Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bar-Abbas of Jezus Christus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bar-Abbas of Jezus Christus.

21 minuten leestijd

Zullen wij onze ogen van dit afgrijselijk toneel afwenden, of zullen wij naar de hogere oorzaak vragen, waarom door de keuze des volks, op aanraden der Overpriesters, een moordenaar werd losgelaten en de allerheiligste onschuld aan de kruisdood werd overgeleverd ? Er bestaat voor dit alles een hogere oorzaak ; zij ligt in God, zij ligt in Zijn rechtvaardigheid, in Zijn waarheid en trouw ; zij ligt in alle deugden Gods Het moest zo geschieden !

Horen wij een deel van het gebed aan van de eerste Christengemeente en de verzamelde Aposfelen. „Heere, Gij zijt de God, die gemaakt hebt de hemel en de aarde en de zee en alle dingen, die in dezelve zijn; die door de mond van David, Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de Heidenen en hebben de volken ijdele dingen ledacht ? De koningen der aarde zijn tezamen opgestaan en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere en tegen Zijn Gezalfde. Want in waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, welken Gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus met de Heidenen en de volken Israels, om te doen al wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou" (Hand. 4 : 24—28).

Wat is het, dat geschieden zou naar Gods voorzienigheid en tevoren bepaalde raad ? Was het niet datgene, wat vroeger in een beeld geschied was ? Het is Gods raad, dat Jakobs geslacht voor hongersnood en hongerdood bewaard zal worden.

Zijn voorzienigheid kiest als middel daartoe één der jongere zonen van Israël. Deze droomt een droom van bijzondere verheffing tot heerlijkheid en macht. In zijn eenvoud vertelt hij die droom. — Daarop wordt de nijd der broeders gaande, zij werpen hem in een kuil, ddar moet hij sterven — doden zij hem niet met de daad, zij doen hel met gedachten en woorden. — Daarna verraden en verkopen zij hem; aan den ouden vader vertellen zij, dat zijn zoon dood is — en God doet, wat Hij wil. „Hij zond een man voor hun aangezicht henen ; Jozef werd verkocht tot een slaaf. Men drukte zijn voeten in de stok, zijn persoon kwam in de ijzers. Tot de tijd toe dat zijn woord kwam, heeft de rede des Heeren hem doorlouterd. De koning zond en deed hem ontslaan Hij stelde hem tot een heer over zijn huis (Psalm 105 : 17—21). Jozef werd onderkoning. De broeders moeten naar Egypte ; zij zien daar als de nood op het hoogst is hun zonden in ; toen geen verwijt van Jozefs kant.

„Ik ben Jozef, gij mijn broeders ; gij allen met uw kinderen en met vader moet hier komen, gij zult het beste van het land hebben. God heeft het goed gemaakt — 't is alles geschied om u te behouden". En de broeders, die ééns moordenaars waren, aten met hun kinderen het brood des machtigen om niet, in overvloed ; en hun vee had overvloed en al het overige was en bleef vergeven en vergeten.

Dit beeld zegt reeds genoeg, en toch vragen wij andermaal : Wat is het, dat geschieden zou ? De edelste, de beste, de braafste, de in Gods Wet meest geoefende, de achtbaarsle mensen, een rechter verder, die anders het recht niet laat buigen, een volk, door God bevoorrecht, zoals geen ander volk, zij zullen allen tot zondaars, tot verraders en moordenaars van Gods heilig Kind Jezus worden, in Wien alleen al hun tijdelijk en eeuwig welzijn is; zij moeten Hem doden,

en als zij Hem gedood hebben, zal God Hem opwekken en aan al die mensen boete en bekering laten prediken en het geloof in dien enigen Jezus, opdat zij in Hem leven en overvloed hebben, opdat zij eeuwig zalig leven, — en al hun zonden van verraad en moord en goddeloze keuze zijn vergeten en vergeven ; geworpen zijn die zonden in de diepte der zee van eeuwige barmhartigheid.

Horen wij andermaal wat de Apostel Petrus dienaangaande tot het volk zegt: „De God van 41 Abraham en Izaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kindjezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt en hebt Hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zou loslaten. Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden ; en den Vorst des levens hebt gij gedood, welken God opgewekt heeft uit de doden, waarvan wij getuigen zijn. En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk ats ook uw oversten. Maar God heeft alzo vervuld hetgeen Hij door de mond van al Zijn Profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou. Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden" (Hand. 3 : 13 —IQ).

