De Afscheiding van 1834. (II)
Geen wonder, dat daartegen bezwaar werd gemaakt. Het was Ds. du Cloux, van Vierhuizen en Zoutkamp, die Ds. de Cock bij het Classicaal Bestuur van Middelstum aanklaagde wegens het op 3 Nov. 1833 doopen van twee kinderen uit Vierhuizen. Een onderzoek werd ingesteld door een commissie uit dat Classicaal Bestuur ten huize van de Cock. Zij legde hem twee vragen voor : of de aanklacht de waarheid bevatte, en : of de Cock met dat doopen dacht voort te gaan ? Beide vragen werden bevestigend beantwoord ; de laatste evenwel onder toevoeging van een : tenzij hem werd aangetoond, dat de bestaande reglementen het verboden.
Tot een veroordeeling is het echter niet gekomen. Wel heeft een der commissieleden. Dr. A. Rutgers van Breede, zich de moeite getroost, in een uitvoerige correspondentie de Cock onder het oog te brengen, dat Calvijn niet aan zijn zijde stond. Toch is de aanklacht van Ds. du Cloux aanleiding geworden lol een veroordeelend vonnis van de 22 Cock. Maar op andere gronden, waartoe de Cock helaas zelf den weg geopend heeft. Hij had n.l. een bijzondere manier, om voor de waarheid op te komen, die, hangende het proces over den Doop, aan het licht kwam. In het voorjaar van 1833 hadden twee predikanten, Ds. Meyer Brouwer te Uithuizen en Ds. Reddingius te Assen, geschriftjes in het licht gegeven, waarin de gereformeerde leer en haar voorstanders bestreden werden. Daartegen schreef de Cock nu in Nov. 1833 : „Verdediging van de ware gereformeerde leer en van de ware gereformeerden, bestreden door twee zoogenaamde gereformeerden, of: De schaapskooi van Christus aangetast door twee wolven, en verdedigd door H. de Cock, gereformeerd leeraar te Ulrum". Waren de twee genoemde predikanten allesbehalve fijn in het kwalificeeren dergenen, die ze bestreden — hen b.v. beschrijvend als „separatisten", „een domme, onnoozele, bekrompen hoop", aangevoerd door „raddraaiers, die zich een naam willen maken" en „die mogelijk,
God weet het, met Jezuïeten in verband staan", de Cock deed niet voor hen onder, sprekend o.a. van „dwazen en blinden", „meineedigen", „dieven, die gereformeerd brood etende, de gereformeerde leer tegenstonden"." Natuurlijk werden zulke uitdrukkingen door de Cock's kerkelijke rechters — die zich om de grove termen van Meyer Brouwer en Reddingius niet bekommerden — gretig aangevat als stof om hem te veroordeelen. En zoo werd hij dan 19 Deo. 1833 voor onbepaalden tijd geschorst met behoud van tractement. Dit vonnis was onwettig, omdat de vergadering van het Classicaal Bestuur niet voltallig was geweest, en omdat de Cock geen enkel wetsartikel geschonden had. Maar zijn vijanden hadden hun zin! Geen wonder, dat de Cock, gesteund door zijn ambtgenoot Scholte te Doeveren in N.-Brabant, al onderwierp hij zich aan de schorsing, tegen dit schandelijk vonnis protesteerde bij het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen. Ook dat Bestuur handelde allesbehalve nobel en rechtvaardig, door wel onderzoek toe te zeggen, maar er inderdaad niets aan te doen. Te betreuren is, dat de Cock ook nu zijn tegen
Te betreuren is, dat de Cock ook nu zijn tegenstanders in de kaart speelde, door in dien tijd een voorrede te schrijven voor een boekje over de Gezangen, getiteld : „De Evangelische Gezangen, getoetst, gewogen en te licht bevonden, door Jacobus Klok, verver en koopman te Delfzijl". In die voorrede nam hij ook dat boekje geheel voor zijn rekening. Daarin werd van de Gezangen gezegd : „strijdig met Gods Woord ; een Gode onbehagend getier; een samengeflanste Alkoran, waarin de lot zaligheid noodige waarheid, uit blindheid of trouweloosheid, is verzwegen ; een geheel van 192 Sirenische Minneliederen, geschikt om de Hervormden, al zingende, van de zaligmakende leer af te trekken, en een valsche leugenleer in te voeren". Krasse taal' Dubbel kwalijk werd het de Cock genomen, dat hij de uitgave van dit boekje bevorderde, terwijl hij reeds door het Classicaal Bestuur van Middelstum geschorst was — wat zeker niet getuigde van menschenkennis en verstandig optreden. Hij werd den Isten April 1834 door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen geschorst voor den tijd van twee jaar, en nu met veriirs van tractement. Een nog veel schandelijker vonnis dan het door hem bestredene ! Het was duidelijk, dat men hem zocht,
en daartoe elk middel gebruikte, dat men maar kon vinden — en hier gevonden meende te hebben in verstoring van de orde ! Daar de Cock zijn standpunt niet wilde opgeven, werd hij 29 Mei 1834 door datzelfde Provinciale Kerkb-stuur afgezet! Nu beriep hij zich op de Synode. Alles op te sommen wat hier geschied is, vordert teveel tijd. Wij vermelden slechts het resultaat. De Synode achtte hem wel schuldig, maar oordeelde, dat „het strafmiddel der afzetting van den dienst door het Provinciaal Kerkbestuur niet onverwijld en ten allereerste op den predikant H. de Cock had behooren toegepast te worden en aizoo de uitspraak van het Provinciaal Kerkbestuur van Gioningen tegen hem moest worden gereformeerd". Het Provinciaal Kerkbestuur was dus voorbarig geweest! De Synode gaf de Cock zes maanden tijd om zich te bedenken en berouw te toonen, en te verklaren, dat hij zich voortaan stiptelijk zou houden aan al de bestaande kerkelijke reglementen.
