Hermann Friedrich Kohlbrugge, (Geboren 15 Aug. 1803 te Amsterdam, overleden 5 Maart 1875 te Elberfeld).
„Bekend en onbekend is hij door de wereld gegaan, een verleider en ketter en toch waarachtig, door God Zelf bedekt en verborgen gehouden, zodat slechts zij hem vonden, die hem moesten vinden, maar alle anderen zich in zijn nabijheid de vleugels verbrandden, nu eens niets met hem wisten aan te vangen en zich aan hem stootten, dan weer hem geheel en al verwierpen, als ware hij niets, met het woord: „Hoe heet die daar toch ?" — maar hij blijft de grootste theoloog, dien de Hervormde Kerk in Duitsland en Holland sedert de Hervorming heeft gehad . . . .", met deze woorden besluit .4. ZaA« zijn „Herinneringen aan Dr Kohlbrugge" ^).
Wie dit leest, zal misschien een ogenblik verwonderd opzien om tenslotte de wens te koesteren, dezen buitengewonen man, die met recht een originele persoonlijkheid in het Koninkrijk der hemelen genoemd is, in zijn geschriften te ontmoeten. Zo'n ontmoeting zou in elk geval een gebeurtenis zijn, die — zowel op den enkeling, als op de gehele Evangelische Kerk van ons vaderland niet zonder blijvende invloed zou kunnen zijn ; want „nooit is op een kansel van Duitsland nè Luther zó de mens verootmoedigd en zó alleen God 1) Evangelisch-Refortnierte Kirchenzeitung, 25e Jaarg., 1875, blz. 201-206; 289-297. verheerlijkt; nooit heeft zich zo'n diepe kennis van het menselijk hart en van de goedgunstigheid en vriendelijkheid van God voor de mensen geopenbaard" -).
Ik heb elders slechts kunnen aanduiden, dat Kohlbrugge zich reeds in zijn jonge jaren door een merkwaardig gezicht door God geroepen wist, een dienaar van Zijn Woord en een betrouwbare herder van Zijn kudde te worden ^). Hier mogen nu zijn eigen woorden een plaats vinden, die hij bij zijn 25-jarig ambtsjubileum als predikant bij de Nederlands-Gereformeerde Gemeente te Elberfeld, tot de jeugd heeft gericht: „Toen ik zes a zeven jaar oud was, leidde een onzichtbare hand mij in een droom op een zeer hoge berg.
Wonderschoon was Hij, die mij leidde, zo groot als een mens, maar Hij werd al groter en groter, en ik ging zo dicht mogelijk naast Hem. Beneden in het dal zag ik paarlen en zeldzame kostbaarheden van allerlei aard, wat maar aantrekkelijk is voor de begeerlijkheden der jonkheid, om mij van mijn Leidsman weg te lokken ; doch ik versmaadde al deze helse heerlijkheid en pracht. Hoe liefelijk, hoe heerlijk evenwel de Man was, die mij leidde, kan ik niet uitspreken. . . .
Hoger en hoger werd ik gevoerd over vreselijke afgronden heen, en over de verschrikkelijke 2) t. a. p. blz. 294. — Ik maak hier in het bijzonder opmerkzaam op de beide artikelen van Rolf Eberhard: „Das homiletische Problem und die Predigt H. F. Kohlbrügges"en „Die theologische Existenz H. F. Kohlbrügges" in het maandblad „Evangelische Theologie", afl. 4 (Juli 1934) en afl. 11 (Febr. 1935). 3) In het tweemaandelijks tijdschrift „Die Furche", uitgegeven door Hans Lilje, 21e Jaarg., 2e afl. (Maart—April 1935), blz. 178 v.v. diepten werd ik heen gedragen, heel zacht en veilig, totdat ik in de hoogte op een uitgestrekte vlakie kwam, welke door een wonderschoon, heerlijk licht verlicht was. Daar zag ik een menigte schapen ; deze allen prezen en loofden God op de troon en het Lam. God zag ik niet met mijn ogen, maar het Lam zag ik, en, die mij leidde, was Zelf het Lam. — Toen ik deze schapen zo heerlijk hoorde zingen, vroeg ik: „Ik houd van deze schaapjes; wilt Gij mij niet zo'n schaap geven ?" Daarop antwoordde Hij: „Neen, nu niet, je bent nog te jong. Ik zal ze weiden. Maar wanneer je groot geworden bent, zal Ik je een menigte schapen toevertrouwen".
