Zalig zijt g i j . . . . Wee u!*
Text: Lukas 6 : 22, 23, 26.
De text, die wij voor u opsloegen, behoort niet tot de stoffen, waarnaar wij bij voorkeur grijpen. Vooral de zaligspreking schijnt — berekend als zij is op tijden van vervolging of tenminste op tijden, waarin vervolging een aanvang neemt — minder van pas te komen in dagen, waarin het leven der Gemeente zijn gewone gang gaat. Toch kon ik, terwijl ik mij in dit Schriftgedeelte verdiepte, van deze woorden niet loskomen. Te minder, omdat de Here Jezus Zelf aldus sprak in een periode, waarin Zijn discipelen nog niet aan vervolging waren blootgesteld en niemand van hen nog aan vervolging dacht. Dat is ook merkbaar aan de vorm, zowel van
Dat is ook merkbaar aan de vorm, zowel van de zaligspreking als van het „wee u !", dat daarnaast uit de mond des Heren ging. Er is immers een duidelijk verschil op te merken tussen de voorafgaande woorden en dit woord. Daar heette het: „Zalig zijt gij, armen ! zalig zijt gij, die nu hongert ! zalig zijt gij, die nu weent!" en : „Wee u, gij rijken ! wee u, die verzadigd zijt ! .... wee u, die nu lacht!" Hier heet het: „Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u afscheiden Verblijdt u in die dag" en : „Wee u, wanneer al de mensen wél van u spreken". Dadr had de Here Jezus het oog op trekken uit het heden, hier richt Zijn blik zich op de toekomst.
De Here Jezus zag dieper dan Zijn jongeren. Hij wist, waartoe Hij in de wereld gekomen was en wat dit medebracht. Hij zag het conflict aankomen. Op sommige punten begon het al te spannen tussen Hem en Zijn volk. Denk maar aan hetgeen Lukas vermeld heeft aangaande de houding van Zijn stadgenoten na Zijn eerste prediking in de synagoge te Nazareth ; ook aan de houding van Schriftgeleerden en Parizeen bij de genezing van de man met de dorre hand (Luk. 4 : 16—32, 6 : 6—11). Dat was voorspel van érger dingen, ook van spanning jegens Zijn discipelen. Een spanning, die zich al de eeuwen door in verschillende vormen geopenbaard heeft en zich openbaren zal tot aan het einde der wereld, omdat daarin de vijandschap uitkomt van de slang en haar zaad tegen de Vrouw en haar Zaad, die reeds in het Paradijs door Ood gezet is. Vandaar het „zalig zijt gij" en het „wee u !", dat de Here Jezus in onze text laat horen en waarmee Hij Zijn discipelen wapent tegen hetgeen hun te wachten staat. Daarom heeft zowel dat „zalig zijt gij" als dat „wee u !" nog altijd zijn betekenis, ook voor ons.
Wij overdenken achtereenvolgens :
I. wat de discipelen van Jezus te wachten staat;
II. hoe zij dat mogen beschouwen ; en III. waarvoor zij zich hebben te wachten.
III. waarvoor zij zich hebben te wachten.
I.
Wat de discipelen van Jezus te wachten staat, vernemen wij uit hetgeen de Here in onstextwoord zegt: „Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u afscheiden en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil".
Het zijn wel bittere ervaringen, die de Here Jezus hier de Zijnen aankondigt, — ervaringen, die zij zullen ondervinden van de kant „der mensen". Mij dunkt, gij verstaat wel, wie de Heiland hier bedoelt, als Hij van „de mensen" spreekt. Niet op alle mensen, hoofd voor hoofd, heeft Hij het oog, maar op degenen, die zich verre van Hem houden. Onwillekeurig worden wij hier herinnerd aan een bekende plaats uit het Oude Testament, waar dat woord „mensen" ook zulk een bizondere zin heeft. Ik denk aan hetgeen we lezen in Genesis 6 : „En het geschiedde, als de mensen op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden, dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden" (vs. 1 en 2). Met de naam „mensen" worden hier aangeduid degenen, die Ood niet vreesden ; de nakomelingen van Kaïn, wier gezindheid het duidelijkst uitkomt en getypeerd wordt in de trotse taal van Lamech, de zoon van Methusaël: „Voorwaar, ik sloeg wel een man dood om mijn wonde, en een jongeling om mijn buile ; want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal" (Oen 4 : 23, 24). Dus mensen in hun hoogheid, waarin zij zich tegenover God handhaven. Zulke mensen zijn het ook, van wie de Here Jezus in onze text spreekt.
