Gij zult niet echtbreken.*
Text: Exodus 20 : 2, 14. Meid. Cat. Zondag41.
Gemeente des Heeren !
Misschien is er bij dezen of genen enige verwondering, dat de behandeling van het 7de gebod van Gods heilige Wet zoeven werd ingeleid door de voorlezing van het Schriftgedeelte, dat men vaak „de lofzang op de deugdelijke huisvrouw"^) genoemd heeft.
Wellicht hadt ge iets anders verwacht, omdat het 7de gebod spreekt van dingen, die allesbehalve met zulk een lofzang overeenstemmen. Wie toch de lof van een deugdelijke huisvrouw bezingt, wie inderdaad haar waardij boven die der robijnen stelt, kan aan geen echtbreuk denken. Enig nadenken zal u echter het verband wel doen vinden. Gelijk alle geboden heeft ook het 7de een bepaald doel. Zoals — om maar enkel te noemen wat tot de 2de Tafel der Wet behoort — het 5de gebod het gezag, het 6de hef leven, het 8ste de eigendom, het 9de. de goede naam beschermt, zo dient het 7de gebod tot beveiliging van het huwelijksleven. Dat staat op de achtergrond van het 7de gebod.
Wij willen dat bij de behandeling van dit gebod in het oog houden, en met inachtneming van hetgeen onze Catechismus ons leert, spreken over 1 de achtergrond, Il de inhoud, lil de ernst, en IV de onderhouding van dit gebod.
I
„Gij zult niet echtbreken". — Wie deze woorden met aandacht leest of hoort, moet wel onmiddellijk bepaald worden bij hetgeen onze Catechismus noemt „de heilige huwelijke staat". Daarover hebben wij dan ook eerst, al is het in 't kort, te spreken, opdat de heerlijke achtergrond van dit gebod ons niet ontga.
Het huwelijk is een instelling Gods. De eerste bladzijde van onze Bijbel spreekt er
De eerste bladzijde van onze Bijbel spreekt er ons van, al wordt de naam „huwelijk" niet genoemd. God heeft de mens geschapen „man en vrouw" — zo lezen we in Gen. 1 — „en God zegende hen, en God zeide tot hen : Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde. . . ." Gen. 2 legt ons het bekende feit voor, dat God sprak met betrekking tot de eerstgeschapen Adam : „Het is niet goed, dat de mens alleen zij ; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegenover hem zij"
Dit geett ons een dubbeie kijk op het huwelijk. Vooreerst in zijn betekenis voor de mensen persoonlijk : de vrouw is gegeven tot hulp van de man. En dat niet, alsof de vrouw minderwaardig zou zijn. Integendeel, man en vrouw hebben gelijke waarde, maar ieder heeft zijn eigen plaats en op die plaats heeft, al is de man naar Paulus' getuigenis het hoofd der vrouw, de één de ander te dienen (Ef. 5 : 23 v.v.). — Aan de andere kant zien wij ook de betekenis, die het huwelijk heeft in de voorzienigheid Gods: het behaagt God in de weg van het huwelijk het menselijk geslacht te vermenigvuldigen ; en laat ons maar aanstonds daarbijvoegen : Zijn Gemeente uit te breiden. Door het huwelijk staat de mens daar als medearbeider Gods in de zaak der instandhouding van het mensdom door al de eeuwen heen. En uit Gen. 1 en 2 kunnen wij nog een derde stuk afleiden, dat ons de aard van het huwelijk leert kennen : het is de gemeenschap tussen één man en één vrouw, de volle gemeenschap, waarin de één zich volledig aan de ander geeft.
Zo heeft ook onze Heere Jezus het huwelijk geëerd door Zijn tegenwoordigheid, giften en gaven op de bruiloft te Kana, zoals ook ons Trouwformulier aanwijst. En de Apostel Paulus geeft in Ef. 5 niet onduidelijk te kennen, dat het huwelijk een beeld is van de gemeenschap tussen Christus en Zijn Gemeente, zoals dan ook de Schrift de verhouding zowel van de Heere als van Zijn Gezalfde tegenover de Gemeente meer- 129 malen schildert met trekken, aan het huwelijk of aan de bruidsstaat ontleend.
In het huwelijk ligt mee de bestemming van de mens. God heeft immers duidelijk genoeg gesproken : „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde".