Dat was de droom, die ik had, en deze droom is nu in vervulling gegaan. De volgende nacht gevoelde ik mij ijskoud, en vóór mij stond een deftig heer. Hij vroeg mij of ik niet in zijn dienst wilde treden ; hij zou een geleerden doctor van mij maken ; daarbij beloofde hij mij een kostbaar juweel en liet mij twee zakken met dukaten zien. En toen hij vroeg: „Wat verlang je nog méér ?", antwoordde ik : „Niets anders, dan dat u mijn kamer verlaat, want vorige nacht heb ik mij aan een anderen heer verbonden. Ga weg!" Daarop heeft hij mij gezegd, dat hij mij mijn leven lang zou vervolgen, totdat hij mij om het leven zou hebben gebracht. Maar het is hem toch niet gelukt. God de Heere heeft mij naar Zijn belofte schapen gegeven. Hij heeft mij genade en ere gegeven" *).
Men zal ook in deze woorden een antwoord mogen horen op de vragen, hoe Kohlbrugge toch eigenlijk geleid is tot de theologie en ondanks alle chicanes, die hem in waarlijk niet geringe mate ten deel vielen, en ondanks een tweevoudige „excommunicatie" tot het ambt van herder en leraar, en wat in het bijzonder beschouwd moet worden als het „Kohlbruggiaans middelpunt", als kern en wezen van zijn theologie, die ik meen te kunnen karakteriseren als „Agnologie", d. w. z. als een leer, in wier middelpunt Hij staat, van Wien Johannes getuigt: „Zie, dat is het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt" *).
Overigens worden in de geschriften van Kohlbrugge een hele reeks van uitingen gevonden, waarmee wij een antwoord krijgen op de zojuist gestelde vragen. Ik heb enkele daarvan in verschillend verband weergegeven — in de biografische inleiding tot de kleine Duitse uitgave van uitgezochte familiebrieven (blz. 5 en 8) ^), in het artikel in het tweemaandelijks tijdschrift „Die Furche"van Maart-April 1Q35, blz. 17Q, eindelijk in het woord-vooraf van de in 1Q35 verschenen Nederlandse uitgave van uitgezochte brieven ') —
*) Q. W. Locher, Aus dem Leben und Wirken des Dr Herm. Friedr. Kohlbrugge, Elberfeld, z. j., blz. 6 v. •'"•) Vgl. noot 3. 6) „Lass dir an Meiner Gnade genügen . . ." (Furche- Bücherei, Bd. 4), Furche-Verlag, Berlin, z.j. 7) „Door Zijne wonden is ons genezing geworden". Brieven van Dr H. F. Kohlbrugge. H. Veenman en Zonen, Wageningen, 1935. en ik voeg er nu hier nog een getuigenis aan toe. Het is ontleend aan een overdenking „Op het feest van Christus' opstanding uit de doden" uit het jaar 1873, waarbij de text Matth. 27 : 62— 28 : 3 en Luk. 24 : 13—31 gevonden wordt: „Weet gij eigenlijk, hoe het komt, dat wij zulke dwazen zijn ? Wij weten, dat er een God is, en wij weten, dat er een opstanding is, dat er leven uit de dood is; maar waarom doen wij toch zo vaak, alsof er geen God was, die doodt en levend maakt en alles weer terecht brengt ? Ach, wij kunnen slechts vasthouden aan de dingen van dit leven en laten ons ter aarde werpen. En hoe traag van hart is toch de mens, om door te dringen tot de diepe bron der Schrift en te geloven wat geschreven staat! Ik heb u vroeger wel eens bij een bepaalde gelegenheid verteld, hoe ik reeds als kleine jongen dit Evangelie zo graag hoorde**) en dan telkens bij mijzelf dacht: Ach, had ik er toen toch maar bij tegenwoordig kunnen zijn om te horen, hoe de Heere dezen beiden discipelen Mozes en de Profeten uitlegde! —
Nu, Hij heeft mij mijn wens en mijn bede in vervulling doen gaan. Ik was niet bestemd voor de studie in de theologie en toch wilde ik zo graag studeren om door te dringen tot de diepe bron en water te scheppen, en ik heb het gevonden, zonder wegwijzer, in grote nood, toen ik dorstte naar het water uit de fontein des levens"'').