Bittere ervaringen zullen de discipelen van Jezus van de zijde dier mensen ten deel vallen. Die mensen zullen hen „haten". Dat woord tekent de gezindheid, waarmee zij jegens de discipelen zullen bezield zijn ; een gezindheid van afkeer, van hartgrondige afkeer, zodat zij die discipelen voor hun ogen niet kunnen zien.
Die gezindheid blijft niet verborgen, maar uit zich daarin, dat zij die discipelen „afscheiden", „smaden", en hun „naam als kwaad verwerpen". Zij zullen hen afscheiden.
Zij zullen a.h.w. een kring om hen heen trekken, zoals b.v. om besmette plaatsen een kring getrokken wordt. Zij zullen hen isoleren, alle contact met hen verbreken. Vervolgens zullen zij hen smaden : een klad op hen werpen, op verachte- Hjke toon over hen spreken, hun allerlei beledigingen aandoen. En eindelijk hun naam als boos verwerpen. De naam der discipelen zal als schadelijk, verderfbrengend, onheilspellend gelden, zodat de mensen hun naam niet willen horen, en als die ook maar even genoemd wordt, onmiddellijk een afwerend gebaar maken. En dat alles „om des Zoons des mensen wil",
En dat alles „om des Zoons des mensen wil", d.i. om Jezus' wil. Hij is immers de Zoon des mensen. Zó heeft Hij Zichzelf genoemd, niet omdat in Hem de normale mens, de mens, zoals hij naar schepping en bestemming moet zijn, verschenen is — hoeveel waars daar op zichzelf ook in moge liggen — maar omdat Hij met Zijn intrede in de rijen der mensen alles aanvaard heeft wat des mensen is: zijn zonde en ellende, om 's mensen zaak bij Ood in het reine te brengen. Vanwege die Zoon des mensen zullen de mensen de discipelen haten, smaden en hun naam als boos verwerpen. Omdat zij zich om die Zoon des mensen scharen als om het kostbaarste wat hun uit Gods hand ten deel is gevallen. Omdat zij Hem als hun Verlosser belijden en Hem als hun enige en volkomen Zaligmaker aanhangen. Omdat zij met Zijn Geest gedrenkt zijn en door die Geest geleid worden in al hun levensopenbaringen. Omdat heel hun wandel de stempel van de Zoon des mensen draagt. De geschiedenis der discipelen, zoals wij die in
De geschiedenis der discipelen, zoals wij die in het Nieuwe Testament getekend vinden, maakt ons dit duidelijk. Het middelpunt van de vijandschap was de Zoon
Het middelpunt van de vijandschap was de Zoon des mensen. Met Hem konden de mensen zich niet verenigen. Enerzijds was Hij hun te klein, anderzijds te groot. Al werd in verband met het indrukwekkende van Zijn optreden de gedachte gewekt, of Hij niet de Christus kon zijn, toch werd deze gedachte terstond weer verdrongen, gezien de lage staat, waarin Hij verscheen, — een staat, die niet overeenkwam met de schitterende verwachtingen, die de Jood van de Messias koesterde. Al werden aan de andere kant ook de monden gestopt door het onweerstaanbare van de waarheid, die uit Zijn woorden sprak, toch beschouwde men Zijn optreden als aanmatigend, b.v wanneer Hij zonden vergaf en een „wee u 1" deed horen over degenen, die zichzelf voor vroom hielden. Hier juist wrong de schoen : de mensen wilden zich hun vroomheid, hun gerechtigheid, hun aanspraken op de zaligheid, die zij meenden te bezitten, niet laten ontnemen. Zij wilden zich niet met de goddeloze wereld op één hoop laten werpen, hun verlorenheid niet erkennen en daarom niet verlost worden door die Zoon des mensen. Zij voelden het: wij moeten eraan ! Vandaar de afkeer, die aangroeide tot bittere haat, die een strijd op leven en dood deed ontbranden, en die daarop uitliep, dat de Zoon des mensen aan het kruis werd gehecht.
