Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De gemeenschap der heiligen *)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De gemeenschap der heiligen *)

19 minuten leestijd

Historische vragen

In het Credo van de Kerk, de twaalf artikelen van de geloofsbelijdenis, komen we ook de woorden tegen: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Deze woorden zijn geplaatst na het artikel over de Kerk.

Ten aanzien van de historische achtergronden rijzen er verschillende vragen. Wij weten, dat deze passage pas laat is opgenomen in het Credo: tussen 350 en 500. Het is moeilijk te zeggen, waarom het gebeurd is.

Veelal wordt de uitdrukking gezien als een nadere omschrijving van de Kerk. De Kerk, zo zegt men dan, is de gemeenschap van alle gelovigen, die naar het spraakgebruik van de Schrift als ,,heiligen" worden aangeduid.

Maar ook bij deze zienswijze zijn we ten aanzien van de uitleg van dit artikel niet uit alle vragen. Het is u wellicht bekend, dat er ook op dit punt een controverse bestaat tussen Rome en de Reformatie.

De roomse heiligenverering kreeg invloed op de uitleg van dit artikel. Op de achtergrond hiervan staat het schema van verdienste en genade. De heiligen worden bij Rome gezien als bijzondere mensen, die krachtens hun verdiensten tot steun zijn voor de strijdende kerk op aarde. Zij dragen door hun voorbede, door de schat van goede werken de arme zielen op aarde in hun strijd.

Luther heeft met deze opvatting radicaal ge-broken. Dat kon ook niet anders, toen hij, door de Schrift geleerd, ging verstaan, dat God goddelozen rechtvaardigt om niet. De heiligen zijn de Christgelovigen. Luther heeft, naar een woord van Karl Holl, de gemeenschap der heiligen van de hemel op aarde neergehaald.

Maar ook bij de reformatorische visie kan men de uitdrukking nog verschillend opvatten. Wat betekent de zinsnede: van de heiligen? Gaat het om de onderlinge gemeenschap van mensen (de sancti) ? Of is bedoeld de gemeenschap aan de heilige dingen (de sancta), waarbij men dan vooral dacht aan de sacramenten van doop en avondmaal?

Deze belijdenis vandaag

Wij roeren deze historische vragen slechts even aan, zonder ons hier al te zeer in te verdiepen. De vraag die ons hier bezighoudt is: wat betekent deze belijdenis voor de kerken vandaag.' Gemeenschap der heiligen: lijkt dit in een verbrokkelde kerk geen leus, die nergens op slaat? Enerzijds zien wij in onze tijd een oecumenisch streven zich breed maken, waarbij de waarheid wordt opgeofferd aan de eenheid en de subjectieve geloofsbeleving losgemaakt wordt van de inhoud van het geloof. Daarnaast komen we in aanraking met een griezelige verscheurdheid van kerken, die krachtens belijdenis en historie bijeen horen. Van de eenheid der Gereformeerde gezindte lijkt nauwelijks nog sprake.

Vaak is er nog wel een „beleefd contact", maar nog vaker leven we langs elkaar heen en leven we van eikaars fouten.

In de Gereformeerde kerken is een ontwikkeling gaande, waarbij verontrusten en progressieven tegenover elkaar staan, en men krijgt de indruk dat de oecumenische aandacht van de progressieven zich eerder richt op b.v. de roomse kerk, dan op de kerken van Gereformeerde gezindte.

In de Nederlandse Hervormde kerk is nog altijd het kerkelijk gezag van de belijdenis, de functionering van de reformatorische belijdenis, in het geding. Het is vurig te hopen, dat diegenen die de reformatorische belijdenis liefhebben, elkaar ook vinden en zich niet afsluiten in richtingsbolwerken.

In de vrijgemaakte Gereformeerde kerken is de problematiek niet minder groot. Allerlei groepen en gemeenten staan buiten het kerkverband. En de besprekingen tussen de Christelijke Gereformeerde kerk en de vrijgemaakten verlopen eveneens moeizaam.

Ook de „rechterflank" van de Gereformeerde gezindte vertoont al evenmin een opwekkend beeld. Allerlei „ontevredenen" zoeken hier vaak een kerkelijk onderdak. Terwijl anderzijds ook in deze sector de vragen van de moderne tijd aan de poort kloppen.