Hier is de verborgen grond aangewezen, waaruit alle echte en alleen geloofwaardige verkondiging zegevierend te voorschijn komt zoals het licht in de vroege morgen uit de donkere schoot van de nacht met zijn duizend onzekerheden en van nood vervulde vragen. Kohlbrugge is geleid op de weg van alle heiligen. Dat is de weg, die uitloopt op de dorheid en eenzaamheid der woestijn, waar het ervaren, doorgemaakt wordt: „Het valt moeilijk, zonde te zien en genade te geloven, als het ware zonder God voort te lopen en nochtans te weten: ik heb een genadigen God in de hemel". Het is de weg, waarop iemand eerst wel zegt:
Het is de weg, waarop iemand eerst wel zegt: „Ik moet geloven !" en „Ik begeer te geloven", om daarna te belijden: „Ik kan niet geloven" en eindelijk bij God aan te houden : „Wees mij genadig!" Het is de weg, waarop Kohlbrugge zelf is geleid en waarvan hij, toen hij eens Hebreen 12 : 11 predikte'"), heeft gezegd: „God leidt Zijn heiligen wonderbaar. Altijd heel anders dan zij het zich hebben voorgesteld. Zijn weg met hen gaat door de diepe zee. Belooft Hij hun het licht, dan maakt Hij alles duister; belooft Hij hun hulp, dan wordt elk steunsel verbroken;
8) Bedoeld zijn de woorden Luk. 24 : 13—31. '•) Amsterdamsch Zondagsblad 1894 blz. 89. 10) Ik zeg niet: toen hij over Hebr. 12 : 11 predikte! Het is juist, wat W. Buitkamp heeft opgemerkt: „Kohlbrugge predikte nooit over een text, doch hij predikte steeds de text. ... Hij wil in de prediking niet zeggen, wat hij voor zich over de text denkt, doch wat God met dit woord tot de Gemeente wil zeggen" (W. Buitkamp, Die theologische Bedeutung Kohlbrügges für unsre Zeit, Reformierte Kirchenzeitung, 76e Jaarg., 1926, nr. 35—37. belooft Hij de vrede, dan w^ordt de ziel in ons, ach, hoe onrustig! Belooft Hij de zegen, dan schijnen alle vervloekingen op ons neer te komen ; belooft Hij eer, dan moet men luide uitroepen : „Laat mij niet beschaamd worden !" of: „Onze ziel is van verachting zeer vervuld !" (Ps. 123 : 3).