Zoo bleef het Provinciaal Kerkbestuur met de zaak van de Cock zitten, allesbehalve gestreeld door de zijdelingsche berisping der Synode. Den 2den October 1834 moest hij voor het Provinciaal Kerkbestuur verschijnen en werd hem een verklaring voorgelegd, die hij slechts te teekenen had. Er over te spreken, werd hem niet toegestaan. Hij verlangde bewijs uit Gods Woord, dat hij verkeerd gehandeld had, en verklaarde, zich aan de kerkelijke reglementen te zullen onderwerpen, „voor zoover die niet rechtstreeks legen Gods Woord inliepen, of tegen elkander strijdig waren". Dat laatste was wel wat zonderling : een „voorzoover" komt toch bij een kerkorde niet te pas. De Cock had die aangenomen en kon nu toch niet beperkingen gaan maken op eigen hand! Onderteekenen met een nadere verklaring was ontoelaatbaar, en zoo werd de afzetting van de Cock een voldongen feit, zoo hij niet binnen het half jaar, hem gegund, de hem voorgelegde verklaring onderteekend had. Ommekeer was zeker niet te wachten van een man als de Cock, die uit volle overtuiging deed wat hij deed, naar
die uit volle overtuiging deed wat hij deed, naar beste weten in de vreeze Gods. Aanvankelijk was hij nog van plan, alles in het werk te stellen om in zijn ambt gehandhaafd te blijven, om maar naar zijn verlangen het Evangelie te kunnen prediken. Al spoedig heeft hij daarvan echter afgezien. Evenwel niet, om hït nu in volle overgave tot afzetting te laten komen, maar om een heel anderen weg in te slaan. Een heel anderen weg ! Ja, den weg der afscheiding, waar hij vroeger niet aan dacht. Dan moet er wel wat bijzonders gebeurd zijn ! Dat was ook zoo. Een week nadat de Cock in de vergadering van het Provinciaal Kerkbestuur was geweest, kreeg hij geheel onverwacht bezoek van den jongen predikant Scholte, die te Doeveren, Oenderen en Gansoyen in de buurt van Heusden in N. Brabant werkzaam was. Leerling van Bilderdijk, was hij van meetaf een vurig prediker van het Evangel.e des kruises, in zijn omgeving weldra bekend om zijn prediking, waarin hij op zijn manier de puntjes op de i's zette maar op een manier, die ergernis gaf. Hij stelde zijn ringbroeders voor als Baaispriesters, afgodendienaars, leugenprofeten. En toen eens één van zijn examinatoren, d'e hem het vuur nogal heet gestookt hadden bij zijn laatste examen, bij hem in de kerk verscheen, liet hij onmiddellijk zingen: „Houdt Christus Zijne Kerk in stand, dan mag de hel vrij woeden". Hoe de preek geworden is, behoeven we niet te vragen.
Hij had — oorspronkelijk uit de Hersteld Evangelisch-Luthersche Gemeente te Amsterdam gekomen — ook omgang met mannen van het Zwitsersche „Réveil", die overgegaan waren tot stichting eener nieuwe kerk, de „Vrije Kerk" van Geneve. Dal is niet zonder invloed gebleven.