Dat alles heeft gevolgen, niet alleen voor de practijk van het kerkelijk leven, maar ook op het gebied van organisatie en politieke keuze. Wij noemen slechts als voorbeeld de ongelukkige ontwikkeling om tot een reformatorisch dagblad te komen. „Koers" en de stichting „Reformatorische Publicatie" opereren gescheiden. Dat alles moet ons met zorg vervullen. Zien we de verbrokkeling binnen de kerken der Reformatie, dan komt met klem de vraag op ons af: Is Christus gedeeld? Paulus stelde eens deze vraag aan de gemeente te Corinthe, waar zich allerlei partijen en groepen dreigden te vormen.

Is Christus gedeeld? Gaat die vraag voor ons leven, dan kunnen we ons niet rustig neerleggen bij de voortgaande verbrokkeling. Wat betekent het in dat licht te belijden: Ik

Wat betekent het in dat licht te belijden: Ik geloof de gemeenschap der heiligen?

De Heidelbergse Catechismus

Nu dienen wij niet te vergeten, dat het in dit artikel gaat om een geloofsbelijdenis. „Ik geloof de gemeenschap der heiligen". „Geloven is: door Gods ogen zien" (Oorthuys). Het geloof is ook hierin gericht op Christus, de Koning der Kerk.

Treffend is de omschrijving van dit geloofsartikel in de Heidelbergse Catechismus. In zondag 21 wordt op de vraag: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?, geantwoord: „Eerstelijk, dat alle en elk gelovige, als lidmaten aan de Here Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en tot zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden".

Uit dit antwoord blijkt, dat de Catechismus de gemeenschap der heiligen ziet als belofte en roeping, als gave en opgave.

Hier is een belangrijke beslissing gevallen. De verticale lijn, de band tussen Christus en Zijn gemeente, staat met nadruk voorop. Die volgorde is onomkeerbaar. De Catechismus vertolkt hier het getuigenis van de Schrift. Dat blijkt duidelijk, als we letten op het begrip „gemeenschap", zoals we dat in het Nieuwe Testament tegenkomen.

I Corinthe 1 : 9

Beter dan u een opsomming van teksten te geven, kiezen we een enkel centraal moment. In de eerste brief van Paulus aan de gemeente te Corinthe lezen we in het begin van hoofdstuk 1 een dankzegging over het werk van God in deze gemeente.

Dat is veelzeggend. Paulus schrijft aan een verdeelde gemeente. Een probleemgebied, zouden we zeggen. Toch begint de apostel met de dankzegging. Hij benadert de vragen niet vanuit menselijk vlak, maar vanuit het werk van de Drieënige God.

In allerlei analyses van het kerkelijk leven in onze tijd gaat men uit van een sociologische of maatschappelijke benadering. De gemeente wordt gezien als een sociologische gemeenschap, een maatschappelijke groepering.

Wij willen in geen geval de waarde van deze wetenschap betwisten. Maar wanneer we spreken over de gemeente van Christus, dienen we er terdege mee te rekenen dat de gemeente niet te meten is met sociologische categorieën. De gemeente van Christus is een pneumatische (geestelijke) werkelijkheid, voortgekomen uiten bewaard door het werk van God. Dat wordt, naar we vrezen, in allerlei beschouwingen over herstructurering en ambtelijke ordening al te zeer vergeten.

Aan het slot van de dankzegging in I Cor. 1 lezen wij: „God is getrouw, door wie gij geroepen zijt tot gemeenschap met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here" (vs. 9). Hier krijgen we een duidelijk antwoord op de vraag wat de Schrift verstaat onder de gemeenschap. Wij sluiten ons graag aan bij het uitnemende overzicht van ds. F. J. Pop in zijn boek Bijbelse woorden en hun geheim (blz. 223 v.V.).

a) Allereerst blijkt uit de tekst, dat de Corinthiërs voordat God hen riep niet behoorden tot de gemeenschap met Christus, maar door hun zonde en overtreding vervreemd zijn van het leven met God.

Het is God Zelf, Die het initiatief tot redding neemt en in Jezus Christus aan een verloren wereld de hand der gemeenschap reikt.

b) Tot die gemeenschap zijn de Corinthiërs gebracht, doordat zij geroepen zijn door de prediking van het Evangelie. Dat roepen is meer dan een mededeling. Dit roepen geschiedt met kracht. Gods Geest maakte de roeping krachtig in hun harten.