Belooft Hij genade, dan schijnt Hij Zijn toorn over ons te hebben uitgegoten ; belooft Hij heiliging, dan begint de zonde als nooit tevoren in ons te woeden ; belooft Hij leven, dan gaat het alles de dood in, dan zien wij alles in een graf begraven. Waar Hij wil bouwen, daar breekt Hij af; waar Hij wil planten, daar roeit Hij uit; waar Hij wil oprichten, daar keert Hij om ; waar Hij wil troosten, daar maakt Hij zielsbedroefd ; waar Hij wil vervullen, daar maakt Hij leeg; wien Hij in de hoogte wil opheffen, dien voert Hij in de diepte; wanneer Hij ergens Zijn intrek wil nemen en blijven, dan houdt Hij Zich verborgen en trekt weg; waar Hij Zijn liefde wil tonen, daar schijnt Hij heel hard en liefdeloos te zijn ; en Hij verwondt diep, waar Hij wil genezen" "). Ik zeg nog eens : deze woorden zijn de uitdruk
Ik zeg nog eens : deze woorden zijn de uitdrukking voor datgene wat Kohlbrugge aan den lijve te ondervinden gekregen en naar de ziel smartelijk doorgemaakt heeft. Hier is niets, maar ook in het geheel niets van holle rhetoriek(welsprekendheid); maar hier is alles vanuit de ervaring gesproken, getuigenis f Zó heeft Ood aan hem als aan Zijn dienstknecht gehandeld naar Zijn Woord (Sirach 2:1!) Een aangevochtene is Kohlbrugge geweest, een „be-zochte", een „aangegrepene", iemand, wiens gedachten God telkens weer alle zeer genadig heeft door-kruist, iemand, wiens plannen telkens weer geen waarde mochten hebben naar de wil van Hem, die „getrouw en waarachtig" heet, en al zijn plannen telkens weer heeft uitgewist, zoals de onderwijzer dat doet met de onjuiste aantekeningen op de lei van den leerling. „Het leven uit Ood is geen rekensom" — wie de
„Het leven uit Ood is geen rekensom" — wie de levensgeschiedenis van Kohlbrugge ook maareen weinig kent, weet, wat in en met deze korte zin is gezegd ! Dit is gezegd, wat Wichelhaus „de ervaringen van een man" heeft genoemd, „die alles prijsgegeven en geprobeerd heeft, heilig te worden, de zonde te bedwingen enz., maar die het heeft leren verstaan, dat uit het vlees de Geest, uit de bittere bron van de dood het leven niet te voorschijn komt" ^-), en die onder zulke ervaringen werd gemaakt tot een „hater van zichzelf" in de zin, waarin Martin Kahler dit woord eens
11) Men wordt bij deze woorden zeer sterk herinnerd aan vele plaatsen in de geschriften van Luther, en ik maak hier een vergelijking met slechts één van zijn woorden, waarmee hij over God spreekt als over Dengene, „die dan het meest gedachtig is, wanneer Hij schijnt te vergeten, en dan het meest bezoekt, wanneer Hij schijnt te verlaten" (In de verklaringen van de Brief aan de Hebreen, uitgegeven door Joh. Ficker • Anfange reformatorischer Bibelauslegung, 2e deel, blz. 18).
1-) „Der Herr der Herrlichkeit. Aus Briefen von Johannes Wichelhaus (Furche-Bücherei, Bd. 16). Furche-Verlag, Berlin, z.j., blz. 23. heeft gebruikt: „Tot iemand, die van zichzelf verlost is, tot een gekochte" ''). Nadat God hem had „beroofd van alle vroeger geestelijk-zijn" en hem er toe had gebracht, het „op te geven, ooit weer vroom te worden", was hij de bekeerde, die zich, omdat hij met den bekeerden Paulus Romeinen 7 : 14 moest erkennen als het oordeel over zichzelf, alleen nog aan het oordelende en in het oordeel genadig helpende, reddende Woord Gods kon vasthouden, om voortaan „een bedelaar te blijven aan de troon van Zijn genade, om te bedelen om een weinig en om niet meer dan een weinig genade, licht, troost en kracht, om opzijn weg verder te komen". Hierbij zijn hem woorden als die uit Jesaja 38 : 17, 52 : 3 en 54 : 10 bijzonder ter harte gegaan. Zij bleven de enige grond der dankbaarheid, waarin hij deed wat zijn plicht was volgens de opdracht, die de Heere aan Zijn knechten gegeven heeft naar Jesaja 40 : 1 v. v. Kohlbrugge was een echte „Barnabas", een „zoon der vertroosting" (Hand. 4 : 36), iemand, die steeds putte uit de volheid der Schrift, waarin hij van jongs af aan thuis was, die hij als slechts zeer weinigen kende, waaruit hij steeds het rechte woord ter rechter tijd bij de hand had, om het als kind van een groten, machtigen en rijken