De mens is op het huwelijk aangelegd, ook wat de bouw en de verrichtingen van het lichaam betreft. Hij is Gods medearbeider, en als zodanig ver verheven boven het dier; hij is immers Gods medearbeider in een gemeenschap, waarvan liefde de grondslag en de drijfkracht is Daar mag hedentendage we! met bizondere nadruk op gewezen worden. Bij velen is het huwelijk een zaak, die niet hoog gewaardeerd, ja in menig geval zelfs aan kant geschoven, om niet te zeggen, veracht wordt.
Het huwelijk eist zelfverloochening, en die is zo uiterst moeilijk te leren ; het brengt zorgen mee, inzonderheid wanneer het met kinderen wordt gezegend. — En daar zien velen tegen op. Om de lusten zouden zij het huwelijk wel begeren, maar de lasten willen zij niet dragen. Zij denken alleen aan zichzelf, aan eigen genot en gemak. Zo onttrekken zij zich aan een instelling, die voor de mensheid van grote betekenis is. Bij hen is alles zelfzucht, egoïsme. Hoe heerlijk is het daartegenover uitingen te horen als in het voorgelezen stuk van „Spreuken", of als Psalm 127 en Psalm 128 ! Het huiselijk leven in een gezin is niet te waarderen, ondanks alle moeite die het meebrengt. — Maar degene, die het uit zelfzucht verwerpt, zal ook het loon der zelfzucht ontvangen, n.1. eenzaamheid en verlatenheid op de oude dag.
Aan de andere kant blijft het echter ook waar, dat, al heeft God „de mens" op het huwelijk aangelegd, de verwezenlijking van die bestemming toch weer voor ieder mens persoonlijk afhankelijk is van de leiding Gods. Menigeen blijft ongehuwd, die het huweltik volstrekt niet verwerpt, het misschien zelfs begeerlijk acht. Maar de omstandigheden zijn er niet naar. Ere aan de zoon of de dochter, die aan een huwelijk niet denkt, omdat ze dan niet meer voor een oude vader of moeder zouden kunnen zorgen, die zonder die zorg het toch niet kan stellen! Ere aan de jonge man, die niet in staaf is, een vrouw behoorlijk te onderhouden en daarom geen verbintenis zoekt ! Ere aan het meisje, dat uit vreze Gods haar leven niet wil verbinden aan dat van een man, die misschien wel geld en positie heeft, maar om God en Zijn Woord zich niet bekommert. — Blijven die „over", zoals de volksmond zegt, hun troost is : de Heere weet, wat Hij doet! En met kinderloze huwelijken staat het niet anders. Voor wie God vreest vooral kan dat een moeilijke zaak zijn, in verband met de beloften Gods. Maar in aanvechting is dit de troost, dat God als de Souverein beschikt, doch dat alleen doet naar Zijn wijsheid, zodat ook hier het woord des Heeren geldt: „Mijn genade iï u genoeg!" 130
Wat God goed gemaakt heeft, is intussen door mensen bedorven. De zonde bracht ook hier verstoring.
Ik herinner u aan de veelwijverij, bij verschillende heidense volken en in Mohammedaanseomgeving ; en ook bij de Mormonen niet verworpen. — De veelwijverij is met de verheven gedachte van het huwelijk, n.l. „volledigeovergaveaanelkander" in strijd. Daar treedt de geestelijke zijde van het huwelijk in de schaduw, de zinnelijke zijde daarentegen op de voorgrond. Zelfs bij Israël was zij niet onbekend. De aartsvaders Abraham en Jakob kan men hierbij niet ten bewijze aanhalen, omdat het hun geenszins om vele vrouwen te doen was; zij zijn er door omstandigheden toe gekomen, ten dele door het niet-verstaan van Gods regering. Maar de Wet van Mozes, die voorschriften geeft voor gevallen, waarin een man meer dan één vrouw heeft, spreekt duidelijk genoeg. Toch moeten wij hier opmerken, dat deze voorschriften niet strekken tot bevordering der veelwijverij, maar tot beteugeling van het daaruit voortvloeiende kwaad. Zij is ontstaan, niet op bevel, maar onder de toelating Gods. En dat het een kwaad was, is wel ervaren in al de moeite en verdriet, die het bezit van meerdere vrouwen meebracht, zoals ook de geschiedenissen van David en Salomo ons duidelijk leren.