Horen wij wat de Apostel Petrus op de Pinksterdag tot het volk gezegd heeft: „Dezen (Jezus van Nazareth), door de bepaalde raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood ; welken God opgewekt heeft... ." „Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, dien gij gekruist hebt". En toen zij nu verslagen werden in het hart en uitriepen : „Wat zullen wij doen, mannen broeders ?", ontvingen zij dit antwoord van eeuwig pardon • „Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (Hand. 2 : 23, 24, 36-38).

Horen wij verder wat Petrus en Johannes voor de gehele raad en voor zovelen er van het hogepriesterlijk geslacht waren, betuigen ; die zouden allen nog het Evangelie horen, of ze het nog mochten aannemen: „Deze (Jezus Christus de Nazarener) is de steen, die door u, de bouwlieden,

veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is. En de zaligheid is in geen ander, want er is ook onder de hemel geen andere naam den mensen gegeven, door welke wij moeten zalig worden" (Hand. 4 : 11, 12). Horen wij eindelijk de verkondiging van den Apostel Paulus in de synagoge te Antiochië: .. . . „tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. Want die te Jerusalem wonen, en hun Oversten, dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der Profeten, die op elke sabbatdag gelezen worden. Hem veroor

delende, vervuld; en geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden. En toen zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt .... Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; en dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de Wet van Mozes, door dezen een iegelijk, die gelooft, gerecht- 42 vaardigd wordt" (Hand. 13 : 26—30, 38, 39). Is de inhoud van zulke prediking niet deze: Mens, wie gij zijt, het moest openbaar worden, wat gij zijt, wat in uw hart en nieren verborgen is ! Het moest openbaar worden, dat gij uw God en Koning verstiet, uw eigen zaligheid vermoordet! Het is geschied. Gij zelf hebt het aan de dag gelegd, maar God heeft alles weer voor u goed gemaakt. Belijdt uw zondeschuld. Wij houden u geloof en bekering voor. Omhelst die blijmare en bij God is alles vergeven en vergeten ; gij zijt voor eeuwig behouden !

Of wisten de Joden het niet, dat hun verlossing uit Egypte door het vlees en het bloed van een volkomen lam (Ex. 12 : 5, 14), dat zij zelf boven liet vuur aan twee stokken spiesten of kruisten, braadden en geheel aten, zonder er een been van te durven breken, een beeld was van hogere verlossing door den lijdenden Messias? Kunnen ook de hedendaagse Joden dat niet weten ? Moest hetgeen zij uit hun Cabbala of hun Talmud bij overlevering hebben, hen niet op het spoor der waarheid brengen ? Die over

levering zegt immers : „En op de zelfde dag, te weten de vijftiende van de maand Nisan, zal Israël wederom verlost worden in de dagen van den Messias, gelijk ais zij verlost zijn op die eigen dag, zoals er gezegd wordt: gelijk op de dag van uv» uitgang uit Egypte, zal Ik wonderen doen zien". En wederom : „In het begin van het jaar heeft de dienstbaarheid opgehouden van onze Vaderen in Egypte In de maand Nisan zijn zij verlost, in de maand Nisan zullen wij wederom verlost worden" (Talmud Rosch Hasschana. Cap. I).

Deze verlossing werd hier tot stand gebracht, maar op wonderbare wijze. God maakte ze allen tot zondaars, tot moordenaars van den Messias. Zij zelf vervulden de stemmen der Profeten, vervulden wat Mozes van hen voorzegd had. Wie wordt niet ontroerd, wie niet met een heilige huivering bevangen, als hij bij Mozes leest: de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het (Lam) slachten tussen de twee avonden (Ex 12 : 6), en dan in het Evangelie verneeiit: Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met dezen, en laat ons Barabbas los! (Luc. 23 : 18)?

Waarlijk, die oproermaker en moordenaar Barabbas was een beeld van het Joodse volk, een prediking: Wat Barabbas was, dat zijt gij allen, en gij komt vrij om niet, door Messias' dood ! Is die Barabbas ook een beeld van ons ?

O dat ieder, die mij hoort, het met mij belijde: die rebel, die doodslager, die Barabbas ben ik: ik ben die man, ik ben die vrouw (II Sam. 12 : 7), opdat wij dan in Barabbas ons beeld zien, hoe wij vrij komen.