Koning door te geven aan allen, die het wilden horen en aannemen, om te bestraffen en te vertroosten : om te bestraffen alle zelfverzekerden en hovaardigen, die zich tegen de vrije en vrijblijvende genade verzetten, om „op het moeras van eigen verborgen begeerten en strevingen te bouwen en door eigen werken afschuwelijke en gruwelijke dingen bij Ood goed te maken" en — in plaats van te vertrouwen op het algenoegzame Woord Gods en Zijn onomstotelijke beloften en te geloven op hoop daar, waar niets te hopen is — de werken van het vrome vlees te houden voor een Gode-welgevallige dienst; om evenwei te vertroosten allen, die in zichzelf geheel troosteloos zijn geworden en — nadat zij gekomen zijn aan het eind van al hun „mogelijkheden" — moeten belijden, dat het met hen gedaan is en
moeten belijden, dat het met hen gedaan is en dat niet zij het zijn, die het heil bewerken, doch dat een Ander het heeft bewerkt: Hij, dien Luther het „fac totum in omnibus" (de spil waarom alles draait) heeft genoemd, Jezus Christus. „O, welk een dierbare waarheid ! Ja, het is met den mens geheel en al gedaan, het is met het vlees gedaan; al zijn gerechtigheid heeft in het geheel geen waarde meer; al zijn zonden hebben niets meer te betekenen. Het is met den duivel en met zijn macht, de dood, geheel en al gedaan ; en al zijn list en geweld, zijn woeden en doden kan niets meer uitrichten, wordt ook in het geheel niet meer in rekening gebracht bij een eeuwige heerlijkheid ; want de grote en almachtige, de sterke Ood heeft Zijn eer terug, heeft Zijn waarheid, hef geloof aan Hem verheerlijkt. Ons leven, ons
IS) Martin Kahler, Theologe und Christ — Erinnerungen und Bekenntnisse, uitgegeven door Anna Kahler, Furche- Verlag, Berlin, 1926, blz. 260. doen en drijven heeft in hel geheel geen waarde meer. Alles, alles in de hemel en op de aarde en in de afgronden der hel, alle machten hier en in de lucht en daar boven, het moet zich alles bewegen volgens de bevelen, die het bloed geeft tot welzijn van al Zijn verlosten en gelovigen. Want nadat dit bloed vergoten is, staat alles heel anders in de hemel en op de aarde, dan het tevoren stond. Had de duivel met den mens alles, wat Ood gemaakt heeft, verdraaid, bedorven en als het ware vernietigd — opnieuw geschapen, geheel hersteld, in orde gebracht naar eeuwigen Geest, dit alles, alles heeft het bloed gedaan aan het hout des kruises, en gedaan is het met ons bloed ....'•
„ ... Is het evenwel het bloed alleen, wat baart uw heiligheid of uw zonde u dan zorg ? Laat aan het bloed zijn waarde, aan het Lam Zijn heerschappij, en gij zult rein zijn in een reinheid, waarvan de engelen op die wijze niets verstaan". „Laat echter niemand zich in zelfverheffing verheffen !" Waarom toch deze waarschuwing ? Antwoord: omdat „slechts één ding hem heeft kunnen verlossen, één ding hem ook volkomen verlost heeft — God met Zijn bloed!"
„Dood hier, strijd hier, oude zonden, nieuwe nood hier, tranen hier en allerlei tegenspoed hier, veel gebeds hier en allerlei aanvechting, of het wel waar is, maar nochtans: het kruis heeft de gouden roos, waaromheen alle engelen knielen, waarvoor alle duivelen op de vlucht gaan. En zij, die het Lam deze roos brengen, wie zijn dat ? Zondaren, nochtans rechtvaardigen; ellendigen, nochtans heerlijken ; weerloze schapen temidden der wolven. Waar komen zij vandaan ? Uit het hart Gods. Daarheen, daarheen ! Komt mee, komt mee ! Want de dageraad van het eeuwig rozenfeest vertoont zich reeds op de toppen der bergen ! Wee den vorst dezer wereld met zijn slangenzaad, maar wèl ons, die Hem verbeiden !" ^*) Is dat niet: recht gepredikt ? Is dat niet: op de rechte wijze verootmoedigd ? Is dat niet: op de rechte wijze vertroost ?