Het is gebleken uit een brief, waarin hij de Cock vroeg, hoe zijn Gemeente stond, of zij n.l. „bereid was om eenparig met Kerkeraad en Kerkvoogden zich onafhankelijk te verklaren van de Synode der Ned. Herv. Kerk, en als afzonderlijke Gemeente desnoods haar eigen leeraar afzonderlijk te bezoldigen en alzoo een toevluchtsoord te worden voor al de Sionskinderen in den omtrek ? Als dat zoo was, dan werd hem de toekomst voor de Nederlandsche Kerk helderder en dan zouden zich de „vijanden" te laat beklagen over hunne ezelachtige domheid".
Deze man verscheen Q October 1834 onverwacht in Ulrum en preekte op verzoek van den Kerkeraad, ofschoon de consulent der Gemeente het poogde te verhinderen. Over een klinkenden tekst: jesaja 8 : 11 — 15. Scholte waarschuwde op grond van die woorden „tegen de Baaispriesters, die de wereld, maar niet God vreezen, en een nieuw altaar naast het oude gesticht hebben door de Evangelische Gezangen naast het boek der Psalmen te plaatsen". Ook „tegen het opvolgen van wetten en bepalingen, die voorkwamen in een groote portefeuille van kerkelijke verordeningen, welker naleving door den vertoornden God achter
welker naleving door den vertoornden God achtervolgd zou worden met hun eigen verdoemenis". Dat was niets minder dan verzet prediken, zoo revolutionair mogelijk, tegen de kerkelijke verordeningen. Den daarop volgenden Zondag zou hij weer preeken, maar dit werd terecht door den consulent niet toegestaan. Toch preekte hij, doch niet in de kerk, maar op het pastorieland, terwijl hij des Maandags vertrok. hetzelfde : onderdanigheid, en dus overeenstemming met het vijfde gebod : „Eer uw vader en uw moeder". En dat niet alleen naar de letter, maar naar letter én geest. Het ging niet noodgedwongen, maar gewillig. Hij wachtte niet op een uitdrukkelijk bevel, maar wat Hij in hun oog las, wat Hij hun bewegingen afvoelde, dat deed Hij. Het was de gewilligheid der liefde, die zich in heel Zijn doen en laten openbaarde.
Dat is hoogst opmerkelijk, Gemeente ! Want wie is Hij, van Wien geschreven staat: Hij „was hun onderdanig?" Dat is dezelfde Persoon, Die in den Tempel tot Jozef en Maria gesproken heeft: „Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" Ge weet toch wel, op Wien Hij gedoeld heeft, toen Hij deze woorden sprak. Op riiemand anders dan op Hem, Wiens Huis de Tempel was: op den levenden God, den God van Abraham,
Izak en Jacob. Dit woord bewijst zoo duidelijk mogelijk, dat de twaalfjarige Jezus Zich Zijn persoon en Zijn roeping volkomen bewust was. Hij verstond het beter dan Jozef en Maria op dat oogenblik : die „verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak". Hij Zelf zag de dingen helder en klaar. Hij kende Zichzelf als den Zoon Gods, eenswezens met den Vader, eenswillend met Hem. Hoeveel verborgenheden hier ook blijven, die aan onzen speurenden blik niet onthuld zijn, dit is duidelijk : in den Tempel heeft Jezus, om zoo te zeggen, Zichzelf gevonden. Hij is Zich bewust geworden, waartoe Hij in de wereld was, n.1. om de dingen Zijns Vaders te doen, om uit te voeren hetgeen des Vaders raad bepaald had tot verlossing van zondaren.
Het is de eerste maal, dat Hij zulke dingen uitspreekt, maar reeds bij deze eerste gelegenheid staat Hij daar als Israels Verlosser, Die door al wat Hij in den Tempel op het Paaschfeest te aanschouwen kreeg, Zijn levenswerk geteekend zag en daaraan met hartelijke toewijding Zich overgaf.
En toch was Hij onderdanig aan Jozef en Maria. Dus aan menschen. En wel aan menschen, die niets boven andere menschen voor hadden, die zondaars waren als zij. Aan menschen ook, van wie het zoo pas openbaar was geworden, dat zij vol onverstand waren met betrekking tot de hoogste dingen. Het zijn immers dezelfden, wien Jezus het zacht verwijt — of wilt ge liever het terechtwijzend woord — had moeten toevoegen : „Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt ? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders ?" Hoe bescheiden het ook werd uitgedrukt, het gaf hun toch duidelijk te verstaan, dat zij klaarblijkelijk in onkunde bevangen waren. Hij alleen staat daar als degene, in Wien de ware wijsheid woont.— En toch is Hij hun onderdanig?