De verwoestende invloed der zonde is ook klaar te bespeuren in de zienswijze van vele kringen onzer samenleving, dat het huwelijk geen band is voor het leven, maar gelijk staat met een gemeenschap-op-contract, die daarom ontbonden kan worden, wanneer men er geen behagen meer in vindt. Het is jammerlijk te zien, hoe in litteratuur en kunst het zg.n. vrije huwelijk verheerlijkt en een wettige echt een overblijfsel uit een achterlijke periode genoemd wordt.
Daarom is het nodig, de waarde en de heerlijkheid van de huwelijke staat in het licht te stellen. Het huisgezin is de cel, waar Kerk en Maatschappij uit worden opgebouwd. Aan de welstand van het huwelijk hangt de welstand van land en volk. Daarom is het ook zo nodig, dat ernst gemaakt wordt met de sluiting van een huwelijk, dat deze zaak niet ondernomen wordt zonder ernstig gebed, ook niet zonder de voorkennis der ouders — reeds bij het aangaan van verkering of verloving. Vandaar, dat ook geen christenmens, die de zaak recht beschouwt, de Kerk er buiten kan laten, al is het volgens onze huidige wetgeving voldoende, dat de overheid de officiële huwelijksband legt. Een christen heeft behoefte, voor het aangezicht des Heeren de huwelijke staat in te treden.
II
Wie de hoogheid en de heiligheid van het huwelijk enigermate verstaat, die zal ook oog hebben voor het groot belang van het 7de gebod, welks inhoud wij nu nader gaan beschouwen.
„Gij zult niet echtbreken", dat is naar de vorm alleen een verbod ; gij gevoelt echter wel, dat het een gebod insluit.
Letten wij eerst op hetgeen verboden wordt.
„Gij zult niet echtbreken".
Naar de klank bepaalt het onze aandacht bij het verbreken van de huwelijksband, bij ons als „echtscheiding" bekend staande.
Echtscheiding is vierkant in strijd met de aard van het huwelijk. Met de volkomen gemeenschap, die uitgedrukt is in het bekende woord : „Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen ; en die twee zullen tot één vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar één vlees". Vandaar, dat de Heere Jezus er de slotsom aan toevoegde: „Hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mens niet". — Hij Zelf geeft slechts één reden voor echtscheiding aan, n.l. „hoererij". En dat dit een reden is, kunnen wij gemakkelijk verstaan : wie hoereert heeft de echtelijke trouw verbroken en 20 zelf de band verscheurd.
„Hoererij" is dus ook onder „echtbreuk" begrepen. Verboden is alle verbreken vaii de huwelijkstrouw. Doch er is meer.
Onze Catechismus vraagt in Vr. lOQ: „Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schande ?"
„Dergelijke schande" — daarbij hebben wij ongetwijfeld te denken aan „ontucht", verboden omgang tussen ongehuwden — en aan het vreselijk bedrijf van vrouwen, die haar eer voor geld veil hebben, en van mannen, die zich aan dergelijke vrouwen overgeven.
Zulke dingen staan echter niet op zichzelf. Zij vormen de jammerlijke kroon op anderedingen, waarop onze Catechismus wijst, als hij zegt, dat God ook verbiedt „alle onkuise daden, gebaren, woorden, gedachten, lusten, en wat de mens daartoe trekken kan".
„Onkuise daden" — denk aan onwelvoegelijkheden van allerlei aard. Maar ook aan z.g.n. „stomme" of „geheime zonden", in de eenzaamheid bedreven, maar door God gezien !
„Onkuise gebaren" —b.v. bewegingen der ogen, met de reinheid van zeden in strijd.
„Onkuise woorden", zoals dubbelzinnige scherts, waar velen een vermaak in stellen en waardoor menig jong gemoed bedorven werd.
„Onkuise gedachten", waarin men zich verdiept en waaraan men zich overgeeft door hetgeen men ziet en hoort.
„Onkuise lusten" — denk aan het woord van de Heere Jezus : „Wie een vrouw aanziet om haar te begeren, die heeft airede overspel in zijn hart met haar gedaan".
En dan moeten wij nog afzonderlijk de aandacht wijden aan hetgeen de Catechismus tenslotte zegt: „en wat de mens daartoe trekken kan". Doen wij daaruit enkele grepen.