Zo zijn zij weggeroepen uit hun oude zondaarsbestaan binnen de lichtkring van het heil in Christus. In hun leven kwam het tot geloof en bekering.

c) Geroepen en toegebracht door Woord en Geest kregen de Corinthiërs deel aan alles wat in de vier namen die de apostel noemt besloten ligt: gemeenschap met Jezus Christus, Gods Zoon, onze Heer.

Door Hem zijn zij tot kinderen en erfgenamen aangenomen. Met Hem zijn zij gekruisigd, gestorven en begraven, om met Hem op te staan tot een nieuw leven. Romeinen 6 vormt hier de beste commentaar op.

De christenen in Corinthe kregen deel aan het messiaanse lijden, maar ontvingen ook het perspectief met Hem verheerlijkt te worden (vgl. Fil. 3 : 10, Col. 1 : 24, Rom. 8 : 17). Eenmaal zullen zij met Christus mogen heersen.

Zo zien we hoe deze gemeenschap ontzaglijke rijkdommen omvat. Deze band aan Christus betekent geen versmelting of vergoddelijking. Het is de gemeenschap door het geloof. Zo mag het gelden: „Ik leef, doch niet meer ik, Christus leeft in mij".

d) In de Doop ontvangen de gelovigen het teken en zegel van deze heilsweldaden. Denkt u maar weer aan de machtige prediking van Romeinen 6: Der zonde dood, maar Gode levend! En ook het andere sacrament, het Heilig Avondmaal komt in zicht. Want door Woord en Sacrament wil de Here deze gemeenschap ook onderhouden. Opdat de ranken door de verbinding met de wijnstok in Hem blijven en vrucht dragen (vgl. Joh. 15).

Het Heilig Avondmaal

In dit verband legt Paulus in de eerste Corinthebrief sterke nadruk op het Heilig Avondmaal. Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus. En de beker der dankzegging is de gemeenschap met het bloed van Christus. U moet deze geladen woorden niet misverstaan, als zou hier op roomse wijze een wezensverandering van brood en wijn geleerd worden of een soort voortzetting van Christus in de kerk. Het exegetisch onderzoek heeft uitgewezen, dat met „lichaam" en „bloed" bedoeld zijn het eenmaal in de dood overgegeven lichaam en het als zoenbloed vergoten bloed van Christus. De woorden herinneren aan de Avondmaals-instelling, zoals die in de evangeliën beschreven wordt. Het gaat om de vrijwillige zelfofferande in de dood. Gemeenschap met Christus' lichaam en bloed betekent, dat de gelovigen mogen delen in de door Christus voor Zijn gemeente gebrachte offerande, in de zegen en de vrucht van dit kruisoffer.

Het lichaam des Heren

In dit verband dienen we ook aandacht te geven aan de uitdrukking „lichaam van Christus", waarmee de apostel Paulus de nauwe band tussen Christus en Zijn gemeente aangeeft. Zo lezen we in Romeinen 12 : 4: „Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus".

"Vooral I Corinthe 12 dient hier genoemd te worden. Daar spreekt Paulus over de vele leden en functies van het lichaam, om daarmee toe te lichten de eenheid en verscheidenheid binnen de gemeente van Christus.

Volgens vele exegeten (uitleggers) herinnert het woordgebruik aan een fabel van een grieks auteur, Menenius Agrippa, die de gemeenschap in de samenleving vergelijkt met de samenhang tussen de verschillende lichaamsdelen.

Toch mag het ons niet ontgaan, dat de apostel deze beeldspraak gebruikt in het geheel van zijn prediking. Het gaat Paulus niet alleen om de gemeenschap

Het gaat Paulus niet alleen om de gemeenschap in het horizontale vlak. Wie de Schriftgegevens uitsluitend daarop betrekt, stelt de zaak te eenzijdig voor. De rijkdom in de uitdrukking „lichaam van Christus" komt dan niet tot zijn recht.

Primair gaat het Paulus om de levende gemeenschap met Christus door het geloof. De gelovigen zijn in Hem begrepen. Krachtens hun gemeenschappelijk toebehoren tot Hem vormen zij één lichaam. „Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook Christus" (I Cor. 12 : 12). Volgens prof. dr. H. N. Ridderbos hebben we hier te doen met een verkorte spreekwijze. „Zo ook Christus . . .": zakelijk bedoelt Paulus hetzelfde als in vers 27 (Gij nu zijt het lichaam van Christus).