Ja zeker, omdat Jozef en Maria naar de ordening Gods als ouders met gezag over Hem waren bekleed. Hij kende het vijfde gebod, en hieraan heeft Hij Zich gehouden. Hij heeft Zich niet boven Zijn ouders verheven, maar is als kind gebleven op de plaats, die God aan het kind heeft aangewezen. Hierin komt duidelijk aan den dag, dat de ware vreeze Gods in het kind Jezus woonde. Jezus staat ons hier voor oogen als het kind, zooals God het hebben wil. En dat niet alleen in den eigenlijken kinderleeftijd, maar ver daar bovenuit. Want het geldt van heel het tijdperk van Zijn leven, dat op de gebeurtenissen in den Tempel volgt, tot den Doop door Johannes toe, dus tot Hij dertig jaren oud was geworden. „En (Hij) was hun onderdanig''.
In allen eenvoud heeft Lukas dit neergeschreven. In zulk een eenvoud, dat het wel schijnt, alsof er niets bijzonders in lag. In zekeren zin lag er ook niets bijzonders in. Wanneer wij het n.I. beschouwen in het licht, waarin Lukas in dit hoofdstuk heel het leven van Jezus plaatst, n.1. als een leven, dat zich ongestoord ontwikkelt.
Onze text is niet alleen een der slotstukken van het verhaal van den twaalfjarigen Jezus in den Tempel, maar is ook onderdeel van de schildeiing, die de Evangelist met korte trekken van de ont- ) wikkeling van Jezus van kindeke tot man geeft.
Van de schildering, die aanvangt met deze woorden : „En het kindeke wies op, en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid ; en de genade Gods was over Hem", en die aldus eindigt: „En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte, en in genade bij God en de menschen".
Zietdaar een leven, zooals ieder menschenleven zich ontwikkeld zou hebben, ware de zonde niet in de wereld gekomen. Een leven, dat zonder stoornissen zich ontplooit als een schoon geheel : wasdom van het lichaam, wasdom van den geest, wasdom in de genade. God ziet dit kindeke met welgevallen aan, en onder de werking van Zijn gunst ontplooit dit leven zich al verder en verder naar den aard, dien God bij de schepping aan het menschenleven gaf. Zóó is dit leven van het kindeke Jezus een harmonisch geheel : geen wanklank wordt er in gehoord, alles is naar zijn aard. In de lijn van dit leven ligt niets anders dan hetgeen wij hier in onzen text lezen : „en Hij was hun onderdanig". Jezus is in heel Zijn leven de Mensch, zooals God hem hebben wil. Geen wonder dan, dat Hij openbaar wordt als het kind, zooals God het hebben wil. Il
Il En toch is ons in deze enkele woorden van onzen text iets heel buitengewoons geteekend. Dit wordt ons duidelijk uit de tegenstelling, die voor ons oprijst, wanneer wij nu in de tweede plaats het oog op onszelf richten,
„Onderdanig" — is dit misschien het woord, waarmee de werkelijkheid van de verhouding der kinderen tot hun ouders bij ons kan worden gekenschetst ? Kunnen wij dit wezenlijk zeggen, wanneer wij met betrekking tot onze kinderen onzen oogen den kost geven, en wanneer wij met betrekking tot onszelf onze ervaring raadplegen ? Is dan niet juist het tegendeel het geval ? Juist met de onderdanigheid staat het kind voortdurend op gespannen voet. Wij zien het eiken dag bij onze kinderen, en ons eigen geweten getuigt het omtrent onszelf.
Onderdanig aan zijn ouders — van welk kind kan dit ten allen tijde worden getuigd ? Wel te verstaan, niet gerekend naar het vergoelijkend oordeel van vele ouders over hun kinderen, nog minder naar de eigen gedachten der kinderen, mr.ar getoetst aan Gods heilige Wet naar letter en geest ? Van welk kind, ouder of jonger, kan naar waarheid verklaard worden, dat het nooit anders deed en doet dan met een volvaardig gemoed zich voegen naar zijn ouders ?