Maar wij zijn toch geen moordenaars en oproermakers ? O, of wij dat niet zijn voor een aards rechter, omdat wij weerhouden werden door hogere macht, bewaard werden door goddelijke barmhartigheid, wat zijn wij voor dien Rechter, die boven de kloot der aarde zit?

Der sterren pracht is bij Hem nacht, Hoe hel zij schitteren mogen ; En wij, belaan met euveidaan, Wat zijn wij in Zijn ogen ?

is er één van ons, die meent de één en vijftigste Psalm niet behoeven te zingen ? De Overpriesters hadden Jezus uit nijdigheid overjjeleverd; het volk koos Barabbas en gaf zijn Christus over aan een schandelijke dood ; Pilatus, hoe ook overtuigd van Jezus' onschuld, hoe ook door iets bijzonders gewaarschuwd, gaf de onschuld over aan 's volks boze moedwil. En wij, wat doen of wat deden wij ? O, dat het hart breke bij overtuiging van eigen schuld ! 't is wel waar wat een oud rijmpje zegt:

Al kwam Gods eigen Zoon Gestegen van Zijn troon En Hij geen groter kracht Van boven medebracht, Nog zou het hart niet breken !

Maar toch, waar Gods Wet spreekt, daar verharde niemand zijn hart! Slaan wij het zesde gebod op: OiJ zult niet doden, gebiedt de hemelse Rechter. Zegt daar die Rechter niet, dat wij van nature allen doodslagers zijn ? Zegge een iegelijk het mij na : „God eist van mij, dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of enig gelaat, veel minder met de daad, door mijzelven of een ander o/z/^A-f, hate, kwetse of dode" (Heid. Gat. Z. 40). Ja, dat eist God, en nu, kunnen wij het laten, onzen naaste, als hij ons maar in het geringste in de weg treedt, te onteren en te haten ? Eist niet de hoogste Wetgever, dat wij alle wraakgierigheid afleggen ? En ach, hoe spoedig zijn hart en tong, hand en voet gereed om wraak te nemen ! Hoe node leggen wij alle wraakgierigheid af! Het zesde gebod schijnt >veliswaar alleen van het doodslaan te spreken,—;

zo leggen het de Parizeen, zo leggen het de huichelaars uit; maar de enige bevoegde uitlegger van dit gebod, onze Heere Jezus Christus, legt het zó uit, dat het door merg en been moet gaan, als wij het eerlijk op onszelf toepassen : „Zo wie ten onrechte op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door 't gericht. En wie tot zijn broeder zegt: Raka (ijdel, onbruikbaar mens), die zal strafbaar zijn door de grote Raad.

Maar wie zegt: Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helse vuur" (Matth. 5 : 22). Neen, het zesde gebod spreekt niet alleen van hetgeen wij manslag noemen, maar „God, den doodslag verbiedende, leert ons, dat Hij de wortel des doodslags als nijd, haat, toorn en wraakgierigheid haat en dat zulks alles voor Hem een heimelijke doodslag is". Ja, het gebod eist het tegenovergestelde, want „God, verbiedende de nijd, haat en toorn, gebiedt, dat wij onzen naaste liefhebben als onszelven en jegens hem geduld, vrede, zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen, zijn schade, zoveel ons mogelijk is, afkeren en ook onzen vijanden goed doen" (Heid. Cat. Z. 40).

De hand op het hart, de hand in de boezem, komt zij er niet melaats uit? O, hoe waar is het, dat wij alien van nature geneigd zijn, God en onzen naaste te haten! Hoe waar is het, wat de Apostel Paulus betuigt: „Het bedenken des vleses is vijandschap teg-en God, want het onderwerpt zich der Wet Gods n'et, want het kan ook niet" (Rom. 8 : 7). Hoe naar waarheid beschrijft de Apostel ons naar onze natuurstaat als „in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende" (Tit. 3 : 3). is dit, dat men den persoon aanneemt,

niet reeds volgens den Apostel Jacobus een doodslag, dien aangedaan, dien men om het uiterlijke terugzet (Jac. 2 : 9—11)? En wat is de tong een wereld der ongerechtigheid ; door haar loven wij God en den Vader en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn ! Dit moet alzo niet geschieden (Jac. 3 : 6, Q, 10)! intussen, wat slapen er niet al Kaïns en Overpriesters in een klein mensenhart! Hoe voorzichtig moet de rechtvaardige treden, die den naaste van zijn verkeerde weg af zoekt te brengen, hoe zacht moet hij spreken, opdat zij niet de één na den ander in woede ontsteken ! Zegt niet de mond der Waarheid, dat van binnen uit het hart der mensen allerlei doodslagen voortkomen (Matth. 15 : 19, vgl.