In die vijandschap moesten Zijn jongeren delen. Hoe zij gehaat werden om de Zoon des mensen, is wel gebleken b.v. onmiddellijk na de indrukwekkende Pinksterdag in verband met de genezing van de kreupele aan de Schone Poort des Tempels. En niet minder uit de ervaringen van Stefanus vóór de Joodse Raad, waar harten berstten en tanden geknerst werden van woede ! — Hoe zij afgescheiden, geïsoleerd werden, zien we al in het besluit der Joden — in de historie van de blindgeborene vermeld —, dat wie Hem als de Christus beleed, uit de synagoge geworpen zou worden (Joh. Q : 22). Dat heeft ook de blindgeborene zelf ondervonden, toen de Parizeen hem uitscholden: „Gij zijt Zijn discipel, maar wij zijn discipelen van Mozes", en hem uitwierpen uit de synagoge (Joh. Q : 28, 34). — En ook van het verwerpen van hun naam als schadelijk en onheilspellend, hebben wij voorbeelden in de Schrift. Denk maar eens aan hetgeen de advocaat Tertullus tegen Paulus inbracht vóór Felix' rechterstoel: „wij hebben deze man bevonden te zijn een pest, en één die oproer verwekt onder al de Joden door de ganse wereld, en een opperste voorstander van de secte der Nazareners. (Hand. 24 : 5). Denk ook aan hetgeen Paulus aan de Korinthiërs schrijft: „wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe" (I, 4 : 13).
En zoals het in die dagen was, zo is het ook in de loop der eeuwen gebleken.
Johannes werd naar Patmos verbannen „om het getuigenis van Jezus Christus", dat de kern is van „het Woord Gods" (Op. 1 : Q). AI de eeuwen door heeft hij lotgenoten gehad, wie het zelfs nog erger vergaan is dan hem, die het leven hebben moeten laten, enkel omda! zij discipelen van Jezus waren. Oe denkt natuurlijk aan de Christenvervolgingen onder de Romeinse Keizers en niet minder aan het bloedig bedrijf der Spaanse Inquisitie in ons eigen vaderland. Ge kunt er nog bijvoegen wat in de jongste tijd geschied is onder bolsjewistisch schrikbewind en onder nazilerreur, waar om de Naam van Jezus bloed heeft gevloeid !
Dat had men enkele tientallen jaren geleden absoluut onmogelijk geacht, nietwaar? Dat behoorde tot een lang vervlogen periode, waarin de mens ruwer was in zijn optreden. Zoiets deed men niet meer in dagen van beschaving als de onze. En toch .... Al wordt van de daken verdraagzaamheid gepredikt, al wordt in de weiten des lands vrijheid van godsdienst gewaarborgd, als het waarlijk om Jezus gaat, zoals in vroeger dagen, dan gaat het — hoezeer de vorm ook moge verschillen — in de grond der zaak nog precies dezelfde kant uit: haat, afscheiding, smaad, verwerping van de naam Zijner discipelen als kwaad ! Nog altijd is er een „antithese", al loopt de lijn daarvan anders dan velen onder invloed van hun politieke inzichten dachten en denken. Nog steeds is er een tegenstelling, in nauw verband met de Zoon des mensen. Vóór of tégen Christus, dat is het kardinale punt. En het „tegen Christus" uit zich ook nog altijd in een „tegen Zijn discipelen". En daarom is nog altijd van kracht wat de Here Jezus in onze text zegt van „u haten, u afscheiden en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil". Inderdaad, zo gaat het ook nu nog. Wel minder
Inderdaad, zo gaat het ook nu nog. Wel minder in het openbaar dan in het verborgen, maar toch ook wel in het openbaar! Aan de ene kant wordt op de naam „Christen" hoge prijs gesteld en alles zoveel mogelijk met het etiket „Christelijk" voorzien. Aan de andere kant wordt in brede kringen nog steeds, wie werkelijk discipel van Christus is, onbruikbaar geacht, vermeden, geschuwd, als kwam het onheil binnen de muren, als op die of die plaats een Christen werd gezet. Voor hoevelen is de benaming „fijn" nog altijd voldoende om een aldus gebrandmerkte de rug toe te keren of op een afstand te houden, al kan men op heel zijn manier van doen in de wereld niet de minste aanmerking maken.