Onmatig leven, waarbij een mens niet anders doet dan brandstof ophopen voor onreine lusten. Slechte boeken, die de verbeelding prikkelen. Slechte kameraden, die taal gebruiken, die men liefst niet voor de oren van zijn moeder zou herhalen.
Lediggang, die ook hier des duivels oorkussen is. O, die jongens en meisjes, die in plaats van nuttige ontspanning te beoefenen liever's avonds langs de straat slenteren om buiten weten hunner ouders met elkander in aanraking te komen ! En die ouders, die uit gemakzucht of uit slapheid hen maar laten begaan, in plaats van hun kinderen in de moeilijke jaren te leiden '
Prikkelende vermaken, zoals bals en danspartijen en vele voorstellingen in bioscopen, die de lichtzinnigheid des Ipvens bevorderen.
Kledij, die de grenzen der welvoegelijkheid overschrijdt. O, die ellendige mode, waardoor de hartstocht wordt opgewekt of ook maar kan worden opgewekt! Ja, „kan" — daar wijst ons leerboek uitdrukkelijk op. Geen ouder, die prijs stelt zowel op de eer van zijn dochter als op de eer van de jongelingschap, moest toelaten, dat zijn dochter in zulke kledij zich vertoonde ....
Uit ijdelheid komt het voort Uit zucht om zich mooi te maken. En daar hebben wij weer iets genoemd, dat tot diegoddeloze dingen kan trekken. Het is voor menige jongedochter het begin geweest van een diepe val.
Ten laatste wijs ik nog op onberaden huwelijken, die een bron van velerlei ellende zijn, maar ook vaak oorzaak werden van onkuisheid in allerlei vorm. Als de liefde er niet is, hoe zal dan de reinheid er 7ijn !
Laten wij deze dingen toch niet gering achten en er ons met een minachtende glimlach van afmaken ! Want het gaat om kuisheid ! Let maar op hetgeen hier geboden wordt. Onze Catechismus zegt in Vr. en Antw. 108, dat
Onze Catechismus zegt in Vr. en Antw. 108, dat het 7de gebod ons in de eerste plaats leert, alle onkuisheid van harte vijand te zijn, zodat wij er niets mee te maken willen hebben.
Van harte, — niet enkel om de gevolgen, want dat houdt hoogstens van de uitwendige daad terug, maar niet van het inwendig kwaad.
Het gaat om hetgeen hedentendage zo graag „het beginsel" genoemd wordt. Er moet voor onkuisheid geen plaats zijn in middelpunt en uitgangspunt van ons leven ; dan zal zij vanzelf in ons uitwendig bestaan ontbreken.
Voorts zegt ons leerboek, dat wij „kuis en tuchtelijk leven moeten, hetzij in de heilige huwelijke staat, of daarbuiten".
„Kuis", zodat alles reinheid ademt. „Tuchtelijk", zodat wij onze driften bedwingen : eerbaar, zedig, stemmig.
„In de heilige huwelijke staat". God wil, dat de man zich houdt aan zijn eigen vrouw, en de vrouw aan haar eigen man. En daarbij bedenken, dat de mens boven het dier met rede is begiftigd ; ook hier geldt een woord, dat menigmaal in de Schrift voorkomt: „matigheid", zelfbeheersing. Hier moet nog even de vinger worden gelegd
Hier moet nog even de vinger worden gelegd op een kwaad, dat aan de opstellers van onze Catechismus nog vreemd was, maar in onze dagen schrikbarende afmetingen aanneemt. Het wordt aangediend onder een deftig-kiinkende naam: „Nieuw-Mahhusianisme". Doch daaronder verbergt zich een afschuwelijke zaak. Laat mij er alleen maar van zeggen, dat er mee bedoeld wordt, de geboorte van kinderen te voorkomen, en dat op een wijze, die de mens ver beneden het dier doet zinken ! Het is een vertreden van de heiligheid des huwelijks op de vreselijkste manier. Schande over allen, die dit kwaad bedrijven ! Schande over zoveel dagbladen, die geheimzinnige advertenties opnemen en zo om het lieve geld meewerken aan de vergiftiging van ons volk !
Maar ook „buiten" de huwelijke staat hebben wij „kuis en tuchtelijk" te leven. Om een apostolische uitdrukking te gebruiken : „ons vat te bezitten in heiligmaking en ere", ons uit te strekken naar „al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is en zo er enige lof is" (I Thess. 4 : 4, Filigp. 4 : 8).
lil
Op de ernst van het 7de gebod vestigen wij in de derde plaats de aandacht.