Wie in het bijzonder onderwezen wenst te worden aangaande „de Christologie bij H. F. Kohlbrugge", die grijpe vóór andere geschriften en naast de „Zeven preken over den profeet Jona" naar de drie afleveringen, die verschenen zijn onder de titel: „De tabernakel en zijn gereedschappen". Hier zal hij een nog niet overtroffen en tot op nader order ook wel nauwelijks te overtreffen uitlegger leren kennen, zonder met Niklas von Amsdorff de zorg te moeten koesferen, dat „de allegorie en de mysteriën ketters maken", of met Franz Overbeck tot het oordeel te moeten komen, dat een allegorische uitleg van de Heilige Schrift — „beschaamd en onbeschaamd" — als „acrobatenkunst" en „geestelijke grappenmakerij" verdient te worden afgedaan. Het is hier de plaats, te wijzen op het geschrift, dat Kohlbrugge geschreven heeft in de herfst van 1*) Uit een preek over Micha 4 : 8. 124 het jaar 1845, toen hij voor de tweede maal tot herstel van zijn gezondheid aan de Rijn vertoefde : „Waartoe het Oude Testament ? Leiddraad tot de juiste waardering van de boeken van Mozes en de Profeten" '•^), daarnaast op de inleiding, die onder het opschrift „Het Boek der Psalmen" voorafgaat aan zijn verklaringen van de Psalmen ").
Wanneer Luther geoordeeld heeft: „Dat is de juiste regel, dat iemand alle Psalmen hoort als uit de mond van Christus gesproken en deze Hem zó nazegt als een kind zijn vader nabidt. Hij kan ze Hem evenwel niet nabidden, tenzij hij Hem gelijkvormig is in de boete en in het lijden", dan is dat geheel in overeenstemming met de onderwijzing, die Kohlbrugge ons geeft: „Christus sprak deze woorden in David, zoals Hij ze nog spreekt in de harten van alle armen en ellendigen.
Maar niet zó, alsof David hierbij slechts een instrument is geweest, gelijk b.v. een levenloos ding, een pijp of een harp, maar Christus had Zijn Geest geschonken, die hem ook levend gemaakt heeft. Deze Geest was met Davids geest, en Davids geest was met den Heere. En in deze eenheid, waarin het in David leefde : „Niet ik, maar Oij'!", was het in hem voortdurend Christus, die in hem bad, streed en vocht, leed en worstelde, gerechtigheid oefende en de zege wegdroeg" •').
In het verband van deze en dergelijke gedachten verwondert het ons niet, dat Kohlbrugge er telkens weer de nadruk op heeft gelegd, dat wij in en met de Heilige Schrift, zo zeker als zij Heilige Schrift is, een ondeelbaar geheel vóór ons hebben : „Qods Woord geheel en al, van het eerste vers van het eerste Boek van Mozes af tot aan het laatste vers van de Openbaring van Johannes toe" ^*'). In de volstrektheid van zijn uitspraken en eisen is het het Woord, dat den gehelen mens wil hebben, dat overal veld wil winnen en alles doordringen om op alle gebieden des levens de alleenheerschappij te voeren. God doet, zo zeker als
heerschappij te voeren. God doet, zo zeker als Hij Qod is en niet een mens, en zo zeker als er buiten Hem geen Heiland is, in en met Zijn ondubbelzinnig Woord Zijn totalitaire aanspraak gelden, waartegenover de mens schuldig is, een silentium altissimum (een zeer diep stilzwijgen) in acht te nemen, indien hij zich niet schuldig wil maken tegenover God. — „Gods Woord komt niet tot u, opdat gij er een half of een heel uur door gesticht wordt; het is geen Woord voor de Zondag, maar een Woord om er naar te handelen en te wandelen !" Gods Woord sterft niet; het is vóór alles en na alles, en daarom is dit het allerzekerste : „Gods Woord zal langer duren dan de perioden van de geschiedenis der
15) Kohlbrugge sprak niet van „Oud" en „Nieuw" Testament ; hij bediende zich van de Schriftuurlijke aanduiding „Mozes en de Profeten"; „Evangelisten en Apostelen"! 16) Schriftauslegungen, 20e afl., Elberfeld, 1921, blz. 1—21. 1') In een preek over Psalm 18 : 21—25. 1^) Vragen en Antwoorden tot ophelderingen bevestiging van de Heidelbergse Catechismus, blz. 3. machten". Daarom heeft Kohlbrugge zichzelf telkens weer bemoedigd met een „Vastgehouden aan het Woordl" en is niet moede geworden, den naaste toe te roepen : „Blijf bij het Woord, dan blijft gij, waar het IToö/-^ blijft!" Het Woord evenwel is hem allereerst Jezus Christus. „Naar Hem moeten wij uitzien, die met ogen van eeuwige ontferming op ons neerziet". „Hij is bij ons alle dagen, totdat wij naar huis gaan. Voor een anderen Jezus of Christus beware ons God!" DathhtX, wat Kohlbrugge voor onze aan-dacht brengt.