Mare. 7 : 21) ? — Ja, wat al heimelijke doodslagen komen er uit voort, en dat bij een christenvolk, doodslagen van haat en wrok, doodslagen uit wellust, uit toorn en gramschap, uit naijver en eerzucht, uit afgunst en broodnijd! Wat al doodslagen tussen broeders en zusters van één gezin,

wat al twist en krakeel om nietige dingen, waarbij de één den ander de dood toewenst! En hoe gaarne werpt de duivel zich tussen echtgenoten, tussen dat paar, eens door God in liefde en trouw verenigd om nooit te scheiden, en 't is voortdurend onenigheid, zodat de man van de vrouw denkt: was zij maar dood, dan nam ik die en die !, en de vrouw wederkerig den man de dood toe

wenst ! En wat al zelfverwoesting en zelfmoord uit begeerlijkheid, en wat worden er al bloemi'n vertreden uit haat en nijd, en wat al trainen uitgeperst, wat al levens uitgedoofd uit baatzucht of uit liefde tot de leugen en ongerechtigheid ! Zal men ook uit eigen kracht het vuur vrn toorn, twist en krakeel blussen ? Alle wraakgierigheid afleggen ? Zijn vijand goed doen ? Hoe menigeen hoorde ik zuchten : „Mijn God, ik zou het gaarne willen, ik zou gaarne willen vergeven en vergeten, maar ik kan niet, ik kan niet!" En toch is het zo liefelijk, zo gelukkigmakend, alles te bedekken, zijn vijanden lief te hebben, hun in het verborgen goed te doen met de ootmoedige belijdenis: „Ook ik was eens zo verkeerd en ben het nog zo vaak; ook ik, o mijn God, weerstond eens Uw waarheid. Uw bestraffing, Uw vrije genade, maar Gij zijt mij met Uw liefde te sterk geworden, met liefde hebt Gij al mijn vijandschap overwonnen". O zeker, dat is een heerlijke oorlogvoering: te strijden met wapenen van geduld en liefde, zo den vijand meester te worden, daarvan keert men steeds als overwinnaar terug. Maar, maar :

Waarheen ik mij ook wende of keer', 'k Zie niets dan zonde en onmacht. Heer!

O, wat wordt er van ons, zo niet deHeereZijn doorboorde Hand met almacht aan de wortel des doodslags legt! En nu de keuze ! Ja, het volk koos Barabbas ! Maar kiest gij, jongeman, kiest gij, jongedochter, uit uzelf den Heere Jezus, Zijn Woord, Zijn goed gebod, de vvil van uw ouders, de wil van hen, die over u gesteld zijn, of uw eigen wil, romans en andere ziel- en zinverdervende boeken en uw eigen lust ? Waarom doet gij niet de goede keuze, den Koning Jezus voor uw hart en wandel, een keus, die zo gelukkig, die vrij en blij maakt?

En ook gij volwassene, wat is uw keuze, als gij aan uzelf overgelaten blijft ? Veel liever Barabbas, zeide het volk ! Van nature kiezen wij allen veel liever den moordenaar van lichaam en ziel, de zonde, de wereld, de wellust, de wil der zondige mensen en des duivels! Waar is voorts van nature die vastheid van karakter, waarbij men liever alles verliest, vooral om der wille van God en de waarheid, dan niet in de bres te blijven staan voor de rechtvaardige, maar door allen prijs gegeven onschuld?

Intussen staat er geschreven : Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hete[een éf geschreven staat in het boek der Wet, dat hij dat doe. Hoe komen wij vrij van deze vloek en hoe komen wij los uit onze gevangenis van zonde en dood ? Nog sterker dan het hels geschreeuw, dat toen ten hemel steeg: „Kruis hem, kruis hem!", is het geschreeuw der stemmen in het ontwaakt geweten bij ieder, die zich schuldig gevoelt aan de overtreding niet alleen van het zesde gebod, maar van alle geboden Gods. Hoe komt een