Ook dit gebod valt onder het bereik van het bekende woord : „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der Wet om dat te doen".
Daarom zegt onze Catechismus ook terecht in Antwoord 108 : „dat alle onkuisheid van God vervloekt is". Ge weet wel, wat dat voor de onkuise betekent. Wij moeten ons niet in de war laten brengen door de vaak gehoorde bewering, dat God de zonde vervloekt, maar niet de zondaar. Alsof de zonde los was van de zondaar! Alsof de zondaar toch nog wei vrij uit zou gaan! Neen — de vloek Gods betekent : geen gemeenschap, maar scheiding. En die vloek openbaart zich in oordelen in deze tijd, maar bij volharding in het kwaad ook in verwerping in de eeuwigheid !
Daarvan spreekt de Heilige Schr'ft duidelijk genoeg. Ik herinner u aan Ef. 5 : 5, 6: „Dit weet gij. dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God ; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid" — en aan I Kor. 6 : 10 : „Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchligen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zuilen het Koninkrijk Gods beërven".
Daarvan spreken duidelijk allerlei voorvallen uit de geschiedenis zowel van de mensheid als van Gods volk.
Ik herinner u aan Sodom en Gomorra, die in één dag van de aarde verdelgd zijn, en zoals Petrus schrijft „tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven" (11 P. 2 : 6).
Voorts aan David en Bathseba, die het hun geboren kind moesten missen. Aan Salomo, aan wie het verkeer met vreemde vrouwen de scheuring van het Rijk k'istte. Aan Onan, die om zijn, laat mij zeggen „nieuw-malthusiaanse" ideeën door God werd gedood.
Daarvan legt ook het heden ivog ondubbelzinnig getuigenis af. God geeft nu nog de straf dezer zonde ook in het lichaam. Niemand loopt daarmee te koop, want, heeft men zich voor de zonde niet geschaamd, men schaamt zich wel voor de gevolgen. Ge moet echter doktoren maar eens vragen, vooral die werkzaam zijn in ziekenhuizen. Hoevelen lopen rond met de strafgevolgen der onkuisheid in ongeneeslijke of moeilijk te genezen ziekten, verlammingen, stompzinnigheid, tot blindheid en krankzinnigheid toe. Zelfs het nageslacht draagt er de sporen van.
Zijn deze gevolgen uitgebleven, — 't is geen bewijs, dat God het kwaad niet hoog aanslaat, 't Is enkel Zijn lankmoedigheid, die tot bekering wil leiden — doch die lankmoedigheid neemt een einde!
Waarom maakt God er zulk een ernst mee ? Het antwoord ligt in de aanhef vati het antwoord op Vr. lOQ: „Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zo wil Hij, dat wij die beide zuiver en heilig bewaren". Ons lichaam en onze ziel tempelen des Heiligen Geestes.
Zo was het ten dage der schepping. Want de mens stond in de volle gemeenschap Gods. De val heeft die gemeenschap wei verstoord, maar de bestemming blijft. En naar deze bestemming blijft God de zaak beoordelen. Ook ons lichaam is bestemd tot een tempel van de Heilige Geest.
Daarom is de onkuisheid zulk een groot kwaad. Waar onkuisheid heerst, daar heerst zij in ziel en lichaam. Daar wijkt de Geest Gods en worden ziel en lichaam een behuizing van vuile afgoden. Daar kan de vloek niet uitblijven.
En juist om die reden maakt God zo grote ernst met Zijn gebod : „Gij zult niet echtbreken", en laat Hij de Gemeente van het heilig blad nog heden toeroepen : „Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam ; maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam. Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is. Die gij van God hebt, en dat gij uwszelfs niet zijt ? Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn".
IV
En nu hebben wij nog te spreken over de onderhouQ'ing van dit gebod, d.w.z. over de vraag, hoe wij overeenkomstig dit gebod zullen leven : niet echtbreken, maar lichaam en ziel zuiver en heilig bewaren.
Dat gaat door diepe nood heen.