Het lichaam-zijn van de gemeente leidt de apostel niet af uit haar eigen bestaan als gemeenschap, maar uit Christus. Hij heeft de Zijnen gekocht voor de dure prijs van Zijn bloed, en Hij heeft ze Zich toegeëigend. Hij doet hen delen in de gave van Zijn Geest.

De gelovigen vormen één lichaam, niet omdat zij primair leden van elkander zijn, maar omdat zij leden van Christus zijn, en zo één lichaam in Hem.

Christus, het Hoofd

Slaan we de brieven aan de Efeziërs en de Colossenzen op, dan krijgt dit alles nog meer relief. Paulus geeft in deze brieven een nadere uitwerking, een diepere ontvouwing van de in Romeinen 12 en I Corinthe 12 gebezigde uitdrukking.

In de brieven aan de Efeziërs en de Colossenzen wordt Christus bij herhaling het Hoofd van de gemeente, het Hoofd van het lichaam genoemd.

Dat onderstreept allereerst de machtspositie van de Here Jezus. Hij is met alle macht bekleed. Zo is Hij aan de gemeente als Zijn lichaam gegeven. Hij is het Hoofd van alle dingen. En de gemeente heeft in alles Hem naar de ogen te zien. Hij is haar Heer. In Hem heeft de gemeente ook haar oorsprong en ze is van Hem afhankelijk (vgl. Efeze 5 : 22v.v.).

Voorts ligt in deze uitdrukking opgesloten, dat alle geestelijke gaven in Christus als het Hoofd besloten liggen. Hij vervult de Zijnen, want Hij is de Behouder van het lichaam. Hij verzorgt, bewaart en beschermt de gemeente. Hij is het, Alle opbouw, alle geestelijke wasdom heeft de (Efeze 4 : llv.v.).

Alle opbouw, alle geestelijke wasdom heeft de gemeente dus te danken aan Christus. Hij vervult met gaven, opdat de gelovigen in Zijn gemeenschap mogen opwassen in de kennis en de genade van Christus, en vast mogen staan in het geloof. Hij woont in de gemeente door Zijn Geest. En de gemeente wordt aangespoord de Geest niet te bedroeven, maar te wandelen als navolgers Gods.

Opbouw in Christus

Wij menen, dat hier voor de practijk van ons kerkelijk leven enkele belangrijke dingen uit af te leiden zijn. Wanneer de gemeenschap der heiligen in het voetspoor van de Schrift allereerst te zien is als de gemeenschap met Christus door het geloof, dan betekent dit, dat de onderlinge gemeenschap er slechts kan zijn, als de band aan Christus een levende zaak is. Oecumenische acties, programma's en theorieën zullen ons niet uit het slop redden. Dat is ons diepste bezwaar tegen het huidige eenheidsstreven. Men gaat er zonder meer van uit, dat men één is in Christus, zonder deze gemeenschap aan de Schrift te toetsen. Via structuurverandering, intercommunie, oecumenische actie wil men naar de eenheid toegroeien. Zouden we niet veeleer aan de andere kant moeten beginnen: onszelf en anderen afvragend, hoe het gesteld is met de band aan Christus door het geloof in Hem?

Ook binnen de kerken van gereformeerde signatuur geldt hetzelfde. Wij zullen elkaar vinden als we ons niet vastbijten in theologische eenzijdigheden, maar meer en meer toegroeien naar Hem, Die het Hoofd der gemeente is, Christus. Nodig is bekering naar de Christus der Schriften toe. Dan zal de onderlinge eenheid ons als toegift geschonken worden. Wij hebben dicht bij het Woord te leven en gedurig weer ons onder dat Woord te stellen.

Wij zagen, hoe de gemeenschap met Christus onderhouden wordt door prediking, doop en avondmaal. Zijn de kanalen van de woorbediening en de sacramentsbediening verstopt, dan taant de gemeenschap.

Ligt hier niet een stuk nood van het kerkelijk leven? Velen willen de kerk maken tot een orgaan van sociale hervorming. Maar de gemeente is primair daar waar zij bijeen is rondom Woord en Sacrament.

Naar binnen of naar buiten?

In de discussie van de laatste tientallen jaren komt ook steeds weer de vraag naar voren: Moet de kerk naar binnen gericht zijn? Heeft zij haar bestaan voor God? Of is zij op de wereld gericht?