maar van alle geboden Gods. Hoe komt een rebel tegen Gods Wet en gebod, een verrader en moordenaar van God, van zijn Heiland, van zichzelf en van zijn naaste, vrij, zo er geen geroep in de hemel is : „Laat dezen los, laat hem vrij !" Zo men geen verzoenden God en genadigen Vader voor zijn hart gevonden heeft? Maar, o wonder van vrije genade!, in de plaats van een rebel tegen God en een moordenaar van zichzelf en zijn naaste kwam op het Paasfeest Hij, van Wien Pilatus tot driemaal toe getuigde : „Ik vind geen schuld in hem!" „God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, haar zonden haar niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd.... Dien, die geen zonde gekend (volstrekt niet gekend) heeft, heeft 44 Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem" (2 Cor. 5 : 19—21). Hij, die geen zonde gekend heeft, is door God gemaakt, alsof Hij de zonde, de rebellie tegen God, de doodslag in eigen persoon was! „De Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen" (Jes. 53 : 6). „De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jes. 53 : 5). En als zodanig moest Hij aan het hout des kruises. Hij rechtvaardig voor de onrechlvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen (I Petr. 3 : 18). Door Zijn dood aan het kruis, zegt de gelovige, ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft, omdat de dood des kruises van God vervloekt was (Heidelb. Cat. a. 39, Gal. 3 : 13).

Zo blijkt in de hoogste menselijke onrechtvaardigheid, waarmee geroepen werd : „Kruis hem, kruis hem !" de rechtvaardigheid Gods, als Hij ons, Barabbassen, vrij heenzendt en Zijn eigen, heilig Kind Jezus laat kruisigen; als Hij Hem onze zonden en straf laat dragen, onze schuld laat betalen, ons de zonden vergeeft en ons het recht geeft op het eeuwige leven.

Of, Jezus betaalt en aan Gods onkreukbaar recht is voldaan en wij kiezen Jezus tot onzen Heer, tot onzen Christus en Koning, öf wij sterven, sterven de eeuwige dood. Waarmee zouden wij onze opstand tegen God, tegen Zijn vrije genade, weg en wet; waarmee al onze moorddadige gedachten en handelingen van haat en nijd, van toorn en wraakgierigheid, van het achterwege laten van de liefde tot onzen naaste en tot onze vijanden, ook ooit kunnen goed maken ?

Een heimelijke doodslag is een doodslag, en het vergoten bloed roept! Maar daartegen roept nu een ander bloed, dat roept sterker. Belijden wij onze schuld, belijden wij, dat wij de eeuwige dood en alle helse folteringen en eeuwige smaad verdiend hebben, dan horen wij de Evangeliestemmen roepen : „Laat Barabbas los!," dan horen wij, hoe God de Vader ons genadig is en tot Jezus zegt: „dat hij in het verderf niet nederdale. Ik heb verzoening gevonden" (Job. 33 : 23, 24). Zo rust de vrijlating en zaligheid der uitverkorenen

Zo rust de vrijlating en zaligheid der uitverkorenen op een eeuwige rechtsgrond. God is en blijft rechtvaardig, als Hij niet straft, waar men zijn schuld betreurt; als Hij de zonde vergeeft, waar men van nu aan Jezus kiest, Jezus kiest tot zijn enigen Middelaar, tot zijn algenoegzamen Zoenborg, tot zijn Profeet, Priester en Koning, tot zijn Zondendelger en Heiligmaker, tot zijn Heer en tot zijn God. God, die rechtvaardige Rechter, vordert van de Zijnen de betaling niet tweemaal.

Jezus aan het kruis brengt volkomen betaling. Jezus aan het kruis is geheel zonde gemaakt, zo hebben wij, die tot Hem de toevlucht nemen, in Hem alle gerechtigheid. Jezus aan het kruis, vastgenageld aan handen en voeten, is ons, die vóór God belijden Barabbassen te zijn, Borg voor onze eeuwige vrijlating. Jezus aan het kruis is geheel een vloek voor ons, zo is voor ons in Hem alle zegen. Ik houd u voor het leven en de dood, dezegen en de vloek, kiest! O, kiezen wij Hem, kiezen wij Jezus. Laat ons Barabbassen het met een dankbaar gemoed belijden, dat wij onze bevrijding van Godswege aan Jezus onzen Heer te danken hebben. O, kiezen wij Jezus, en dat zullen de zegeningen zijn, waarmee wij in Hem .gezegend worden, dat Ood onze God en onze Vader, Jezus onze trouwe Borg is en ons Zijn broeders noemt en dat Hij ons Zijn Geest tot een eeuwigen Trooster schenkt en ons laat smaken de zekerheid onzer zaligheid. Ja, dat is Zijn zegen, dat er geen beschuldiging