Ook hierin komt onze tijd met die van de Here Jezus overeen, dat die vijandschap ook komt van de kant van alleszins godsdienstige mensen. Wie waarlijk een discipel is van de Zoon des mensen, ondervindt ook nu nog, dat de mensen tegenover hem staan. Zij moeten niets hebben van zijn belijdenis en zijn houding in de wereld. Die is veel te stijf en te strak, of niet stijf en strak genoeg. Om hen heen wordt ook nu nog in figuurlijke zin een kring getrokken. Op minachtende wijze over hen gesproken. Hun naam als kwand verworpen. Al draagt men hun persoonlijk achting toe, — zodra hun „beginsel" in het spel komt, moeten velen nie'.s van hen hebben. Van vrije genade te leven, het met Jezus alleen te wagen in leven en in sterven, af te zien van alle eigen werken en vroomheid vóór de rechterstoel Gods, schijnt wel een vreselijke, uiterst gevaarlijke zaak, waarvan men zich ven e moet houden. Waar komt dit anders vandaan, dan dat men niet gediend is van de Zoon des mensen, van de Christus, zoals de Schriften ons Hem prediken? Daarom moet ieder, die in Jezus alleen zijn heil vindt, die op alle vroomheid des vleses de dood moet schrijven, die niet anders kan dan voor Gods Wet zichzelf veroordelen en daarom als een verlorene aan Jezus zich vastklemmen, hierop voorbereid zijn, dat te eniger tijd aan hém bewaarheid wordt: „Wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u afscheiden en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil".
II.
Hoe mogen zij dat beschouwen ?
Daarop richten wij in de tweede plaats onze aandacht. De Here Jezus zegt: „Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten .... Verblijdt u in die dag, en zijt vrolijk !"
Dat ziet er wel wat wonderlijk uit, nietwaar? Het zijn immers geen aangename ervaringen, waar de Heiland over spreekt. Het valt allesbehalve gemakkelijk, te ondervinden, dat men een voorwerp van haat is; geïsoleerd, met minachting aangezien en verworpen te worden. Hoe goed het ons ook bij de Here Jezus moge zijn, toch doen zulke dingen ons pijn, ja wonden de ziel. En dan voelt men zich allesbehalve gelukkig. Hoe kan onze Heiland zulke m.nsen dan toch gelukkig prijzen, hoe kan Hij hen opwekken tot blijdschap en vrolijkheid, dus tot vreugde in het binnenste, maar ook tot uitingen van blijdschap ? Hij heeft daarvoor goede grond : „Verblijdt u in die dag, en zijt vrolijk; want ziet, uw loon is groot in de hemel ; want hun vaderen deden desgelijks de profeten". Twee redenen voert Hij er dus voor aan, waar
Twee redenen voert Hij er dus voor aan, waarvan er, om zo te zeggen, één buiten hen ligt, terwijl zij de andere met zich omdragen !
De eerste is : „ziet, uw loon is groot in de hemel". Naar boven richt de Heiland dus de blik Zijner jongeren. Is het hier beneden voor hen donker, vol moeite en verdriet, wanneer de vijandschap der mensen blaakt, in de hemel ziet het er anders uit! Daar is voor hen loon, groot loon zelfs! Eigenaardige uitdrukking. Onwillekeurig worden wij herinnerd aan een woord des Heren uitjer. 31 : 16 : „Bedwing uw stem van geween en uw ogen van tranen ; want er is loon voor uw arbeid". — Ook hier beantwoordt „loon" aan „arbeid". Het is een stoer werk voor de discipelen van Jezus, onder zulke omstandigheden in de rijen der discipelen te blijven. Er is heel wat te dragen en te verdragen; het kost veel zielespanning, zelfverloochening en strijd, dit uit te hou- 131 den en er niet moedeloos onder te worden. Het is echter niet tevergeefs: in de hemel is loon, rijk loon ! — Natuurlijk rijst hier onmiddellijk de vraag op, waar de Here Jezus op heeft gedoeld. In ditzelfde hoofdstuk is nog eens sprake van loon, n.l. in vs. 35, waar de Heiland zegt: „Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn". Daar is het dus wat de kinderen des Allerhoogsten geschonken wordt. Wij hebben hier dus wel te denken aan alles, wat Gods genade voor zondaren bereid heeft in Christus Jezus, aan de zaligheid, die in Gods gemeenschap gesmaakt wordt. — Dat loon is „in de hemel". Daar is het veilig, opgeborgen als een schat, waar niemand bij kan komen om die weg te nemen. Dat loon is dus de discipelen gewaarborgd. Niet alleen voor de toekomst, wanneer zij de volheid daarvan zullen ontvangen; maar ook voor dit leven, temidden van alle moeite en verdriet, want uit die voor hen bestemde schat deelt God Zelf hun mede naar dat Hij weet, dat zij van node hebben.