Het behoort tot de verrassingen, die den lezer van de geschriften van Kohlbrugge worden bereid, dat de uitleg van de bijbeltexten telkens gegeven wordt in de diepste geestelijke diepte. Dikwijle speurde de man, die een uitstekend kenner was van de oude talen, de woorden van de grondtext lange tijd na en beoefende aan de hand van de polyglotte vergelijkende taalstudiën om de „zin" van een enkel woord recht te kunnen „vatten", correspondeerde bij gelegenheid ook wel met zijn „Timotheüs" Wichelhaus om bij voorbeeld de „betekenis" van den in Leviticus 16 driemaal voorkomenden „Azazel" vast te stellen.
De geleerden van onze dagen hebben aan dit woord veel gissingen vastgeknoopt en „gevonden", dat het „een in het rituaal van de verzoendag voorkomende uitdrukking van onbekende (') betekenis" is. En het klinkt ons gewoonweg als een grap in de oren, wanneer ons onthuld wordt, dat dit zonderlinge woord „waarschijnlijk een in de woestijn wonenden bozen geest (!) aanduidt". Men had zich allang door Kohlbrugge kunnen laten onderrichten, dat de Septuaginta „apopompaios" hebben vertaald en de Vulgata „emissarius" schrijft. „De weggaande bok" luidt de uitdrukking in het Nederlands en is dus niets anders dan de heenwijzing naar „het Lam Gods, dat de zonde der wereld weg-drazgi" ! Kohlbrugge's „Overdenking van het eerste Hoofd
Kohlbrugge's „Overdenking van het eerste Hoofdstuk van het Evangelie naar Mattheüs" stelt alles in de schaduw, wat ik tot dusver heb gelezen over de verborgenheid van de vleeswording des Woords, en ik kan slechts herhalen : telkens wordt de uitleg gegeven in de diepste geestelijke diepte. Daarbij was het Kohlbrugge gegeven, met het oog van den discipel van Jezus de wereld in te kijken en ook in de kleinste en onaanzienlijkste dingen en voorvallen in de natuur een gelijkenis te zien. Hier worden ook de bij, de spin en de vogels tot leermeesters van den mens: „Er komt een bij gevlogen op een bloem. Een engel Gods heeft er honing ingelegd. De bij vraagt den engel toestemming om te drinken, en hij zegt: „Drink zoveel je maar wilt!" Het bijtje vraagt: „Wat ben ik schuldig?", en de engel glimlacht en zegt: „Daarvoor is het er immers ! Wil je mij evenwel een genoegen doen, welnu! ga dan naar het huis van den buurman en draag er iets van de honing naar toe!" Dat is het Evangelie!" — „Bij de hoop, het zékere verwachten van God, is geduld, en men blijft in de weg, die God gewezen heeft. Men gaat er niet uit weg, maar doet als de spin — honderdmaal wordt haar web vernield ; zodra het echter vernield is, herstelt zij het met groot geduld, terwijl zij let op de wind, die het haar mogelijk maakt, de draad op zijn plaats te brengen". — „In de vorm van een kruis vliegen de vogels naar boven !"