Hei tegendeel van onderdanigheid wordt gedurig gezien. Het „ik" van het kind poogt zich al spoedig tegenover de ouders te doen gelden. Het begint immers al in de prille jeugd, wanneer het kind zich nog niet eens goed bewust is van hetgeen het doet. Maar hoe verder het kind opgroeit, hoemeer het er op uit is, te zien of het niet kan komen waar het wezen wil. Wat wordt er niet in het werk gesteld, om eigen zin door te drijven ; wat een listen en uitvluchten worden er niet bedacht! Het wordt er waarlijk niet beter op, wanneer de geest zich begint te ontplooien,
wanneer het kind kennis gaat opdoen en deze kennis zich uitbreidt. Dan gaat het al heel spoedig eigen inzicht hoog aanslaan en dit tegenover het inzicht van vader en moeder plaatsen, en poogt dit met alle macht te handhaven. \n twee gevallen bereikt het kwaad gewoonlijk zijn toppunt: in de eerste plaats, wanneer de kinderen tot hooger ontwikkeling en aanzienlijker stand komen dan de ouders het brachten; en-in de tweede plaats, wanneer het kind een zelfstandige positie in de maatschappij verkrijgt. Dan wordt de onderdanigheid tot een minimum herleid of raakt zij zelfs geheel zoek.
Zeker, er is onderscheid tusschen kinderen en kinderen. Bij het ééne ziet men meer van onderdanigheid dan bij het andere. Het karakter speelt hierbij een niet onbelangrijke rol. Het is echter ook de vraag, of het welgevormd en of het op de rechte wijze gevormd is. De leiding der ouders in de eerste plaats is hier van grooten invloed. Helaas, dat hieraan dikwijls zeer veel ontbreekt. Er zijn ouders, die uit gemakzucht hun kinderen
Er zijn ouders, die uit gemakzucht hun kinderen maar laten opgroeien zooals ze opgroeien. Acht te geven op hun kinderen kost hun veel te veel moeite. De straat is de plaats, waar de kinderen opgeleid worden, en het is waarlijk niet twijfelachtig, in welke richting deze opleiding zich beweegt. — Er zijn ook ouders, die aanvankelijk niet den noodigen ernst maken met de opvoeding van hun kinderen. Wanneer het kind de eerste teekenen vertoont, dat het zijn „ik" wil laten gelden, vinden zij dit mooi: het bewijst immers, dat er in het kind iets zit! Alleen voor dit laatste hebben zij oog. Daarom laten zij het kind begaan en lachen om het kwaad, dat het uitvoert. Het kind voelt zich daardoor aangemoedigd, om op den ingeslagen weg voort te gaan, en is daarin volijverig. De vinger werd gegeven, het neemt de heele hand. Is het wonder, dat zoo'n kind zich later op zijn minst met zijn ouders gelijk stelt? Is het wonder, dat het met den wil der ouders niet rekent en hun de wetten stelt? Denzelfden weg gaat het op, wanneer ouders hun kinderen in het aangezicht bewonderen om verstandige opmerkingen en snedige zetten. Zulke kinderen meenen later de wijsheid in pacht
Zulke kinderen meenen later de wijsheid in pacht te hebben. Over het paard getild, minachten zij later de ouders. — Doch ook bij kinderen, waaraan alle moeite en zorg besteed is, van wie ook de straffende hand, waar het noodig bleek, niet werd teruggehouden, zien wij de zucht om eigen inzicht te volgen en eigen wil door Ie zetten, telkens weer optreden. Een duidelijk bewijs voor de waarheid, dat in het kind van nature geen onderdanigheid gevonden wordt.
Verheffing tegen de ouders, — dat is bij uitstek de zonde van het kind. Zelfs daar, waar naar het uitwendige onderdanigheid wordt aangetroffen. Vrees voor straf is nog altijd een machtige rem. Doch het rechte is het niet. Zulk een onderdanigheid is voor God nog geen onderdanigheid, omdat zij niet van ganscher harte beoefend woidt. Onderdanigheid is alleen daar, waar men zich gewillig onder de ouders schikt, omdat het hart ertoe dringt.
Maar — vraagt misschien iemand — moet men zich dan in alles naar den wil der ouders schikken ? Is het dan niet mogelijk, dat de ouders op het verkeerde spoor zijn en het rechte inzicht missen ? Hoe moet ik dan in zulke gevallen ? Ziehier het antwoord : het is zeer wel mogelijk, dat de ouders dwalen ; ook jozef en Maria dwaalden. Maar het kind Jezus heeft daartegenover de onderdanigheid niet prijsgegeven. Hij heeft hen in alle bescheidenheid op hun dwaling opmerkzaam gemaakt met de veelzeggende vraag : „Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?" Daarbij bleef Hij toch onderdanig, en keerde Hij met hen naar Nazareth terug. In zulke gevallen doet de vreeze Gods den rechten weg vinden, waarbij het om den wil Gods gaat, waarbij daarom ookalle zelfverheffing en brutaliteit buitengesloten is, waarbij alleen gesproken wordt op een toon, die tegenover onze ouders, welke over ons gesteld zijn, past.