Het spreekt wel vanzelf, dat hier geen sprake is van loon, door henzelf met hun arbeid verdiend. Want die het verdiend heeft, is de Here Jezus alleen, Die met Zijn dood aan het kruis hun dat heil zou verwerven en ook verworven heeft tot de prijs van Zijn eigen leven. Maar het is de vergelding, die Gods genade hun geeft, een rijke vergoeding voor alles wat zij om der wille van de Zoon des mensen verdragen. Daarom zijn zij zalig, daarom mogen zij zich verblijden en vrolijk zijn, als verdrukking hen treft. Daarvoor voert de Here Jezus nu ook nog een tweede grond aan: „Want hun vaders deden alzo de profeten". Het is alsof de Here Jezus wil zeggen : „Wanneer de mensen u haten, afscheiden, smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, dan bevindt gij u in goed gezelschap !" Dat was immers de wijze, waarop het voorgeslacht van uw belagers de profeten behandeld hebben, de tolken Gods onder Israël. Denk aan Elia, wiens ziel door Izebel gezocht werd, die ook door Achab voor „beroerder Israels" werd uitgekreten. Denk aan Amos, die smadelijk weggejaagd werd uit Bethel, als ware hij een samenzweerder, voor wie het land niet veilig was (Amos 7 : 10 e.v.). Denk aan Jeremia en wat die man Gods van de vorsten van Juda te lijden heeft gehad ! — Lijden om des Zoons des mensen wil drukt dus op Jezus' discipelen de stempel Gods, en is kenmerk, dat zij Gode toebehoren. Het is als een geestelijke ridderslag. Dat is een oorzaak van blijdschap, die zijzelf met zich omdragen. Een bewijs, dat zij gemeenschap hebben aan het lijden van Christus; maar daarom ook — zoals Petrus in het voorgelezen stuk van zijn 1ste Brief (4 : 13) te kennen geeft: waarborg, dat zij ook delen zullen in de openbaring Zijner heerlijkheid. Gemeente! wat is dat vertroostend en bemoedi- 132gend ook in onze dagen, wanneer wij om Jezus wil met lijden in aanraking komen. Veel hebben wij daarvan nog niet ondervonden. Wat nog komen kan, weten wij niet, behalve dat de Schrift ons voorbereidt op zware tijden. Maar, al ziet men ons in de ene kring niet voor vol aan, en al acht men ons in de andere kring dompers, als wij alleen op het kruis van Christus steunen, — wij mogen ons verblijden en verheugen, ja zelfs vrolijk onze weg gaan ! Zijt dan niet verdrietig, als ge openlijk of heimelijk achteruit wordt gezet om uw belijdenis van de Christus Gods — gij zijt lotgenoten der profeten, daarom zult gij ook het loon der profeten ontvangen, dat u uit de hemel wordt toegebracht in vrede en zieleblijdschap, die God geeft, totdat eenmaal alle smaad voorbij is en eeuwige heerlijkheid uw deel.
III.
Waarvoor hebben de discipelen van Jezus zich te wachten ?
Dat is de derde vraag, die wij stellen in aansluiting aan hetgeen de Here Jezus tegenover Zijn zaligspreking plaatst: „Wee u, wanneer al de mensen wél van u spreken, want hun vaderen deden desgelijks de valse profeten".