Tenslotte dient nog gedacht te worden aan een geschrift, waarnaar heden geluisterd moet worden als een beslissend en oordelend woord aan en over de Kerk: „Het ambt der ouderlingen of: hoe de heilige apostel Petrus als mede-ouderling de bisschoppen vermaant". Hierin heeft Kohlbrugge de Gemeenten met haar „bisschoppen", „ouderlingen" en „voorgangers" haar in het Woord Gods gegronde verplichtingen zó „ingeprent", dat alles, wat hier staat te lezen, zowel vóór honderd jaren, alsook heden geldt en daarom onze onverdeelde aandacht en meest nauwgezette opvolging verdient — in een tijd, waarin het „kerkelijk" leven over de gehele linie vervallen is aan een verwereldlijking, die nauwelijks meer overtroffen kan worden, en dus wel méér een dood dan een leven moet worden genoemd.
Midden in onze kerkelijke „ordeningen" dreunt de donder van het oordeel, wanneer wij het ons moeten laten zeggen : „Men heeft zich tevergeefs moeite gegeven, een Gemeente de helpende hand te bieden door wettelijke bepalingen. Slechts het Woord van Christus heerse, en ieder ouderling geve zich moeite, allereerst te doen en daarna te onderwijzen hetgeen het Woord zegt, dan gaat het met de ordening der Kerk als vanzelf, zodat zij er zal zijn overeenkomstig het apostolisch woord.
Waar het Woord regeert, daar regeert Christus Zelf als Koning en is wel tegenwoordig met Zijn majesteit, genade en Geest. Waar evenwel de mensen zich niet buigen onder het Woord en zelf willen regeren, daar worden zij door hun eigen organisatie doodgedrukt; daar is enkel en alleen gewetensverkrachting, twist, krakeel, tweedracht; en terwijl men boven aan het bouwen is, zakt het aan de onderkant weg, en het is van het begin tot het einde niets anders dan een torenbouw van Babel . . . ." „Allerwegen stelt men kunstmatige pogingen in
„Allerwegen stelt men kunstmatige pogingen in het werk om de sociale en kerkelijke nood te lenigen ; maar waar is het verstand, het inzicht, de erkenning, dat alleen de prediking : „Het gras is verdord, de bloem is afgevallen, maar het Woord des Heeren blijft eeuwiglijk" elke nood uit de weg ruimt of over elke nood heen helpt ? Zo tracht men ook de Kerk op allerlei manier de helpende hand te bieden. Er zijn er, die van een vaste (permanente) synodale- en consistoriale macht of van een opper-bisschoppelijke of andere opper-macht heil voor de Gemeente verwachten. Moest het hun niet in het geweten treffen, dat
Moest het hun niet in het geweten treffen, dat zij niet luisteren naar de vermaning van een apostel, die zo zachtmoedig een woord spreekt tot hun hart en de oorzaak aanwijst, wanneer het met de Kerk, zoals zij zeggen en klagen, slecht gesteld is?" 125 „ ... Is het met de Gemeente zover gekomen, dat zij Gods Woord prijs geeft en zich neerbuigt voor de afgoden, dan kan zij deze straf verwachten, dat zij door den Heere verkocht wordt onder de hand der mensen, ook komt zij niet weer vrij, tenzij zij zich weer tot het Woord bekeert en het eeuwig Evangelie aangrijpt". „ . . . Waar evenwel het oordeel begint bij het
„ . . . Waar evenwel het oordeel begint bij het huis Gods, zal het daar niet het allereerst de wachters treffen? Wat zal de Heer des huizes nu zulken wachters doen, die beginnen te eten en te drinken en de dienstknechten en dienstmaagden des Heeren te slaan ? Heeft Hij niet gezegd, dat Hij, wanneer Hij komt, hen in tweeën zat houwen ?"
Met deze drie grote, door Kohlbrugge gezette vraagtekens moge besloten worden. Zij zijn, op de juiste wijze verslaan, niets anders dan de vermaning om waakzaam en nuchter te zijn, de roepstem aan ons om te volharden tot het einde toe, niets te willen weten dan Jezus Christus, en wel den Gekruisigde, en in weerwil van allerlei lijden onze plicht te doen in de Kerk en voor de Kerk, „wier gehele nood voornamelijk hierin bestaat, dat men wèl gelooft in zijn eigen geest, maar niet in den Heiligen Geest".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 15 augustus 1953
Kerkblaadje | 8 Pagina's