzen Heere Jezus Christus ! Hij, Die het vleesch en bloed ook van Thamar, van Rachab, van Ruth en Bathseba heeft aangenomen, stoot geen zondaar, die waarlijk zondaar gemaakt is voor God, van Zich weg. Hij heeft immers dien voor Hem zoo smartelijken weg bewandeld, om genade te kunnen verheerlijken aan verloren menschenkinderen.
Tot Hem dan heen, ook met de zwaarste zonden ! Met Hem geworsteld in het gebed, en daarin volhard! Hoe lang het ook moge duren, het zal niet tevergeefs zijn. Hij zal genade verheerlijken. Hij zal vergeving schenken. Hij zal vrede geven in het binnenste. En gij zult vervuld worden met — en uitbreken in Zijn lof, zooals Mattheüs dat deed, toen hij de namen van die vier vrouwen opnam in het boek der wording van Jezus Christus. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1946
Kerkblaadje | 14 Pagina's