Op het eerste gehoor kan dat „wee u !" wel een beetje vreemd aandoen. Wanneer wij n.l. „wél van iemand spreken" verstaan in de zin van : een goed getuigenis aangaande iemand geven, omdat hij in heel zijn doen en laten daartoe aanleiding geeft. Dan is er immers geen reden om over zo iemand een „wee u!" uit te roepen. Dan zou immers een onberispelijke wandel als verderfelijk beschouwd moeten worden.
Ge voelt wel, dat de Here Jezus op iets anders het oog heeft, n.l. op een „wél spreken", waaruit blijkt, dat de persoon, over wie gesproken wordt, in de smaak valt. Als alle mensen goed over iemand spreken, is dit een bewijs, dat hij bij alle mensen in de smaak valt, dat alle mensen het best met hem kunnen vinden, dat zij, om zo te zeggen, met hem thuis zijn !
Hoe is dat mogelijk ? Onder die mensen heerst immers groot verschil. Niet alleen van aard en aanleg, van leeftijd en stand, maar bovenal van denken en streven. Met name heerst er groot verschil van godsdienstige overtuiging; in dat opzicht staat de één vaak lijnrecht tegenover de ander 1 Hoe kunnen dan alle mensen wél van iemand spreken ?
Mij dunkt, gij gevoelt het wel: dat kan alleen, wanneer men in woord en wandel met de mensen meegaat Wanneer men inzake de waarheid Gods niet op zijn stuk staat, maar de scherpe puntjes er af doet en het aanstotelijke wegneemt. Dan kan ieder zich bij ons op zijn gemak voelen I De Here Jezus zegt echter: „wee u, wanneer al
De Here Jezus zegt echter: „wee u, wanneer al de mensen wél van u spreken, want hun vaderen deden desgelijks de valse profeten". Nu weten we dus meteen, waar de man thuishoort, van wie alle mensen wél spreken : in de hoek van de valse profeten ! Daar konden de vaderen het ook opperbest mee vinden. Micha, de zoon van Jimla, die enkel sprak wat de Here hem beval, neen, dat was volgens Achab geen man ; die profeteerde over hem nooit goed, maar altijd kwaad ! De profeten, die van Izebels tafel aten, daar kon men mee opschieten, want die zeiden enkel, wat de koning begeerde! Van Jeremia waren zijn tijdgenoten niet gediend : die kondigde altijd maar weer onheil aan en maakte zo de handen van het volk slap ! Neen, dan moest men Hananja hebben ; dat was nog eens een bruikbaar mens : die profeteerde verbreking van het juk van de koning van Babel! — Wee echter de valse profeten, want hun einde is het verderf, zoals ook Johannes in de Openbaring „de valse profeet" ziet eindigen in de poel, die van vuur en sulfer brandt. Wat baat dan al dat „wél spreken" van alle mensen ? Het einde der voorwerpen van hun lofspraak is toch aan dat der valse profeten gelijk !
Gij gevoelt zeker wel, Gemeente ! dat hier een waarschuwing ligt. De discipelen van de Here Jezus hebben zich te wachten voor zulk een houding, dat alle mensen wél van hen spreken. M. a. w. op te passen, dat zij de mensen niet in het gevlij komen! Deze waarschuwing is allesbehalve overbodig.
Deze waarschuwing is allesbehalve overbodig. Ons hart is arglistig, meer dan enig ding. Wij voelen ons gestreeld, wanneer wij bij de mensen in de smaak vallen. Populariteit is zo aantrekkelijk. Er bestaat groot gevaar, daarnaar te streven. Men kan zo veel bereiken door wat men noemt „gedienstigheden van de praktijk", door toe te geven aan wensen en begeerten van anderen, die eigen- ^ijk niet stroken met de waarheid, die wij leerden •kennen. Men kan het ook ver brengen, door niet ai te sterk te staan op de belijdenis, door toe te geven dat een ander ook wel gelijk kan hebben, al is hij een belijdenis van heel andere inhoud toegedaan. Dan wordt men tenminste niet met de nek aangezien, maar ontmoet men overal vriendelijke ogen !