Verheffing tegen de ouders, — dat is bij uitstek de zonde van het kind. En niet alleen tegen de ouders in letterlijken zin, maar ook tegen allen, die de plaats der ouders innemen en daarom met de ouders op één lijn staan. Het is eigenaardig, dat Lukas in vs. 41 schrijft : „En Zijn ouders reisden alle jaren naar Jerusalem . . . .'', terwijl hij toch zeer goed weet, dat Jozef slechts de pleegvader van Jezus was. Hieruit leeren we duidelijk, hoe de Geest Gods de zaak beziet: pleegvader en pleegmoeder staan met vader en moeder op één lijn. Dit geldt dus ook van z.g.n. stiefvader en stiefmoeder, schoonvader en schoonmoeder. Tegenover al dezen wil God onderdanigheid. Niel-oiiderdanigheid is zonde.
Hierop moeten wij in onze dagen wel dubbel nadruk leggen. Want het wordt zoo weinig als zonde gevoeld en geteld. En toch is het zonde, immers overtreding van het vijfde gebod, en dus schennis van Gods heilige Wet.
Gemeente ! als wij hier eens even bij stilstaan, dan hebben wij het niet gemakkelijk. Niemand van ons, hetzij kind, hetzij volwassene ! Gij kinderen, zGowel kleinere als grootere, in ons midden, hoe staat het met die onderdanigheid bij u ? Laat gij u werkelijk leiden door uw ouders en door degenen, die bij u de plaats van uw ouders vervullen ? Schikt gij u in waarheid naar hen, en doet gij dit van ganscher harte en volkomen gewillig ? Wat is het goed, dat de muren geen ooren hebben, nietwaar? Maar de Heere God heeft wel ooren, en oogen, die de gansche aarde doorloopen. Hem is alles bekend, ook hetgeen niet over uw lippen kwam, maar slechts oprees in het diepst van uw gedachten.
Weet ge nog wel, wat gij dacht, hoe gij keekt, wat gij zeidet en deedt, toen u opgedragen werd wat u niet beviel, toen u een raad gegeven werd die u niet aanstond, toen u verboden werd wat uw begeerte had opgewekt ? En dat keer op keer, zoodat er geen dag voorbijging, waarop gij niet het tegendeel van onderdanigheid hebt betoond, waarop gij uw wil poogdet door te zetten en misschien achter den rug van uw ouders, voogden of verzorgers ook doorgezet hebt ?
En gij, mijn medevolwassenen ! zegt eens, doemt er niet ook voor ons oog een menigte van ongerechtigheden op, door ons bedreven in strijd met de onderdanigheid, die God van ons vordert ?
De tijd heeft veel in het onderbewuste doen verzinken, maar komt niet zoo af en toe eens een tooneel uit 't ouderlijk huis ons voor den geest, dat allesbehalve vleiend voor ons is ? Hoe menigeen zou vader of moeder wel uit het graf terug willen roepen om van hen vergeving te verkrijgen van zonden, waarover hij nu alleen heete tranen schreien kan.
Gelukkig, wanneer er hartetranen geschreid worden. Want het gaat om de belijdenis van onze zonden! Den oprechte blijft ook hier niets anders over dan zulk een belijdenis. Hij kan zichzelf niet handhaven. Het wakker-geworden geweten spreekt te duidelijk. Hij wil ook zichzelf niet handhaven, want zijn hart is verbroken. Hij staat alweer voor een openbaring van zijn diep bederf. En daarover draagt hij leed. En daar vindt het beklemde hart alleen lucht in de bede, die de 25e psalm ons op de lippen legt: „Sla de zonden nimmer ga, die mijn jonkheid heeft bedreven".
III In deze bede vindt het beklemde hart waarlijk lucht, omdat er een grond is, waarop wij deze bede mogen opzenden, met de vaste hoop op verhooring. Hierover tenslotte nog een enkel woord, terwijl wij de aandacht bepalen bij de beteekenis, die de houding van het kind Jezus voor ons heeft.
Hoe staat het kind Jezus in Zijn onderdanigheid hier vóór ons ? Als een voorbeeld ter navolging misschien? Of als de volmaakte mensch, hier als het volmaakte kind, waarin God openbaar heeft laten worden, hoe het kon zijn en ook moet zijn ? Gemeente ! laat ons dit eens voor een oogenblik
Gemeente ! laat ons dit eens voor een oogenblik aannemen. Welke beteekenis zou Jezus dan voor den verslagen zondaar hebben ? Geen andere dan de beteekenis, die het voorhouden van een mensch die goed kan loopen, heeft voor een lamme. De ellende van den verslagen zondaar zou er door vergroot worden, en niets meer. Als wij Jezus zoo zien, voelen wij te meer, hoe ver wij zijn afgeweken, hoe jammerlijk onze toestand is. Want dit is juist mijn ellende, dat ik niet in staat be!i, op welken lijd ook, tot betere dingen te komen. Bij zulk een Jezus word ik te ellendiger. Van verlossing is hier geen sprake.