Velen zien de kerk als een functie van het apostolaat. De gemeente is er voor de wereld, zegt men. Het gevolg is veelal een wetticistische apostolaatsijver, waarin de gemeenteleden opgeroepen worden tot dienst, actie, revolutie.

Nu willen we niet voorbijzien, dat de Bijbel inderdaad nadruk legt op het gezonden-zijn in de wereld. Maar de gemeente is vóór alles lichaam van Christus. Zij is niet apostolaat, maar Zijn lichaam (H. Jonker). Zij leidt dus een eigen leven rondom Woord en Sacrament.

Dat betekent geen afzondering, geen clubjesgeest. Nee, juist wanneer wij beseffen hoe rijk .158 de gemeenschap is die de Here schenkt, juist dan zal de werfkracht het grootst zijn. Hoe meer de gemeente naar Christus toegroeit en leeft uit de rijkdom van Gods genade, des te meer weet zij zich geroepen en gesteld in de wereld.

De roeping

De gemeenschap der heiligen is dus geen belangengemeenschap, geen sympathiegemeente, geen clubje van gelijkgezinden, maar verbonden door het geloof in Christus. Dat is haar rijkdom. Maar het sluit ook de roeping in. De roeping tot onderlinge gemeenschapsbeoefening. Ook in dit opzicht bevat de Schrift verschillende gegevens, die vaak al te zeer verwaarloosd zijn.

a) Handelingen 2 en 4 geven ons het beeld van een gemeente, die zich ook gemeenschap weet. Het bezit diende om de niet-bezittenden te onderhouden. Het is verwarrend hier te spreken van socialisering en liefdescommunisme. Er is dienstbetoon aan elkander; een dienstbetoon, dat ingebed ligt in het geheel van de gemeente rondom Woord en Sacrament.

b) In Romeinen 15 : 26, 27 spoort Paulus de heidenchristenen aan, een handreiking (letterlijk: gemeenschap) te doen aan de christenen in Jeruzalem. De heidenchristenen delen in het heil, dat van Israël is uitgegaan. De zaligheid is uit de Joden. Uit Jeruzalem gaat de Thora uit. Omgekeerd mogen de heidenchristenen vanuit hun stoffelijke rijkdom geven aan de armen in Jeruzalem. Zie voor dit aspect ook II Cor. 8 en 9, waar Paulus vanuit het heilgeheim van Gods genade in Christus de collecte voor de armen aanbeveelt.

c) De gemeenteleden zijn leden van elkaar, hebben gaven ontvangen tot opbouw. In I Cor. 12— 14 gaat Paulus hier breed op in. In de gemeente van Corinthe werden bepaalde gaven verabsoluteerd, zoals de tongentaai. De charismata (genadegaven) dreigden te leiden tot hoogmoedige afzondering. Paulus verzet zich tegen dit hoogmoedig individualisme. Hij laat zien, dat de Heilige Geest verschillende gaven uitdeelt; dat deze gaven tot opbouw der gemeente dienen: dat de leden, elk met hun verschillende gaven, elkaar nodig hebben; dat de gaven slechts goed gebruikt worden, als de leden van het éne lichaam elkaar dienen in de liefde (vgl. I Cor. 13).

Daarom zijn misstanden rondom het Avondmaal zo ernstig. Hier staat alles op het spel. De gemeente viert Avondmaal op een onwaardige wijze. Zij onderscheidt niet het lichaam van Christus. Zij laat daardoor ook de splitsing toe en verbreekt de broederband. Het delen in het éne brood en het drinken van de éne beker heeft consequenties voor het leven van de broeders en zusters in het éne lichaam. Ons oude Avondmaalsformuüer werkt dit op een schone wijze uit.

d) Ook in Efeze 4 beklemtoont de apostel de eenheid des Geestes. Hij spoort de gemeenteleden aan, de eenheid des Geestes te bewaren. Geestelijk zelfbehagen, een kennis die opgeblazen maakt, toorn, bitterheid, afgunst verdragen zich niet met de nabijheid van Christus (Ef. 4 : 22v.v.). Wie de gemeenschap aantast, schendt het geheimenis van Christus. Daarom is de vermaning zo indringend om de Heilige Geest, Die verbindt aan Christus en elkander, niet te bedroeven.

e) De gemeenschap met elkander betekent ook de lijdensgemeenschap. Als één lid lijdt, lijden alle leden. Daarom wekt Paulus ook gedurig op tot gezamenlijke strijd. Tot voorbede voor elkander.