Wee ons evenwel, wanneer wij die weg opgaan. Wij kunnen er vast op rekenen : dat geschiedt altijd ten koste van de waarheid ! En dat wil niets minder zeggen dan : ten koste van de Christus, dat is ook : ten koste van onzer ziele zaligheid. Wie waarlijk vasthoudt aan de Christus, die zal ondervinden, dat hij behoort tot de secte, die overal tegengesproken wordt. Maar hem geldt de zaligspreking des Heren: „Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten, en wanneer zij u afscheiden en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil. Verblijdt u in die dag en zijt vrolijk; want ziet, uw loon is groot in de hemel; want hun vaderen deden desgelijks de profeten".
„Om des Zoons des mensen wil".
Daarop moeten wij nog eens nadrukkelijk de aandacht vestigen ! Want alleen zij, die om Zijnentwil, zoals Petrus zegt „als een Christen lijden", worden door Jezus zalig gesproken. Lijden uit andere hoofde geeft geen recht, deze zaligspreking voor eigen persoon te aanvaarden en op zichzelf toe te passen.
Niet alle lijden, dat van de zijde der mensen over discipelen van Jezus komt, mag aanstonds vereenzelvigd worden met lijden om Zijnentwil. Wij moeten hier wel onderscheiden. De discipelen van Jezus zijn en blijven mensen, d. w. z. nakomelingen van de gevallen Adam, in wier hart de zonde woont. Daaraan is het te wijten, dat zij vaak verkeerde dingen doen, die allesbehalve in overeenstemming zijn met de liefde tot God en de naaste. En als dan de mensen een afkeer van hen krijgen en dat op allerlei wijze tonen, is dat aan henzelf te wijten. Dat heeft niets te maken met hun belijdenis van de Christus Gods. Dat mag dan ook niet op rekening van de Naam van Christus en van de vijandschap der mensen tegen deze Naam gesteld worden. Mij dunkt, het is wel duidelijk, Gemeente ! dat
Mij dunkt, het is wel duidelijk, Gemeente ! dat hier een tweede waarschuwing ligt: wacht u er voor, dat gij, als gij door eigen verkeerdheid u vijandschap op de hals hebt gehaald, u niet daarmee troost, dat het is „om des Zoons des mensen wil", dat het u de stempel van een waar discipel van Jezus opdrukt. Want dat is ijdel. Wie lijdt „als een doodslager of dief, of kwaaddoener, of als één die zich met eens anders doen bemoeit", zoals Petrus het uitdrukt, die heeft dat zelf te verantwoorden.
En daarom is er nog een derde stuk, waarvoor ieder discipel van Jezus zich in acht heeft te nemen, n.l. voor een wandel, die met zijn belijdenis in strijd is. Zodanige wandel geeft de mensen wapens in de hand, niet alleen tegen onszelf, maar ook tegen de belijdenis van de Christus. Door zulk een wandel zouden wij bevorderen, dat anderen, die hun pad zuiver houden, om des Zoons des mensen wil in kwade reuk en in allerlei lijden kwamen, evenzeer als wij de Naam van Christus tot een aanfluiting zouden maken, als ware Hij een slaaf der zonde !
Zo zien wij, Gemeente ! dat deze zaligspreking des Heren, zo heerlijk vertroostend en bemoedigend, ons tegelijkertijd tot diepe ernst stemt. Het komt er op aan, dat wij onze weg in woord en wandel zuiver houden.
Hoe zal dat het geval zijn ?
Wij moeten allen wel uitroepen: „Wie is tot deze dingen bekwaam ?" Want de ervaring leert, dat wij allen zonder enige uitzondering struikelen in vele. Hoe vaak wijken wij af ter rechter- en ter linkerhand, ook zonder dat wij ons dit bewust zijn.
Heil de discipel, die niets van zichzelf verwacht, niet vertrouwt op zijn hart, zijn wijsheid, zijn voorzichtigheid, zijn dapperheid of wat ook van die aard — maar die zich aan zijn Meester vastklemt. Het is de Geest van Christus alleen. Die onze paden recht maakt; Die het ook doen zal bij ieder, wie het daarom te doen is.
Houdt dan aan in het gebed om de leiding des Geestes 133 Moet gij, achter Jezus aangaande in het spoor der gerechtigheid, lijden — de Here kent degenen, die de Zijnen zijn. En Hij versiert de zachtmoedigen met heil. AMEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juli 1947
Kerkblaadje | 8 Pagina's