Ja, dat is Zijn zegen, dat er geen beschuldiging tegen Zijn Barabbassen kan ingebracht worden. — Hij heeft de beschuldiging van rebellie en verleiding, dat is zielenmoord, geleden, om alle beschuldiging, waarmee Zijn volk Hem beschuldigd heeft, te verzoenen en het Zijn gelovig volk in hart en mond te leggen : „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ?" (Rom. 8 : 33). Hij heeft de onrechtvaardige gewoonten Zijns volks verzoend en leert hun nu vorstelijke gewoonten, vorstelijke manieren, vorstelijkegangen in de schoenen en verwerft hun koninklijke, zalige voorrechten, waar geen kwaad in steekt.

Dat is Jezus' zegen, dat wij, nadat Hij gekastijd is, gekastijd worden met mate, opdat wij niet verworpen worden, maar Gods heiligheid deelachtig worden (Hebr. 12 : 10). Hij droeg de nijd, de haat en wrok der mensen en de toorn Oods, opdat de Zijnen gunst bij God, bij engelen en gezaligden zouden vinden, in die gunst zouden blijven en voor eeuwige toorn, nijd en haat en wrok van duivelen en mensen bij Hem verberging zouden hebben. — Jezus liet Zich verwerpen om te verzoenen, dat wij Hem en Zijn Vader verwierpen en nog zo vaak verwerpen, en Hij verwierf het doen der goede keuze: dat wij Jezus kiezen en in waarheid zeggen : „Als ik U maar heb, dan vraag ik noch naar hemel, noch naar aarde", en getroost zeggen : „Ik laat Jezus nimmer gaan".

Die Joden, die later, toen het apostolische woord tot hen kwam, halsstarrig bleven en weigerden alsnog Jezus te kiezen, werden naderhand in hun stad als in een gevangenis opgesloten, om alle verschrikkingen van een belegering uit te staan, zoals nooit weer een stad die uitstond.

Josephus, de geschiedschrijver, verhaalt, dat de torenwachters, zo dikwijls als zij doorde Romeinen een alles verpletterende steen in de stad zagen werpen, luid in de stad schreeuwden : „Bar-ba", d. i. „de Zoon komt". Zo herhaalde zich dat geschreeuw, eens op het Paasfeest vernomen, in al zijn verschrikkelijkheid. Het was te laat — de Zoon was gekomen ten gerichte (Matth. 24 : 30, 26: 64). Allen, die niet omkwamen door oproer, pest en zwaard, werden in slavernij weggevoerd. Enzobleven zij in hun gevangenis tot op deze dag. Wie, die de wereld en de zonde, de moedwil des vleses in plaats van Jezus kiest, zal voor Hem bestaan in de ure des doods ? wie, tegen die dag, als de Zoon komt met de wolken des hemels om een rechtvaardig gericht te houden ? O, zien wij dien Barabbas nog eens goed aan. Wat zullen wij zeggen ? Waarmee ons verontschuldigen ?

Wie van ons zal zich beroemen. Dat hij instaat voor zijn lot ? Wie van ons op onschuld roemen Buiten d' onschuld van een' God ?

O, zien wij nu en alle dagen, die wij nog leven, ook als het oog breekt, op Jezus, onzen Vrijmaker van eeuwige straf, van eeuwige dood — op Jezus, onzen Koning, onzen enigen Zaligmaker, dien enig-Rechtvaardige, dien enig-Heilige !

Sluiten wij met deze belijdenis en bede : „Ik ben Barabbas, een zoon mijns vaders. Mijn God, ik wil U de waarheid belijden, U zeggen, zo als ik mij bevind : Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren ; verlos mij van bloedschulden, o God, Gij Ood mijns heiis! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen. Mijn God, ik was des duivels Barabbas, en Gij zocht mij in mijn gevangenis op en verklaardet mij vrij en leiddet mij vrij uit, door eeuwige genade. Dat ik losgekomen ben en loskom, dat is door Uw Barabbas, Uw enig, eeuwig, heilig Kind, Uw eengeboren Zoon. — Mijn Heiland aan het kruis en ik om niet vrij -- eeuwig vrij!"

O, er is nog hoop voor een groot zondaar, voor den grootste der zondaren, een weg van ontkoming, een verlossing, nooit gedacht, nooit verwacht! AMEN.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 maart 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's

Bar-Abbas of Jezus Christus.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 17 maart 1951

Kerkblaadje | 8 Pagina's