Gode zij dank, aan zulk een Jezus heeft Lukas niet gedacht De Jezus, Dien hij teekent, is dezelfde, van Wien de engel in Efratha's velden den herders sprak : „Vreest niet, want zie, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids" (Lukas 2 : 10, 11). Het is Jezus, Die komt om Zijn volk zalig te maken van hun zonden ! Het is dezelfde. Die straks in Nazareth's synagoge uit de profetie van Jesaja zal lezen : „De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd ; Hij heeft Mij gezonden om den ai men het Evan
Hij heeft Mij gezonden om den ai men het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart, om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren" (Lukas 4 : 18, 19), en daaraan toevoegen : „Heden is deze Schrift in uw ooren vervuld". Het is dezelfde, Die bij de inzetting van het Avondmaal het ge
Die bij de inzetting van het Avondmaal het gebroken brood aan Zijn jongeren geeft, zeggende : „Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt', en Die, terwijl Hij hun den drinkbeker toereikt, spreekt: „Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt" (Lukas 22). Het is dezelfde. Die straks den Emmaüsgangers voorhoudt: „alzoo is er geschreven, en alzoo moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage ; en in Zijn Naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jerusalem". Kortom, de Jezus, Dien Lukas ons predikt, is de Jezus, Die in den dood gaat, opdat er voor zondaren vergeving van alte ongerechtigheid moge zijn.
Als de Bewerker van ons heil staat Hij ook in onzen text vóór ons. Niet tevergeefs heeft Lukas tevoren van Zijn besnijdenis melding gemaakt als teeken van het genadeverbond Gods, maar ook als teeken, dat Hij onder de Wet was gesteld. Welnu, ons textwoord, dat ons verkondigt: „Hij was hun onderdanig", laat ons zien, hoe Hij die Wet volbracht heeft ten aanzien van het vijfde gebod. Heel Zijn leven in de verhouding tot Zijn ouders stond in dit eene teeken van onderdanigheid. Van het tegendeel is nooit zelfs ook maar een zweem te bespeuren geweest. Hier geldt in volle kracht hetgeen wij zingen : „Geen vlek,
geen mistred zagen d' oogen der vlekkelooze Majesteit". Hij heeft het gebod gehouden tot op tittel en jota, naar letter en geest Dat heeft Hij gedaan als Zoon van Maria, d.w.z. als Zoon des menschen, als de Mensch-in-uw-plaals. — Meent nu niet, dat dit eigenlijk voor Hem niets beteekende, dat het Hem niet de minste moeite kostte ! Laat ons toch niet vergeten dat Hij ons in dit opzicht gelijk is geworden, dat Hij in het vleesch is gekomen, dat Hij in onze ellende is ingcdaald, dat Hij met dezelfde zwakheid omvangen is geweest, waarmee wij omvangen zijn. Hoeveel het Hem gekost heeft, den wil Gods te volbrengen,
leert ons uit Zijn later leven b.v. de verzoeking in de woestijn. Deze verzoeking was geen schijnvertooning, maar ontzettende werkelijkheid. Dat zien wij duidelijk hieruit, dat Jezus Zich aan het geschreven Woord heeft vastgeklemd en daarmee de aanvallen van Satan heeft afgeslagen. Welnu, zoo is het ook geweest in de periode van Zijn leven, waarvan onze text gewaagt. De macht der zonde is ook op het kind Jezus aangekomen. Maar zij is bij Hem als op een muur afgestuit.