Gemeente ' als dit gebod vat op ons krijgt, kunnen wij er ons niet met allerlei drogredenen van ontslaan. Dan horen wij die woorden : „Gij zult niet echtbreken" als tot onszelf gericht. Maar dan horen wij tevens daarin het pijnlijk getuigenis: het is nodig, dat u dit gezegd wordt, want die zonde is bij u te vinden !
Daar willen wi] met graag van horen.
Als het gebod ons in de oren khnkt, willen wij er ons liefst van afmaken, en in het beste geval antwoorden: ,,Neen, Heere ' dat zal ik niet doen ; daar zal ik wel voor oppassen '"
Doch zulk een antwoord staat op één lijn met de bekende betuiging van Israel „Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen". Ge weet, hoe het daarmee stond. Israel had er niet het minste besef van, dat de ongehoorzaamheid in hun hart zaï, maar het kwam al heel spoedig aan de dag in de zonde met het gouden kalf Zo zit ook de onkuisheid, de kiem der zonde van de echtbreuk, in ons aller hart.
Dat is een hard gehoor!
Van nature pogen wij dit getuigenis te logenstraffen De onkuise wil nooit onkuis heten De ondervinding is er om dat te bevestigen Zelfs wanneer de daad is gepleegd, b v. in vóórgrijpen van de zegen van het huwelijk, wordt het menigmaal voorgesteld als een „ongeluk". Ja, men gaat wel eens zover, te beweren, dat het kwaad geen kwaad is denk maar aan de door velen verheerlijkte „vrije liefde", waarvan men zelfs durft zeggen, dat zij alleen „ware liefde" is, omdat er geen uitwendige huwelijksband bestaat
En toch is het de waarheid, dat ook de zonde, waar het 7de gebod tegen gericht is, in ons eigen hart woont
De Heere Jezus heeft het onverbloemd uitgesproken, toen HIJ zeide. „Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen . (Mark. 7 21) Dat alles komt er uit voort, omdat het slechts hizondere vormen zijn, waarin die grote macht, die „zonde" heet, zich openbaart
Het is alweer de ervaring, die deze dingen bevestigt. Als de levensboeken maar eens opengeslagen worden, wat komt er dan niet aan de dag ' O, WIJ denken zo spoedig alleen aan wat publiek werd En dat is zeker schrikkelijk! De wetgeving moest immers ook in ons eigen vaderland te hulp geroepen worden om dat schrikkelijk kwaad te beteugelen Ook heeft de barmhartigheid een vruchtbaar terrein gevonden om verdoolden terecht te brengen en ook kinderen, die onschuldige slachtoffers van de zonde dergenen aan wie zij het leven dankten, een goede opvoeding te geven ; zo IS de barmhartigheid, vooral in de grotere steden van ons land werkzaam.
Doch wij moeten tof onszelf inkeren. Want heel ons levensboek ligt open voor het aangezicht van die God, Die hef ook eenmaal voor ons open zal leggen in de grote dag des gerichts ! Als het niet is gekomen tot letterlijke overtreding metterdaad, — het is waarlijk niet te danken aan onze voortreffelijkheid, maar enkel aan de genade onzes Gods
Hebben wij nooit met de ogen gezondigd ? Heeft ons oor zich nooit geneigd naar woorden, die niet deugden ^ Heeft onze mond zich nooit iets onwelvoegelijks laten ontglippen ? ... Hoevelen hebben met vuur gespeeld ! O, als de duisternis en de donkerheid eens konden klappen ' Is er nooit iets in ons hart opgekomen, dat met de kuishe d in strijd was? Is er niemand, van wie geldt, dat het begon met de geest en eindigde met het vlees : het scheen eerst niet anders dan gemeenschap naar de geesi, maar ongemerkt slopen andere gedachten binnen. — Zo zouden wij nog wel verder kunnen vragen, maar dit is wel voldoende Als wij alleen nog maar denken aan de lichtvaardige wijze, waarop menigmaal over zaken van het huwelijksleven gesproken wordt, dan kunnen wij deze rubriek veilig sluiten. Wie IS er, die zichzelf kan reentvaardigen ?
Als WIJ er ernst mee maken, dan moeten wij ons wel verwonderen, dat de wereld nog staat, niet minder, dat wij zelf er nog zijn Want de aanklachten rijzen van alle kanten tegen ons op. Ook vanwege ons stilzwijgen, waar spreken nodig was.