Zich schuldig weten

Deze beoefening van de gemeenschap is geen liefhebberij van mensen, die elkaar sympathiek gezind zijn. De Catechismus spreekt zelfs van een „zich schuldig weten".

Bij dit woord kijken we wellicht wat bedenkelijk. Klinkt dat niet wettisch? Maar hier is sprake van een eigensoortig „moeten". Een „moeten", dat tegelijk een „mogen" is.

Hier wordt geen nieuwe wet opgericht, maar het gebod komt te staan in het licht van de gave van Gods heil. Wij denken aan het getuigenis van I Johannes 4: „Indien God ons zó heeft liefgehad, zijn wij verschuldigd elkander lief te hebben". Het liefhebben van elkaar rust in de liefde van

Het liefhebben van elkaar rust in de liefde van God. Wie zegt God lief te hebben en zijn broeder haat, die heeft God niet gekend. Vanuit de overmacht van Gods liefde kan er alleen nog maar een beroep gedaan worden op de gemeenschap der liefde in het éne lichaam, in het samen lijden en vreugde hebben, in het verdragen van „sterken" en „zwakken", in de voorbede voor elkaar, in de zorg voor de armen.

In die gemeenschap kunnen er wondere dingen gebeuren. Paulus kan vanuit de gemeenschap met Christus heer en slaaf (Filemon en Onesimus!) aanspreken op hun beider verantwoordelijkheid en danken voor de liefdesbewijzen, die de Filippenzen hem bewezen hebben (Fil. 4).

Zo draagt deze gemeenschap concrete trekken. Gods genade wordt openbaar in de broederlijke liefde en aandacht. In dat licht mogen we ook het diaconaat van de kerk stellen. Functioneert het nog vanuit dit hart: de verbondenheid met Christus? Zo niet, dan is het op z'n hoogst goed-gestroomlijnd maatschappelijk werk.

Werfkracht

Een gemeente, die zó verbonden is met Christus en zich geroepen weet tot de dienst der liefde, heeft ook werfkracht. Dat blijft bij de buitenstaanders niet onopgemerkt. De eerste christengemeenten stonden wervend en winnend in de wereld, omdat de blijdschap des geloofs en de band der liefde indruk maakten.

Naarmate de gemeente leert verstaan, wat het is: lichaam van Christus te zijn, naar die mate is zij ook dienstbaar en gaat er wat van haar uit naar buiten. Wanneer verstaan wordt, wat het wil zeggen: van Christus te zijn, zal dat ook gevolgen hebben voor de zendingsroeping der gemeente.

Hier ligt voor ons allen een taak. Wordt de gemeenschap onderling nog beoefend? Nemen we elkaar mee in de verbondenheid van het éne belijden? Geven wij door, wat wij ontvangen? Zien we de ander in het licht van Christus?

Wij moeten — juist binnen de Gereformeerde gezindte — elkaar méér vasthouden en samen zoeken naar wat verbindt. Samen bezig zijn rondom de Schriften kan ook bewaren voor eenzijdigheden en apartheden.

Wat is het broodnodig, samen met alle heiligen te kennen de hoogte, breedte, lengte en diepte van de liefde van Christus!

Hier is elk hooghartig individualisme, elk kerkelijk zelfbehagen geoordeeld. Hoe nodig is voor elk onzer de doding van ons vrome, zelfgenoegzame vlees! Opdat Christus het leven van ons leven worde. Daartoe leide ons de Heilige Geest. Ons gebed zij gericht op de doorwerking van die Geest in het leven van onze gemeenten, opdat de gemeenschap in de verbondenheid met Christus gestalte krijge.

Dat bouwt op. Dat is wervend en winnend. Dan zullen we ook nü nog het wonder ervaren, waarvan Paulus spreekt in I Cor. 14, dat buitenstaanders in de gemeente Gods zich ter aarde werpen. God aanbidden en belijden, dat God inderdaad in ons midden is.


•) Referaat, op I mei 1971 gehouden te Utrecht op de conferentie van de Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge.

Dit artikel werd u aangeboden door: Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1971

Kerkblaadje | 8 Pagina's

De gemeenschap der heiligen *)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1971

Kerkblaadje | 8 Pagina's