Hij heeft haar geen oogenblik toegang verleend in Zijn ziel. Hij heeft Zich aan God alleen gehouden en naar Diens wil alleen gevraagd. Ook met betrekking tot het vijfde gebod. Voorde heilige Wet Gods is het kind Jezus, is Jezus als kind zonder vlek en zonder rimpel. Als Hij straks aan het kruishout genageld wordt, dan wordt Hij daaraan genageld, Wien geen enkele zonde tegenover Zijn ouders ten laste kan worden gelegd, als de Rechtvaardige en de Heilige, ook in dit opzicht.
ken, Doch aan den anderen kant geldt ook hier: „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen", ook de ongerechtigheid in onze verhouding tot onze ouders en allen, die met onze ouders op één lijn staan. Hij moest ook in dit opzicht de Drager der ongerechtigheid zijn. Daarom heeft God Hem ook door ontvangenis en geboorte in de wereld doen komen, opdat Hij ook de ontwikkeling van het kind zou doorma- opdat Hij ook als kind met de kinderen één zou worden en de ongerechtigheid der kinderen op Zich zou nemen. Ook die ongerechtigheid heeft Hem aan het kruis gebracht ; ook daarvoor heeft Hij Zijn dierbaar leven gelaten. Zoo is Hij een verzoening ook voor de zonden, die aan den naam „kind" onder ons kleven. Zoo is hier waarachtige troost voor het verslagen
Zoo is hier waarachtige troost voor het verslagen gemoed. Gemeente! de ernst der zonde treedt hier weer in helder licht. Ook der zonde van niet-onderdanigheid, der zonde tegen het vijfde gebod. God heeft ze gestraft aan Zijn lieven Zoon ! Als wij er goed inkomen, dan moeten wij ons
Als wij er goed inkomen, dan moeten wij ons wel verwonderen, dat de aarde nog staat en dat wij nog zijn, die wij zijn. Alleen de overtreding van het vijfde gebod gaf God immers reden genoeg, om met ons een voleinding te maken. De oordeelen Gods, die hedenfendage over de aarde gaan, geven ons ernstige stof tot nadenken. Het is de lankmoedigheid Gods, die ons nog spaarde ! Om Jezus' wil geschiedt het, om Zijnentwil alleen stelt God Zijn toorn uit, om de verzoening, die Hij heeft aangebracht.
Wee ons, wanneer wij die verzoening niet begeeren noch zoeken! Dan moeten wij sterven, gelijk Absalom stierf, n.1. in onze zonden. En dan zal het vijfde gebod van Gods heilige Wet ons veroordeelen voorden rechterstoel des Allerhoogsten. Maar ook het kruis van Christus zal ons veroordeelen, omdat wij de genade niet hebben gewild! Naar het kruis van Golgotha heen, gij allen, die
Naar het kruis van Golgotha heen, gij allen, die siddert en beeft bij de gedachte aan al die ongerechtigheden, welke u aankleven ten opzichte van uw verhouding tot uw ouders ; aan al uw overtredingen van het vijfde gebod in vroeger en later tijd. Jezus Christus is de verzoening voor deze, gelijk voor al uw zonden. Hij heeft alle gehoorzaamheid volbracht in uw plaats. Hij heeft ook de straf voor uw ongehoorzaamheid gedragen. Aan Hem alleen u vastklemmend en aan Hem alleen u houdend, rekent God u dat alles toe, alsof gijzelt dat alles geleden, alsof gijzelf dat alles volbracht hadt. Gij, die uzelf als goddelooze veroordeelt, wordt gerechtvaardigd in het bloed van Christus, vrijgesproken van alle schuld, in overeenstemming verklaard met Gods heilige
in overeenstemming verklaard met Gods heilige Wet. En er is nog meer dan dat. Een kind, dat in waarheid de zonde van het kind betreurt, kan er zich niet mee tevreden stellen, dat het van zijn zonden vrijgesproken is Het heeft geen rust, voordat het antwoord heeft op de vraag : Hoe kom ik er toe, overeenkomstig het vijfde gebod te wandelen ? Hoe zal er toch bij mij, die vol zelfverheffing ben, een wandel in onderdanigheid wezen ? Het kruis van Christus geeft u ook hierop het antwoord. Laat mij het u voorhouden met woorden van Paulus uit Rom. 8 : „Want hetgeen der Wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch. Aan het kruis is de zondemacht in den dood geworpen, daar is zij terechtgesteld. Voor dengene, die door het geloof met Christus verbonden is, heeft die vreeselijke macht haar macht verloren. Hem regeert de Geest van Christus. En die Geest leidt in alle gerechtigheid. — Zie
En die Geest leidt in alle gerechtigheid. — Zie dan af van uzelf. Zie op Jezus alleen. Zoo zult gij leeren in onderdanigheid te wandelen. Niet alsof gij zoodoende in uzelf ooit onberispelijk zoudt worden. Uw gerechtigheid zal Hij alleen zijn. Maar zoo gij uw gerechtigheid in Hem alleen zoekt, zal nochtans aan u bewaarheid worden, ook ten aanzien van deze dingen, het Woord des Meeren : „Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u ; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen". Amen. v. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1946
Kerkblaadje | 14 Pagina's