Als wij aan dat alles denken, dan wordt het ons benauwd. Want ook die zonden zijn schulden ' — Al zou van heden af het gebod met meer door ons overtreden worden, dan bleven nog die schulden Maar. „van heden af niet meer overtreden", hoe kunnen wij dat bereiken ? Waar wij staan en gaan, dragt n wij de zonde met ons mee. Goede voor lemens baten niet die hebben al zo menigmaal schipbreuk geleden Waar moeten WIJ heen ?
Gelukkig, dat er antwoord is. Gemeente '
Denk nu eens aan de aanhef der Wet, die wij daar straks bij de voorlezing van onze text vooraf heten gaan : „Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypt'land, uit het diensthuis, uitgeleid heb". Deze aanhef wijst ons de weg. Daar spreekt immers de God des heils, de God der verlossing. Die Zich in Jezus Christus als de God der verlossingen geopenbaard heeft' Het is de God, Die Zijn Zoon gezonden heeft om ons uit de banden van zonde en dood vrij te maken. Ge weet immers wel, wat Paulus zegt in Rom. 8 : 3, 4 : „God heeft. Zijn Zoon zendende in degelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees, opdat het recht der Wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest". Zal er een breuk komen tussen de onkuisheid en ons, dan moet er een breuk komen tussen de zonde en ons. Dan moet er vergeving van ongerechtigheid zijn.
Zie op Jezus Christus, o verslagen ziel!
Sla Mattheüs 1 eens op. Daar vindt gij in het boek des geslachts van Jezus Christusdrie vrouwen genoemd, uit wie Jezus Christus is gesproten, n.I. Thamar, Rachab en „degene, die Uria's vrouw was geweest". Ge weet, wat haar namen in herinnering brengen : juist zonden tegen het 7de gebod ! Dat predikt u, dat Jezus Christus ook die zonden op Zich genomen heeft. Maar dan predikt het u ook, dat Hij ook die zonde in Zijn lichaam op het hout heeft gedragen, dus ook die zonde heeft verzoend !
Tot Hem dan heen, wanneer alles u veroordeelt. Bij Hem komende met uw zonde en schuld, vindt gij de verzoening en daarom de vergeving, de losmaking uit haar banden.
Twijfelt gij nog, of zulk een weldaad u wel ten deel kan vallen ? Denk dan eens aan Zijn houding jegens tollenaren en zondaren, die tot Hem kwamen om Hem te horen. De Parizeen ergerden zich, dat Hij Zich met hen inliet, en maakten schampere aanmerkingen. Maar wat deed Hij toen ? Hij ontsloot die tollenaren en zondaren het vaderharte Gods in de gelijkenis van de „verloren zoon". Zo ontsluit Hij ook u Gods vaderhart, zodat gij daar rust vindt voor uw ziel. Dat is de heerlijke betekenisvan Christus' kruis. Doch daarmee is de betekenis van het kruis niet uitgeput Er is ook nog een keerzijde. Jezus Christus doet geen half werk.
Bij het kruis van Christus wordt uw voet ook gericht op de weg der gerechtigheid.
Daar wordt gij gebonden aan uw God met de band Zijner liefde, die wederliefde wekt in liw verbrijzelde ziel. Daar leert gij ook Zijn Wet liefhebben, ook het 7de gebod. En waar gij niet anders begeert dan uw lichaam en ziel zuiver en heilig te bewaren, en uw eigen onmacht kent, daar vindt gij bij Hem al wat gij nodig hebt. Want bij het kruis van Christus wordt gij ook de Heilige Geest deelachtig. Die in alle gerechtigheid leidt. Geestelijk kuis gemaakt, zodat gij in waarheid van God alleen alles verwacht, wordt gij door die Geest ook geleid in de kuisheid van het 7de gebod, zodat gij alle onkuisheid mijdt en vliedt en haar van harte haat, zowel in als buiten de heilige huwelijke staat. — Gij zult er geen roem van hebben, want gij zult uzelf veroordelen en uw gerechtigheid alleen in Christus hebben. Maar de Heilige Geest zal u in rechte sporen leiden. AMEN.
Gelezen: Wet des Heeren en Spreuken 31 : 10—31. Gezongen: Ps. 119 : 1, 2; Ps. 119 : 5 na de Wet; Ps. 139 : 1, 4, 14; Qez. 183 : 3; Ps. 25 : 3.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juli 1948
Kerkblaadje | 8 Pagina's